Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Tekst akkoord cao sector onderwijs

Datum nieuwsfeit: 03-02-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Algemene Onderwijsbond


Laatste wijziging :03-02-99

ONGECORRIGEERDE VERSIE

CAO sector onderwijs (PO, VO, BVE) 1999-2000

De ACOP, de CCOOP, het AC en de CMHF enerzijds en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mede namens de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij anderzijds, verder te noemen "partijen" maken de volgende afspraken op hoofdlijnen over de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Over de uitwerking vindt nader overleg plaats.

1. Looptijd
De afspraken hebben betrekking op de periode 1-1-1999 tot 1-3-2000.

2. Reikwijdte
De afspraken hebben betrekking op het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs, het beroepsonderwijs en de
volwasseneneducatie. Voor het primair onderwijs is een aantal specifieke afspraken gemaakt (zie paragraaf 10).

3. De loonontwikkeling
Per 1 februari 1999 worden de salarissen verhoogd met 2,5%. In december 1999 ontvangt het personeel een eindejaarsuitkering van 0,6 % van het in het desbetreffende jaar ontvangen salaris. De salarisverhoging van 1 februari 1999 is minimaal gelijk aan de stijging die hoort bij salarisnummer 5 U 14.

Bovenstaande salarisverhoging en eindejaarsuitkering werken conform de daarvoor geldende systematieken door in pensioenen en uitkeringen.

4. Onderwijsondersteunend personeel
Partijen komen overeen dat de eindejaarsuitkering bij een volledige betrekking vanaf 1999 voor de maximumschalen 1 tot en met 5 verhoogd wordt van 705 gulden naar 1100 gulden en voor de maximumschalen 6 tot en met 8 van 620 gulden naar 1000 gulden.
Partijen komen daarnaast overeen dat de carriŠrepatronen voor personeel benoemd in de maximumschalen 1 tot en met 5 door het vervallen van de eerste vier uitloopperiodieken met ingang van 1 januari 2000 met vier jaar worden ingekort.

5. Modernisering arbeidsvoorwaarden
Partijen zijn van mening dat een verdere modernisering van arbeidsvoorwaarden een belangrijke bijdrage kan leveren aan het aantrekkelijker maken van het leraarsberoep en een versterking van de positie van de sector op de arbeidsmarkt. In dat licht achten partijen het wenselijk om: a. In dit akkoord een aantal afspraken vast te leggen over het beleid gericht op modernisering van arbeidsvoorwaarden voor de komende jaren; b. gedurende de looptijd van het contract een fundamentele discussie met elkaar en de werkgeversorganisaties te voeren gericht op vervolgstappen op het terrein modernisering van de arbeidsvoorwaarden en het personeelsbeleid. Bij deze discussie komen in ieder geval de onderstaande punten aan de orde:

* een herziening van het loongebouw, mede gebaseerd op een onderwijsspecifieke functiewaardering (-systematiek);

* het scheppen van optimale randvoorwaarden voor de professionele ontwikkeling en mobiliteit van het onderwijspersoneel, alsmede voor de beroepsuitoefening;
* fundamentele vernieuwing van de lerarenopleiding en de toegang tot het beroep
* scholing en de noodzaak hiertoe in het kader van employability.

Onderdeel a wordt hieronder verder uitgewerkt.

5.1 Maatregelen modernisering arbeidsvoorwaarden 1999, 2000 en 2001

A. Onderwijsspecifieke salarismaatregel
Randvoorwaarde voor modernisering van de arbeidsvoorwaarden is het wegnemen van structuurfouten in het loongebouw. Dit betreft m.n. de zogenaamde periodiekenstop. Deze stop zal m.i.v. 1 januari 2000 verwijderd worden uit de carrierepatronen van leraren benoemd in een functie met maximumschaal 9, 10, 11 en 12. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet in het wegnemen van de salarisachterstand van groepen van het onderwijspersoneel.
Voor zittende leraren die op 1 januari 2000: - bezoldigd worden volgens de bij de functie behorende maximumschaal of, - die langer dan een schooljaar bezoldigd worden volgens het hoogste bedrag van de hoogste aanloopschaal, of - die een salaris hoger dan het reguliere maximumsalaris van de functie ontvangen, wordt een compensatiemaatregel getroffen. Deze compensatiemaatregel houdt het volgende in: - het schaalbedrag van de leraren die op 1 januari 2000 nog niet volgens het reguliere maximumsalaris bezoldigd worden, wordt op 1 januari 2000 verhoogd naar het naasthogere schaalbedrag binnen het nieuwe carrierepatroon; - het schaalbedrag van de leraren die op 1 januari 2000 bezoldigd worden volgens het reguliere maximumsalaris of hoger wordt op 1 januari 2000 verhoogd met een per functieschaal vast compensatiebedrag.
Indicatie van de hoogte van de compensatiebedragen per functieschaal (brutobedragen per maand): . schaal 9: 48 gulden . schaal 10: 41 gulden . schaal 11: 76 gulden . schaal 12: 37 gulden
De definitieve compensatiebedragen zullen in nader technisch overleg worden vastgesteld binnen de gestelde budgettaire randvoorwaarden.

B. Impuls integraal
personeelsbeleid en verbetering loopbaanperspectief in het onderwijs
In het onderwijs is een belangrijke inhaalslag
noodzakelijk en voor een deel al ingezet bij de ontwikkeling van een integraal
personeelsbeleid. Aan deze inhaalslag wordt de komende jaren met behulp van de extra middelen die via het
Regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld een forse, extra impuls gegeven. In het kader van de besteding van dit budget heeft de positie van de leraar prioriteit. In het verlengde hiervan komen partijen overeen met voortvarendheid
voorbereidende activiteiten te starten gericht op de positie van het management en van het onderwijsondersteunend
personeel, alsmede van het personeel van de landelijke organen.

Verbinding persoonlijke professionele ontwikkeling en doelstellingen instelling Bij integraal personeelsbeleid gaat het om een vorm van personeelsbeleid waarin de persoonlijke
ontwikkelingsperspectieven van het personeel in relatie worden gebracht met de inhoudelijke- en organisatorische
doelstellingen van de
onderwijsinstellingen en waarin de ervaren werkdruk wordt verminderd via taakbeleid. Zo'n moderne invulling van
personeelsbeleid kan ook bijdragen aan het aanzien van het beroep en kan tevens de wervingskracht van de sector t.o.v. andere sectoren
verbeteren. Of andersom geformuleerd: instellingen zoeken bij het realiseren van deze doelstellingen naar de daarbij passende mix van kwaliteiten van het personeel (zowel op het niveau van het individuele personeelslid als voor het personeelsbestand van de instelling als totaal). Doorslaggevend daarbij is het tot stand brengen van een voortdurende en positieve wisselwerking tussen enerzijds het personeelsbeleid van de instelling met alle daarbij ter beschikking staande
instrumenten en anderzijds een actieve opstelling van het personeel gericht op de ontwikkeling van de eigen professionaliteit. Het gaat hier met name om:

* de professionele ontwikkeling van personeel en management;
* de taakverdeling op de instelling (taakbeleid);
* het beleid m.b.t. werving en selectie; * het beleid m.b.t. bewust incidenteel belonen; * het beleid m.b.t. de mogelijke toepassing van
beloningsdifferentiatie;
* het beleid m.b.t. de realisatie van een
scholingsrecht en begeleiding van personeelsleden.

Ontwikkeling professionaliteit van leraren
Deze wisselwerking vindt plaats in de vorm van een periodiek te voeren cyclus van individuele functioneringsgesprekken, waarin o.m. aan de orde komen:
* het niveau van de ontwikkelde bekwaamheden;

* de voornemens m.b.t. de verdere ontwikkeling van bekwaamheden;

* de ondersteuning en/of scholing die noodzakelijk is voor deze verdere ontwikkeling. Daarbij worden individuele, bindende afspraken gemaakt en vastgelegd over deze
ontwikkelingstrajecten, waarin de instelling en de leraar verplichtingen m.b.t. scholing en begeleiding op zich nemen m.b.t. een verdere
professionele ontwikkeling. De minister zal met de
werkgeversorganisaties in het po, vo en bve afspraken maken over de volledige inzet van het beschikbare scholingsbudget. De extra middelen die via het Regeerakkoord beschikbaar worden gesteld kunnen
gemotiveerd en in
overeenstemming met het beleid van de instelling, waarvoor het personeel via de PMR of het IGO/DGO instemmingsrecht heeft, aangewend worden voor een additioneel
scholings-/begeleidingsbudget.

Beoordelen van de ontwikkeling van bekwaamheden van leraren In de cyclus van
functioneringsgesprekken vindt tenminste iedere vier jaar een beoordelingsgesprek plaats. Iedere instelling stelt daarbij vast welke bekwaamheden men in aanmerking wil nemen bij deze beoordelingen en hoe zwaar deze bekwaamheden t.o.v. elkaar wegen. Op basis van deze bekwaamheden wordt het mogelijk objectiveerbare
beoordelingscriteria te ontwikkelen. De instelling gaat hierbij uit van op de
leraarsfuncties in het
betrokken onderwijs toegesneden bekwaamheden en betrekt hierbij de reeds ontwikkelde
beroepsprofielen.

Objectivering van
beloningsbeslissingen
In het integraal
personeelsbeleid kan, zodra het systeem van objectiveerbare beoordelingen voldoende operationeel is en het
management daarop voldoende is toegerust, ook een betere en meer objectiveerbare verbinding tot stand komen tussen
beslissingen die invloed hebben op het loopbaanperspectief van leraren en hun professionele ontwikkeling. Dit soort beslissingen krijgt dan een zorgvuldiger onderbouwing. Als het integraal personeelsbeleid langs deze lijnen voldoende ontwikkeld is worden ook varianten van functie- en beloningsdifferentiatie ( o.a. toelagen, extra periodieken ter verkorting van carrierepatronen en mogelijk maken van hogere maximum salarissen), ter ondersteuning van het integraal personeelsbeleid, mogelijk gemaakt. Hierbij zijn ten opzichte van de nieuwe - door het gestelde onder 5.1., onderdeel A, gewijzigde - carrièrepatronen alleen versnellingen mogelijk. Het Rpbo en de decentrale cao's VO en BVE worden daartoe zonodig aangepast. Daarbij is een belangrijk aandachtspunt dat de mobiliteit van leraren tussen instellingen onderling niet door de uitwerking belemmerd wordt.

Zorgvuldige voorbereiding, positie management
De stap naar integraal
personeelsbeleid kan alleen verantwoord worden gezet na een ruime periode van
voorbereiding. In het licht van deze zorgvuldigheid in de implementatie zal het budget in eerste instantie worden ingezet voor het scheppen van
voorwaarden voor de
eerdergenoemde wisselwerking. Dit vraag m.n. om een extra investering in de
professionaliteit van het management bij het uitwerken en scheppen van draagvlak voor deze vorm van personeelsbeleid. Alhoewel het management op den duur ook juist de vruchten zal plukken van integraal
personeelsbeleid zal het in de komende jaren extra
gefaciliteerd moeten worden. Het management zal volop in de gelegenheid moeten worden gesteld zich professioneel voor te bereiden op de rol van kwaliteitsbeoordelaar en procesmanager van het integraal personeelsbeleid. In de eerder genoemde ontwikkelingsbudgetten is voorzien in de daarop gerichte kosten voor opleiding, coaching en begeleiding van het management en in voorkomende gevallen ook in de kosten van het vrijmaken van tijd voor het volgen van deze opleidingen.

Medezeggenschap
Afgesproken wordt dat de PMR of het IGO/DGO instemming zal hebben over het beleid met betrekking tot de
beloningsdifferentiatie alsmede over de uitwerking van de rechtspositionele aspecten van de hiervoor voorgestelde onderdelen van het integraal personeelsbeleid.

Individuele rechtsbescherming De bestaande voorzieningen m.b.t. bezwaar en beroep zijn van toepassing op de
beoordelingen en de daaraan eventueel te verbinden
rechtspositionele gevolgen.

Financiering
Aan de instellingen zal uit de via het Regeerakkoord
beschikbaar gestelde middelen een specifiek extra budget worden toegekend voor integraal personeelsbeleid op basis van zodanige afspraken dat
verzekerd is dat de in het Regeerakkoord gestelde doelen bereikt worden. Met ingang van 1-8-2001 zal het budget ook een component bevatten om de instellingen in de gelegenheid te stellen op individueel niveau verbindingen te leggen tussen extra inspanningen en resultaten die leraren hebben geleverd mbt hun persoonlijke professionele ontwikkeling en hun loopbaanperspectief. Het gaat hierbij om positieve beloningsgevolgen, binnen de grenzen van de aan instellingen gegeven financiele
mogelijkheden( geen open einde). Bij de verdeling van de middelen kan apart aandacht besteed worden aan de positie van achterstandscholen en van vbo/mavo-scholen en de brede scholengemeenschappen.

Procedure
De minister zal ook met de school- en instellingsbesturen afspraken maken over een zorgvuldige implementatie. Het integraal personeelsbeleid zal voor de sectoren PO, VO en BVE nader worden uitgewerkt in het kader van het overleg tussen de decentrale sociale partners. Bovenstaande afspraken vormen daarbij het toetsingskader.

6. Arbeid en zorg
Partijen komen overeen om ten behoeve van een verkorting van de huidige wachtlijst voor kinderopvang van 0- tot 4-jarigen eenmalig een extra bedrag van 4 mln gulden in te zetten. Daarbij zijn de middelen inbegrepen die het gevolg zijn van de verhoging in 1999 van de bestaande
afdrachtkorting op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting (WVA) tot 30%.

Partijen komen tevens overeen om gezamenlijk opdracht te geven voor een onderzoek naar de behoefte aan buitenschoolse opvang in de sectoren waarop de Regeling Kinderopvang
Onderwijspersoneel van
toepassing is. In dit onderzoek staan onder andere de volgende vragen centraal: - Hoe groot is de behoefte aan buitenschoolse opvang onder onderwijspersoneel dat gebruik maakt van de Regeling Kinderopvang
Onderwijspersoneel in het algemeen en stille
reserve/herintreders in het bijzonder? - Aan welke vorm(en) van buitenschoolse opvang bestaat het meeste behoefte? - Hoe ziet het aanbod van voorzieningen voor
buitenschoolse opvang in de markt voor kinderopvang er op dit moment uit en welke mogelijheden zou dit kunnen bieden voor onderwijspersoneel?

Het onderzoek zal worden begeleid door een uit
vertegenwoordigers van
centrales en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen samengestelde begeleidingscommissie. Partijen streven ernaar het onderzoek v¢¢r 1 januari 2000 af te ronden.

7. Bevordering mobiliteit/ afvloeiingsregelingen in PO en VO
Partijen komen overeen dat het overleg op decentraal niveau over de in maart 1997 gemaakte afspraken op dit onderdeel uiterlijk 1 augustus 1999 zal zijn afgerond.

8. Bevordering werkgelegenheid langdurig werklozen
Partijen achten een maximale invulling van de "Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen" in het onderwijs van groot belang, zowel vanwege de bijdrage die deze functionarissen kunnen leveren in het kader van beheer en ondersteuning in het onderwijs als vanuit het belang van reintegratie van langdurig werklozen. Thans zijn 4000 zgn "Melkert-banen" in het
onderwijs gerealiseerd. Het streven is om de komende vier jaren dit aantal te verhogen tot 10.000.

Om dit te bereiken maken partijen de volgende afspraken:
- Het Rpbo wordt aangepast teneinde "D-banen", waarvoor een maximumsalaris geldt van 150% WML, in te passen; - OCenW bevordert in overleg met werkgevers- en
werknemersorganisaties de informatieverstrekking aan onderwijsinstellingen en gemeenten over de mogelijkheden van de I/D banen in het onderwijs en over
bemiddelingsfaciliteiten.

9. Taakbelasting en spaarverlof

9.1 Taakbelasting en werkdruk Partijen komen overeen de problematiek van taakbelasting en werkdruk per sector nader te onderzoeken en te analyseren. Daarbij zal o.m. aandacht worden besteed aan: * de mate waarin in het onderwijs sprake is van overmatige taakbelasting en werkdruk; * de oorzaken van taakbelasting/werkdruk en verschillen daarin; * de effectiviteit van maatregelen gericht op vermindering van werkdruk/taakbelasting; * de praktijk van en mogelijkheden voor het taak- en
organisatiebeleid van
instellingen; * de
mogelijkheden voor vermindering van de werkdruk van leraren door (effectievere)
ondersteuning door
onderwijsondersteunend
personeel;

In het kader van deze
verkenning zal de Minister een tweetal externe onderzoeken laten verrichten naar
taakbesteding/taakbelasting resp. taakbeleid. Werkgevers- en werknemersorganisaties worden betrokken bij de opzet en begeleiding van het
onderzoek. De resultaten van deze onderzoeken komen medio 1999 (taakbeleid) resp. medio 2000 beschikbaar. Partijen verbinden zich om over de resultaten van dit onderzoek open en reeel overleg te voeren.

9.2 Spaarverlof
Partijen komen overeen om de deelname aan spaarverlof regelingen te stimuleren o.a. door middel van een gerichte voorlichtingscampagne . Partijen bezien in hoeverre de Wet loopbaanonderbreking een op instellingsniveau uitvoerbare bijdrage kan leveren.

10. Voorstellen die specifiek betrekking hebben op het primair onderwijs

10.1 Ouderschapsverlof
Partijen zullen nader overleg voeren over de integratie van de regelingen voor
ouderschapsverlof uit het Rpbo en uit het BW, waarbij als randvoorwaarde geldt dat belanghebbenden er t.a.v. de omvang van het recht op verlof in geen enkel geval op
achteruit kunnen gaan.

10.2 Modernisering
Rpbo
Het Rpbo is alleen nog van toepassing op instellingen als bedoeld in de WPO, de WEC en deel II van de WVO. Het Rpbo kent echter een aantal
bepalingen waarin nog wordt verwezen naar subsectoren die niet meer onder het Rpbo vallen. Ook is er sprake van dubbelingen met andere wet- en regelgeving en kunnen de gehanteerde begrippen op een aantal plaatsen in het Rpbo worden geharmoniseerd.

Partijen spreken daarnaast af om in de komende periode het Rpbo integraal door te lichten om te komen tot een
modernisering/vereenvoudiging van het Rpbo. Het streven is er daarbij op gericht om deze modernisering/vereenvoudiging in te laten gaan per 1 augustus 2000. Partijen zullen in dit verband op korte termijn afspraken maken over de hierbij te hanteren criteria. Het samenstel van afspraken over de modernisering/vereenvoudiging van het Rpbo zal per saldo niet tot een verslechtering van de rechtspositie leiden.

10.3 Schoolmanagement
Partijen erkennen dat de diversiteit in het PO veld groot is zowel qua omvang van de scholen als naar
bestuurlijke constellatie.

Partijen constateren dat het veld oplossingen zoekt voor de gewijzigde taken en
verantwoordelijkheden in bestuurlijke samenwerking . Partijen constateren daarbij tevens dat voor de verdeling van de taken tussen bestuur en management vele modellen worden gekozen.

Partijen zijn van mening dat de positie van het management in het PO versterkt moet worden. Daarbij wordt geconstateerd dat de problematiek zich met name in het BO voordoet.

Partijen besluiten tot het volgende pakket aan
maatregelen:

A) Het ontwikkelen van modellen voor een duidelijkere
positionering en taakverdeling van het management ten opzichte van bestuur en team. Daarvoor zal extern advies worden gevraagd.

B) Er zal nader overleg gevoerd worden over de consequenties van de ontwikkeling in taken en positie van het
schoolmanagement voor de beloning. In afwachting van de uitkomsten van dit overleg wordt aan de volgende
schoolleiders met ingang van 1-1-2000 een toelage toegekend:
- 250 gulden per maand voor directeuren van basisscholen met minder dan 200 leerlingen;
- 100 gulden per maand voor adjunct-directeuren van basisscholen met minder dan 200 leerlingen; - 100 gulden per maand voor directeuren van basisscholen met 200 leerlingen of meer en minder dan 400 leerlingen; - 200 gulden per maand voor adjunct-directeuren van basisscholen met 200 leerlingen of meer en minder dan 400 leerlingen; - 200 gulden per maand voor
directeuren van basisscholen met 400 leerlingen of meer en minder dan 900 leerlingen; - 100 gulden per maand voor adjunct-directeuren van basisscholen met 400 leerlingen of meer en minder dan 900 leerlingen.

C) Professionalisering en deskundigheidsbevordering van het management gericht op de rol van de schoolleider in het integraal personeelsbeleid (zie tevens paragraaf 5.1 onderdeel B)

10.4 Vervangers
Partijen komen overeen een budget van 5 mln toe te voegen aan de middelen ten behoeve van kinderopvang, bij voorrang ter verbetering van de
opvangmogelijkheden van kinderen van vervangers.

11. Uitvoerings- en
dereguleringstoets
Op alle onderdelen van deze CAO of de uitwerkingen ervan (voor zover vallend onder de
verantwoordelijkheid van de minister van OCenW) die uitvoeringstechnische
consequenties hebben wordt een uitvoeringstoets gedaan. De uitwerking van deze CAO wordt getoetst in het licht van de deregulering.

12. Procedure
Bovenstaande afspraken hebben het karakter van een
onderhandelaarsakkoord. Op basis van een terugkoppeling naar hun achterban, stellen partijen uiterlijk 15 maart 1999 vast of het
onderhandelaarsakkoord kan worden omgezet in een
definitief akkoord.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie