Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord kamervragen consumentenrecht verkoop via Internet

Datum nieuwsfeit: 05-02-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

expostbus51


Ministerie van Economische Zaken


www.minez.nl

EZ/Consumentenrechten bij verkoop via internet

Ministerie van Economische Zaken
Berichtnaam: persbericht
Nummer: 020
Datum: 05-02-1999

CONSUMENTENRECHTEN BIJ VERKOOP VIA INTERNET

Het lid van de Tweede Kamer Van der Hoeven (CDA) heeft aan de minister van Economische Zaken op 21 januari 1999 de volgende schriftelijke vragen gesteld.


1 Hebt u kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie dat bedrijven die verkopen via Internet zich alleen hoeven te houden aan de wetten van het land waar ze gevestigd zijn? 1)

2 Wat vindt u van de opvatting van de consumentenbond dat dit voorstel leidt tot eem verslechtering van de rechtspositie van de Nederlandse consument, aangezien de Nederlandse consument zich dan niet meer kan beroepen op de Nederlandse wetgeving die een hoge mate van bescherming biedt?

3 Is de regering voornemens in te stemmen met dit voorstel? Zo ja, op welke manier denkt de regering dan de bezwaren van de consumentenbond te kunnen ondervangen? Zo neen, op welke punten wenst de regering dat het voorstel dan wordt gewijzigd?

4 Op welke manier denkt de regering te voorkomen dat bedrijven die verkopen via Internet zich vestigen in het land met de slechtste wetgeving op het gebied van de consumentenrechten?

5 Hoe verhoudt dit voorstel van de Europese Commissie zich tot het nieuwe wetsvoorstel van de regering over koop op afstand?


---------------


1) Staatscourant, 8 januari jl.

De minister van Economische Zaken, A. Jorritsma-Lebbink heeft deze vragen als volgt beantwoord.


1 Ja.

2 Het voorstel van de Europese Commissie voor een Richtlijn .betreffende bepaalde juridische aspecten van de elektronische handel in de interne markt. heeft tot doel zekerheid te bevorderen op een vijftal gebieden, die van belang zijn voor de elektronische handel. Deze vijf gebieden betreffen:
de plaats van vestiging van dienstverleners op het gebied van de informatiemaatschappij;
commerciële communicatie;
langs elektronische weg gesloten overeenkomsten; bepalingen ten aanzien van de aansprakelijkheid van tussenpersonen; bepalingen ten aanzien van de uitvoering en handhaving van de richtlijn.

In het bijzonder de vraag waar een verlener van diensten van de informatiemaatschappij is gevestigd, is hier van belang. Daarbij is bepaald dat de dienstverlener de nationale bepalingen van de lidstaat van vestiging, die gelden voor het in de richtlijn gecoördineerde gebied, moet naleven. Voorts is bepaald dat andere lidstaten het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij, behoudens enkele uitzonderingen, niet mogen beperken. Het voorstel beoogt aldus een ware interne markt voor de elektronische handel tot stand te brengen.

In afwachting van regelgeving op internationaal niveau heeft de richtlijn alleen betrekking op dienstverleners die in een lidstaat zijn gevestigd. Dienstverleners die buiten de interne markt zijn gevestigd, vallen dus niet onder deze richtlijn.

Het voorstel bevat voorts een aantal bepalingen die mede tot bescherming van de consument strekken. Zij legt onder meer verplichtingen op op het gebied van informatie en transparantie en beoogt duidelijkheid te bieden ten aanzien van het (moment van) totstandkomen van elektronische overeenkomsten. Verder biedt de richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om in verband met de bescherming van de consument onder bepaalde voorwaarden maatregelen te nemen, die het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij beperken, met name waar het de rechtsgevolgen van overeenkomsten met consumenten betreft.

Tenslotte zij opgemerkt dat het voorstel uitsluitend betrekking heeft op de elektronische transactie zelf en dus niet op de ter uitvoering daarvan plaatsvindende (af-)levering van producten of diensten. Dit laatste behoudens voor zover de levering van de dienst op elektronische wijze plaatsvindt, bijvoorbeeld door middel van zogenaamd downloading.

Op dit moment deel ik de opvatting van de Consumentenbond, dat dit voorstel leidt tot een verslechtering van de rechtspositie van de Nederlandse consument, derhalve niet.

3 De Nederlandse regering steunt de uitgangspunten van het voorstel, dat in grote lijnen goed aansluit bij de momenteel in Nederland levende opvattingen. Een deugdelijke, minimale juridische infrastructuur is onontbeerlijk voor de elektronische handel. Dit kan leiden tot een groter vertrouwen van burgers en bedrijven in de voorspelbaarheid van de juridische situatie in geval van een geschil en de afdwingbaarheid van gemaakte afspraken. Het voorstel laat bovendien ruimte voor zelfregulering door middel van gedragscodes.

Het uiteindelijk door de Nederlandse regering in te nemen standpunt zal echter afhangen van de concrete uitwerking van de richtlijn, waarbij ook een behoorlijke bescherming van consumenten bij het elektronisch zaken doen moet zijn gewaarborgd.

In de bepaling van het definitief door Nederland in te nemen standpunt zullen uiteraard de overwegingen vanuit de verschillende geledingen uit de maatschappij, waaronder de opvattingen uit consumentenkringen (o.a. Consumentenbond en de SER Commissie Consumentenaangelegenheden) worden betrokken.

4 Zoals ik reeds in mijn antwoord op vraag 2 aangaf, heeft het voorstel alleen betrekking op elektronische dienstverleners, die in één van de lidstaten van de interne markt gevestigd zijn. Dienstverleners die niet in de Gemeenschap zijn gevestigd en die bijvoorbeeld kiezen voor vestiging in een land dat op het gebied van consumentenrecht slechts geringe bescherming biedt, kunnen geen gebruik maken van de mogelijkheden, die dit voorstel biedt.

Binnen de Gemeenschap mag ervan worden uitgegaan dat - onder meer door Europese regelgeving - de bescherming van consumenten zich overal op een voldoende hoog niveau bevindt.

Daarnaast biedt het voorstel de lidstaten een mogelijkheid om, indien zij dit ter bescherming van de consument nodig achten, aanvullende maatregelen te nemen.

5 Zoals overweging 14 van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake bepaalde juridische aspecten van electronische handel in de Interne Markt stelt, blijven andere richtlijnen, zoals de richtlijn 93/13/EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en de richtlijn 97/7/EG inzake bescherming van consumenten bij op afstand gesloten overeenkomsten, volledig van toepassing. De bepalingen van die richtlijnen, zoals omgezet in de nationale wetgeving, gelden dus onverkort wanneer de consument via Internet zaken of diensten aanschaft.

Het wetsvoorstel tot aanpassing van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dient ter implementatie van richtlijn 97/7/EG. De belangrijkste elementen van het wetsvoorstel (en van de richtlijn) zijn: verplichtingen voor leveranciers tot het verstrekken van informatie aan de consument v¢¢r het sluiten van de overeenkomst, bij de uitvoering ervan en bij het ongevraagd opbellen van de consument met het oog op het sluiten van een overeenkomst op afstand; bedenktijden voor de consument met daaraan gekoppelde rechten tot beëindiging van de overeenkomst;
een bepaling met het oog op frauduleus gebruik van de betaalkaart van de consument.

Van deze bepalingen kan niet ten nadele van de koper dan wel de wederpartij worden afgeweken. Artikel 12 lid 2 van de richtlijn brengt voor de lidstaten de verplichting mee, voor het geval van keuze voor het recht van een derde land (een staat die geen lid is van de Europese Unie en evenmin partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte) als recht dat op de overeenkomst van toepassing is, in hun wetgeving de bepaling op te nemen dat aan de consument de bescherming die hem op grond van de richtlijn is toegekend, niet wordt onthouden, indien er een nauwe band bestaat tussen de overeenkomst en het grondgebied van één of meer lidstaten. In het eerder genoemde wetsvoorstel is aan deze verplichting voldaan.

Ondernemers binnen de Europese Unie moeten zich, wanneer zij via Internet zaken en niet-financiële diensten aan consumenten te koop aanbieden, houden aan de minimum-bescherming die de richtlijn aan consumenten geeft.

Inmiddels zijn besprekingen begonnen over een richtlijnvoorstel van de Europese Commissie dat in aanvulling op genoemde richtlijn voorschriften bevat ter bescherming van consumenten bij op afstand gesloten overeenkomsten tot het verrichten van financiële diensten.

Noot voor redacties

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie