Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Grootouders in strijd met Jeugdzorg Zeeland om kleinkind

Datum nieuwsfeit: 04-02-1999
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Persbericht.

Terneuzen : 3 februari 1999

Van :

Mevrouw Hartman en de heer Van Aerde


Terneuzen

commentaar : de heer Van Aerde GSM: 00.3275243035

 
Onderwerp:
Grootouders leveren reeds jarenlang strijd met stichting Jeugdzorg Zeeland om enkele uurtjes bezoekrecht aan hun kleinkind dat in een pleeggezin verblijft.

Aangezien onderstaande situatie geen op zich staande situatie is maar een veel gehoorde klacht in Zeeland vragen wij aandacht voor de situatie waarin wij ons bevinden.

 
Situatie.

D.R. is geboren op 27 oktober 1992. Z"n grootmoeder, mevrouw Hartman en haar partner, verder te noemen grootouders, waren bijzonder nauw betrokken bij de verzorging van hun kleinkind. Zij ondersteunden moeder en kind dagelijks. De op dat ogenblik alleenstaande moeder verkeerde na de geboorte tijdelijk in een onstabiele periode. De zorg voor D.R. viel haar zwaar. Toen de dagelijkse ondersteuning van de grootouders ontoereikend bleek zochten zij, ter ondersteuning, hulp bij diverse instanties. Uiteindelijk kwamen zij terecht bij de kinderbescherming. Deze instantie ondernam aanvankelijk niets. In de volledige overtuiging dat deskundige ondersteuning van moeder en zoon tot een oplossing zou leiden bleven zij pogingen ondernemen de instanties tot enig initiatief te bewegen. Dit lukte pas na vele maanden toe D.R. in het ziekenhuis werd opgenomen.

Hetgeen toen volgde is een tot op heden voortdurende nachtmerrie. Voor alle duidelijkheid willen wij hier aan toevoegen dat mevrouw Hartman en haar partner de heer Van Aerde een goede relatie hebben met de moeder van D.R.. De moeder van D.R. is ondertussen gelukkig gehuwd en D.R. heeft een broertje gekregen. Zij heeft een uiterst moeizaam verlopend contact met de voogdij-instelling en ondanks de totaal veranderde en stabiele situatie waarin ze zich bevindt adviseert Stichting Jeugdzorg Zeeland de hieronder vermelde ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing jaarlijks te verlengen. Het advies van de Stichting wordt door de kinderrechter klakkeloos overgenomen. Aangezien de moeder een omgangsregeling heeft met haar zoon en deze niet in gevaar wenst te brengen wil zij nadrukkelijk buiten dit verhaal gelaten worden. Wij verzoeken u dan ook dit te respecteren.

Gedurende de opname in het ziekenhuis (september 1993) zorgde mevrouw Hartman dagelijks voor haar kleinzoon. Zonder vooraf in kennis te worden gesteld werd Stichting Jeugdzorg Zeeland door de kinderrechter als voogdij-instelling aangewezen en D.R. werd in een pleeggezin geplaatst.( Na jarenlange procedures zijn wij langzaam maar zeker op de hoogte gebracht van de wettelijke bepalingen omtrent een en ander zodat wij deze in dit verhaal ter vervollediging kunnen aanhalen.). Art. 261.5 BW stelt dat " bij het verlenen en tenuitvoerleggen van de machtiging tot uithuisplaatsing letten de kinderrechter en gezinsvoogdij-instelling op de godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van het kind en van het gezin, waartoe het behoort. " De levensovertuiging van het pleeggezin was totaal verschillend van de levensovertuiging van gezin waartoe het behoort. Ouders en grootouders vonden het vreemd maar kenden de wet niet en gingen ervan uit dat dit een tijdelijke maatregel was die ertoe zou leiden dat D.R. mits deskundige begeleiding snel naar huis toe zou kunnen. Aangezien de grootouders nauw betrokken waren bij de opvoeding van D.R. kwam er ook een omgangsregeling tussen kleinzoon en grootouders. Deze omgangregeling werd door een medewerkster van Stichting Jeugdzorg Zeeland vastgesteld. Het contact met de gezinsvoogdes verliep echter moeizaam. De maatregel OTS en uithuisplaatsing werd eind 1994 verlengd. Vanwege problemen in het pleeggezin werd D.R. op 7 januari overgeplaatst naar een ander gezin. In een rapport van 19-05-95 schrijft de gezinsvoogdes hierover:

"Omdat het gezin eerder twee kinderen geadopteerd heeft, vond pleegmoeder het een grote belasting met D.R."s eigen moeder en grootmoeder om te gaan." 

De gezinsvoogdes bleef echter streven naar een terugkeer van D.R. naar het eerste gezin. Dit hield in dat moeder en grootmoeder een " sta in de weg " werden. Uit rapporten welke ons later onder ogen kwamen bleek dat grootmoeder als grote boosdoener werd gezien die haar dochter ervan zou weerhouden afstand te doen van haar zoon. Nadien zou ook blijken dat het gezin in de veronderstelling verkeerde dat de plaatsing tot adoptie zou leiden. De overplaatsing naar het andere gezin was een crisisplaatsing en er werd aan de grootouders medegedeeld dat zij geen contact mochten hebben met hun kleinkind. Op 1 juli 1995 werd D.R. opnieuw overgeplaatst naar een ander gezin. In dit gezin verblijft D.R. tot op dit ogenblik nog steeds. De plaatsing in een "verkeerd " gezin en de daaropvolgende overplaatsingen bestempelen moeder en grootouders tot op heden als een grove fout van de voogdij-instelling. In een brief van 20 juli 1995 schreef de gezinsvoogdes :

" omdat contact met eigen familie voor kinderen erg belangrijks is, nodig ik u uit voor een ontmoeting met D.R. op ons kantoor te...." 

Twee maanden later verschijnt er echter een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming Middelburg van 20 september 1995 (rapport nr. 31593). Daarin wordt het volgende weergegeven:

" mevrouw X, de gezinsvoogdes van de Stichting Jeugdzorg Zeeland gaf desgevraagd te kennen dat zij het in het belang van moeder en D.R. acht als er een verderstrekkende maatregel wordt uitgesproken. Zij meent dat het voor moeder belangrijk is dat duidelijk wordt dat zij geen perspectieven heeft om op termijn voor D.R. te zorgen. Mevrouw X is van mening dat een verderstrekkende maatregel moeder kan beschermen tegen het gevoel dat zij steeds opnieuw weer de strijd om D.R. moet aangaan. Mevrouw X zegt de indruk te hebben dat deze strijd wordt gevoed door oma m.z. . Vervolgens schuift zij het eerste pleeggezin opnieuw naar voren als oplossing en concludeert dat een verderstrekkende maatregel in ieders belang is. "

M.a.w. de gezinsvoogdij-instelling steekt niet de hand in eigen boezem maar vindt de aanwezigheid van een moeder en een oma lastig. Vooral oma wordt als grote boosdoener aangewezen. Een verderstrekkende maatregel, d.w.z. ontzetten uit de ouderlijke macht, zou in deze het probleem van de gezinsvoogdij-instelling oplossen. In hetzelfde rapport geeft de Raad van Kinderbescherming aan dat :

"gelet op de verstoorde verhouding lijkt het wenselijk om te overwegen deze nieuwe start door een andere gezinsvoogd te laten begeleiden."

Met dit advies is door de gezinsvoogdij-instelling niets gedaan. In tegendeel met vernieuwde moed pakte de gezinsvoogdes de strijd opnieuw op (van begeleiding was ondertussen geen sprake meer) . Gelukkig bleef er een omgangsregeling tussen grootouders en D.R. In een brief van 16 juli 1996 schrijft de gezinsvoogdes:

" Bij het eerste bezoek was ik aanwezig en dit bezoek verliep goed. Bij het tweede bezoek was ik niet aanwezig en heeft pleegmoeder moeten wijzen op het feit dat het niet goed is, opmerkingen tegen D.R. te maken in de trant van: "als je bij mama woont ,kun je bij mij schommelen" of iets dergelijks. Omdat het voor u blijkbaar moeilijk is om D.R. geen deelgenoot te maken van uw wensen, hebben we besloten dat uw volgende bezoeken toch begeleid zullen worden door mij of door de pleegzorgbegeleider. "

Dat het bijzonder moeilijk is om als grootouder je kleinkind geen deelgenoot te maken van je wensen wordt door de grootouders absoluut niet ontkend. Wat erger was is dat de vermeende uitspraak een totaal uit z"n verband gehaalde opmerking is, die naar later zou blijken de grote stok zou worden om te slaan. Maar dit is nog niets in vergelijking met wat zou volgen. Op
9 december komt er een brief van de gezinsvoogdes met de volgende inhoud:

" Geachte mevrouw Hartman,
Eerder was afgesproken met u dat, nu de bezoeken aan D.R. bij het pleeggezin thuis door mij begeleid worden, na 2 kontakten besproken zou worden hoe verder gegaan kon worden.
Inmiddels heeft er slechts 1 kontakt plaats kunnen vinden omdat u, door een ongelukje niet kon.
Zoals u bekend is heeft er inmiddels een onderzoek door het PAR plaat gevonden.
In het gesprek dat ik had met D.R."s moeder, uw dochter, over de inhoud van de rapportage, heb ik moeder verteld dat wij het advies over de kontakten met D.R. zouden volgen.
Dit betekent voor u dat de kontakten van u met D.R. niet meer voortgezet worden omdat gebleken is dat dit voor D.R. schadelijk is. Ik realiseer me dat dit voor u pijnlijk en verdrietig is."

 
 
Het PAR is een advies orgaan die in opdracht van o.a. gezinsvoogdij-instellingen psychologische onderzoeken uitvoert en daaruit vervolgens adviezen formuleert aan de opdrachtgever. De gezinsvoogdij-instelling kon nu plots de handen in onschuld wassen en "een lastige oma" (die enkele uurtjes per jaar haar kleinkind wil zien) uitschakelen. Mysterieus aan heel dit gebeuren is dat er wel een onderzoek had plaatsgevonden maar dat grootouders daar helemaal niet bij betrokken waren.

 
 
De strijd die toen volgde duurt tot op heden nog steeds voort. Een samenvatting.

Het PAR had kennelijk op verzoek van haar opdrachtgever een uitspraak geformuleerd aangaande oma. Niet over haar partner, die in deze ook omgangsgerechtigde is. Aan de hand van verhalen van derden kwam de psychologe van het PAR tot een opmerking over een vermeende psychische aandoening van grootmoeder, waarbij omgang met haar kleinkind gecontra-indiceerd zou zijn. Toen het bewuste rapport eindelijk boven water kwam is er een procedure gestart tegen de betrokken psychologe bij het tuchtcollege. De betrokken psychologe kreeg in eerste instantie een " waarschuwing " maar is hier momenteel tegen in beroep.

Een voorstel om een bemiddelaar aan te stellen werd afgewezen.

 

Een klacht bij de voogdij-instelling leidde tot niets. In deze klacht werd verwoord dat de instelling zich diende te realiseren dat het besluit van het PAR onzorgvuldig tot stand was gekomen en dus niet als argument gebruikt kon worden om een bestaande omgangsregeling stop te zetten.

Een klacht bij een onafhankelijke klachtencommissie werd overwogen, maar deze sluit grootouders als klagers uit.

Vereniging Kinderen-Ouders-Grootouders werd om advies gevraagd. Deze vereniging startte een bezwaarprocedure conform de bestuurswet. Dit leidde tot een procedure bij de bestuursrechter omdat een voogdij-instelling een bestuursorgaan is en zich normaal gezien ook als bestuursorgaan zou moeten gedragen. Dit zou in dit geval o.a. betekenen dat ze zich dienen te realiseren hoe een advies tot stand is gekomen alvorens dit over te nemen. De bestuursrechter bepaalde dat de voogdij-instelling wel een bestuursorgaan was, maar niet de bevoegdheid had een om een omgangsregeling vast te stellen. De bestuursrechter verwierp dus het besluit maar dit had verder geen enkele betekenis omdat dit niet betekende dat de omgangsregeling in rechte werd hersteld. Die bevoegdheid lag weer bij de kinderrechter.

Noodgedwongen werd dus een advocaat ingeschakeld om een procedure te starten bij de kinderrechter. Na de gebruikelijke uitstellen om tot een uitspraak te komen gaf een Zeeuwsche kinderrechter een uitermate sterk staaltje van vakkennis weg en stak daarmee een riem onder het hart van de voogdij-instelling. Zich baserend op artikel 1:377f BW werd gesteld dat er alleen gedurende het eerste levensjaar gesproken zou kunnen worden van een met gezinsleven gelijk te stellen situatie. Gedurende de periode daarna niet meer. Dus "niet ontvankelijk". Elke leek die een wetboek openslaat kan terugvinden dat artikel 1:377f BW niet van toepassing is omdat het hier om een O.T.S. gaat en dan zijn andere wetten van toepassing. Dat er een omgangregeling was werd niet meer vernoemd en dat de voogdij-instelling dergelijke beslissingen niet mag nemen kwam helemaal niet ter sprake.

 

Ondanks het feit dat de strijd hopeloos lijkt wordt het hoger beroep als een laatste strohalm gezien.

 
Feit blijft dat de voogdij-instelling zich absoluut niet druk hoeft te maken over eigen functioneren want de praktijk bewijst dat deze instantie nergens verantwoording dient af te leggen. Ondertussen hebben meerdere gedupeerden van de Stichting Jeugdzorg Zeeland zich kenbaar gemaakt bij de grootouders van D.R. Het is trouwens onmogelijk dat enkel de grootouders van D.R. de dupe worden van het optreden van de Stichting.

Voor commentaar is de heer Van Aerde steeds bereikbaar via bovengenoemde GSM. Op verzoek is het mogelijk bepaalde stukken als bewijs te overleggen, behalve indien dit de privacy van andere betrokkenen zou schenden.

 
Met vriendelijke groet,

 
 
 
Mevrouw Hartman

Noot voor redacties

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie