Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Belastingvrijstelling op aandeelbelangen kleiner dan 5%

Datum nieuwsfeit: 08-02-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Financien

Titel: deelnemingsvrijstelling

_________________________________________________________________

Toepassing deelnemingsvrijstelling op aandeelbelangen kleiner dan 5% (gelijkgestelde deelneming)

Besluit van 20 januari 1999, nr. DB 98/4730M

De plaatsvervangend directeur-generaal der Belastingen heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Aan mij is de vraag voorgelegd naar de betekenis van de arresten van de Hoge Raad van 5 november 1997 (HR 5 november 1997, nr. 32 105, gepubliceerd in onder meer BNB 1998/37c*) en HR 5 november 1997, nr. 32 137, gepubliceerd in onder meer BNB 1998/38c*). De arresten verschaffen duidelijkheid over de vraag wanneer sprake is van een zogenoemde gelijkgestelde deelneming in de zin van artikel 13, lid 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Op die vraag heb ik als volgt geantwoord.

BNB 1998/37c*

In het arrest HR 5 november 1997, nr. 32 105, BNB 1998/37c* heeft belanghebbende als enige activiteit het in het kader van een stock-option-plan aankopen van certificaten van aandelen van werknemers. Feitelijk is komen vast te staan dat belanghebbende in dit kader eenmaal aandelen heeft aangekocht (en later weer heeft verkocht). De aandelen belichamen een belang van 2,01%.

De HR stelt dat belanghebbende haar activiteit uitoefende in het kader van een beschermingsfunctie ten behoeve van E BV, dat die activiteit in het geheel van haar financiële betrekkingen en haar contractuele relaties met E BV en de werknemers van die vennootschap een onderneming vormt, en dat zij de onderhavige certificaten heeft aangehouden in de lijn van de normale uitoefening van die onderneming.

BNB 1998/38c*

In het arrest HR 5 november 1997, nr. 32 137, BNB 1998/38c* richten twee bedrijfsopvolgers ieder een houdstermaatschappij op. Deze houdstermaatschappijen richten een gezamenlijke werk-BV (G-nieuw) op in de verhouding 60:40. Met toepassing van artikel 14.2, Vpb wordt tegen uitreiking van cumulatief preferent aandelenkapitaal de onderneming verkregen van de oude werk-BV (G-oud). Vanwege dat cumulatief preferent aandelenkapitaal verwatert het belang van de houdstermaatschappijen van de bedrijfsopvolgers in G-nieuw tot respectievelijk 0,47% en 0,32%. Voorts is gegeven dat een van de houdstermaatschappijen (i.c. was dat belanghebbende) tevens management-BV is.

Nadat de HR heeft geoordeeld dat het Hof op juiste gronden heeft geconcludeerd dat sprake was van een onderneming, stelt de HR dat uit de wetsgeschiedenis (...) voortvloeit dat aandelen slechts dan niet in lijn van de normale bedrijfsuitoefening worden aangehouden, indien zij ter belegging worden aangehouden, dat wil zeggen uitsluitend met het oog op het verkrijgen van de waardestijging en het rendement daarvan bij normaal vermogensbeheer kunnen worden verwacht.

Bovenstaande arresten geven mij aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Voor de situatie dat de belastingplichtige een aandelenpakket van kleiner dan vijf procent aanhoudt komt de Hoge Raad naar mijn oordeel tot de conclusie dat de deelnemingsvrijstelling steeds van toepassing is indien de belastingplichtige feitelijk een onderneming drijft en de betreffende door haar gehouden aandelen niet zijn aan te merken als een belegging. Ik kan mij met die conclusie verenigen. Daarbij merk ik op dat de Hoge Raad voor de toepassing van artikel 13, lid 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een ruimer ondernemingsbegrip hanteert dan bijvoorbeeld voor de toepassing van artikel 6 Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Voor situaties waarin door belastingplichtige feitelijk geen onderneming wordt gedreven (en slechts op grond van art. 2, vijfde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting een onderneming wordt verondersteld), kan op grond van zowel de wettekst als de jurisprudentie geen sprake zijn van een gelijkgestelde deelneming in de zin van artikel 13, lid 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Volledigheidshalve merk ik nog op dat het besluit van 15 oktober 1974, B74/21 516, opgenomen in BNB 1975/11, onverkort van toepassing blijft. Een afschrift van deze brief en de bijlage te zenden aan de Directie Grote ondernemingen t.a.v. mevrouw N. Cabell, Postus 58988, 1040 EK te Amsterdam met het verzoek het bijgevoegde Besluit van de plv. directeur-generaal der Belastingen namens de staatssecretaris van Financiën van

20 januari 1999, nr. DB98/4730M zo spoedig mogelijk op te nemen in het Boekwerk Vennootschapsbelasting 1969.

Voor gelijkluidend afschrift,

DE PLV. DIRECTEUR-GENRAAL DER BELASTINGEN, (loco)

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie