Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord op kamervragen over huurachterstanden van het Rijk

Datum nieuwsfeit: 18-01-1999
Vindplaats van dit bericht
Vindplaats 2
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

expostbus51


Ministerie van Financien


www.minfin.nl

FINANCIEN: HUURACHTERSTANDEN VAN HET RIJK

PERSBERICHTNR. 99/013 Den Haag 18 januari 1999

ANTWOORDEN VAN DE MINISTER VAN FINANCIEN EN DE STAATSSECRETARIS VAN

VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER OP VRAGEN VAN

DE LEDEN VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN GENERAAL LEERS EN HILLEN OVER

HUURACHTERSTANDEN VAN HET RIJK

VRAGEN:


1.

Kent u het vonnis van de Kantonrechter te Groningen d.d. 21 december jl., waarin de Rijksgebouwendienst veroordeeld wordt tot betalen van achterstallige huur, met boete-rente, aan
Driade-Beleggingsmaatschappij BV?

2.

Gaat het hierbij om ruim 52 miljoen huurachterstand en een boete van ongeveer 8,6 miljoen?

3.

Waar wordt de boete, die immers niet was begroot, uit betaald? Hoe wordt deze begrotingtechnisch verwerkt?

4.

Wanneer zal het Rijk aan zijn verplichtingen voldoen?

5.

Heeft het Rijk door deze zaak geen slechte reputatie opgelopen als zakelijk partner? Wat zijn de consequenties hiervan voor beleid ten aanzien van publiek-private samenwerking (PPS), waarbij het Rijk juist samenwerking zoekt met private investeerders?

6.

Bent u bereid, gelet op de actualiteit van deze zaak, deze en de nog onbeantwoorde eerdere vragen, met spoed te beantwoorden?

ANTWOORDEN:


1.

Ja. De uitspraak dd. 21 december 1998 betrof een uitspraak van zes kantonrechters (Groningen, Alkmaar, Zutphen, Zwolle, Leiden en Dordrecht).

2.

Nee, het betaalde bedrag is ca. 35 mln., waarvan de wettelijke rente ca. 5 mln. bedroeg.

3.

Zie antwoord op vraag 8 van kamervragen dd. 4-12-1998.

4.

Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 2 heeft het Rijk inmiddels aan zijn verplichtingen voldaan.

5.

Het Rijk heeft zich in deze zaak op beargumenteerde wijze als een zakelijk partner opgesteld, mede ter bescherming van de belastingbetaler. In deze zaak doet zich een geschilpunt voor met de belegger van een zodanig specifieke aard dat dit geen consequenties van algemene aard zal hebben ten aanzien van publiek-private financiering.

6.

Ja.

Antwoorden van de Minister van Financiën mede namens de Staatssecretaris van VROM op de aanvullende vragen van de Kamerleden Leers en Hillen over huurachterstanden van het Rijk.

VRAGEN :


1.

Is het waar dat vandaag 6 kantonrechters zich zullen buigen over een conflict op landelijke schaal tussen de Rijksgebouwendienst en een projectontwikkelaar?

2.

Is het waar dat ingevolge een in 1993 gesloten overeenkomst 5 gevangeniscomplexen en het Natuurhistorisch Museum te Leiden privaat zijn gefinancierd en de Rijksoverheid deze gebouwencomplexen huurt?1

3.

Is het waar dat het Rijk de afgelopen jaren de in de huurovereenkomst overeengekomen huurpenningen niet heeft betaald, zodat thans sprake is van een huurachterstand van ca. 40 mln. gulden? Zo ja, wat is hiervan de reden?

4.

Is het u bekend dat op de desbetreffende gevangeniscomplexen hypotheekrechten zijn gevestigd ten gunste van de financiering door de bank en dat de kredietovereenkomst tussen de bank en de verhuurder inmiddels is opgezegd? Zal dit er toe kunnen leiden dat de gevangeniscomplexen zullen moeten worden geëxecuteerd ter afwikkeling van de financiële last? Hoe stelt de minister zich dit voor?

5.

Welke conclusies trekt u uit deze gang van zaken ten aanzien van de private financiering van gebouwen en het huren daarvan door het Rijk t.b.v. het gebruik voor gemeenschappelijke doelen. Had uw uitspraak in het NOS-journaal van 9 november jl. naar aanleiding van een congres over Publiek private financiering betrekking op de thans voorliggende zaak? Wat wordt dan de toekomstige beleidslijn inzake dergelijke constructies, mede met het oog op de gewenste intensivering van PPS-constructies?

6.

Is het waar dat er soortgelijke problemen thans ook bestaan met betrekking tot enige door het ministerie van OCenW in het verleden goedgekeurde huurcontracten ten aanzien van een tweetal grootschalige schoolcomplexen te Zwolle, waar sprake zou zijn van een huurachterstand van ca. f 25 mln.

7.

Is het waar dat in al deze contracten een artikel is opgenomen waarbij aan de verhuurder over het bedrag van de achterstand een samengestelde rente verschuldigd is van 1% per maand?
Zo ja, wat is dan het belang van het Rijk bij het laten oplopen van deze huurachterstanden?

8.

Wat kunnen de gevolgen zijn voor de begrotingen 1999 van respectievelijk het ministerie van Justitie en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen indien de Staat wordt veroordeeld tot het alsnog nakomen van de overeengekomen huurcontracten en de eventueel daarmee samenhangende extra kosten?

ANTWOORDEN:


1.

Ja. Inmiddels is door de kantonrechters de uitspraak gedaan dat de RGD de verschuldigde huur over 1997 en 1998 alsnog moet betalen. Deze betaling heeft inmiddels plaatsgevonden. De principiële kwestie van het wel of niet moeten betalen van huur over niet door de belegger afgedragen BTW (zie ook het antwoord op vraag 3) is door de kantonrechters doorgeschoven naar de reeds lopende bodemprocedure bij de Haagse rechtbank. Het is niet uitgesloten dat de rechterlijke uitspraak in deze bodemprocedure pas in het jaar 2000 wordt gedaan.

2.

Ja.

3.

Ja. De redenen hiervoor zijn uiteengezet in de brief van de staatssecretaris van VROM die 3 december jl. aan de voorzitter en de leden van de Tweede Kamer is verstuurd. In deze brief wordt informatie gegeven over het geschil tussen de Rijksgebouwendienst en Badine B.V. De belangrijkste reden is dat de belegger de BTW over de stichtingskosten niet aan de fiscus bleek te hebben afgedragen, terwijl hij de BTW wel betrok in de vaststelling van de stichtingskosten en van de door de RGD te betalen huren. Het standpunt van het Rijk is dat huur over de BTW op de stichtingskosten wordt voldaan als deze ook daadwerkelijk aan de fiscus is afgedragen en anders niet.

4.

Ja. Gezien de uitspraak van de kantonrechters is het risico van een executie op korte termijn geweken. Overigens had de RGD al voor de rechtszitting van 3 december 1998 een schikkingsvoorstel gedaan, waarmee een eventuele executie had kunnen worden voorkomen.

5.

Als gevolg van het enige jaren geleden inwerking getreden aangescherpte kabinetsbeleid met betrekking tot lease worden geen nieuwe leasecontracten voor rijkshuisvesting meer afgesloten. Tevens worden mogelijkheden onderzocht om bestaande huur/leasecontracten om te zetten in à fonds perdu financiering. In een aantal gevallen is inmiddels tot omzetting besloten. Hierover is de Kamer geïnformeerd.
Oogmerk van PPS-constructies is om efficiency-voordelen te behalen door de participatie van private partijen in de planvorming, realisatie, financiering en/of exploitatie. Wanneer de inschakeling van private partijen aantoonbare efficiencyvoordelen oplevert, wordt langs die lijnen geopereerd.

Voor de beantwoording van de vragen 6, 7 en 8 kan tevens worden verwezen naar de beantwoording van vragen van het lid Dijksma die gesteld zijn op 4 september 1998.

6.

De problemen met betrekking tot enige grootschalige schoolcomplexen te Zwolle zijn in het geheel niet van dezelfde aard o.a. omdat de Staat in die gevallen niet als huurder optreedt. De huurovereen-komsten zijn aangegaan door de scholen en zijn door OCenW gefiatteerd voor wat betreft een periode van 5 c.q. 10 jaar. Wat het bedrag van de totale huurachterstand is, vormt nog onderwerp van discussie c.q. procedure. In het door de verhuurder gevorderde voor de twee scholen in Zwolle is tevens een deel (boete)rente opgenomen dat hij meent in rekening te kunnen brengen. Zie verder hieronder het antwoord op vraag 7. In een kort geding procedure, waarvan de zitting op 3 december jl. heeft plaatsgevonden, werd door de verhuurder een substantieel bedrag gevorderd, terwijl een aantal principiële zaken, waaronder de vordering van (boete)rente, nog aan de orde zijn in bodemprocedure(s). De vorderingen van de verhuurder zijn bij vonnis van 14 december 1998 in het kort geding afgewezen.

7.

Ja. de RGD was niet bereid om deze rente te voldoen, omdat de belegger in gebreke was gebleven met betrekking tot het in rekening brengen van de juiste huurprijs (zie het antwoord op vraag 3). Daarbij baseerde de RGD zich op een eerdere uitspraak van de president van de Haagse rechtbank in 1997, waarbij in het kort geding de Staat/RGD versus Badine B.V., de Staat in het gelijk werd gesteld inzake de huuropschorting in 1997. Tegen die uitspraak is destijds door Badine geen beroep aangetekend.
Na deze (eerdere) gerechtelijke uitspraak zou het volledig voldoen van de huur vanaf dat tijdstip zijn neergekomen op het doen van een onverschuldigde betaling, die vanuit de optiek van rechtmatigheid van de overheidsuitgaven niet was te verdedigen.
In de huurovereenkomsten betreffende de schoolcomplexen is een artikel opgenomen op grond waarvan de verhuurder gerechtigd lijkt bij niet tijdige betaling van de huur een rente van 1% per maand in rekening te brengen.
Eerst recent is duidelijker zicht gekomen op de achterstanden van de scholen in huurbetalingen en de daarover wellicht verschuldigde rente. Of de Staat door de verhuurder kan worden aangesproken op grond van de door scholen gesloten huurovereenkomsten en met name wat de duur van die overeenkomsten betreft, is in de gerechtelijke procedures tot nu toe vooral onderwerp van discussie geweest. In die procedures staan ook de hoogte van de huurprijzen en de rente ter discussie.

8.

Er zijn geen gevolgen voor de begroting van het Ministerie van Justitie.
Ten aanzien van de begroting van OCenW geldt dat vooralsnog in ieder geval voor een deel van het financiële risico dekking binnen de begroting van 1998 is voorzien, namelijk een bedrag binnen de hardheidsclausule welke is gereserveerd op het terrein van het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en een bedrag elders binnen de begroting van OCW, in totaal een bedrag van
ca. fl. 6 mln. Daarmee zijn de kosten m.b.t. één van de scholen in Zwolle tot en met 31 juli 1999 voldaan en is de huurachterstand opgeheven. Aangezien de vorderingen in het kort geding (zie antwoord op vraag 6) ten aanzien van de andere school in Zwolle zijn afgewezen, zal in de begroting voor 1999 rekening gehouden worden met de uitkomst van het geschil in de bodemprocedure, waarin fl. 14,5 mln. wordt gevorderd (zie antwoord op vraag 7).
Op grond van de rechtelijke uitspraak (zie vraag 1) is de huurbetaling inclusief wettelijke rente (tezamen 35 mln.) inmiddels verricht ten laste van de RGD-begroting in 1998. In de mate dat deze betaling leidt tot een overschrijding van deze begroting in 1998 zal hiervoor in 1999 volgens de regels budgetdiscipline specifieke compensatie worden geboden. De Kamer zal bij Voorlopige Rekening over de uitvoering van de begroting 1998 binnenkort worden geïnformeerd. Aangezien de RGD omvangrijke vorderingen heeft ingesteld op Badine inzake onder andere ten onrechte in rekening gebrachte huur over de BTW op de stichtingskosten zal de compensatie in beginsel uit deze vordering worden gedekt indien de vordering in 1999 wordt toegewezen. Indien de vordering niet zou worden toegewezen zal in 1999 anderszins specifieke compensatie worden geboden. Verder zal in overleg met de juridische adviseurs nader worden bezien of de in 1998 gemaakte meerkosten alsnog kunnen worden ingebracht in de reeds lopende bodemprocedure bij de Haagse rechtbank over de stichtingskosten.

Woordvoerder: ir. N.M. Zoon
Telefoonnr.: 070 - 342 8124


18 jan 99 17:48

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie