Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Herfkens vraagt consensus voor nieuw ontwikkelingsdebat

Datum nieuwsfeit: 13-01-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

expostbus51


Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking


Consensus gebruiken voor nieuwe impuls aan ......

Minister Herfkens op nieuwjaarsreceptie Novib, 11 januari, te Den Haag:

Consensus gebruiken voor nieuwe impuls aan ontwikkelingsdebat

De kracht van particuliere ontwikkelingsorganisaties ligt in het ondersteunen van organisatievorming en mobilisatie van de armen en het afdwingen van politieke zeggenschap van onderop. Dat zei minister Herfkens maandag 11 januari op de nieuwjaarsreceptie van Novib. De rolverdeling tussen particuliere organisaties en de Nederlandse overheid is in de ontwikkelingssamenwerking nu niet altijd even duidelijk, De minister wil daar onder meer met de medefinancieringsorganisaties nieuwe afspraken over maken. Ze riep het maatschappelijk middenveld verder op een overlegstructuur in het leven te roepen, naast regering en parlement, waarin de afweging tussen nationaal belang en internationaal engagement op een verantwoorde en breed gedragen manier kan worden gemaakt. Zo kan optimaal gebruik worden gemaakt van de nieuwe consensus in het ontwikkelingsdebat, aldus de minister.
Hieronder volgt de integrale tekst van de toespraak van minister Herfkens.

Allereerst wil ik u bij Novib hartelijk danken dat u mij de gelegenheid geeft om, aan het begin van een nieuw jaar, een aantal dingen te zeggen over wat ik zie als de rol van de civil society in armoedebestrijding.
Ik wil daarbij een aantal kwesties de revue laten passeren:
1. Wat is de relatieve kracht van die civil society en wat zijn de beperkingen? ( Ik zal de engelse term in het vervolg van mijn verhaal overigens mijden en door elkaar spreken van maatschappelijk middenveld, of specifieker: particuliere ontwikkelingsorganisaties )
2. Hoe moet de relatie tussen particuliere organisaties en de overheid zich in mijn visie verder ontwikkelen? 3. Hoe ziet onze gezamenlijke agenda eruit en waar hebben we gescheiden verantwoordelijkheden?

Toen ik over deze vragen nadacht realiseerde ik me weer eens dat ik in allerlei verschillende rollen met het maatschappelijk middenveld op dit terrein te maken heb gehad. Er zijn weinig solidariteitscommitees waar ik niet lid of donateur van ben geweest; ik was zelf actief in de Latijns- Amerika beweging, in de Evert Vermeer Stichting en daarvoor al in de Commissie Ontwikkelingssamenwerking van de Ned. Raad van Kerken; als kamerlid kreeg ik te maken met de lobby van de derde wereldbeweging en soms ook met het ontbreken daarvan; als bewindvoerder bij de Wereldbank leerde ik naast de ontwikkelingsorganisaties ook de internationale milieubeweging beter kennen (niet altijd tot wederzijds genoegen overigens), als ambassadeur in Genève - waar ik Nederland onder meer in WTO en UNCTAD vertegenwoordigde - merkte ik (te weinig !) van het maatschappelijk middenveld - en sinds ik minister ben buig ik mij het hoofd over de potentie van een dynamische wisselwerking en taakverdeling tussen overheid en particuliere ontwikkelingsorganisaties.

Zo'n wisselwerking staat of valt met een helder inzicht in de sterke en relatief zwakke kanten van elke van de spelers op het middenveld.
Laat ik tenminste beginnen met nog eens vast te stellen dat de medefinancieringsorganisaties, die in het particuliere ontwikkelingswerk toch tot de meest prominente spelers behoren, als het gaat om armoedebestrijding, over onbetwist sterke kanten beschikken. En dan heb ik het niet zozeer over de in de literatuur vaak genoemde kleinschaligheid of de commitment van uw medewerkers. Kleinschaligheid is geen verdienste op zichzelf, en commitment kom je (gelukkig !) ook heel veel tegen bij de ambtenaren van het ministerie en de multilaterale hulporganisaites.

De comparatieve kracht van de Novib en vergelijkbare organisaties ligt mijns inziens primair in de aard van de particuliere hulpverlening en de visie op ontwikkeling in zijn algemeenheid. Armoedebestrijding is niet alleen een kwestie van materiële vooruitgang; het gaat ook om het bevorderen van emancipatie, om gelijke rechten voor mannen en vrouwen, om democratisering van de besluitvorming, om scheiding der machten en controle op die machten, om politieke pluriformiteit, etc.
Zo'n vorm van ontwikkeling - de enige vorm die kan beklijven - vraagt om een groot en divers scala aan maatschappelijke krachten, naast de staat: democratisch gekozen parlementen, onafhankelijke rekenkamers die toezien op de besteding van het overheidsgeld, een vrije pers die ongehinderd zijn werk kan doen en particuliere organisaties van de welke de armen hun eigen rechten kunnen bevechten.
Ontwikkeling is een kwestie van verwerving van rechten door degenen die van die rechten werden uitgesloten. Het zou een misvatting zijn te denken dat die rechten als het ware vanzelf wel door een rechtvaardige overheid zouden worden toegedeeld. Zo heeft het bij ons niet gewerkt en zo werkt het nu niet in ontwikkkelingslanden. Als een maatschappelijk middenveld ontbreekt, dan kunnen regeerders zich makkelijker minder gelegen laten liggen aan het landsbelang of de belangen van de minder bedeelden, en meer aan hun eigen portemonnee. Daar ligt
- bij empowerment- de grootste bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan armoedebestrijding: alleen als er een sterke civiele samenleving ontstaat kan er sprake zijn van duurzame armoedebestrijding en een ontwikkeling waar brede lagen in de bevolking van profiteren.

Andere in de literatuur genoemde voordelen van het particuliere hulpkanaal boven de bilaterale- of multilaterale hulp zijn grotendeels op deze op ontwikkeling terug te voeren, dan wel sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden of de specifieke taakopvatting die de hulpverlenende instantie - overheid of niet-overheid er op na houdt. Zo kan de afstand tussen donor en ontvanger in de particuliere hulpverlening kleiner zijn, maar kan ook een overheid, zoals de Nederlands heeft gedaan, die afstand door delegatie naar het veld in belangrijke mate verkleinen. En zo moet de gelijkwaardigheid tussen donor en ontvanger en de participatie van de doelgroep
- samen te vatten met de term ownership - die vaak wordt genoemd als voordeel van het particuliere kanaal - naar mijn overtuiging ook bij de hulp van regering tot regering leidraad zijn.

Wel wil ik nog een ander punt noemen waarin het maatschappelijk middenveld op het vlak van armoedebestrijding een onmiskenbare meerwaarde heeft. Dat punt heeft meer met 'hier' te maken:
De koppeling van het maatschappelijk middenveld hier aan particuliere ontwikkelingsorganisaties daar zorgt voor een structurele betrokkenheid van de burgers in het donor-land bij hun medeburgers in het ontwikkelingsland. Die betrokkenheid - die we meestal draagvlak noemen - is voor de armen in ontwikkelingslanden als een verzekeringspolis. Het beschermt ze, als het goed is, tegen de risico's van een grillige politieke of economische conjunctuur in de rijke landen en het werpt een buffer op tegen al te gemakkelijke bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking in tijden dat het slecht gaat. Die koppeling geeft bovendien de mogelijkheid om samenhang aan te brengen tussen armoedebestrijding daar en de daarmee samenhangende noodzaak tot beleidsveranderingen hier. Particuliere ontwikkelingsorganisaties die zichzelf en hun partners in ontwikkelingslanden serieus nemen kunnen niet anders dan zich voor dergelijke beleidsveranderingen inzetten. Dat is, als het goed is , de relatie tussen de projecten in het veld en de politieke lobby op het Binnenhof.

Dilemma's
De kracht van particuliere ontwikkelingsorganisaties zoals ik die in vogelvlucht schetste wordt op een aantal punten ondermijnd door een aantal ontwikkelingen die u dunkt me, op zijn minst voor een aantal dilemma's stellen. Ook daar wil ik terwille van het evenwicht even bij stil staan. Naarmate particuliere ontwikkelingsorganisaties groeien - zoals bijvoorbeeld de Nederlandse MFO's dat hebben gedaan - ligt net als bij overheden bureaucratie en logheid op de loer. Daardoor wordt de afstand tot de doelgroep groter en komen eigen institutionele belangen en een zeker conservatisme in het geding, zaken waar toen alles nog small en beautiful was, van werd gegruwd. Zo wordt je, als je niet oppast het slachtoffer van je eigen succes.
Datzelfde kan zich voordoen als MFO's zo goed met overheden samenwerken dat het ze steeds moeilijker valt zich als countervailing power tegenover die overheid op te stellen. Ook hier is dunkt me sprake van een dilemma: aan de ene kant erken je elkaars rol, respecteer je elkaars comparatieve voordelen en gun je elkaar de ruimte; aan de andere kant bergt een dergelijke harmonie op zijn minst het gevaar in zich er wederzijds onvoldoende kritisch naar elkaar wordt gekeken. De particuliere organisatie heeft geen belang bij confrontatie met de overheid, de overheid sluit de ogen voor de beperking waaraan het particuliere ontwikkelingswerk onderhevig is. De betrekkelijk uitbundige financiering van het particuliere werk door de overheid maakt de omhelzing waarin beiden elkaar gevangen houden nog eens extra klemmend.

Nou zal ik de laatste zijn om ervoor te pleiten dat we elkaar loslaten. Maar een beetje meer afstand op grond van een helder inzicht in de complementariteit van rollen zou dunkt me geen kwaad kunnen.

Laat me uitwerken wat ik bedoel en waar ik sta op de drie terreinen waar Novib actief is: hulp, draagvlak en lobby. Eerst de hulp.

Effectieve taakverdeling
Eén van de doeleinden van de concentratie van de bilaterale hulp in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, de hulp van overheid tot overheid, is het bereiken van een zo groot mogelijke mate van doeltreffendheid èn doelmatigheid. Ook als we voor andere kanalen kiezen staan die begrippen wat mij betreft centraal. Hulpgeld is schaars en wordt steeds schaarser en de armoede is onverminderd wijdverbreid en hardnekkig.
Het antwoord op de vraag hoe we wat wanneer en waar doen moet dan ook in belangrijke mate worden bepaald door overwegingen van effectiviteit en efficiëntie.
Ietwat denigrerend wordt in dit verband weleens gesproken over de verzakelijking van ontwikkelingssamenwerking. Met zo'n verzakelijking is niets mis! Integendeel! De hulp loopt terug: onze gulden moet steeds meer een daalder waard zijn! Maar ook los daarvan hebben wij de verantwoordelijkheid tegenover de armen daar en de belastingbetalers hier zo veel mogelijk 'waar' voor ons geld te verkrijgen. Die 'waar' is armoedevermindering! Solidariteit of caritas zijn op zich wellicht fraaie drijfveren, maar zij zijn op zichzelf nog geen voldoende garantie voor kwaliteit. Als het om
armoedebestrijding gaat dan zijn vragen als
"wat levert deze activiteit op?",
"wat is de meerwaarde van deze organisatie?",
"kan het op een andere manier effectiever?"
.dan zijn dit soort vragen. meer dan gerechtvaardigd.

Ik vertel u niets nieuws als ik u zeg dat armoede een diepgeworteld maatschappelijk probleem is, dat een brede aanpak, een aanpak op vele fronten, op verschillende niveaus vergt. Al wordt de taal uit de jaren zestig en zeventig niet meer gebruikt, de theorieën over de structurele oorzaken van armoede spoken nog wel degelijk door ons onderbewustzijn. Accenten zijn verschoven; begrippen zijn veranderd. Maar, we weten allemaal dat je er met wat lokale projecten uiteindelijk niet komt. We weten ook dat de oorzaken niet alleen op het internationale vlak gelegen zijn. Zij spelen ook op de diverse niveaus binnen landen zelf. Er zijn nu vele
ontwikkelingslanden waarin geen sprake meer is van collectief gedeelde armoede, maar waarin naast abjecte armoede ook welvaart, soms, in die context, walgelijke welvaart bestaat. In die landen is armoede in belangrijke mate een verdelingsprobleem (geworden). Daar kunnen en moeten wij die landen ook op aanspreken. Zowel de ontwikkelingslanden zelf, als de rijke landen hebben een eigen verantwoordelijkheid waar het gaat om het uitbannen van armoede.

Armoede moet binnen ontwikkelingslanden dus niet alleen op micro-, maar ook op macro- en mesoniveau worden aangepakt. Daarbij moeten we niet uit het oog verliezen dat de economische, de sociale en de politieke aspecten van armoede onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het bestrijden van armoede is niet alleen het investeren in sociale basisvoorzieningen. Het is ook niet alleen het scheppen van werk of toegang bieden tot markten. En het is tenslotte ook niet alleen armen de ruimte bieden voor politieke zeggenschap. Het gaat om de combinatie. Alleen dan kan armoede duurzaam worden verminderd.

De meest gunstige situatie is uiteraard die waarin de overheid van het betrokken land, zowel nationaal als op lagere niveaus, het armoedeprobleem erkent en serieus wil aanpakken. Dat betekent systematisch en consequent het ontwikkelingsbeleid doordesemen met armoedebestrijding. Dat betekent dat men zich bij elke overheidsmaatregel of het achterwege laten daarvan voortdurend moet afvragen wat daarvan het effect zal zijn in termen van het terugdringen van de armoede. Ik heb het dan niet alleen over de besteding van de openbare middelen, maar ook over, bijvoorbeeld, economische deregulering, een adequate belastingheffing en democratisering. De concrete beleidsmix zal van land tot land verschillend zijn. Er zijn dan ook pasklare oplossingen nodig. Dat vergt investeren in kennis en analyse.

Er wordt nu veel te veel langs elkaar heen gewerkt, zelfs met geld dat uiteindelijk uit dezelfde pot komt.
Jarenlang hebben wij gesproken over coherentie van beleid. We hadden het dan meestal over de samenhang - of beter het gebrek aan samenhang - tussen beleid en daden van verschillende departementen van de Nederlandse overheid, of van welke overheid dan ook, of van een als de Europese Unie. Een paar jaar terug is in en vanuit het ministerie van Buitenlandse Zaken een proces van ontschotting ingezet dat die samenhang moet bevorderen. Daar moeten we met onverminderde energie mee door gaan.
Jarenlang is ook gesproken over de coördinatie van of tussen donoren. Dan hadden we het meestal over de bi- en de multilaterale donoren.
Maar, als we serieus voortgang willen maken met zaken als coherentie en coördinatie, dan moeten we ook het particuliere kanaal in de beschouwing betrekken. Tussen de MFO's en het bilaterale kanaal, bijvoorbeeld, is de taakverdeling, op zijn zachts gezegd, niet altijd helder.

Dat betekent dat de comparatieve voordelen niet altijd maximaal tot hun recht komen. Lau Schulpen van de Universiteit van Nijmegen heeft voor zijn in 1997 verschenen proefschrift de Nederlandse hulp aan India, via het bilaterale kanaal en het MFO-kanaal - in casu ICCO - met elkaar vergeleken en kwam tot de conclusie dat er weinig verschil in impact was. In beide gevallen kwam vooral de politieke dimensie van armoedebestrijding - participatie, zeggenschap, empowerment - niet uit de verf. Hij concludeerde - ik citeer - "dat het voor de armen van India niet uitmaakt via welk hulpkanaal zij ondersteund worden in hun strijd tegen armoede". Dat zou niet moeten kunnen. Dan zijn we verkeerd bezig. Dan maken we niet optimaal gebruik van de eigenheid van de verschillende kanalen. Wat de politieke dimensie betreft is de kracht van het bilaterale - en het multilaterale - kanaal de dialoog met de overheid, die ruimte moet bieden aan politieke zeggenschap van onderop. De kracht van het MFO - NGO-kanaal is organisatievorming en mobilisering van armen, het maken of afdwingen van ruimte voor politieke zeggenschap van onderop. Ik wil, natuurlijk met respect voor uw autonomie, toch over de onderlinge afstemming met de Nederlandse particuliere ontwikkelingsorganisaties komen praten. De Tweede Kamer heeft daar zoals u weet bij de behandeling van de begroting ook om gevraagd.

Politieke strijd
Eind vorig jaar heb ik het idee geopperd dat de MFO's zich meer zouden moeten richten op armoedebestrijding in die landen waarin wel sprake is van een ernstige armoedeproblematiek maar waarmee Nederland niet van overheid tot overheid kan samenwerken omdat er onvoldoende sprake is van goed beleid en goed bestuur. Er is veel voor te zeggen om juist in dat soort landen via het kanaal van de NGO's de armen en de organisaties die voor hun belangen opkomen worden gesteund zodat ze zich meer weerbaar kunnen opstellen. Armoedebestrijding is in die landen vooral ook politieke strijd. Particuliere organisaties zijn vaak beter dan overheden in staat om de armen in die politieke strijd met raad en daad terzijde te staan. Ik meen zelfs dat veel van de particuliere ontwikkelingsorganisaties die Nederland kent- en dat geldt voorzover ik weet zeker ook voor Novib - juist terwille van die ondersteuning zijn opgericht.
Let wel, ik heb niet gezegd dat de Nederlandse MFO's of andersoortige particuliere of publieke, maar feitelijk autonome organisaties als SNV zich geheel zouden moeten terugtrekken uit landen waarmee Nederland een bilaterale ontwikkelingssamenwerkingsrelatie onderhoudt. Ik heb het over accenten, zwaartepunten. Voorzover ze wel in landen actief blijven waarmee Nederland zo'n bilaterale relatie onderhoudt verwacht ik echter de komende jaren wel meer landenspecifiek overleg en een betere onderlinge afstemming. In veel gevallen gebeurt dat al , maar het kan systematischer en consequenter en het moet leiden tot een effectievere taakverdeling. Daarbij staat voor mij ownership voorop. Het ontvangende land moet en zal een belangrijke stem hebben in de aanwending van de Nederlandse steun.

Het draagvlak
Tot zover wat ik over de hulp wilde zeggen. Dan nu het draagvlak en, omdat draagvlak nou eenmaal geen doel opzichzelf is, maar, als het goed is, de katalysator vormt voor goed beleid, in een moeite door iets over het politieke klimaat. Met de enigszins vertwijfelde uitroep: Waar is de derde wereld beweging gebleven?, heb ik vlak na mijn aantreden als minister geloof ik gelijk al op een aantal tenen gestaan. Ik heb vele brieven gehad van organisaties die mij meedeelden dat ze wel degelijk nog steeds bestonden; ik heb het commentaar gekregen dat ik te lang uit Nederland zou zijn weg geweest en dat daardoor een aantal dynamische vernieuwingen in de beweging aan mij voorbij zouden zijn gegaan; en hier en daar was men geloof ik ook een beetj

13 jan 99 10:12

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie