Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Defensie inzake voorstel Rijkswet ongevallenraad

Datum nieuwsfeit: 27-01-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Defensie


Brieven van de minister/staatssecretaris van Defensie aan de Eerste/Tweede Kamer der Staten-Generaal

Aan: de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal i.a.a. de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Ons nummer CWW97/108

Datum 19 januari 1999

Onderwerp Voorstel Rijkswet ongevallenraad Defensie ( 26 110; R 1619)

Hierbij bied ik u aan de nota naar aanleiding van het verslag inzake het bovenvermelde voorstel van ri jkswet, alsmede een nota van wijziging.

DE MINISTER VAN DEFENSIE,

mr. F.H.G. de Grave

26 110 (R 1619) Instelling van een ongevallenraad Defensie (Rijkswet ongevallenraad Defensie)

Nota naar aanleiding van het verslag

Inleiding

In de voorliggende nota naar aanleiding van het verslag ga ik gaarne in op een tweetal stukken die met betrekking tot het voorstel van Rijkswet ongevallenraad Defensie zijn verschenen. In de eerste plaats is dat uiteraard het verslag over dit ontwerp, zoals dat door de vaste commissie voor Defensie is uitgebracht. Voorts ga ik in op de door de vaste commissie ontvangen nadere vragen die mij bij brief van 17 december 1998 door de vaste commissie zijn voorgelegd met het verzoek deze te betrekken bij de beantwoording van de vragen over het ontwerp. Ten behoeve van de inzichtelijkheid en om de heldere lijn van het verslag niet te doorkruisen, ga ik eerst op de vragen uit het verslag in, en reageer ik vervolgens, dat wil zeggen na de artikelsgewijze beantwoording, op de nadere vragen.

ALGEMEEN

Het verheugt mij dat de leden van de fracties van RPF en GPV met instemming van het voorstel van rijkswet hebben kennisgenomen. Voorts doet het mij genoegen dat de leden van de fractie van D66 het nut en de noodzaak van de herziening van de huidige regelgeving onderschrijven en instemmen met het feit dat er één raad van ongevallenonderzoek op dit terrein zal komen. De leden van de fractie van de VVD laten weten dat zij menen dat het ongevallenonderzoek ten behoeve van Defensie een afzonderlijke wettelijke regeling verdient, los van het civiele ongevallenonderzoek. Ook de leden van de fractie van D66 menen tot mijn genoegen dat er goede redenen zijn voor een specifieke Defensie-ongevallenraad. De leden van de PvdA zijn daarentegen in beginsel voorstander van het onderbrengen van het Defensie-ongevallenonderzoek bij het civiele ongevallenonderzoek. Gaarne ga ik daarop in het vervolg van deze nota, mede naar aanleiding van een aantal expliciete vragen terzake, nader in. De leden van de fracties van RPF en GPV constateren dat er betrekkelijk lange tijd is verstreken tussen de eerste aankondiging van een wettelijke regeling in het kader van de begrotingsbehandeling 1996 en de aanbieding van het voorstel aan de Tweede Kamer. Zij vragen naar de reden van dit tijdsverloop en of kan worden aangegeven welke problemen moesten worden overwonnen. Om met dit laatste aspect te beginnen, er deden zich geen zodanig wezenlijke problemen bij de voorbereiding voor dat dit als een majeure oorzaak van tijdsverloop kan worden aangemerkt. Het tijdsverloop is puur een gevolg van de gevolgde aanpak. Gestart is met een interne beleidsnotitie waarin de hoofdlijnen van het voor ogen staande nieuwe systeem van ongevallenonderzoek ten behoeve van Defensie zijn uiteengezet. Deze beleidsnotitie is vervolgens met alle intern betrokkenen besproken en afgerond. Na fiattering door mijn ambtsvoorganger is op basis van de beleidsnotitie een voorstel van rijkswet opgesteld. Eind februari 1997 is dit voorstel door de rijksministerraad geaccordeerd, waarna het medio maart aan de Raad van State van het Koninkrijk voor advies is voorgelegd. Het advies van de Raad was gedateerd 9 september 1997. Met het uitbrengen van het nader rapport is door mijn ambtsvoorganger bewust gewacht totdat de behandeling van het inmiddels bij het parlement aanhangige voorstel van Wet Transportongevallenraad (leidend tot de Wet van 1 juli 1998, houdende vaststelling van de Wet Raad voor de Transportveiligheid) was afgerond. Reden hiervoor was een puur praktische, namelijk de mogelijkheid van afstemming: zowel dat voorstel van wet als het onderhavige voorstel van rijkswet betreffen ongevallenonderzoek. Afstemming van het voorstel van rijkswet op de Wet Raad voor de Transportveiligheid heeft ook daadwerkelijk plaatsgevonden, uiteraard daar waar de naam Raad voor de Transportveiligheid voorkwam (in het voorstel van rijkswet en in de memorie van toelichting), maar ook o.a. voor wat betreft de definitie van het begrip "schip", de kennisgeving aan de minister inzake heropening van het onderzoek, en de inhoud van het eindrapport voor zover het gaat om verklaringen van personen. Zo spoedig mogelijk na aanvaarding van het voorstel Wet Raad voor de Transportveiligheid door de Eerste Kamer op 29 juni 1998 is het nader rapport over de voorgenomen rijkswet ongevallenraad Defensie uitgebracht, waarna dit voorstel op 27 juli 1998 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan de Staten van Aruba kon worden aangeboden.

Hoofdlijnen van de voorgestelde regeling

Taak en opzet van de raad

De leden van de fractie van D66 merken op dat het doen van veiligheidsaanbevelingen door de raad aan de Minister van Defensie slechts een aan het concrete ongeval gerelateerde bevoegdheid is. Zij stellen de vraag waarom op het punt van de veiligheidsaanbevelingen voor deze terughoudendheid is gekozen. De hoofdtaak van de raad bestaat uit het onderzoeken van ongevallen en incidenten met defensiematerieel en defensiepersoneel. Het doen van aanbevelingen aan de Minister van Defensie is een afgeleide taak, die, zoals de leden van de fractie van D66 terecht opmerkten, slechts kan worden uitgeoefend naar aanleiding van verricht onderzoek. Deze taakomschrijving houdt verband met het feit dat de raad geen adviesorgaan is in de zin van artikel 79 van de Grondwet. Algemene advisering aan de Minister van Defensie die gericht is op het door de minister te voeren beleid is voorbehouden aan de daartoe aangestelde beleidsambtenaren en aan de Adviesraad Internationale Vraagstukken.

De leden van de fractie van D66 constateren voorts dat de raad niet tot taak heeft om de schuldvraag te beantwoorden. Zij verbinden hieraan de vraag of de regering verwacht dat dit zijn doorwerking zal hebben in de opstelling van getuigen en deskundigen die de raad wil horen tijdens zijn onderzoek. Inderdaad zal de raad niet tot taak hebben het beantwoorden van de schuldvraag. Daarmee wordt aangesloten bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, H 165). Gedachte hierachter is dat het cruciaal is dat de oorzaak van het ongeval of incident aan het licht komt. Immers, alleen dan kunnen de resultaten van het onderzoek van nut zijn voor de toekomst. Voor het achterhalen van de ware toedracht is het essentieel dat de "schuldige" en getuigen vrijuit kunnen spreken. Zeker wanneer het aanwijzen van de schuldige doel van het onderzoek zou zijn, zal dit een remmende, zo niet verlammende, werking kunnen hebben op de bereidheid van de "schuldige" of van eventuele getuigen om de ware toedracht te onthullen. Dit spreekt met name indien het een ongeval of incident betreft waarbij een vliegtuig is betrokken met slechts één persoon aan boord. Ik verwijs naar artikel 40, aan welk artikel dit beginsel ten grondslag ligt. De gedachte achter het horen van deskundigen is uiteraard het ontvangen van de mening van een objectieve derde, van wie wordt verwacht dat zijn kennis van het betrokken onderwerp of de betrokken omstandigheden, kan bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in de situatie rond het (bijna-) ongeval.

De leden van de fracties van RPF en GPV vragen met betrekking tot de kamer die zich zal bezig houden met de overige ongevallen welke deskundigen in deze kamer zitting zullen nemen. Betreft het hier specifieke verkeersdeskundigen, of munitiedeskundigen, zo vragen deze leden. Voorts vragen zij in hoeverre ongelukken met transporten via ondergrondse transportleidingen onder deze derde kamer zullen vallen, en welke deskundigen zich met die ongelukken zullen bezig houden. Tenslotte informeren deze leden of de mogelijkheid bestaat om ad hoc deskundigen in de raad te benoemen omdat zij beschikken over specifieke kennis, dan wel of in dergelijk geval een beroep wordt gedaan op externe advisering. Tot het taakveld van de kamer die zich zal bezig houden met de "andere ongevallen en andere incidenten" behoort een diversiteit aan ongevallen en incidenten. Hierbij moet in ieder geval worden gedacht aan voorvallen op het gebied van het wegverkeer, wapens en munitie, en het milieu. Ook ongevallen en incidenten met betrekking tot transport via militaire pijpleidingen vallen onder de competentie van deze kamer. Gelet op deze diversiteit is het de bedoeling in de derde kamer personen te benoemen die werkzaam zijn geweest binnen de verschillende onderdelen van de Defensie-organisatie, zodat in ieder geval deskundigheid op het terrein waarop het voorval zich voordoet, voorhanden is. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om ad hoc deskundigen in te schakelen. Dit geschiedt evenwel niet door benoeming als lid van de raad, doch in de vorm van bijstand tijdens het onderzoek door de raad. Zo zal de raad zich bij het betreden van plaatsen kunnen doen vergezellen door personen die daartoe door de raad worden aangewezen (artikel 15, derde lid), bijvoorbeeld een deskundige op het gebied van gevaarlijke stoffen. Voorts kan de voorzitter van de raad deskundigen oproepen om te worden gehoord (artikel 31). Het kan hierbij zowel gaan om deskundigen vanuit de Defensie-organisatie als om externe deskundigen.

Onder verwijzing naar de Raad voor de Transportveiligheid, die een viertal kamers kent voor de onderscheiden takken van transport, vragen de leden van de fracties van RPF en GPV om een nadere onderbouwing van de afwijzing van het voorstel van de Raad van State om een aparte kamer in te stellen voor voertuigongevallen. Aan de keuze van een viertal kamers voor de Raad voor de Transportveiligheid ligt ten grondslag dat deze raad ziet op ongevallen in de transportsector, waarvoor reeds afzonderlijke raden bestonden (met uitzondering van de sector wegvervoer; voor deze sector is een kamer ingesteld bij gelegenheid van het instellen van de overkoepelende raad). Waar er een viertal vormen van transport is te onderscheiden, te weten lucht-, water-, spoor- en wegvervoer, ligt het ook in de rede per tak van vervoer een kamer in te stellen. Bij Defensie ligt dit anders. De invalshoek voor Defensie is immers niet beperkt tot de transportsector, doch betreft de gehele Defensie-organisatie, hetgeen aanmerkelijk ruimer is dan transport. Voor wat betreft het onderzoek van scheepvaartongevallen en luchtvaartongevallen, bestonden er bij Defensie reeds instanties die met het onderzoek worden belast. Dit verklaart de keuze voor het instellen van een scheepvaartkamer en een luchtvaartkamer. Een kamer voor spoorwegongevallen ligt voor Defensie bepaald niet in de rede, terwijl ook het wegvervoer niet een afzonderlijke kamer rechtvaardigt. Bij Defensie is er immers niet sprake van een vervoer over de weg in een mate die vergelijkbaar is met het vervoer over de weg door de civiele transportwereld. Anderzijds heeft Defensie wel behoefte aan een mogelijkheid tot onderzoek van ongevallen buiten de transportsector. Te denken valt daarbij aan ongevallen met wapens en munitie, en bedrijfsongevallen tijdens militaire oefeningen. Gelet hierop is ervoor gekozen de derde kamer te belasten met die onderzoeksterreinen die niet onder luchtvaart en scheepvaart vallen. Het instellen van meer dan drie kamers komt voor als een te zware constructie die niet door de omstandigheden wordt gerechtvaardigd. De Raad van State heeft gesuggereerd om één van de kamers van de ongevallenraad speciaal te belasten met voertuigongevallen en de zogenaamde overige gevallen toe te delen aan die kamer die in het bijzonder werkzaam is op het terrein van het krijgsmachtdeel waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Die suggestie is niet overgenomen omdat - zoals in het nader rapport is uiteengezet - het verdelen van de overige ongevallen over een drietal kamers leidt tot een versnippering van expertise op het betrokken gebied. Daarbij laten de bedrijfsongevallen zich niet toedelen aan een specifiek krijgsmachtdeel aangezien zij zich binnen alle vier de krijgsmachtdelen kunnen voordoen. Gedacht kan wederom worden aan ongevallen met munitie en aan milieu-ongevallen bij transport per pijpleiding.

De leden van de fracties van RPF en GPV vragen welke argumenten ertegen pleiten om de drie kamers een aparte voorzitter te geven, zoals bij de Raad voor de Transportveiligheid het geval is. Voorts vragen deze leden of het niet in zijn algemeenheid de voorkeur verdient de structuur van de verschillende ongevallen- dan wel veiligheidsraden meer op elkaar af te stemmen. In zijn algemeenheid is het goed dat indien instanties op een vergelijkbaar terrein werkzaamheden verrichten, de structuur van deze instanties niet nodeloos verschillend wordt opgezet. Voor de voorgenomen ongevallenraad Defensie is dan ook voor wat betreft de opzet met kamers naar het voorbeeld van de Raad voor de Transportveiligheid gekeken. Echter, een analoge opzet mag niet een doel op zich worden. Verschillen qua reikwijdte en invalshoek van het onderzoek brengen mee dat de organisatiestructuur voor de ene raad niet één op één toepasbaar is op een andere raad. Hiervoor is uiteengezet dat voor het Defensieterrein volstaan kan worden met drie kamers en dat een andere verdeling van werkzaamheden over de kamers aangewezen is. De Raad voor de Transportveiligheid kent de constructie van een raad, met eigen voorzitter, waaronder vier kamers ressorteren, ieder met een eigen voorzitter. Zoals reeds eerder is aangegeven, is deze constructie mede ingegeven door het verleden van deze raad. Voor Defensie bestaat niet de behoefte aan een dergelijke overkoepelende raad en eigen voorzitters voor elk der kamers. In de Defensiesituatie kan naar mijn mening zeer wel worden volstaan met de aanzienlijk lichtere constructie van één centrale voorzitter die met de deskundige leden van de kamer die voor het betrokken terrein is ingesteld, een concreet ongeval of incident onderzoekt. Een zwaardere constructie zal in de Defensiesituatie naar verwachting slechts leiden tot inefficiëntie en tot nodeloze kostenverhoging.

Ten slotte vragen de leden van de fracties van RPF en GPV aandacht voor de afstemming qua terminologie. Zij wijzen erop dat tijdens de parlementaire behandeling de naam Transportongevallenraad is gewijzigd in Raad voor de Transportveiligheid en verbinden daaraan de vraag waarom voor de onderhavige raad niet is gekozen voor bijvoorbeeld de term Raad voor de Transportveiligheid Defensie. Ik wil voorop stellen dat de naam van de voorgenomen raad voor mij zeker niet heilig is en dat een andere naam denkbaar is. Het element "transport" zou ik evenwel in de naam niet willen bezigen, omdat zoals reeds eerder opgemerkt is, de reikwijdte van het voorstel van rijkswet aanzienlijk ruimer is dan alleen transport. Het element "veiligheid" in relatie tot "Defensie" kan al gauw de ongewenste associatie geven dat het zou gaan om externe veiligheid (de veiligheid van de staat). Ik sta open voor suggesties die rekening houden met deze aspecten.

Redenen specifieke Defensie-ongevallenraad

Naar de mening van de leden van de fractie van de PvdA is niet overtuigend aangetoond dat de aangedragen redenen voor een specifieke Defensie-ongevallenraad opwegen tegen het onderbrengen van het ongevallenonderzoek bij de Raad voor de Transportveiligheid. Gaarne maak ik van de gelegenheid gebruik om te trachten - mede aan de hand van de door de leden van de fractie van de PvdA geformuleerde vragen - deze leden alsnog tot deze overtuiging te brengen.

In de eerste plaats vragen deze leden of de voor het Defensie-ongevallenonderzoek vereiste specifieke deskundigheid niet evengoed zou kunnen worden ondergebracht bij een kamer van de Raad voor de Transportveiligheid, en vragen zij waarom deze specifieke deskundigheid niet ten dienste kan worden gesteld van die Raad. Voor deze leden staat overigens buiten kijf dat voor het Defensie-ongevallenonderzoek specifieke deskundigheid noodzakelijk is. In beginsel wil ik stellen dat het niet onmogelijk is om de specifieke Defensie-deskundigheid onder te brengen bij een kamer van de Raad voor de Transportveiligheid. Het is evenwel de vraag of zulks wenselijk is. Afgezien van de juridische argumenten, kan de vraag worden opgeworpen of het onderbrengen bij de Raad voor de Transportveiligheid van specifieke deskundigheid een meerwaarde heeft ten opzichte van onderbrenging bij een specifieke Defensie-ongevallenraad. Naar mijn mening is er geen sprake van enige meerwaarde. Immers, de kennis die de leden van de fractie van de PvdA samenvatten onder specifieke deskundigheid in verband met specifieke militaire schepen en luchtvaartuigen - doch die ik ruimer zie omdat daaronder niet alleen kennis omtrent nationale en internationale militaire voorschriften en procedures en kennis omtrent de uitrusting van specifieke militaire luchtvaartuigen en schepen vallen, maar ook kennis omtrent specifieke militaire voertuigen alsmede kennis op het gebied van miltaire oefeningen (waaronder het gebruik van bijvoorbeeld wapens) - heeft geen toegevoegde waarde voor een civiele ongevallenraad. De betrokken aspecten spelen bij civiele transportongevallen immers geen rol. Met andere woorden, bij onderbrenging van het militaire ongevallenonderzoek bij de civiele Raad voor de Transportveiligheid, blijft het Defensie-ongevallenonderzoek toch de vreemde eend in de bijt. Uiteraard is het mogelijk de meer algemene deskundigheid van Defensiepersoneel ten dienste te stellen van de Raad voor de Transportveiligheid indien die raad terzake om bijstand verzoekt. Dit personeel zal desgewenst de civiele vooronderzoeker kunnen assisteren bij het proces van verzamelen van feiten en gegevens en het analyseren daarvan.

Met het oog op de geclassificeerde Defensiebelangen die een rol kunnen spelen in het onderzoek, vragen de leden van de fractie van de PvdA of het mogelijk is binnen de kaders van de Raad voor de Transportveiligheid de nodige geheimhouding te creëren, en of dit is onderzocht. Het scheppen van een mogelijkheid tot geheimhouding is niet onderzocht. Een dergelijke aan de Raad voor de Transportveiligheid op te leggen plicht verdraagt zich naar mijn mening ook niet met het karakter van deze Raad. Zoals de leden van de fractie van de PvdA bekend is, heeft de Raad voor de Transportveiligheid de vorm van een zelfstandig bestuursorgaan gekregen. Er is derhalve geen sprake van een hiërarchisch ondergeschiktheid aan enige minister. Dit betekent dat bij een eventueel verschil van opvatting omtrent het geclassificeerde karakter van defensiebelangen, de Minister van Defensie (of enige andere minister) niet de bevoegdheid heeft om in te grijpen teneinde geheimhouding te waarborgen. En zoals gezegd, het creëren van een dergelijke mogelijkheid staat haaks op de gekozen rechtsvorm van de Raad voor de Transportveiligheid. Voor de goede orde vestig ik de aandacht erop dat bij onderbrengen van het
Defensie-ongevallenonderzoek bij genoemde raad het ontbreken van ministeriële verantwoordelijkheid voorts tot gevolg heeft dat het parlement naderhand geen mogelijkheden heeft om invloed uit te oefenen. Waar het onderzoeksgebied van de raad de overheidstaak Defensie betreft en niet de particuliere transportwereld, komt naar mijn mening het opdragen van het Defensie-ongevallenonderzoek aan een zelfstandig bestuursorgaan op gespannen voet te staan met het primaat van de politiek.

De leden van de fractie van de PvdA onderschrijven dat de resultaten van het onderzoek van belang kunnen zijn voor zowel de bedrijfsvoering als de beleidsontwikkeling van defensie. Dit kan voor deze leden evenwel geen reden zijn om het onderzoek per sé in eigen beheer te doen. Deze leden stellen dat als het onderzoek maar met voldoende nauwkeurigheid en deskundigheid wordt uitgevoerd, het Ministerie van Defensie altijd de vruchten kan plukken van het uitgevoerde onderzoek. Deze leden vragen of de regering bereid is deze mogelijkheid te onderzoeken. Onderzoek op dit punt lijkt mij niet noodzakelijk. Uiteraard kan het Ministerie van Defensie de vruchten plukken van ieder onderzoek op welk terrein dan ook dat in de samenleving wordt uitgevoerd en dat raakvlakken heeft met Defensie. Overigens wil ik de stelling van de hier aan het woord zijnde leden dat Defensie het onderzoek per sé in eigen beheer wil doen, niet onderschrijven. Waar het om gaat is dat er praktische en juridische redenen zijn die ertoe nopen te kiezen voor een afzonderlijke Defensie-ongevallenraad, die overigens door de in dit voorstel van rijkswet neergelegde waarborgen ten opzichte van de Defensieorganisatie een onafhankelijke positie kan innemen. Een aantal van die redenen is hiervoor reeds ter sprake gekomen. Gaarne zet ik - na beantwoording van de specifieke vragen van de leden van de fractie van de PvdA met betrekking tot dit aspect - bij wijze van samenvatting het geheel aan argumenten voor de keuze van een aparte ongevallenraad hieronder nog eens op een rij.

De leden van de fractie van de PvdA onderschrijven dat er zich bij Defensie ongevallen kunnen voordoen die geen enkele relatie hebben met transport. In verband hiermee stellen deze leden de vraag waarom niet is overwogen alleen voor die gevallen een apart orgaan in het leven te roepen. Het creëren van een aparte ongevallenraad voor alleen de niet-transportgerelateerde ongevallen zou leiden tot onduidelijkheid omtrent de competentie van onderzoeksraden. Zeker voor Defensie geldt dat niet ieder gebruik van vaartuigen, voertuigen of luchtvaartuigen onder de noemer "transport" is te brengen. Immers, bij militaire oefeningen staat het transportelement, als dat al aanwezig is, zeker niet altijd voorop. Ik denk bijvoorbeeld aan een verkenningsvlucht met een militair luchtvaartuig, of de bewegingen van tanks tijdens een oefening. In die gevallen kan bezwaarlijk van transport worden gesproken. Het verdient naar mijn stellige overtuiging de sterke voorkeur om het ongevallenonderzoek dat betrekking heeft op Defensie, in één hand te houden en niet te versnipperen over verschillende raden.

In de hoop daarmee ook de leden van de fractie van de PvdA te kunnen overtuigen, zet ik gaarne alle argumenten die pleiten voor een afzonderlijke Defensie-ongevallenraad als voorgesteld in dit voorstel van rijkswet, nog eens op een rij. De argumenten voor een afzonderlijke Defensie-ongevallenraad zijn:

a. De positie van de Minister van Defensie is een andere dan die van de Minister van Verkeer en Waterstaat ten opzichte van de Raad voor de Transportveiligheid. De Minister van Defensie is in die zin rechtstreeks bij het ongevallenonderzoek betrokken dat het zijn personeel en zijn materieel betreft. Om die reden wordt dan ook rapport over een ongeval uitgebracht aan de Minister van Defensie. De resultaten van het ongevallenonderzoek kunnen van direct belang zijn voor de beleidsontwikkeling bij het Ministerie van Defensie (zie ook de punten c, d en e). De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft niet een dergelijke rechtstreekse relatie met het ongevallenonderzoek door de Raad voor de Transportveiligheid in de private transportsector. b. De motie Van Vlijmen (mede aanleiding voor de instelling van de Raad voor de Transportveiligheid) heeft geen betrekking op het militair onderzoek. Voorts ziet de motie primair op de transportsector (met inbegrip van pijpleidingen). Defensie behoort niet tot de transportsector en zal in die zin een vreemde eend in de bijt zijn. c. Voor militaire schepen en luchtvaartuigen gelden specifieke militaire voorschriften, waaronder internationale (NATO) voorschriften.
d. Militaire schepen en luchtvaartuigen wijken met het oog op hun operationele taakuitvoering qua uitrusting en inrichting af van civiele schepen en luchtvaartuigen.
e. Bij militaire ongevallen kunnen er geclassificeerde defensiebelangen (zoals gegevens omtrent de uitrusting en inrichting van materieel en gegevens omtrent oefeningen) een rol spelen. f. Met het oog op hun specifieke deskundigheid ten aanzien van de bij het (bijna-)ongeval betrokken militaire schepen of luchtvaartuigen recruteert Defensie zijn vooronderzoekers primair uit eigen gelederen. Dit verdraagt zich niet met een uitwisseling van (in de transportsector schaarse) vooronderzoekers.
g. Het ongevallenonderzoek bij Defensie wordt, in het bijzonder met het oog op de permanente aanwezigheid van de krijgsmacht in het caraïbisch gebied alsmede ten behoeve van de kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba, vormgegeven bij rijkswet. De Raad voor de Transportveiligheid is daarentegen bij gewone wet ingesteld.

Tenslotte wil ik gaarne de aandacht vestigen op een aantal nadelen dat in mijn ogen is verbonden aan het onderbrengen van het defensie-ongevallenonderzoek bij de Raad voor de Transportveiligheid. Deze nadelen zijn:

a. Know-how met betrekking tot defensie-materieel is niet voor handen in de civiele maatschappij.
b. De Raad voor de Transportveiligheid, zijnde een zelfstandig bestuursorgaan, dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister, zal zich moeten buigen over geclassificeerde defensie-aangelegenheden. Dit zou betekenen dat de Minister van Defensie (of enige andere minister) niet de bevoegdheid heeft om in te grijpen wanneer naar het oordeel van deze minister geclassificeerde defensiezaken in het geding zijn. Het ontbreken van ministeriële verantwoordelijkheid heeft voorts tot gevolg dat het parlement geen mogelijkheden heeft om invloed uit te oefenen. Waar het onderzoeksgebied van de raad de overheidstaak Defensie zou gaan betreffen en niet de particuliere transportwereld, is het opdragen van het Defensie-ongevallenonderzoek aan een zelfstandig bestuursorgaan niet te rijmen met het politieke primaat.
c. De Wet Raad voor de Transportveiligheid heeft een te beperkte reikwijdte voor het Defensie voor ogen staande onderzoek dat zich ook zal uitstrekken tot niet transportgerelateerde onderwerpen, zoals ongevallen bij militaire oefeningen (bijv. schietongeval). d. De reikwijdte van de voorgestelde rijkswet strekt zich ook uit tot onderzoek binnen het Koninkrijk van ongevallen en incidenten waarbij een buitenlandse krijgsmacht is betrokken. In de ons omringende landen is veelal sprake van gescheiden militair en civiel onderzoek. Het onderbrengen van het militair onderzoek bij het civiele onderzoek zal in die landen bevreemding wekken en mogelijk op weerstand stuiten voor wat betreft een samenwerking met deze civiele ongevallenraad. e. De Wet Raad voor de Transportveiligheid is geen rijkswet. Dit betekent dat de in het Caraïbisch gebied aanwezige krijgsmacht alsmede de kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba niet onder de reikwijdte van deze ongevallenwet vallen.

Onafhankelijkheid

De leden van de fractie van de VVD merken terecht op dat de onafhankelijke positie van de plaatsvervangend voorzitter van de ongevallenraad in de memorie van toelichting onderbelicht is gebleven. Uiteraard is de tekst van de rijkswet doorslaggevend, doch dit neemt niet weg dat in de toelichting op dit artikel ook de plaatsvervangend voorzitter vermeld had moeten worden. Nu de memorie van toelichting op dit punt niet meer voor wijziging vatbaar is, maak ik gaarne van de gelegenheid gebruik om in deze nota naar aanleiding van het verslag meer recht te doen aan de onafhankelijkheid van de plaatsvervangend voorzitter.

Fasen in het onderzoek

De leden van de fractie van D66 willen graag vernemen hoe de procedure rond de rekrutering van materiedeskundige vooronderzoekers uit de defensiegelederen er uit zal zien. De procedure voor benoeming van een vooronderzoeker uit de Defensiegelederen zal als volgt verlopen. Ingevolge artikel 21 benoemt de minister een vooronderzoeker. Daartoe zal vanuit het betrokken krijgsmachtdeel een persoon worden voorgedragen. Bij deze voordracht zal uiteraard rekening worden gehouden met deskundigheid en feitelijke beschikbaarheid van betrokkene.

De leden van de fractie van D66 vragen of de raad in het geval dat eigener beweging een onderzoek wordt gestart, gebruik kan maken van een uit de defensie-organisatie afkomstige materie-deskundige, en of de raad daartoe zelfs verplicht is. Het verloop van het onderzoek in het geval de raad uit eigen beweging een onderzoek start, is identiek aan het verloop indien de minister de raad tot een onderzoek verzoekt. Het onderzoek begint zoals gebruikelijk met een vooronderzoek (artikel 20). Door de minister wordt een vooronderzoeker benoemd, hetgeen in deze situatie geschiedt op verzoek van de raad (artikel 21, tweede lid). Dit artikel legt de minister een plicht tot benoeming op, op de naleving waarvan het parlement controle kan uitoefenen door de minister zonodig ter verantwoording te roepen. In het voorstel zoals ingediend is niet voorzien in de mogelijkheid om een vooronderzoeker van buiten aan te trekken. In zoverre kan derhalve worden gesproken van een plicht voor de raad om gebruik te maken van een vooronderzoeker uit het Ministerie van Defensie. Hiertegen staat naar mijn mening geen bezwaar. Zoals gezegd is de minister verplicht een vooronderzoeker te benoemen. Deze vooronderzoeker beschikt over een aantal onderzoeksbevoegdheden en is voor zijn werkzaamheden verantwoording schuldig aan de raad (artikel 22, tweede en derde lid). Taak van de vooronderzoeker is het verzamelen van de feiten (artikel 22, eerste lid). Het vellen van een oordeel is de exclusieve bevoegdheid van de raad. Niettemin heb ik mij naar aanleiding van deze vragen van de fractie van D66 en vragen van de leden van de fractie van GroenLinks met betrekking tot artikel 21, beraden over de vraag of het mogelijk zou moeten zijn om in voorkomend geval een vooronderzoeker van buiten de Defensieorganisatie te benoemen. Ik ben tot de conclusie gekomen dat er niets op tegen is om in die mogelijkheid te voorzien. In de eerder genoemde nota van wijziging wordt in wijziging van artikel 21 met dat oogmerk voorzien.

ARTIKELEN

Artikel 2
De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom niet is gekozen voor een (aanvullend) civiel onderzoek als er sprake is van een dodelijk ongeval, zoals in sommige landen gebruikelijk is. In de eerste plaats merk ik op dat in gevallen als hier bedoeld vrijwel zeker ook een strafrechtelijk onderzoek zal worden ingesteld. De redenen waarom niet wordt voorzien in een (aanvullend) onderzoek door een civiele onderzoeksraad in geval van een dodelijk ongeval, zijn de volgende. In de eerste plaats zijn de redenen om te kiezen voor een specifieke ongevallenraad Defensie onverkort van kracht indien zich bij het ongeval dodelijk letsel voordoet. Om een enkel voorbeeld te noemen: ook (of misschien wel juist) bij een dergelijk ongeval speelt de verantwoordelijkheid van de Minister van Defensie voor "zijn personeel", en ook bij deze ongevallen is kennis omtrent militair materieel en militaire procedures een onmisbaar element bij een onderzoek naar de toedracht van het ongeval. Voorts leidt (aanvullend) civiel onderzoek tot versnippering van know how in geval van plaatsvervangend civiel onderzoek, en tot doublures in geval van aanvullend onderzoek. Bovendien meen ik dat de voorgenomen ongevallenraad Defensie ook in staat zal zijn een ongeval met dodelijke afloop op verantwoorde wijze te onderzoeken. Samenvattend meen ik dat er geen aanleiding bestaat om bij ongevallen met dodelijke afloop, naast strafrechtelijk onderzoek, ook (aanvullend) civiel onderzoek mogelijk te maken.

Artikel 7
De leden van de fractie van D66 vragen wat de reden is dat ten minste de rang van kapitein-luitenant ter zee dan wel luitenant-kolonel moet zijn bekleed om als (plaatsvervangend) lid van de ongevallenraad benoembaar te zijn. Met bedoelde eis wordt beoogd zeker te stellen dat betrokkene beschikt over een voldoende mate van deskundigheid, zowel voor wat betreft het specifieke terrein waarvoor betrokkene wordt benoemd, als voor wat betreft algemene kennis omtrent de Defensieorganisatie. Hiertoe is vereist dat betrokkene over de nodige ervaring beschikt, die wordt opgedaan door in de loop der tijd verschillende functies, waarin onder meer aan het analytisch vermogen van betrokkene wordt geappelleerd, binnen de krijgsmacht te vervullen.

De leden van de fractie van Groen Links menen dat begrijpelijk is dat in de ongevallenraad materiedeskundigheid aanwezig moet zijn door mensen uit de desbetreffende defensieonderdelen te benoemen. Zij vragen evenwel of het nodig is aan alle leden en plaatsvervangende leden de eis te stellen dat zij uit de krijgsmacht afkomstig zijn, en of andere deskundigen (bijvoorbeeld afkomstig uit de industrie, de luchtvaart, de zeevaart en dergelijke) niet net zo nuttig zijn. Aanvullend vragen deze leden of niet het gevaar bestaat dat door naast juristen louter deskundigen uit het defensieapparaat in de raad op te nemen, een zekere bedrijfsblindheid of ongewenste loyaliteit jegens ex-collega´s optreedt die afbreuk doet aan de onafhankelijheid van de raad. Materiedeskundigheid op de diverse gebieden die Defensie bestrijkt, is mijns inziens zonder meer noodzakelijk om een ongeval of incident verantwoord te kunnen onderzoeken. Het gaat daarbij om een aantal gebieden waarvoor de deskundigheid in de civiele maatschappij niet zonder meer voorhanden is. Ik denk dan aan deskundigheid op het gebied van onderzeeboten, luchtvaartuigen zoals de F16, de gevechtshelikopters, en de binnenkort in gebruik te nemen onbemande luchtvaartuigen voor waarnemingsdoeleinden, mijnen, wapens en munitie, tanks en dergelijke. Kennis omtrent deze zaken ligt in de civiele maatschappij nu eenmaal niet voor het oprapen. En is deze kennis al voorhanden, dan ontberen deze deskundigheid weer de kennis omtrent de Defensieorganisatie als zodanig. Deskundigen die werkzaam zijn geweest binnen de Defensieorganisatie, verenigen beide kwaliteiten in één persoon. Door zowel de leden als de plaatsvervangende leden van de voorgenomen ongevallenraad uit de Defensieorganisatie afkomstig te laten zijn, kan worden voorzien in een zo breed mogelijk scala aan deskundigheid, en kan daarmee een zeer breed scala aan potentiële ongevallen met passende deskundigheid tegemoet worden getreden. De raad is daarmee breed inzetbaar. Mocht er daarnaast behoefte bestaan aan deskundigheid "van buiten", dan kan de raad ad hoc deskundigen van buiten de Defensieorganisatie inschakelen om de raad bij zijn onderzoek bij te staan. Bedrijfblindheid en ongewenste loyaliteit zijn risico´s die overal op de loer liggen. Ook de deskundige van buiten kan op "zijn" specialisme een zekere bedrijfsblindheid vertonen, naast de mogelijkheid van een ongewenste belangenverstrengeling met delen van de Defensieorganisatie. Dat is nooit geheel uit te sluiten. Voor wat betreft deze aspecten meen ik dat de eis dat het om oud-officieren van de krijgsmacht gaat, voldoende waarborgt dat betrokkene een afstandelijke houding ten opzichte van de Defensieorganisatie en de daar werkzame personen kan innemen. Los daarvan is er uiteraard de persoon van de volstrekt van de Defensieorganisatie onafhankelijke voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van de ongevallenraad, die het bij uitstek tot zijn taak mag rekenen om de raad een onafhankelijk onderzoek uit te doen voeren. Daarnaast ben ik van mening dat indien er wegen zijn om aan het door de leden van de fractie van GroenLinks gesignaleerde aspect tegemoet te komen, dit niet moet worden nagelaten. In de tegelijk met deze nota uitgebrachte nota van wijziging wordt dan ook in de artikelen 8 en 25 erin voorzien dat een lid van de raad dan wel de vooronderzoeker de gelegenheid krijgt zich te onthouden van een onderzoek indien er een zodanige mate van persoonlijke betrokkenheid is dat dit aan een objectieve behandeling van het onderzoek in de weg staat. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan het geval dat het onderzoek een zeer goede (ex-)collega betreft.

Artikel 10
De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom niet de ruimte wordt gelaten deskundige secretarissen van buiten het defensieapparaat aan te trekken. Volgens deze leden zal door deskundigheidseisen duidelijk te omschrijven, in de praktijk blijken dat secretarissen veelal uit het defensieapparaat komen. Zij vragen of het geen overregulering is deze verwachte uitkomst al bij de wet te verplichten. De secretarissen zullen een drijvende rol spelen bij de voortgang van het onderzoek en bij het opstellen van het eindrapport. Voor deze werkzaamheden is bekendheid met het defensieapparaat en meer in het bijzonder van het terrein waarop de betrokken kamer van de raad werkzaam zal zijn, onontbeerlijk. Om die reden wordt dit door de eis van het zijn van (oud) officier reeds met zoveel woorden in het voorstel van rijkswet vastgelegd. Het niet wettelijk vastleggen van deze eis zou het ongewenste gevolg hebben dat ook andere personen dan (oud) officieren van de krijgsmacht zouden menen in aanmerking te kunnen komen voor deze functie, terwijl zulks materieel-inhoudelijk niet gewenst wordt. Door de thans voorgestelde formulering is van meet af aan duidelijk wat wordt beoogd.

De hier aan het woord zijnde leden vragen voorts of (oud) officieren van de Koninklijke marechaussee ook in aanmerking kunnen komen voor de functie van secretaris. Ik ben de leden van de fractie van GroenLinks erkentelijk voor dit door hen gesignaleerde punt. Bij het opstellen van het voorstel van rijkswet zijn de gedachten in eerste instantie uitgegaan naar ongevallen en incidenten tijdens militaire oefeningen en is in het verlengde daarvan voor de secretaris van de kamer voor de andere ongevallen dan luchtvaart- en scheepvaartongevallen gedacht aan een (oud) officier van de landmacht. Niet valt in te zien waarom oud-officieren van de Koninklijke marechaussee niet in aanmerking zouden kunnen komen voor deze functie van secretaris. In de tegelijk met deze nota naar aanleiding van het verslag uitgebrachte nota van wijziging wordt in deze leemte voorzien. Voor in actieve dienst zijnde officieren van de Koninklijke marechaussee ligt dit evenwel anders. De reden hiervoor is dat deze officieren opsporingsambtenaar zijn, waardoor ten onrechte de indruk gewekt zou kunnen worden dat het ongevallenonderzoek toch mede tot doel heeft de schuldige van een ongeval te achterhalen.

Artikelen 13 tot en met 19
De leden van de fractie van de VVD vragen of de onderzoeksbevoegdheden van de ongevallenraad in alle gevallen wel afdoende zullen blijken. In dat verband vragen deze leden waarom niet ervoor wordt gekozen de raad de bevoegdheid van inbeslagneming te geven, dan wel waarom de raad zich in dat geval niet zou kunnen bedienen van de Koninklijke marechaussee als sterke arm. Voorts stellen deze leden de vraag of de regering het niet van belang acht dat ook wordt voorzien in een regeling om woningen óók zonder toestemming van de bewoner te kunnen betreden. Bij de door de leden van de fractie van de VVD genoemde bevoegdheden tot inbeslagneming (al dan niet met behulp van de sterke arm) en het betreden van woningen zonder toestemming van de bewoner, gaat het om zeer ingrijpende bevoegdheden. Vanwege dit ingrijpende karakter zijn deze bevoegdheden in ons rechtssysteem in beginsel voorbehouden aan functionarissen die zijn belast met het opsporen van strafbare feiten. Zoals bekend, is het ongevallenonderzoek geen strafrechtelijk onderzoek. De raad en de vooronderzoeker hebben geen opsporingsbevoegdheid en beschikken dientengevolge niet over bevoegdheden als hier bedoeld. Deze situatie is niet anders dan bij de Raad voor de Transportveiligheid. Uiteraard is het achterhalen van de toedracht van een ongeval of incident van groot belang, doch het toekennen van bedoelde zeer ingrijpende bevoegdheden die in het algemeen zijn beperkt tot de strafrechtelijke sfeer, acht ik te rigoureus. Overigens merk ik op dat in de praktijk van de afgelopen twintig jaar van de Nederlandsche Marineraad geen behoefte heeft bestaan aan vergaande bevoegdheden als hier bedoeld.

Artikel 21
De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het niet denkbaar is dat in bepaalde gevallen het wenselijk is juist een vooronderzoeker te benoemen die niet uit de krijgsmacht komt. Voorts vragen zij of deze vooronderzoeker niet, conform artikel 22, vierde en vijfde lid, is toe te rusten met militaire deskundigheid via medewerkers of medeonderzoekers. De taak van de vooronderzoeker is in de eerste plaats het verzamelen en ordenen van feiten en gegevens ten behoeve van de ongevallenraad. De vooronderzoeker velt geen oordeel omtrent de (vermoedelijke) oorzaak. Voor het verzamelen van de feiten en gegevens is een grondige kennis van het terrein waarop het ongeval zich heeft voltrokken, onontbeerlijk. Om die reden is - in navolging van de procedure in de huidige Marinescheepsongevallenwet - voorgesteld om als vooronderzoeker een actief binnen de krijgsmacht werkzame officier te benoemen. Op deze manier is het mogelijk de meest actuele kennis ter beschikking te stellen ten behoeve van het onderzoek. Een tweede reden om een binnen Defensie werkzame persoon tot vooronderzoeker te benoemen is dat deze per direct met zijn onderzoekstaak kan worden belast, hetgeen een groot voordeel is omdat de tijd tussen ongeval en vooronderzoek zo kort mogelijk dient te zijn. Een vooronderzoeker van buiten Defensie - zoals de leden van de fractie van GroenLinks bedoelen - is niet ondenkbaar. Het toerusten van deze niet militaire vooronderzoeker met militaire deskundigheid kost evenwel extra mankracht en werkt dientengevolge kostenverhogend. Voorts kan de termijn waarop een dergelijke externe vooronderzoeker voor deze taak beschikbaar is, een belemmering vormen voor de snelheid die met name in de aanvang van het onderzoek geboden is. Ik ben evenwel gevoelig voor het argument van de leden van de fractie van GroenLinks dat het in voorkomend geval wenselijk kan zijn een vooronderzoeker van buiten de krijgsmacht te benoemen. In de nota van wijziging wordt deze suggestie dan ook in het voorstel van rijkswet overgenomen.

Artikel 26
De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de beslissing over het niet openbaar behandelen van een zaak met redenen omkleed publiekelijk bekend wordt gemaakt en/of ter kennis wordt gebracht van de Tweede Kamer. De zitting waarmee een onderzoek wordt afgesloten is ingevolge artikel 30 in beginsel openbaar. Twee situaties kunnen aanleiding geven tot een besluit tot niet-openbare behandeling van de zitting. In de eerste plaats betreft dat de situatie waarin de Minister van Defensie op een van de gronden genoemd in artikel 26, tweede lid, tot niet openbare behandeling heeft besloten. In de tweede plaats beoordeelt de raad op grond van de in artikel 30, eerste lid, genoemde gronden of gehele of gedeeltelijke niet-openbare behandeling noodzakelijk is.De bekendmaking van deze besluiten is niet als verplichting in de artikelen 26 en 30 van het voorstel van rijkswet opgenomen. Bij nader inzien komt het gewenst voor de bekendmaking alsnog als verplichting in het voorstel van rijkswet op te nemen. In meergenoemde nota van wijziging wordt daarin voorzien. In beide gevallen wordt dit besluit bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of dagblad of op een andere geschikte wijze. Gelet op deze wijze van bekendmaking lijkt er geen reden om bedoelde besluiten afzonderlijk ter kennis te brengen van de Tweede Kamer. Een vermelding daarbij van de exacte gronden waarop dit besluit berust acht ik ongewenst, omdat daarmee mogelijkerwijs een belang dat wordt beoogd met de niet openbare behandeling te beschermen, wordt geschaad. Het is voor de rechtsbescherming ook niet nodig, omdat tegen het besluit van de minister of de raad de bezwaar- en beroepsprocedures van de Algemene wet bestuursrecht openstaan. Daarmee is ook de tweede vraag van de leden van de fractie van GroenLinks, of er voor betrokkenen die openbare behandeling wensen, een mogelijkheid bestaat tot beroep tegen een besluit van de minister, beantwoord. Tenslotte merk ik op dat het natuurlijk voor de leden van de Tweede Kamer mogelijk is de minister te vragen - al dan niet vertrouwelijk - op de hoogte te worden gesteld omtrent zijn besluit tot niet openbare behandeling.

Artikel 36
De leden van de fractie van GroenLinks vragen of er een mogelijkheid bestaat voor betrokkenen om het eindrapport, de conclusies en de aanbevelingen aan te vechten en/of heropening te vragen. Het eindrapport (met de daarin vervatte conclusies en aanbevelingen) betreft de uitspraak omtrent de (vermoedelijke) oorzaak op basis van verzamelde feiten en gegevens omtrent een plaatsgevonden hebbend ongeval of incident. Een dergelijke uitspraak is geen besluit waartegen beroep openstaat. Wel is mogelijk dat het onderzoek wordt heropend, hetgeen zowel op initiatief van de raad als op initiatief van de minister kan geschieden. Zouden - in het voorbeeld van de leden van de fractie van GroenLinks - de bij het ongeval betrokkenen het onderzoek willen laten heropenen, dan zullen zij de raad of de minister ervan moeten overtuigen dat er sprake is van nieuwe feiten, die van wezenlijk belang zijn voor de in het eindrapport getrokken conclusies of de gedane aanbevelingen. In dat geval wordt het onderzoek heropend en worden de nieuwe feiten in de beschouwingen betrokken.

Voorts vragen de leden van de fractie van GroenLinks of een afschrift van het eindrapport standaard ter beschikking wordt gesteld van de Tweede Kamer, en zo dit niet het geval is, wat hiervan de reden is. In het voorstel van rijkswet wordt niet voorzien in het standaard terbeschikkingstellen van een afschrift van het eindrapport aan de Tweede Kamer. De reden hiervoor is dat voor een dergelijk standaard terbeschikkingstellen geen aanleiding bestaat. Standaard toezending geschiedt alleen aan diegenen die rechtstreeks bij het ongeval of incident betrokken zijn. Dit zijn de personen die in artikel 36, derde lid, worden genoemd. Voor overige belangstellenden wordt voorzien in publicatie in de Staatscourant van de conclusies, vaststelling van de (vermoedelijke) oorzaak en eventuele aanbevelingen. Op basis hiervan kunnen deze belangstellenden inzage vragen in het overigens openbare eindrapport. Vanzelfsprekend wordt de Tweede Kamer indien zij de wens hiertoe kenbaar maakt, een exemplaar ter beschikking gesteld.

Artikel 40
De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom gegevens, ontleend aan een vluchtrecorder, een cockpit-voice-recorder en de transcripten daarvan zijn uitgesloten als bewijs in een rechtsgeding . Dat zijn toch geen gegevens die specifiek zijn verkregen voor een onderzoek van de ongevallenraad Defensie, maar beschikbare gegevens die zowel in een onderzoek als in een rechtsgeding van belang kunnen zijn, zo stellen deze leden. Met de betrokken bepaling wordt aansluiting gezocht bij hetgeen bij het ongevallenonderzoek in de civiele luchtvaart gebruikelijk is. De bepaling is ontleend aan Annex 13 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart. Voor het achterhalen van de oorzaak van een ongeval of incident is vereist dat de bij het ongeval betrokkenen vrijuit kunnen spreken. Dit beginsel geldt ook reeds vóórdat een ongeval of incident heeft plaatsgevonden. Immers, tijdens hun werkzaamheden moeten betrokkenen kunnen spreken zonder dat op de achtergrond de dreiging hangt dat hetgeen zij zeggen in een later stadium in een geding tegen hen kan worden gebruikt. Duidelijk zal zijn dat ook het vrijuit kunnen spreken in het stadium van vóór het ongeval of incident, van wezenlijk belang is voor de mogelijkheden tot het achterhalen van de oorzaak van het ongeval of incident.

Artikel 41
De leden van de fractie van de VVD wijzen op de mogelijkheid van een cumulatie van instanties die onderzoek doen naar een ongeval. Zij stellen voor om ter vermijding van onderlinge competentiekwesties, te komen tot een soort rangorderegeling in het doen van onderzoek. Naar het oordeel van deze leden voorziet artikel 41 hierin niet afdoende, en is de redactie van dit artikel te vrijblijvend. Een cumulatie van onderzoeken kan zich - zij het in beperkte mate - voordoen. Daarbij is onderscheid te maken naar het doel van het onderzoek. Het ongevallenonderzoek heeft tot doel de oorzaak van het ongeval te achterhalen waarbij de schuldvraag niet van belang is, terwijl het doel van het strafrechtelijk onderzoek juist is om vast te stellen of er een schuldige is aan te wijzen. Deze onderzoeken staan los van elkaar, worden uitgevoerd door verschillende instanties, en kunnen noodzakelijkerwijs (in verband met hun verschillend doel) niet van elkaar afhankelijk worden gemaakt. Deze onderzoeken zullen dan ook tegelijkertijd moeten kunnen worden uitgevoerd. Het aangeven van een rangorde is als gevolg daarvan niet wel voorstelbaar. Voor het achterhalen van de oorzaak van het ongeval - het ongevallenonderzoek - kunnen er diverse instanties in beeld komen. Uitgaande van een militair ongeval binnen Nederland is dat in de eerste plaats de voorgenomen ongevallenraad Defensie. In het geval dat er tevens een civiel transportmiddel bij het ongeval betrokken is, is er tevens betrokkenheid van de Raad voor de Transportveiligheid (die overigens de door de hier aan het woord zijnde leden in het verslag genoemde Raad voor de Luchtvaart opvolgt). En indien er een buitenlandse krijgsmacht bij het ongeval betrokken is, kan ook een buitenlandse ongevallenraad in beeld komen. Deze buitenlandse raad beschikt uiteraard niet over bevoegdheden om binnen het Koninkrijk onderzoek te verrichten. Dit betekent dat een buitenlandse raad alleen in nauwe samenwerking met de ongevallenraad Defensie onderzoek kan uitvoeren. Artikel 43 van het voorstel van rijkswet bevat daartoe voorzieningen. In het geval van een militair-civiel ongeval, is een tweetal raden bevoegd. Aangetekend hierbij zij dat de ongevallenraad Defensie primair op verzoek van de Minister van Defensie werkt. Dit betekent dat in een geval van geringe militaire betrokkenheid deze minister kan besluiten de ongevallenraad niet om onderzoek te verzoeken, en het onderzoek over te laten aan de civiele ongevallenraad. In geval er wel sprake is van een militair belang, berust ingevolge artikel 67 van de Wet Raad voor de Transportveiligheid en artikel 41 van het onderhavige voorstel van rijkswet op de beide onderzoeksraden de wettelijke plicht tot afstemming van werkzaamheden. Naar het voorkomt is dit een voldoende basis voor een vruchtbare samenwerking tussen beide raden. Gelet op het vorenstaande zie ik voor een rangorderegeling geen aanleiding.

De leden van de fractie van de VVD wijzen voorts op de wenselijkheid om een regeling van relatieve onbevoegdheden in te voeren, analoog aan artikel 16 van de Wet Nationale ombudsman. Als voorbeeld noemen deze leden het geval waarin de ongevallenraad een onderzoek instelt en tevens de Koninklijke marechaussee onderzoek doet naar strafbare feiten. Moet, zo vragen deze leden, in een dergelijk geval de ongevallenraad zich, hangende het justitiële onderzoek, niet onbevoegd verklaren. Ondanks dat zowel de raad als de marechaussee onder dezelfde ministeriële verantwoordelijkheid vallen, hebben zij niet altijd dezelfde, en mogelijk in enige situatie zelfs conflicterende belangen. De leden van de fractie van de VVD constateren terecht dat bij het justitieel onderzoek en het ongevallenonderzoek verschillende belangen spelen. Zoals in het antwoord op een voorgaande vraag van deze leden reeds is opgemerkt, gaat het in het eerste geval om het achterhalen van de schuldige, en in het tweede geval om het achterhalen van de oorzaak van het ongeval, los van de schuldvraag. Dit brengt naar mijn mening mee dat de twee onderzoeken los van elkaar kunnen en moeten worden uitgevoerd, in afzonderlijke trajecten. Er is geen aanleiding om het ene onderzoek te laten wachten op afronding van het andere onderzoek. Dit is zelfs ongewenst, aangezien beide onderzoeken gebaat zijn bij goede voortgang in verband met de beschikbaarheid van sporen van het ongeval. Voor de goede orde merk ik op dat indien de Koninklijke marechaussee onderzoek doet naar strafbare feiten, dit onderzoek geschiedt onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie, en niet onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Defensie.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe wordt omgegaan met ongevallen waarbij zowel militaire als niet-militaire voertuigen, vaartuigen en/of personen betrokken zijn. Kan er dan sprake zijn van een gezamenlijk onderzoek, of gaat het altijd om twee gescheiden onderzoeken, waarbij slechts sprake is van afstemming, zo vragen deze leden. In die gevallen waarin er sprake is van een zogenaamd gemengd ongeval, waarbij derhalve enerzijds militaire belangen betrokken zijn, en anderzijds een civiel transportmiddel betrokken is, is er in principe sprake van twee gescheiden onderzoeken. Op de civiele ongevallenraad rust veelal een wettelijke onderzoeksplicht, terwijl de ongevallenraad Defensie primair op verzoek van de minister onderzoek instelt. Dit betekent dat in geval van gering belang voor Defensie, de minister kan besluiten de militaire ongevallenraad niet om onderzoek te vragen en het onderzoek over te laten aan de civiele ongevallenraad. In een geval waarin civiel en militair belang ongeveer gelijk aanwezig zijn, alsmede indien er sprake is van een overwegend Defensiebelang, zullen er twee onderzoeken plaatsvinden. De artikelen 67 van de Wet Raad voor de Transportveiligheid en 41 van het voorstel van rijkswet verplichten de beide raden in dat geval de werkzaamheden af te stemmen. Dit brengt mee dat delen van het onderzoek gezamenlijk kunnen geschieden, zodat de raden elkaar niet voor de voeten lopen, en dat de onderzoeksresultaten worden afgestemd.

De leden van de fracties van RPF en GPV vragen in hoeverre er samenwerking of afstemming zal plaatsvinden tussen de kamers van de Raad voor de Transportveiligheid en die van de ongevallenraad Defensie, bijvoorbeeld als er sprake is van een ongeval van een militair vliegtuig op een burgervliegveld. Zij vragen tevens wie er dan verantwoordelijk is voor de coördinatie. Hiervoor werd reeds in algemene zin ingegaan op de samenwerking en afstemming in geval van zogenaamde gemengde ongevallen. In het specifieke geval dat zich een ongeval voordoet met een militair vliegtuig op een burgervliegveld is die situatie niet anders mits er bij het ongeval tevens een civiel transportmiddel, waarbij in dit geval primair valt te denken aan een burgerluchtvaartuig, betrokken is. Beide raden zijn bevoegd, en beide raden zijn wettelijk verplicht om samen te werken. De coördinatie zal in goed overleg tussen beide raden kunnen worden geregeld. Het komt niet noodzakelijk voor hier op voorhand regulerend op te treden. In het geval dat bij het ongeval op het burgervliegveld alleen een militair vliegtuig betrokken is, zal ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet Raad voor de Transportveiligheid die wet geen toepassing vinden. In dat geval zal er uitsluitend onderzoek door de ongevallenraad Defensie plaatsvinden, en is de vraag naar afstemming van werkzaamheden derhalve niet aan de orde.

Artikel 43
Met betrekking tot de internationale samenwerking vragen de leden van de fractie van GroenLinks of er sprake is van een gelijkwaardige positie van buitenlandse onderzoekers als zij lid zijn van een gelijkwaardige raad in een andere staat. Voorts vragen zij of er zo een mogelijkheid is voor een gezamenlijk onderzoek, en zo dat niet het geval is, of het wenselijk is die mogelijkheid te creëren. In zijn algemeenheid is er niet zonder meer sprake van een gelijkwaardige positie van leden van buitenlandse onderzoeksraad vergeleken met de ongevallenraad Defensie. In de eerste plaats zijn de hierbedoelde personen geen lid van de ongevallenraad en hebben zij als zodanig geen stem bij de besluitvorming. Voorts beschikken deze personen omdat zij geen lid zijn van de raad, niet zonder meer over wettelijke onderzoeksbevoegdheden binnen het Koninkrijk. Niettemin is het uiteraard van belang dat deze personen aan het onderzoek kunnen deelnemen, en dat hun specifieke know how ter beschikking van het onderzoek komt. Daartoe zijn diverse voorzieningen in het voorstel van rijkswet opgenomen. Artikel 15, derde lid, maakt het mogelijk dat de raad zich doet vergezellen door personen die door hem zijn aangewezen, waaronder uiteraard ook buitenlandse onderzoekers worden begrepen. Van groot belang voor de positie van buitenlandse onderzoekers is voorts dat ingevolge artikel 22 personen kunnen worden benoemd die de vooronderzoeker bij zijn onderzoek bijstaan. Daarmee krijgen de buitenlandse onderzoekers tevens de beschikking over een aantal onderzoeksbevoegdheden. Artikel 28 bepaalt dat het rapport van vooronderzoek in afschrift aan de vertegenwoordigers van de betrokken buitenlandse staat wordt gezonden. Het tweede lid van dat artikel maakt het mogelijk dat deze personen de raad om een zitting verzoeken. Artikel 43 tenslotte maakt het mogelijk dat de vertegenwoordigers van het buitenland de zitting van de raad bijwonen en hun visie geven. Zij kunnen eigen deskundigen meebrengen en hebben voorts toegang tot de tijdens het onderzoek verzamelde informatie. In de situatie dat de betrokken buitenlandse staat een NAVO-staat is, brengen internationale afspraken mee dat bij luchtvaartongevallen de staat die eigenaar is van het verongelukte vliegtuig, het onderzoek leidt. In een dergelijke situatie kan de rol van de ongevallenraad Defensie zich ingevolge artikel 43 beperken tot ondersteunende werkzaamheden, waarbij kan worden gedacht aan deelonderzoek en het uitoefenen van onderzoeksbevoegdheden in het bijzijn van en ten behoeve van de buitenlandse onderzoekers. Het vorenstaande overziende meen ik dat er weliswaar geen sprake is van een volstrekt gelijkwaardige positie van buitenlandse onderzoekers, maar dat wordt voorzien in ruime mogelijkheden voor deze personen om bij het onderzoek betrokken te worden.

Artikelen 45 tot en met 52
Onder verwijzing naar artikel 54 pleiten de leden van de fractie van de VVD ervoor om de plaatsvervangend voorzitter apart op te nemen in artikel 45. Inderdaad doet zich hier een leemte voor. Bij de tegelijkertijd met deze nota naar aanleiding van het verslag uitgebrachte nota van wijziging zal dit worden gecorrigeerd.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen tenslotte of het mogelijk is mensen die niet meewerken aan een onderzoek, te gijzelen om hen zo tot medewerking te forceren. Het mogelijk maken van gijzeling acht ik een te ingrijpende bevoegdheid. Het gaat immers om een vrijheidsbenemende maatregel en daarmee om een inbreuk op een grondrecht. Op het niet meewerken aan een onderzoek is in artikel 45 de straf van geldboete of gevangenisstraf gesteld. Naar het voorkomt moet dit een voldoende stimulans voor betrokkenen zijn om aan het onderzoek mee te werken.

REACTIE OP DE NADERE VRAGEN

1. Ongevallenonderzoek / incidentenonderzoek
Als eerste punt wordt in de nadere vragen gesteld dat bij de Defensieongevallenraad het accent zeer duidelijk wordt gelegd op het ongevallenonderzoek. Onder verwijzing naar het belang van het incidentenonderzoek voor de veiligheid en onder verwijzing naar de naamswijziging van "Transportongevallenraad" in "Raad voor de Transportveiligheid" wordt voorgesteld om zowel de naam van de Defensieongevallenraad als de wettekst aan te passen aan het belang van het incidentenonderzoek, dat overigens wel in de toelichting bij de Ongevallenraad Defensie wordt vermeld. De naam van de voorgenomen raad - Ongevallenraad Defensie - vestigt inderdaad primair de aandacht op ongevallen. Dit is in die zin verklaarbaar dat voorvallen waarbij daadwerkelijk letsel of schade is veroorzaakt, meer tot de verbeelding spreken dan bijna-ongevallen waarbij zulks niet het geval is. Niettemin is het wel degelijk de bedoeling dat de ongevallenraad ook bijna-ongevallen of incidenten onderzoekt. Dit volgt niet alleen uit de memorie van toelichting, doch is tevens op diverse plaatsen in de tekst van de ontwerp-rijkswet verankerd. Ik verwijs naar de artikelen 4 en 11, waar met zoveel woorden staat dat de raad onderzoek doet naar de oorzaak of vermoedelijke oorzaak van "ongevallen en incidenten", en naar artikel 1, onderdeel g, dat een definitie van het begrip "incident" bevat. Ook artikel 6 maakt bij de beschrijving van het taakgebied van de kamers van de raad, telkens melding van de incidenten. De wettekst behoeft derhalve naar mijn mening geen aanpassing. Zoals ik reeds in reactie op een vraag van de leden van de fracties van RPF en GPV heb opgemerkt, sta ik open voor suggesties met betrekking tot de naam van de raad mits deze zich niet beperken tot het element transport en niet tot ongewenste associaties op het gebied van veiligheid leiden.

Met betrekking tot het verkrijgen van informatie over incidenten wordt gesteld dat de raad in de huidige wettekst nauwelijks enige informatie terzake krijgt, of het zou bij wijze van spreken een bericht uit de media moeten betreffen. De wijze waarop de voorgenomen ongevallenraad kennis krijgt van incidenten is niet anders dan voor wat betreft ongevallen. De raad werkt in eerste instantie op verzoek van de minister, die immers de politieke verantwoordelijkheid draagt voor voorvallen die binnen "zijn" organisatie plaatsvinden en die om die reden al op de hoogte moet zijn van voorvallen waarbij die organisatie betrokken is. Daarmee verschilt deze situatie wezenlijk van die bij de Raad voor de Transportveiligheid. Deze raad onderzoekt immers geen voorvallen in een hiërarchisch opgebouwde overheidsorganisatie waarvoor een minister verantwoordelijk is, doch voorvallen in de "vrije" civiele transportwereld. Om die reden is voor de Raad voor de Transportveiligheid voorzien in een plicht om voorvallen te melden aan de raad.

2. Onafhankelijkheid
Voor wat betreft het aspect van de onafhankelijheid wordt gesteld dat bestaande onafhankelijke onderzoekscolleges bestaan uit permanente colleges die zodanig zijn samengesteld dat er geen bepaalde belangen zijn die de uitkomsten van het onderzoek kunnen beïnvloeden. Tevens kunnen deze colleges zonder last of ruggespraak in het openbaar rapporteren. Met betrekking tot het onderzoek door de Ongevallenraad Defensie wordt vervolgens geponeerd dat het belang van de Defensie-organisatie een zo´n doorslaggevende rol speelt dat niet kan worden gesproken over "onafhankelijk" onderzoek. Daarbij wordt gewezen op de volgende aspecten:

* de (plaatsvervangend) leden zijn oud-officieren van de krijgsmacht; slechts de (plaatsvervangend) voorzitter is niet afkomstig daaruit, doch dit is onvoldoende garantie voor onafhankelijk onderzoek;

* het in het vorige punt gestelde geldt ook voor de secretarissen van de raad;

* voor onafhankelijk onderzoek is vereist dat de raad beschikt over eigen, vaste vooronderzoekers;

* omdat er geen meldingsplicht is, is de raad voor zijn onderzoeken afhankelijk van de Defensie-organisatie.

Met de stelling dat het Defensiebelang een zo doorslaggevende rol speelt dat geen sprake kan zijn van een onafhankelijk onderzoek (en de daarvoor gegeven redenen) ben ik het volstrekt oneens. Een voldoende mate van onafhankelijkheid van de ongevallenraad Defensie wordt naar mijn mening langs de volgende wegen bereikt:
1. de benoeming en ontslag van voorzitter, leden en plaatsvervangers geschiedt bij koninklijk besluit (art. 7, eerste lid), dus los van de defensie-organisatie;
2. de (plaatsvervangend) voorzitter is afkomstig uit de rechterlijke macht (art. 7, vijfde lid), dus deze is bij uitstek een persoon die gewend is zich onafhankelijk op te stellen; 3. de leden zijn vanwege hun kennis afkomstig uit de defensie-organisatie, maar met het oog op hun onafhankelijkheid van die organisatie wordt vereist dat zij niet meer actief zijn daarbinnen (art 7, zesde lid);
4. de leden en hun plaatsvervangers hebben zitting zonder last (art. 8, eerste lid);
5. de raad regelt zelf zijn werkwijze (art 5); 6. de raad heeft de mogelijkheid om eigener beweging een onderzoek te starten (art. 4, tweede lid) of te heropenen (art 37); 7. de raad maakt de conclusies van het onderzoek tijdens een openbare zitting van de raad bekend (art. 35, derde lid).

Voor de onafhankelijkheid van de raad acht ik zeker geen beletsel dat de secretaris mogelijk werkzaam is bij de krijgsmacht. Het zijn van (oud)officier is vereist omdat affiniteit met de materie en de organisatie een groot voordeel is voor de werkzaamheden van de secretaris. Dit staat los van de onafhankelijkheid van de raad. Ik wijs erop dat de secretaris geen lid is van de onderzoekskamer (art. 10, vierde lid). Het beschikken over vaste vooronderzoekers is met het oog op de onafhankelijkheid van het onderzoek geen vereiste. Bij het vooronderzoek gaat het om het vaststellen van feiten en gegevens, zonder dat daar een oordeel over wordt geveld. Bij deze werkzaamheid staat de meest actuele kennis van organisatie en materieel voorop. Met het oog op de onafhankelijkheid van de vooronderzoeker ten opzichte van de defensieorganisatie is voorzien in de bepaling (art. 22, tweede lid) dat de vooronderzoeker bij zijn werkzaamheden de aanwijzingen van de raad in acht neemt.
Op de reden waarom in het voorstel van rijkswet niet is voorzien in een meldingsplicht, is hiervoor onder punt 1 van de nadere vragen reeds ingegaan.

Het voorgaande overziende meen ik dat de onafhankelijkheid meer dan voldoende is verzekerd. Tot slot voeg ik daar nog aan toe dat indien het functioneren van de ongevallenraad in het geding is, de controlerende functie van het parlement meebrengt dat de voor deze raad verantwoordelijke minister door het parlement te allen tijde ter verantwoording kan worden geroepen.

3. Openbaarheid
Met betrekking tot de openbaarheid wordt gesteld dat het Defensiebelang prevaleert boven het belang van openbaarheid. In dat verband wordt - onder verwijzing naar de artikelen 26, 30 en 35 - gewezen op het feit dat het rapport van vooronderzoek aan de minister wordt voorgelegd opdat deze kan nagaan of behandeling in het openbaar kan geschieden, op het feit dat de minister beslist welke informatie in het eindrapport openbaar wordt gemaakt, en op het feit dat de minister de rapporten van de raad publiceert. In de eerste plaats wil ik gaarne erop wijzen dat de voorstelling van zaken als zou uitsluitend de minister over de openbaarheid oordelen, niet juist is. De artikelen 26 en 30 maken een duidelijk onderscheid tussen door de minister te beoordelen gronden voor niet-openbaarheid, en door de raad te beoordelen gronden. Dit onderscheid werkt tevens door in artikel 35, tweede lid. Voor de onderzoeken van de Ongevallenraad Defensie geldt hetzelfde openbaarheidsregime als in de Wet openbaarheid van bestuur. De in artikel 10 van die wet opgesomde gronden om tot niet-openbaarheid te besluiten, zijn in het voorstel van rijkswet neergelegd in de artikelen 26 en 30. De tussenkomst van de minister heeft uitsluitend tot doel dat deze beoordeelt of bijvoorbeeld geclassificeerde gegevens in het geding zijn die niet in de openbaarheid mogen geraken. Als ander mogelijk belang dat bij uitstek ter beoordeling aan de minister staat kan de staatsveiligheid worden genoemd. Waar dergelijke zeer zwaarwegende belangen in het geding kunnen zijn, dient de verantwoordelijkheid voor al dan niet openbaarmaking van gegevens te berusten bij een persoon die politiek verantwoording schuldig is aan het parlement, en dient deze verantwoordelijkheid niet te worden gelegd bij een op afstand van in dit geval de Minister van Defensie staande raad. De raad verricht onderzoek ten behoeve van de Minister van Defensie en brengt daarom rapport uit aan die minister. De publicatie van de conclusies en dergelijke geschiedt in het verlengde daarvan door deze minister. De openbaarheid (en onafhankelijkheid) wordt gewaarborgd door het door de raad tijdens een openbare zitting bekendmaken van de conclusies, de vaststelling van de (vermoedelijke) oorzaak en eventuele veiligheidsaanbevelingen.

4. Onderlinge afstemming Ongevallenraad Defensie / Raad voor de Transportveiligheid
Opgemerkt wordt dat de reikwijdte van het voorstel van rijkswet zeer ruim is. De enkele aanwezigheid van een militair in een bij een ongeval betrokken transportmiddel als een trein of vliegtuig zou reeds voldoende zijn om een onderzoek door de Ongevallenraad Defensie mogelijk te maken. De reikwijdte van het wetsvoorstel is noodzakelijkerwijs ruim. Dit vloeit voort uit de verantwoordelijkheid van de Minister van Defensie voor zijn personeel en zijn organisatie. Echter, hierin ligt tegelijkertijd een wezenlijke beperking besloten. In het geschetste geval waarin een enkele militair zich bevindt in een bij een ongeval betrokken passagierstrein, is niet de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Defensie voor het eigen personeel in het geding. En aangezien de Ongevallenraad Defensie primair onderzoek verricht op verzoek van de minister, zal in een geval als het geschetste geen zodanig verzoek worden gedaan. Overigens zal deze minister door het parlement ter verantwoording kunnen worden geroepen, zowel indien hij - in de ogen van het parlement - ten onrechte niet dan wel ten onrechte wel tot een onderzoek opdracht geeft. De hier geschetste samenloop met onderzoeken door de Raad voor de Transportveiligheid is dan ook een puur theoretische.

Vervolgens wordt in de nadere vragen stilgestaan bij het voorbeeld waarin sprake is van een militair ongeval waarbij ook burgerslachtoffers vallen, bijvoorbeeld in het geval een militair vliegtuig neerstort op een woonwijk. Gesteld wordt dat het merkwaardig is indien in een dergelijk geval alleen de Ongevallenraad Defensie bevoegd is tot onderzoek. Niet geheel duidelijk is wat wordt beoogd hiermee te zeggen. Het feit dat de Raad voor de Transportveiligheid niet bevoegd is, vloeit voort uit de Wet voor de Transportveiligheid. Bepalend voor de toepasselijkheid van die wet is dat het om civiele transportmiddelen gaat, niet dat er burgerslachtoffers zijn. Dit komt met name naar voren indien het ongeval niet een transportmiddel betreft, bijvoorbeeld in geval van een schietongeval met burgerslachtoffer(s). Het feit dat bij een ongeval niet-militairen betrokken zijn, vormt nog geen reden om de Raad voor de Transportveiligheid in te schakelen. Overigens heeft de hier bij wijze van voorbeeld geschetste situatie zich in 1992 voorgedaan toen een F16 in de Hengelose woonwijk de Hasseler Es is neergestort. Het ongevallenonderzoek is toen uitsluitend door de Defensieorganisatie uitgevoerd zonder dat dit in de maatschappij enige bevreemding wekte.

Aan het slot van onderdeel 4 van de nadere vragen wordt stilgestaan bij de optie om te komen tot een "Defensie-kamer" binnen de Raad voor de Transportveiligheid, mede gelet op de vermoedelijk frequent aanwezig zijnde noodzaak tot samenwerking als gevolg van de ruime reikwijdte van de Defensiewetgeving. Merkwaardigerwijs wordt in dat kader gesteld dat de wenselijkheid van samenwerking tussen ongevallenraden ernstig te betwijfelen zou zijn. De verschillen in openbaarheid en onafhankelijkheid liggen aan deze twijfel ten grondslag. Zoals ik hiervoor reeds heb uiteengezet, is de reikwijdte van de voorgenomen Rijkswet ongevallenraad Defensie noodzakelijkerwijs ruim, doch zullen andere mechanismen ervoor zorgen dat alleen wanneer de verantwoordelijkheid van de Minister van Defensie in het geding is, wordt besloten tot onderzoek door de Ongevallenraad Defensie. Het parlement vervult hierbij zijn controlerende functie. Veelvuldige samenwerking ligt naar het zich laat aanzien niet in de rede. Voor die gevallen waarin samenwerking geboden is, is een afstemmingsregeling voorzien in artikel 41 van de voorgenomen rijkswet. De Wet Raad voor de Transportveiligheid bevat een gelijke voorziening. Deze voorzieningen zijn tijdens de interdepartementale voorbereiding van de beide wetten in goed overleg overeengekomen, en voor wat betreft de Raad voor de Transportveiligheid door het parlement gefiatteerd. Niet valt in te zien waarom deze regeling niet bevredigend zal kunnen functioneren. Bij mogelijke fricties zal voor wat betreft de Ongevallenraad Defensie door het parlement kunnen worden ingegrepen, welke mogelijkheid bij de Raad voor de Transportveiligheid, zijnde een zelfstandig bestuursorgaan, ontbreekt. Dat de openbaarheidsregeling een beletsel zal vormen voor samenwerking tussen ongevallenraden, komt niet waarschijnlijk voor. De gronden voor niet-openbaarheid zijn in beide gevallen de gronden van de Wet openbaarheid van bestuur. In het geval dat beide ongevallenraden een rapport zouden uitbrengen, brengt de samenwerkingsregeling mee dat de publicatie van gegevens in overleg geschiedt. Uiteraard zal het daarbij niet zo mogen zijn dat Defensiegegevens ten aanzien waarvan de politiek verantwoordelijke Minister van Defensie heeft besloten dat zij niet in de openbaarheid mogen komen, via de Raad voor de Transportveiligheid, waarvoor geen bewindspersoon politieke verantwoordelijkheid draagt, toch in de openbaarheid worden gebracht. In die zin zal de Rijkswet ongevallenraad Defensie voor dit aspect moeten worden beschouwd als een lex specialis die derhalve voor het betrokken aspect vóór de Wet Raad voor de Transportveiligheid gaat.

5. Regeling bij rijkswet
Tenslotte wordt in de nadere vragen aangeroerd dat één van de redenen om te kiezen voor een afzonderlijke Ongevallenraad Defensie is gelegen in het feit dat voor Defensie regeling bij rijkswet geboden is. Voor de Raad voor de Transportveiligheid is - zo wordt gesteld - om vertraging in het wetgevingstraject te voorkomen, gekozen voor een gewone wet. Geconcludeerd wordt dat indien de Wet Raad voor de Transportveiligheid alsnog een rijkswet zou worden, deze reden voor een afzonderlijke Ongevallenraad Defensie zou wegvallen. Deze stelling is inderdaad juist. Doch dit doet niets af aan het feit dat - zoals reeds eerder is opgemerkt - de reikwijdte van de Wet Raad voor de Transportveiligheid, die zich beperkt tot transport, te beperkt is om alle Defensie-ongevallen en incidenten te bestrijken.

De Minister van Defensie

______________________________________________________________________

26 110 (R 1619) Instelling van een ongevallenraad Defensie (Rijkswet ongevallenraad Defensie)

Nota van wijziging

Het voorstel van rijkswet wordt als volgt gewijzigd:

A Aan artikel 4 wordt een lid toegevoegd, dat luidt: 4. Bij de uitoefening van zijn taak neemt de raad de op het onderzoek van ongevallen en incidenten betrekking hebbende internationale voorschriften in acht.

B Artikel 8, tweede lid, komt te luiden:
2. De leden en plaatsvervangend leden van de raad onthouden zich van deelneming aan de behandeling van een onderzoek: a. dat henzelf of hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad aangaat,
b. dat instellingen of rechtspersonen betreft bij welke zij werkzaam zijn of belang hebben, dan wel
c. waarbij zij een zodanige persoonlijke betrokkenheid hebben, dat dit aan een objectieve behandeling van het onderzoek in de weg staat.

C In artikel 9 wordt "algemene maatregel van bestuur" vervangen door: algemene maatregel van rijksbestuur .

D Artikel 10, derde lid, komt te luiden:
3. Tot secretaris kan slechts worden benoemd:
a. voor de kamer voor de luchtvaartongevallen een officier of oud-officier afkomstig van de Koninklijke luchtmacht; b. voor de kamer voor de scheepvaartongevallen een officier of oud-officier afkomstig van de Koninklijke marine; c. voor de kamer voor de overige ongevallen een officier of oud-officier afkomstig van de Koninklijke landmacht dan wel een oud-officier van de Koninklijke marechaussee.

E Artikel 21, derde lid, komt te luiden:
3. Tot vooronderzoeker wordt benoemd een bij de krijgsmacht werkzame officier. In afwijking van de eerste volzin kan een niet bij de krijgsmacht werkzame deskundige tot vooronderzoeker worden benoemd. Op deze deskundige is artikel 9 van overeenkomstige toepassing.

F Artikel 25, eerste lid, komt te luiden:
1. De vooronderzoeker, alsmede de op grond van artikel 22, vierde lid, benoemde personen, melden onverwijld aan de voorzitter van de raad: a. dat het onderzoek henzelf of hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad aangaat,
b. dat het onderzoek instellingen of rechtspersonen betreft bij welke zij werkzaam zijn of belang hebben dan wel
c. dat zij een zodanige persoonlijke betrokkenheid hebben, dat dit aan een objectieve behandeling van het onderzoek in de weg staat. De raad beslist of zij zich om deze reden van het onderzoek moeten onthouden.

G Artikel 26, tweede lid, komt te luiden:
2. Onze Minister besluit of de behandeling door de raad van een zaak of een gedeelte daarvan niet in het openbaar zal geschieden om reden dat:
a. een openbare behandeling:
1°. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; 2°. de veiligheid van het Koninkrijk zou kunnen schaden; 3°. vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens betreft; b. het belang van een openbare behandeling niet opweegt tegen de volgende belangen:
1°. de betrekkingen van het Koninkrijk met andere staten en met internationale organisaties;
2°. de economische of financiële belangen van het Koninkrijk, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, deelt zijn besluit daaromtrent aan de raad mede en draagt zorg voor de bekendmaking van dit besluit in een van overheidswege uitgegeven blad of een dagblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

H Artikel 30 komt te luiden:
Artikel 30
1. De raad houdt zitting in het openbaar. Onverminderd artikel 26, tweede lid, besluit de raad de behandeling van een zaak of een gedeelte daarvan niet in het openbaar te houden indien het belang van een openbare behandeling niet opweegt tegen de volgende belangen: 1°. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; 2°. inspectie, controle en toezicht door of vanwege bestuursorganen; 3°. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; 4°. het belang dat geadresseerde erbij heeft om als eerste kennis te kunnen nemen van informatie;
5°. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
2. De voorzitter van de raad stelt plaats, dag en uur van de zitting vast en draagt zorg voor de bekendmaking hiervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dagblad, dan wel op een andere geschikte wijze. De voorzitter maakt op overeenkomstige wijze het besluit, bedoeld in het eerste lid, bekend.

I Aan artikel 36, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, die luidt: Indien het ongeval of incident betrekking heeft op de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba, draagt Onze Minister tevens zorg voor publicatie in de Curaçaosche Courant onderscheidenlijk in de Landscourant van Aruba.

J In artikel 39, derde lid, komen de woorden "van Defensie" telkens te vervallen.

K Artikel 42, eerste lid, komt te luiden:
1. Indien buiten het Koninkrijk een ongeval of incident heeft plaatsgevonden, waarbij betrokken is een luchtvaartuig, schip of zaak, dan wel een persoon, in gebruik onderscheidenlijk werkzaam ten behoeve van Onze Minister, geschieden onderzoek en samenwerking met een andere betrokken staat met inachtneming van de terzake bestaande internationale afspraken. Onverminderd die afspraken neemt de Raad op verzoek van Onze Minister deel aan onderzoek dat door de andere staat wordt verricht.

L Artikel 43 komt te luiden:
Artikel 43
1. Indien bij een ongeval of incident een buitenlandse krijgsmacht is betrokken, geschieden onderzoek en samenwerking met de betrokken buitenlandse staat met inachtneming van de terzake bestaande internationale afspraken. Onverminderd die afspraken: a. kan Onze Minister toestaan dat één of meer gevolmachtigde vertegenwoordigers van de betrokken buitenlandse Staat aan het vooronderzoek deelnemen, de zittingen van de raad bijwonen en daar hun visie op het ongeval of incident kenbaar maken; b. kan Onze Minister de raad verzoeken om ten behoeve van het onderzoek door de betrokken buitenlandse Staat deelonderzoek naar de oorzaak of vermoedelijke oorzaak van het ongeval of incident te verrichten. 2. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde vertegenwoordigers kunnen zich door deskundigen doen vergezellen. De vertegenwoordigers en deskundigen hebben toegang tot de tijdens het onderzoek vergaarde gegevens en informatie.

M In artikel 45 wordt na "de voorzitter," ingevoegd: de plaatsvervangend voorzitter, .

N Onder vernummering van de artikelen 56 en 57 in 57 en 58 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:
Artikel 56
In artikel 27, derde lid, van de Schepenwet wordt "artikel 1, vierde lid, van de Marinescheepsongevallenwet 1928 (Staatsblad N°. 69)." vervangen door: artikel 2 van de Rijkswet ongevallenraad Defensie.

Toelichting

Onderdelen A, K en L
Bij nader inzien is gebleken dat in het voorstel van rijkswet onvoldoende rekening is gehouden met bestaande internationale afspraken. Zo genieten militaire schepen ingevolge de United Nations Convention on the Law of the Sea van 30 april 1982 (Trb. 1984, 55) immuniteit van jurisdictie. Als gevolg hiervan kan Nederland bijvoorbeeld niet zonder meer onderzoek doen naar de oorzaak van een ongeval waarbij een buitenlands defensieschip is betrokken, en kan de betrokken buitenlandse staat niet tot samenwerking bij een dergelijk onderzoek worden verplicht. De thans voorgestelde redactie van de artikelen 4, 42 en 43 beoogt de oorspronkelijke bedoeling van deze artikelen overeind te houden, en tegelijkertijd de ruimte te bieden die op grond van internationale afspraken noodzakelijk is. In het gegeven voorbeeld van een scheepsongeval zou dit kunnen betekenen dat de buitenlandse staat niet instemt met onderzoek op haar schip voor zover het feitelijk uitoefenen van onderzoeksbevoegdheden inbreuk zou maken op de jurisdictionele immuniteit van het desbetreffende schip. Waar deze afspraken bestaan, moeten deze uiteraard worden gerespecteerd en moet voorkomen worden dat wetgeving daarmee niet verenigbaar is.

Onderdelen B en F
De artikelen 8 en 25 bevatten de redenen waarom iemand zich van deelname aan het onderzoek kan onthouden. Echter, de situatie dat iemand zich zou willen onthouden omdat het onderzoek bijvoorbeeld zeer naaste (ex)collega´s betreft, wordt niet door de thans in de genoemde artikelen bestreken. Voorgesteld wordt dan ook de artikelen 8 en 25 in die zin uit te breiden, opdat ongewenste belangenconflicten kunnen worden voorkomen.

Onderdeel C
De voorgestelde wijziging in artikel 9 betreft het wegnemen van een onvolkomenheid.

Onderdeel D
De wijziging van artikel 10, derde lid, strekt ertoe het mogelijk te maken ook oud-officieren van de Koninklijke marechaussee tot secretaris te benoemen.

Onderdeel E
Dit onderdeel maakt het mogelijk om indien daartoe aanleiding bestaat, ook een van buiten de krijgsmacht afkomstige deskundige tot vooronderzoeker te benoemen. De tweede volzin regelt het vergoedingenaspect in geval van benoeming van een zodanige deskundige van buiten de krijgsmacht.

Onderdelen G en H
Bij nadere overweging komt het wenselijk voor om expliciet te regelen dat de besluiten van de minister en de raad tot geheel of gedeeltelijke niet-openbare behandeling, kenbaar worden gemaakt. De onderdelen G en H voorzien in de daarvoor vereiste wijziging van de artikelen 26 en 30, alsmede in een regeling voor de wijze waarop deze besluiten worden bekendgemaakt.

Onderdeel I
Voor die gevallen waarin het ongeval of incident betrekking heeft op de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba, komt het wenselijk voor dat de minister tevens ervoor zorgt dat de resultaten van het onderzoek aldaar worden gepubliceerd. Onderdeel H voorziet hierin.

Onderdeel J
Het expliciet aanduiden van de minister als de Minister "van Defensie" is overbodig aangezien het begrip "onze Minister" in artikel 1 van het voorstel van rijkswet reeds is gedefinieerd.

Onderdeel M
In artikel 45 werd ten onrechte de plaatsvervangend voorzitter niet genoemd. Onderdeel M voorziet in deze leemte.

Onderdeel N
Dit onderdeel strekt ertoe artikel 27 van de Schepenwet aan te passen aan het vervangen van de Marinescheepsongevallenwet door de Rijkswet ongevallenraad Defensie.

De Minister van Defensie,

mr. F.H.G. de Grave

_________________________________________________________________

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

actuele persberichten

Markten tijdens Sinterklaasintocht en Winterbeleving in Mill
Op zaterdag 12 november zal Sinterklaas samen met zijn Pieten weer voet aan wal zetten in Nederland. Traditioneel komt hij...

Tweederde Nederlandse huishoudens heeft triple- of quadplay abonnement
Circa 66% van de Nederlandse huishoudens beschikt over een abonnement bij 1 provider waarbij internet, tv en bellen worden afgenomen....

Internationaal evenement voor vertrouwenstechnologieen
TRUSTECH (inclusief CARTES) - een internationaal evenement voor vertrouwenstechnologieen - presenteert uitzonderlijk programma 2016 PARIJS-(BUSINESS WIRE)- Nieuwe naam, nieuwe targets,...

Meer passagiers voor Nederlandse luchthavens, maar omzet groeit niet
Schiphol bestaat 100 jaar. De luchthaven ligt op koers om dit jaar 60 miljoen passagiers te bereiken. Met dit mogelijke...

Alcoa: News: News Releases: Alcoa Inc. Announces Closing of Debt Off..
NEW YORK--(BUSINESS WIRE)--Alcoa Inc. (NYSE:AA) ("Alcoa") announced today that Alcoa Nederland Holding B.V. (the "Issuer"), a wholly owned subsidiary of...

Nieuw bedrijf Med4You.nl helpt patiënt aan regie
Op 1 oktober aanstaande start voormalig zorg-ict bestuurder Hans Hagoort het bedrijf Med4You.nl. Med4You.nl wil zich met haar activiteiten richten...

Smartmatic lanceert TIVI - systeem voor online verkiezingen
Smartmatic lanceert TIVI - veilig en verifieerbaar systeem voor online verkiezingen LONDON-(BUSINESS WIRE)- Smartmatic heeft vandaag de lancering van TIVI...

D-Day voor Daycar.nl - Auto voor de deur wordt wagenpark van de wijk
We zijn op weg naar een nieuwe samen-beweging, waarin de deelauto innoveert. De laatste ontwikkeling is Daycar. Door leenschaamte te...

Na 30 jaar brengt Marian Backus haar debuut Schoksgewijs opnieuw uit
Schoksgewijs gaat over Ans, zij is een heel onzeker, bang, afhankelijk gehandicapt meisje. Haar leven heeft zich vanaf haar tweede...

'Reclameverbod op Binaire Opties en CFD's werkt averechts'
De aankondiging van minister Dijsselbloem dat hij van plan is reclame voor risicovolle financiële beleggingsinstrumenten te verbieden, heeft geleid tot...

Aanhuisgebracht.nl gaat online boodschappen voor verswinkels bezorgen
Om de speciaalzaken te helpen in de online strijd om boodschappen te bezorgen heeft Aanhuisgebracht.nl een landelijk online platform ontwikkeld...

Podium onder de Dom wint Nederlandse finale Copa Jerez
De Nederlandse finale van de Copa Jerez, de internationale sherry-spijscompetitie voor restaurantprofessionals, is gewonnen door het team van restaurant Podium...

Actie Alleszelf.nl en ANBO brengt diensten ouderen in kaart
Voor het eerst in Nederland kunnen ouderen zélf diensten aanmelden waarmee ze langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Hiervoor organiseren...

Laag aantal energiezuinige huizen in Amsterdam
Een energielabel voor huizen is in 2010 ingevoerd en sinds 2015 verplicht voor elke woning. Het label laat zien hoe...

Israël Christelijk Nieuws Netwerk met een hart voor Israël op kabeltv
Vanaf 1 oktober 2016 zendt IsraelCNN elke zaterdagavond uit om 20.00 uur op de Kabel-TV via de Christelijke zender Family7....

23 wijnlanden in finale 28e Proefschrift Wijnconcours
Ruim 250 finalewijnen afkomstig uit 23 wijnlanden stonden zondag 25 september op de proeftafels van het 28e Proefschrift Wijnconcours. 27...

Danielle Van 't Schip Oonk brengt Loveable Light naar Melbourne
“Het vinden van vrede in jezelf leidt tot de ontwaking van je innerlijke rust die een stroom van liefde teweeg...

Loveable Light van start gegaan als statement tegen haat in de wereld
Vandaag is officieel de eerste aktie van Loveable Light van start gegaan, een initiatief van Annelies George (Basaiia) uit Bussum....

Het Spoorwegmuseum krijgt een Apenkop
Ruim 50 jaar was de Mat ’64, in de volksmond ook wel Apenkop genoemd, een bekende verschijning op het Nederlandse...

Savelberg wine collection for auction with a value of 500.000 euro
In Amsterdam on Sunday 25th September the Henk Savelberg Collection of Fine and Rare wines is held for auction with...

Nieuw Snor-boek: Het Winter BBQ-boek
Weer of geen weer, barbecueën kan altijd. Sterker nog, dat is juist extra leuk als het weer niet meteen voor...

Snorfestival op nieuwe locatie in Utrecht
Boeklanceringen saai? Niet bij Uitgeverij Snor! Snor lanceert haar nieuwste titels en chocolade tijdens het tweedaagse Snorfestival in de spiksplinternieuwe...

Nieuw Snor-boek Lievelingssprookjes
Blauwbaard, de Gelaarsde Kat, het Meisje met de zwavelstokjes. Sprookjes blijven tot de verbeelding spreken met verhalen over bedrog, liefde...

Uitgeverij Snor opent pop-up Snorfabriek
Een jaar lang creatieve workshops, boeklanceringen, etentjes, mobiele werkplekken, café-restaurant, galerie, winkel, atelier, zeefdrukkerij en uitgeverij. Dat is de pop-up...

Werknemers Alexion als vrijwilligers aan de slag voor Global Day
Werknemers Alexion al vrijwilligers aan de slag voor eerste Global Day of Service NEW HAVEN, Connecticut-(BUSINESS WIRE)- Alexion Pharmaceuticals, Inc....

Louis Bonduelle Foundation steunt tien jaar onderzoek met beurs
Onderzoek gezocht: Louis Bonduelle Foundation steunt tien jaar onderzoek met beurs VILLENEUVE D'ASCQ, Frankrijk-(BUSINESS WIRE)- Onderzoek is van cruciaal belang...

Zuid-Afrikaanse film- en muziekavond bij Pllek
Op vrijdag 23 september vindt de vierde en laatste editie van Pllek Going Places plaats. Onder de titel Afrolijk wordt...

Moeders van jonge kinderen ondervinden meeste vakantie stress
Volgens Synovate heeft 46 procent van de Nederlanders last van een vakantiedip bij de terugkeer naar werk. Maar veel moeders...

Sprankelende juwelencollecties in Oisterwijk
Liefhebbers van bijzondere juwelen, sieraden en horloges houden 25 t/m 27 november 2016 vrij voor “Het Juweel Oisterwijk” in Gallery...

Aantal ontslagprocedures bijna gehalveerd na invoering WWZ
1 juli 2015 is de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) ingevoerd. De WWZ heeft onder meer ten doel het ontslagrecht...

Alcoa: News: News Releases: Alcoa Inc. Announces Pricing of Debt Off..
NEW YORK--(BUSINESS WIRE)--Alcoa Inc. (NYSE:AA) ("Alcoa") announced today that Alcoa Nederland Holding B.V. (the "Issuer"), a wholly owned subsidiary of...

DeOnlineDrogist.nl opnieuw de grootste online drogist
DeOnlineDrogist.nl is opnieuw de grootste online drogist van Nederland, zo blijkt uit de Twinkle100. Deze jaarlijkse ranglijst toont de grootste...

Mobiel.nl opent servicepunt in Utrecht
Mobiel.nl, de grootste onafhankelijke aanbieder van smartphones en mobiele abonnementen in Nederland, opende op 20 september een servicepunt op Europaplein...

2 miljoen online boodschappers in 2017
Ruim één op de zes Nederlanders koopt in 2017 eten en drinken bij een online supermarkt. Het merendeel van de...

Krimpen aan den IJssel en Beek en Donk zijn Groenste Stad en Dorp 2016
In het Isala theater in Capelle aan den IJssel zijn vandaag tijdens de Nationale Groendag Krimpen aan de IJssel en...

LINTEC vernieuwt website en catalogus voor internationaal publiek uit
LINTEC vernieuwt website en geeft catalogus voor internationaal publiek uit TOKYO-(BUSINESS WIRE)- LINTEC Corporation heeft in juli 2016 een Engelstalige...

Quintiq en Wereldvoedselprogramma: een wereld zonder honger
Quintiq en Wereldvoedselprogramma: samenwerking voor een wereld zonder honger `S-HERTOGENBOSCH, Nederland-(BUSINESS WIRE)- Quintiq en het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de Verenigde...

Nieuwe financiering voor SecurityMatters vooraanstaande investeerders
Nieuwe financiering voor SecurityMatters van vooraanstaande investeerders EINDHOVEN, Nederland-(BUSINESS WIRE)- SecurityMatters, een toonaangevende aanbieder van geavanceerde cyberbeveiliging voor industriele aansturingssystemen,...

Rapportcijfer voor landschap in 2015 gedaald tot onder de 6
Nederlanders waarderen het landschap in hun directe leefomgeving steeds lager. In 2015 is deze waardering gedaald tot een rapportcijfer van...

Maritime Single Window geopend met software van Koninklijke Dirkzwager
De software van Dirkzwager is als eerste in Nederland aangesloten op het Maritime Single Window, het platform voor de elektronische...

Samen genieten op La Table sfeerbeurs
La Table sfeerbeurs is al meer dan 20 jaar hèt lifestyle-event van Nederland dat niemand wil missen! Bezoekers komen van...

Kidsclub Spoorwegmuseum noteert duizendste lid
De kidsclub van Het Spoorwegmuseum, de Rail Rookies, passeerde deze maand de magische grens van 1000 leden. Dit bevestigt de...

Displaydata benoemt Piet Coelewij tot niet-uitvoerende bestuurder
Displaydata benoemt Piet Coelewij tot niet-uitvoerende bestuurder BRACKNELL, Verenigd Koninkrijk-(BUSINESS WIRE)- Displaydata kondigt met blijdschap aan dat Piet Coelwij is...

Belangrijkste veranderingen zorgverzekering in 2017 (infographic)
Op Prinsjesdag zijn de belangrijkste wijzigingen in de zorg en zorgverzekering voor 2017 door de Rijksoverheid bekend gemaakt. Wat wordt...

Inepro’s SCR708 RFID-lezer past altijd
Inepro introduceert de nieuwste contactloze kaartlezer met een grote leesafstand en snelle uitlezingen. De SCR708 is Inepro’s nieuwste RFID-lezer en...

Begroting 2017 voldoet niet op alle onderdelen aan Europese regels
Begroting 2017 voldoet niet op alle onderdelen aan de Europese begrotingsregels Dinsdag 20 september 2016 De Nederlandse begroting voor 2017...

eBook: living with idiopathic pulmonary fibrosis
Life with IPF - an eBook INGELHEIM, Germany-(BUSINESS WIRE)- A diagnosis of IPF is news that few patients want to...

Extra drukte en meer nationaliteiten Texel vanwege Lonely Planet top10
Eind mei werd het Waddeneiland Texel door bekende internationale reisgids Lonely Planet in haar top-10 van Europese plekken die je...

Alcoa: News: News Releases: Alcoa Inc. Announces Proposed Debt Offer..
NEW YORK--(BUSINESS WIRE)--Alcoa Inc. (NYSE:AA) ("Alcoa") announced today a proposed offering of senior notes (the "Notes") by Alcoa Nederland Holding...

Spoorwegmuseum krijgt koninklijk tintje tijdens Prinsjesdag
Iedere derde dinsdag van de maand organiseert Het Spoorwegmuseum een Plusdag met een speciaal inhoudelijk programma voor senioren en andere...