Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord vragen belasting Nederlandse aannemers in Duitsland

Datum nieuwsfeit: 10-02-1999
Vindplaats van dit bericht
Vindplaats 2
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

expostbus51


Ministerie van Financien


www.minfin.nl

FINANCIEN: BELASTING NEDERLANDSE AANNEMERS

PERSBERICHTNR. 99/034 Den Haag 10 februari 1999

ANTWOORDEN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN OP VRAGEN VAN DE

LEDEN WEEKERS EN DE VRIES OVER BELASTING VOOR NEDERLANDSE AANNEMERS IN

DUITSLAND

VRAGEN:


1.

Hebt u kennisgenomen van het artikel .Nederlandse bouwers hard aangepakt door Duitse fiscus.?

2.

Kunt u bevestigen dat Duitsland overweegt een regeling in te voeren waarin Nederlandse aannemers die in Duitsland werken 25% van de aanneemsom vooraf aan de Duitse fiscus moeten afdragen? Is het bovendien waar dat hier bovenop nog een aanvullende heffing vennootschapsbelasting kan volgen?

3.

Indien de regeling zou worden aangenomen, is er dan sprake van verschillende behandeling van Duitse bedrijven die in Duitsland werken en Nederlandse bedrijven die in Duitsland werken? Zo ja, is hier dan sprake van discriminatie?

4.

Is het waar dat over bedoelde regelingen pas op 18 maart 1999 een definitieve beslissing wordt genomen en dat Duitsland voornemens is deze met terugwerkende kracht in te voeren?

5.

Zijn de voorgestelde maatregelen, indien ze worden ingevoerd, in strijd met de Europese afspraken omtrent een onbelemmerde werking van de interne markt?

6.

Hebben de Duitse autoriteiten met u overleg gevoerd over genoemde (voorgenomen) regelingen? Zo ja, welk standpunt hebt u ingenomen en met welk resultaat? Zo neen, bent u bereid op korte termijn met uw ambtgenoot in Duitsland overleg te plegen over de (voorgenomen) maatregelen?

ANTWOORDEN:


1.

Ja.

2 en 3.
Naar aanleiding van berichten omtrent de onderhavige Duitse wetsvoorstellen heb ik direct contact opgenomen met het Duitse Ministerie van Financiën in Bonn. Van die zijde is te kennen gegeven dat er een wetswijziging wordt voorbereid op grond waarvan een persoon, die vergoedingen betaalt aan buitenlandse personen, als regel een forfaitaire voorheffing ter grootte van 25% van de totaal betaalde vergoedingen dient in te houden en af te dragen aan de Duitse fiscus. De forfaitaire voorheffing is verrekenbaar met de uiteindelijk in Duitsland verschuldigde inkomsten- of vennootschapsbelasting. Voor in Duitsland gevestigde ondernemingen geldt een stelsel van voorlopige aanslagregeling, zoals ook Nederland dat kent. De forfaitaire voorheffing is daarom alleen voorzien voor buitenlandse ondernemingen. Naar verder is vernomen, kan van de forfaitaire voorheffing van 25% worden afgezien, mits aard en omvang van de activiteiten van een buitenlandse onderneming (door degene die de vergoeding moet betalen) direct bij de belastingautoriteiten worden aangemeld en de voldoening van de verschuldigde belasting zeker gesteld is, dan wel de buitenlandse belastingplichtige aannemelijk maakt dat de uiteindelijk verschuldigde belasting (over de winst van de onderneming of over het loon van de betrokken werknemers) lager zal zijn. Als een Nederlandse onderneming in Duitsland belastingplichtig zou zijn en aannemelijk kan maken dat de uiteindelijk verschuldigde belasting lager zal zijn, zou deze onderneming in de ook voor Duitse ondernemingen geldende normale voorlopige aanslagregeling worden betrokken.

Er kan geen misverstand over bestaan dat Nederland waar nodig er op zal aandringen dat bonafide Nederlandse bedrijven die in Duitsland werkzaam zijn op een gelijke fiscale behandeling moeten kunnen rekenen als aldaar werkzame Duitse bedrijven. Hoewel het uiteraard aan het Europese Hof van Justitie is om te beoordelen of in een bepaald geval sprake is van discriminatie, houdt Nederland zelf ook een vinger aan de pols waar een gelijke fiscale behandeling van een Duitse vaste inrichting van een Nederlandse onderneming wordt gewaarborgd door het Nederlands-Duitse belastingverdrag van 1959 (Trb. 1959, 85). Als de voorgestelde Duitse wetswijziging inderdaad van kracht zou worden, zal ik nauwkeurig volgen of toepassing daarvan ten aanzien van Nederlandse ondernemingen in de praktijk beperkt blijft tot die ondernemingen die zich niet aan de Duitse fiscus bekend willen maken of zich anderszins volstrekt non-coöperatief zouden opstellen. Uiteraard is het voor de desbetreffende Nederlandse bedrijven verder van het grootste belang of het overleg met de Duitse fiscus in de praktijk binnen korte tijd en op efficiënte wijze kan worden afgewikkeld. Zo dat onverhoopt niet het geval zou zijn, kan daarvan inderdaad een belemmerende werking uitgaan voor het Nederlandse bedrijfsleven. Dat zou voor mij uiteraard aanleiding zijn voor overleg met mijn Duitse ambtgenoot.
In dit verband merk ik voorts op dat naar verwachting op korte termijn een Nederlands-Duits verdrag kan worden ondertekend, dat voorziet in de verlening van wederzijdse bijstand tussen de belastingadministraties van beide landen bij de invordering van belastingvorderingen. Ik ga er voorshands vanuit dat, zodra dit verdrag eenmaal in werking is getreden, voor de toepassing van de forfaitaire 25%-voorheffing ten aanzien van Nederlandse ondernemingen nauwelijks nog reden zal bestaan.

4.

Het Duitse Ministerie van Financiën gaat er van uit dat v¢¢r eind maart a.s. het desbetreffende wetsvoorstel in de Bondsdag wordt behandeld. De beoogde datum van inwerkingtreding van de voorgestelde maatregelen is 1 april a.s., waarna deze ook met ingang van die datum zullen worden toegepast. Naar mij door het Duitse Ministerie van Financiën is medegedeeld, wordt er van die zijde niet naar gestreefd om de hier bedoelde maatregelen met terugwerkende kracht toe te passen.

5.

Het oordeel over de vraag, of de voorgestelde maatregelen in het licht van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (van 25 maart 1957) een belemmering van het vrije verkeer betekenen, en zo ja, of daarvoor al dan niet een objectieve - door het gemeenschapsrecht erkende - rechtvaardiging bestaat, is voorbehouden aan het Europese Hof van Justitie.
Ik zal echter niet aarzelen om, als de voorgestelde wijziging van de Duitse wetgeving doorgang zou vinden, de effecten van de praktische toepassing daarvan in het bijzonder voor Nederlandse ondernemingen in het licht van de Europese afspraken over een onbelemmerde werking van de interne markt te bezien en mijn bevindingen zo nodig bij mijn Duitse ambtgenoot aan de orde te stellen.

6.

De Duitse autoriteiten hebben met mij tot op heden geen overleg gevoerd over de voorgenomen maatregelen. Wel is door Nederland in ambtelijk overleg reeds aandacht gevraagd voor de bezorgdheid die door Nederlandse ondernemers over deze nieuwe wetgeving is geuit. Daarbij is ook reeds aangegeven dat een en ander verder en op basis van eventuele concrete klachten van Nederlandse ondernemers zal worden gevolgd. Zoals ik reeds in antwoord op de vragen 2, 3 en 5 heb aangegeven, zal ik niet aarzelen bij mijn Duitse ambtgenoot op zodanig overleg aan te dringen als in de praktijk het verloop en/of de uitkomsten van het overleg tussen de Duitse fiscus en Nederlandse ondernemingen, die met de Duitse voorheffing geconfronteerd dreigen te worden, daartoe onverhoopt aanleiding mocht geven.

Woordvoerder: mw. E.A. Hijink
Tel.nr.: 070 - 342 8229


10 feb 99 16:02

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie