Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vierde voortgangsrapportage Werkgroep Euro

Datum nieuwsfeit: 12-02-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Financien

Titel: Vierde voortgangsrapportage Interdepartementale Werkgroep Euro

DIRECTIE BINNENLANDS GELDWEZEN

Aan:

De Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BGW 99-0309M

Onderwerp

Vierde voortgangsrapportage Interdepartementale Werkgroep Euro

1. Inleiding

Op 1 januari 1999 is de derde en laatste fase op weg naar de euro ingegaan. De gulden is gedurende deze fase, met een vaste waarde van 2,20371 gulden per euro, niet meer dan een verschijningsvorm van de Europese munt. De euro heeft dankzij een geweldige inspanning van velen voorafgaande aan en tijdens het conversieweekeinde een zachte landing op de financiële markten gekregen. DNB, AEX, de banken en andere financiële instellingen toonden eens te meer hun professionaliteit. Ook de betrokken overheidsgeledingen, zoals het Agentschap van het Ministerie van Financiën, zijn klaar voor de girale euro.

Er zijn nog drie jaar te gaan tot ook de chartale euro zijn intrede doet. De voorbereidingen zijn nu in volle gang. De eerste Nederlandse euromunten zijn op 8 december 1998 door Hare Majesteit geslagen. Het kabinet heeft haar voornemens voor een korte omschakelingsperiode, begin 2002, op 8 december 1998 aan uw Kamer kenbaar gemaakt.

Tot begin 2002 zal voor het publiek de gulden rekeneenheid en referentiekader blijven. De overheid zal, conform eerder vastgestelde uitgangspunten, deze lijn volgen en tot 2002 in principe in guldens blijven communiceren. Het omschakelingsmoment van de overheid ligt daarmee nog drie jaar voor ons. Analoog aan de millenniumaanpak lijkt het gewenst dit pad van drie jaar te markeren met een vijftal mijlpalen. Deze mijlpalen bieden de departementen een kader voor eigen planning en voortgangsbewaking. Daarenboven verschaffen ze een gemeenschappelijk referentiekader voor monitoring en rapportage vanuit mijn departement.

In deze vierde voortgangsrapportage1 wordt, na een korte beschrijving van de succesvol afgesloten voorbereidingen op de conversie per 1 januari j.l., vooral dit pad verder belicht. Naast de beschrijving van de voortgang bij de rijksoverheid en haar uitvoeringsstructuur, omvat deze rapportage voor het eerst ook een monitor van de voortgang bij de mede-overheden.

Het beeld bij de rijksoverheid per eind 1998 is dat, gemeten aan het vastgestelde tijdpad, de voorbereidingen op de komst van de euro over het algemeen goed op koers liggen. De in de derde voortgangsrapportage door mij genoemde omslag van inventarisatie naar concrete planning en daadwerkelijke uitvoering is evenwel nog niet door alle departementen volledig gemaakt. In het voornoemde tijdpad is deze omschakeling voorzien voor de eerste helft van 1999.

Vrijwel zonder uitzondering zullen de departementen naar verwachting in de zomer van 1999 meer gedetailleerde plannen van aanpak gereed hebben, inclusief ramingen van kosten en benodigde capaciteit. Wel zijn er nog duidelijk verschillen in voortgang zichtbaar en zijn er departementen die zich, ook over de projectorganisatie, meer zorgen moeten maken dan anderen. Hierbij moet evenwel worden aangetekend dat de complexiteit van het eurotraject per departement nogal uiteenloopt.

In paragraaf 3 wordt nader ingegaan op de voortgang van het eurotraject bij de rijksoverheid waarbij afzonderlijk aandacht wordt besteed aan de verschillende deeltrajecten van het implementatieproces: geautomatiseerde systemen en te converteren administraties, wet- en regelgeving, zelfstandige bestuursorganen alsmede voorlichting en communicatie.

De voorbereidingen op de euro bij gemeenten en provincies zijn het onderwerp van paragraaf 4. De uitkomsten van de in de tweede helft van 1998 uitgevoerde monitor wijzen uit dat gemeenten zich over het algemeen nog in de fasen van bewustwording en inventarisatie bevinden. Het beeld wordt positiever naarmate gemeenten groter zijn. De grootste gemeenten, die een eurotraject kennen dat qua omvang en complexiteit grote overeenkomsten vertoont met de overgang van een departement, zijn goed op streek. De voortgang bij de provincies laat zich vergelijken met die bij de grootste gemeenten.

De stand van de eurovoorbereidingen bij de mede-overheden is op dit moment geen aanleiding tot directe zorg. Punt van aandacht is wel dat ongeveer een derde van de gemeenten nog in het geheel niet met de voorbereidingen is begonnen. Driekwart van deze gemeenten heeft echter minder dan 20.000 inwoners en dient een relatief kleinere inspanning te verrichten. Gezien de tijd die nog rest en de voordelen die optreden als gevolg van leereffecten is dit zeker geen onmogelijke opgave.

Een belangrijk signaal dat uit de monitor naar voren komt is dat de mede-overheden behoefte hebben aan concrete en praktische informatie en instrumenten. Op de rol die de rijksoverheid in dit opzicht kan vervullen wordt eveneens ingegaan in paragraaf 4.

2. Start derde fase EMU per 1 januari 1999

2.1 Getroffen voorbereidingen

De start van de EMU per 1 januari 1999 heeft een grote inspanning vereist van de financiële instellingen. Bepaalde onderdelen van de overheid dienden evenwel ook gereed te zijn met hun voorbereidingen om deelname aan de EMU mogelijk te maken. Voor het grootste deel betroffen deze voorbereidingen het aanpassen van wetgeving ten aanzien van financiële markten. Daarnaast werden de bedrijfsprocessen van het Agentschap, de Belastingdienst en de afdeling Centraal Kasbeleid van het Ministerie van Financiën intern reeds voorbereid op de invoering van de euro per 1 januari 1999.

Naast de financiële markten heeft ook het bedrijfsleven, en dan met name het internationaal opererende deel daarvan, zich voorbereid op de euro. Uit onderzoek van De Nederlandsche Bank in november 1998 bleek onder meer dat zon 30% van het bedrijfsleven van plan was om per 1 januari 1999 met de administratie over te gaan op euro. Echter, 56% van het grootbedrijf, 72% van het middenbedrijf en 82% van het kleinbedrijf gaf aan dat zij nog niet voor de helft gereed zijn met het doorvoeren van de noodzakelijke aanpassingen binnen hun organisatie.

2.2 Omschakeling relevante overheidsorganisaties en financiële markten

Op 31 december j.l. zijn de conversiekoersen bekend gemaakt. De omrekenkoers van de euro versus de gulden is berekend op 1 euro = 2,20371 gulden en gepubliceerd in het Officiële Publicatieblad. De koers is vervolgens spoedig verspreid, zodat de instellingen in de financiële sector hiermee konden beginnen met het inbrengen van de conversiekoersen en het converteren van hun systemen van de gulden naar de euro.

De instellingen op de financiële markten waren goed voorbereid op de overgang naar de euro. Er zijn uitgebreide draaiboeken opgesteld, die tijdens het conversieweekeinde nauwlettend uitgevoerd en gevolgd zijn. De omzetting naar de euro van de instellingen is over het algemeen soepel en voorspoedig verlopen. Wel is gebleken dat de omzetting een zeer arbeidsintensieve operatie is geweest en dat enkele activiteiten meer tijd hebben genomen dan gepland. Bij DNB hebben gedurende de conversie dagelijks debriefings plaatsgevonden, waarbij de gestelde mijlpalen in de draaiboeken in Europees verband, binnen DNB en bij de banken werden gemonitord. Er hebben zich gedurende de conversie slechts enkele kleine incidenten voorgedaan, die tijdig te verhelpen waren. De financiële instellingen hebben hun professionaliteit getoond.

Ook de voor de overgang naar de euro benodigde wetgeving is tijdig gepubliceerd in het Staatsblad vóór 1 januari 1999. Het betrof enerzijds nieuwe wetgeving, waaronder de Bankwet 1998, de Wet schuldredenominatie en de Wet vervanging referentierentes. Anderzijds betrof het wijzigingen in de Muntwet 1987, de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Failissementswet (het afschaffen van de 00.00 uren-regeling).

Voor de overheid zijn de eurokoersen ingevoerd bij de Belastingdienst, het Agentschap en de afdeling Centraal Kasbeleid van de directie Binnenlands Geldwezen van het Ministerie van Financiën. Vanaf 1 januari 1999 is het dus mogelijk om aangiftes in euro bij de Belastingdienst in te dienen.

De drie jaar tot 2002 zijn onder meer van groot belang voor de aanmaak, opslag en uiteindelijk ook de distributie van euromunten en eurobiljetten. Het Ministerie van Financiën heeft op 25 november 1998 een contract gesloten met De Nederlandse Munt voor de levering van 2,8 miljard euromunten per 1 januari 2002, met de mogelijkheid tot levering van 500 miljoen munten extra gedurende het jaar 2002. Voor de opslag van de geslagen euromunten in de periode tot 1 januari 2002, en de opslag van ingenomen guldenmunten in de periode daarna, is in Lelystad het Opslag- en Distributiecentrum (ODC) gerealiseerd. Op 15 januari 1999 is het ODC operationeel geworden.

2.3 Eurodynamiek en de uitgangspunten van de overheid

Zowel in het Nationaal Forum voor de introductie van de euro (NFE) als binnen de Rijksoverheid is een groeiende behoefte geconstateerd aan het verkrijgen van meer inzicht in de eurodynamiek die zich in de periode 1999-2002 zal gaan ontwikkelen in de Nederlandse samenleving. Onder eurodynamiek wordt verstaan de mate waarin in het maatschappelijk verkeer de euro wordt gebruikt c.q. de behoefte wordt gevoeld de euro te gaan gebruiken. Om in deze behoefte te voorzien wordt alle beschikbare relevante informatie door het NFE gebundeld en geanalyseerd in de monitor eurodynamiek die elk kwartaal wordt opgesteld. De overheid zal, zowel in het kader van het interdepartementaal overleg (IWE) als het overleg met mede-overheden en zelfstandige bestuursorganen (MOZE-overleg), deze NFE-monitor volgen en bezien of een en ander aanleiding geeft tot (re)actie.

Ogenschijnlijke spanning ligt er tussen het opkomend gebruik van de euro in de markt en het interdepartementaal overeengekomen uitgangspunt dat de overheid tot 1 januari 2002 blijft vasthouden aan de gulden als leidende valuta. Dit betreft zowel de interne bedrijfsvoering als de communicatie met derden. Teneinde een ordelijke en kostenefficiënte omschakeling naar de euro door de rijksoverheid te bewerkstelligen is het wenselijk en noodzakelijk om aan de bestaande uitgangspunten en het afgesproken tijdpad vast te houden. In concreto betekent dit dat de overheid contracten én de daaruit volgende betalingen tot 2002 in principe in guldens af zal blijven wikkelen. Uitzonderingen zijn denkbaar ten aanzien van bijvoorbeeld internationale contracten die nu in buitenlandse valuta plaatsvinden, of contacten die tot ver na 2002 doorlopen. Hierbij geldt als randvoorwaarde dat de interne bedrijfsvoering (in guldens) van de overheid niet wordt verstoord. Aangezien de overgrote meerderheid van de bedrijven die voor 2002 overgaan op de euro aangeeft ook optioneel te willen blijven communiceren in guldens, lijkt de problematiek vooralsnog overzienbaar.

Het uitgangspunt dat de overheid tot 2002 uitsluitend in guldens communiceert zal overigens niet rigide worden toegepast. In toenemende mate zal ook de overheid haar deel nemen in het verstrekken van gewenningsinformatie in euros (voor zover dit door de betreffende instantie relevant en doelmatig wordt geacht). Daarnaast zal bijvoorbeeld wet- en regelgeving die in 2002 of later in werking treedt in euros luiden; de begroting 2002 zal op de derde dinsdag van september 2001 in euros worden gepresenteerd. Met betrekking tot de euro in de begrotingscyclus verwijs ik naar een brief die uw Kamer in het voorjaar van 1999 zal bereiken naar aanleiding van het begrotingsonderzoek Financiën.

In Bijlage A bij deze brief zijn de geactualiseerde uitgangspunten voor de introductie van de euro verwoord. Deze uitgangspunten zijn aangepast aan nieuwe inzichten en ontwikkelingen met betrekking tot de invoering van de euro bij de rijksoverheid.

3. Omschakeling van de rijksoverheid

3.1 Algemene conclusies vorderingen rijksoverheid

In de derde voortgangsrapportage werd aangegeven dat de rijksoverheid zich medio 1998 opmaakte voor het omslagpunt van de inventarisatie van werkzaamheden naar het opstellen van actieplannen en de daadwerkelijke uitvoering van de aanpassingen voor de euro. Tijdens de monitorgesprekken die in november en december door het Ministerie van Financiën met de afzonderlijke departementen zijn gevoerd, is gebleken dat deze stap, ondanks significante vooruitgang bij de meeste departementen, nog niet volledig is gezet. Alle departementen hebben een projectorganisatie en een plan van aanpak of draaiboek. Bij een aantal ministeries is de projectorganisatie nog niet geheel op sterkte. Vooral ook de relatie met zelfstandige bestuursorganen en andere uitvoeringsorganisaties blijft een lastig punt. Een ander punt van aandacht is dat de mate van gedetailleerdheid van de plannen van aanpak nog onvoldoende is om capaciteits- en kostenramingen op te baseren. Vooral ten aanzien van de geautomatiseerde systemen bleek het onmogelijk deze plannen, zonder grondige analyse van de systemen zelf, op te stellen. De meeste departementen verwachten deze slag voor medio 1999 te kunnen maken.

De bewustwording rond het euro-project binnen de rijksoverheid is het afgelopen halfjaar verder toegenomen, met name ook aan de top van de organisaties. Naast de aandacht voor de euro in algemene zin heeft ook hier het millenniumprobleem zijn uitstraling. Uit de monitor komt duidelijk naar voren dat het werkelijk besef over de complexiteit van de euro-implementatie binnen de organisaties tot leven komt bij het uitvoeren van daadwerkelijke activiteiten. Het europroject komt pas goed in beweging als gevolg van deze prikkels. De afgelopen maanden hebben twee van dergelijke prikkels een belangrijk effect gesorteerd. In de eerste plaats het centraal aangestuurde traject voor de aanpassing van wet- en regelgeving. Hierdoor zijn de betrokkenen zich meer bewust geworden van de complexiteit van het aanpassingsproces en de dwarsverbanden tussen deeltrajecten, bijvoorbeeld tussen wetgeving en automatisering. In de tweede plaats de door het Ministerie van Financiën gevraagde inventarisatie van de kosten van de invoering van de euro per departement. Het feit dat een goed onderbouwde inschatting dient te worden opgesteld voor het hele project (1999-2002) heeft een nieuwe impuls gegeven aan het proces van inventariseren en het opstellen van gedetailleerde plannen van aanpak.

De Interdepartementale Werkgroep Euro op hoog niveau (IWE-hoog) heeft een gezamenlijk tijdpad voor de omschakeling naar de euro geaccordeerd. Dit tijdpad biedt de departementen een gemeenschappelijk referentiekader voor de voortgangsbewaking en verschaft de monitoring vanuit de regiefunctie van Financiën een stevige basis. In paragraaf 3.2 wordt dit tijdpad nader uiteengezet.

Het afgesproken tijdpad in ogenschouw nemend hebben de bovengenoemde prikkels op tijd gezorgd voor het opvoeren van de intensiteit en het tempo van de voorbereidingen. De eerste maanden van 1999 vormen een cruciale periode in de voorbereiding: de inventarisatie wet- en regelgeving zal worden afgerond, de meer gedetailleerde aanpak van de geautomatiseerde systemen vindt plaats en de claims worden opgesteld. Daarmee zullen uitkristalliseren de gesignaleerde dwarsverbanden tussen de verschillende deeltrajecten van het omschakelingsproces en de ketenafhankelijkheden tussen overheidsorganisaties. Het opstellen van een veilige en onderbouwde planning van alle activiteiten in onderlinge samenhang is cruciaal om zichtbaar te maken dat vertragingen in het ene deeltraject in een later stadium kunnen leiden tot problemen in andere processen.

Met het vorderen van het proces en het toegenomen bewustzijn van de complexiteit van het project is het niet verrassend dat de afgelopen maanden een tendens is waar te nemen naar een meer centrale aansturing van het europroject bij de meeste departementen. Op de drempel naar de fasen van planning en analyse en later daadwerkelijke uitvoering is deze centrale aansturing ook noodzakelijk. Enerzijds gezien de gesignaleerde dwarsverbanden en ketenafhankelijkheden. In dit verband kan worden opgemerkt dat de banden met zelfstandige bestuursorganen de laatste maanden zijn aangehaald. Anderzijds met het oog op een effectieve bewaking van de voortgang en kwaliteit van het europroject. Zoals in de derde voortgangsrapportage reeds werd gememoreerd laat een meer centrale coördinatie en aansturing onverlet dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor een tijdige en ordelijke omschakeling in het algemeen decentraal is neergelegd.

3.2 Regiefunctie Ministerie van Financiën

Deze paragraaf beschrijft de informerende, faciliterende, katalyserende en monitorende rol van het Ministerie van Financiën in het euro-implementatieproces van de rijksoverheid. Daarbij wordt achtereenvolgens ingegaan op het tijdpad voor de omschakeling, de Handleiding Euro-Implementatie Overheid (HEIO) en de ontwikkeling van instrumenten voor de bewaking van de voortgang en de kwaliteit van europrojecten.

3.2.1 Tijdpad voor de omschakeling en de Euromonitor

Mede op verzoek van de overige departementen en naar analogie van de millenniumaanpak heeft het Ministerie van Financiën een tijdpad opgesteld voor de omschakeling naar de euro door de Rijksoverheid. Dit tijdpad zal de komende jaren een centrale rol spelen in de planning en monitoring van de voortgang van het euro-implementatieproces. Het tijdpad kent twee toepassingsniveaus.

Primaire mijlpalen

In de eerste plaats is een vijftal primaire mijlpalen geïdentificeerd. Deze zijn op 5 februari j.l. door de Ministerraad vastgesteld. De mijlpalen vormen de grondslag voor de voortgangscontrole in het kader van de Euromonitor en de rapportage daarover aan de Tweede Kamer.

De primaire mijlpalen markeren de tijdstippen waarop de verschillende fasen van het europroject dienen te worden afgerond om een tijdige, ordelijke en veilige afronding van het europroject mogelijk te maken. Deze fasen laten zich als volgt omschrijven.

Bewustwordingsfase In deze fase wordt een (overheids)organisatie zich ervan bewust dat de komst van de euro aanpassingen vergt op een groot aantal samenhangende (beleids)terreinen. In reactie hierop wordt een projectorganisatie gestart; deze projectorganisatie weerspiegelt het feit dat er in het europroject verschillende deeltrajecten te onderkennen zijn. Zoals in de derde voortgangsrapportage aangegeven is deze fase door de rijksoverheid medio 1998 afgesloten en daarom buiten het mijlpalenoverzicht gehouden.

Inventarisatiefase In de inventarisatiefase verschaft de organisatie zich een eerste inzicht in de werkzaamheden die verricht moeten worden. Het eindproduct van deze fase is een globale inventarisatie: welke computersystemen, regelgeving etc. moeten worden aangepast, welke aanpassingen zijn naar verwachting noodzakelijk en hoeveel tijd en capaciteit is daar globaal mee gemoeid. Van groot belang is ook dat in deze fase ketenafhankelijkheden en dwarsverbanden tussen de deeltrajecten worden onderkend. De uitkomsten van deze inventarisatie worden (veelal) samengevat in een draaiboek.

Planning en analysefase In de planning en analysefase wordt deze inventarisatie uitgewerkt tot meer gedetailleerde plannen van aanpak per deeltraject. Deze plannen van aanpak bevatten een verdere analyse van de vereiste aanpassingen, voorstellen voor aanpassingsrichtingen, een planning voor de uitvoering en grondig onderbouwde schattingen van de kosten en benodigde capaciteit.

Realisatiefase In de realisatiefase worden de gekozen oplossingen uitgevoerd en vinden de daadwerkelijke aanpassingen plaats.

Testfase In de testfase worden de uitgewerkte oplossingen getest op technische en functionele tekortkomingen. Waar nodig worden nog aanpassingen uitgevoerd.

Implementatiefase (afronding) In de implementatiefase wordt de uiteindelijke ingebruikname van de aangepaste systemen en regelingen voorbereid en gerealiseerd.

De mijlpalen moeten worden beschouwd als tijdstippen waarop bepaalde activiteiten of werkzaamheden uiterlijk dienen te zijn uitgevoerd om tijdige afronding van het europroject als geheel mogelijk te maken. Dit laat departementen overigens vrij om fasen sneller te doorlopen. In aansluiting op de omschreven projectfasen zijn de primaire mijlpalen als volgt in de tijd geplaatst:

Primaire mijlpalen

Datum

1

Afronden inventarisatiefase

1 januari 1999

2

Afronden planning en analysefase

1 juli 1999

3

Afronden realisatiefase

1 januari 2001

4

Afronden testfase

1 juli 2001

5

Afronden implementatiefase

1 januari 2002

In principe gelden deze mijlpalen voor alle deeltrajecten. Dat wil zeggen dat de betreffende fase van het project over de breedte van het gehele traject gereed dient te zijn. De afronding van een fase kan (op onderdelen) uiteraard eerder liggen. Het is cruciaal om de primaire mijlpalen voor elk afzonderlijk deeltraject te halen; vertragingen op één deeltraject kunnen immers leiden tot vertragingen in andere deeltrajecten en zo het hele project vertragen. Daarnaast kan een dergelijke vertraging verstoringen in andere delen van een keten veroorzaken. Om die reden wordt van de departementen bij overschrijding of dreigende overschrijding verlangd niet alleen de reden van de vertraging te melden, maar ook hard te maken dat de vertraging niet leidt tot verstoring elders in de keten.

Secundaire mijlpalen

In de tweede plaats kent het opgestelde tijdpad een groot aantal meer gedetailleerde secundaire mijlpalen. Deze, niet expliciet door de Ministerraad bekrachtigde mijlpalen zijn een nadere indicatieve invulling van het tijdpad en dienen vooral als referentiekader voor de departementale planning. Daarnaast vormen deze secundaire mijlpalen mede een referentiekader voor het Ministerie van Financiën bij het monitoren van de departementale planning en voortgang van de euro-omschakeling.

Stand van zaken

De bewustwordingsfase is door alle departementen doorlopen, getuige het opzetten van departementale projectorganisaties. Zoals in de derde voortgangsrapportage werd gemeld, is de (globale) inventarisatiefase eveneens met succes door alle departementen afgerond. Alle departementen hebben inmiddels een draaiboek opgesteld; de mate van diepgang en detaillering hiervan loopt echter uiteen. In de komende maanden zullen deze draaiboeken verder worden verdiept en uitgewerkt met inbegrip van ramingen van kosten en benodigde capaciteit. De departementen verwachten deze planning en analysefase voor 1 juli 1999 af te ronden. Vooruitlopend hierop dienen de kosten in voldoende mate reeds in mei 1999 in kaart gebracht te zijn ten behoeve van de in te dienen claims.

De dwarsverbanden en ketenafhankelijkheden die het eurotraject karakteriseren krijgen gestalte in de aanpak van vraagstukken die het niveau van de individuele departementen overstijgen. Het bovengenoemde tijdpad is een goed voorbeeld van een gezamenlijke benadering, teneinde een ordelijke en eenduidige omschakeling van de rijksoverheid te bewerkstelligen. Andere voorbeelden hiervan zijn het interdepartementaal gebruikte begrotingssysteem (IBOS) en de gezamenlijke systemen voor salarisbetalingen. In kleiner verband wordt door departementen eveneens (bilateraal of trilateraal) samengewerkt, bijvoorbeeld op het gebied van de aanpassing van wet- en regelgeving.

3.2.2 Handleiding Euro-Implementatie Overheid

Door veel overheidsorganisaties wordt thans de stap gezet van globaal inventariseren naar het opstellen van concrete plannen van aanpak en feitelijke uitvoering van de voorgenomen aanpassingen. De praktijk leert dat deze stap niet altijd even makkelijk wordt gezet, mede omdat in deze fase expliciet strategische beleidskeuzes dienen te worden gemaakt. Om de departementen (en andere overheidsorganisaties) te ondersteunen in de fase van planning en analyse is in opdracht van het Ministerie van Financiën een instrument ontwikkeld, de Handleiding Euro-Implementatie Overheid (HEIO). Uitgangspunt van de handleiding is een totaalbeeld te krijgen van de impact van de euro. Zo heeft bijvoorbeeld de omzetting van een tarief in gulden naar euro direct gevolgen voor de ondersteunende systemen en leidt de noodzaak van het geven van gewenningsinformatie direct tot wijziging van documenten en formulieren. In de handleiding wordt dan ook aandacht besteed aan de deeltrajecten waarop de euro invloed heeft: strategie en beleid, administratie en organisatie, juridische aangelegenheden, treasury (vooral van belang voor gemeenten), voorlichting en automatisering. Aan de hand van een aantal concrete checklists wordt de impact van de invoering van de euro in beeld gebracht, waarbij per domein aandacht is voor de gevolgen voor andere domeinen.

Gebleken is dat alle departementen dit instrument als een welkome aanvulling op het zelf ontwikkelde instrumentarium zien. Hetzij om een integraal plan (centraal of decentraal) op of bij te stellen, hetzij om bestaande plannen op volledigheid te toetsen. De handleiding werd sinds december 1998 verspreid binnen de rijksoverheid, onder mede-overheden en zelfstandige bestuursorganen.

3.2.3 Euromonitor en normenkader

De monitor voor de rijksoverheid wordt in het eerste kwartaal van 1999 aangepast om de voortgang op basis van de bovengenoemde mijlpalen te bewaken. Aan deze monitor zal een signaleringssysteem worden gekoppeld waarbij departementen (op deeltrajecten) de kleuren groen, oranje en rood krijgen toebedeeld al naar gelang mijlpalen en deadlines worden gehaald dan wel overschreden worden of dreigen te worden. Deze systematiek ligt reeds ten grondslag aan de beoordeling (nulmeting) van de voortgang bij individuele departementen in paragraaf 3.8.

Zoals aangegeven is er een tendens waar te nemen naar meer centrale aansturing van het europroject bij de meeste departementen. Naast de voortgangsbewaking is de kwaliteitsborging een ander belangrijk aspect van deze aansturing. De Algemene Rekenkamer adviseerde in zomer van 1998 om periodieke audits op europrojecten uit te voeren. Mede hiertoe is in januari 1999 een globaal normenkader opgesteld dat kan worden gebruikt bij het uitvoeren van (externe) audits op de kwaliteit van de voortgang en de projectorganisatie.

3.3 Projectorganisatie

Zoals aangegeven is er een tendens waar te nemen naar een meer centrale aansturing van het europroject. Dit is een goede ontwikkeling; een multidisciplinair vraagstuk als de euro vergt immers centrale coördinatie en aansturing, juist ook vanwege de gesignaleerde dwarsverbanden en ketenafhankelijkheden. De Nederlandse overheid kent vele processen die zich kenmerken door dergelijke ketenafhankelijkheden tussen departementen, zelfstandige bestuursorganen, uitvoeringsinstellingen en mede-overheden. Vanuit deze ketengedachte hebben de meeste departementen de banden met hun zelfstandige bestuursorganen in de afgelopen maanden aangehaald. Desondanks blijft deze relatie een punt van aandacht.

Centrale aansturing is eveneens wenselijk met het oog op een effectieve bewaking van de voortgang en kwaliteit van het europroject. Niettegenstaande de meer centrale aansturing is de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor een tijdige en ordelijke omschakeling in het algemeen decentraal neergelegd en dient deze daar ook te blijven.

De trend naar meer centrale aansturing uit zich onder meer in de vorm van versterking van de centrale projectorganisatie (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Financiën, Justitie, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu) en toegenomen aandacht voor voortgangsbewaking en kwaliteitsborging (Buitenlandse Zaken, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Verkeer en Waterstaat, Sociale Zaken en Werkgelegenheid).

3.4 Geautomatiseerde systemen en te converteren administraties

De planning met betrekking tot administraties en automatisering is in vergelijking met de vorige monitorronde enigszins bijgesteld. De inventarisatie van eurogevoelige plekken zou, volgens het tijdpad dat door veel organisaties zelf was uitgestippeld, eind 1998 voltooid moeten zijn. Departementen zijn er inderdaad vrijwel in geslaagd, mede met behulp van de millenniuminventarisatie, de aan te passen systemen in kaart te brengen. In bijna alle gevallen lijkt het evenwel onhaalbaar nu reeds aan te geven welke aanpassingen voor deze systemen nodig zijn en wat deze aanpassingen kosten (budget, capaciteit). De departementen geven evenwel aan dat deze informatie voor 1 juli 1999 beschikbaar zal zijn, waarmee de tweede mijlpaal (afronding planning en analysefase) naar verwachting gehaald zal worden.

Wat de mijlpalen betreft kan voor het automatiseringstraject onderscheid worden gemaakt tussen prioritaire en niet-prioritaire systemen. Voor de prioritaire systemen is het opgestelde tijdpad, en de primaire mijlpalen in het bijzonder, onverkort van toepassing. Prioritaire systemen worden daarbij gedefinieerd als systemen die met primaire bedrijfsprocessen van de departementen verband houden. Interfaces en systemen die van belang zijn voor andere disciplines worden, in verband met de dwarsverbanden en ketenafhankelijkheden, ook tot de prioritaire systemen gerekend. Departementen kunnen alleen zelf aangeven welke systemen als prioritair moeten worden aangemerkt.

Als reden voor de vertraging wordt veelal genoemd de prioriteit die wordt gegeven aan de oplossing van het millenniumprobleem. De capaciteit die hiervoor moet worden ingezet kan derhalve niet worden vrijgemaakt om de noodzakelijke inventarisaties en analyses uit te voeren. Veel departementen hebben overigens hun voordeel gedaan met de inventarisaties en ervaringen uit het millenniumproject. Zo hebben ministeries bijvoorbeeld oog gekregen voor de ketenproblematiek binnen hun beleidsterrein. Omdat de output van bepaalde organisaties weer de input vormt voor anderen, groeit de noodzaak om in een vroeg stadium hierover afspraken te maken.

Een andere verklaring die wordt aangevoerd voor de vertraging van de voortgang bij de inventarisatie en analyse van de voor euro aan te passen geautomatiseerde systemen is het feit dat een aantal ministeries doende is volledig nieuwe systemen (met nieuwe functionaliteit) in te voeren die tevens europroof zullen zijn. Dit in tegenstelling tot departementen die bestaande systemen aanpassen aan de euro. Dergelijke trajecten zijn doorgaans erg omvangrijk en ingrijpend voor de organisatie, zodat het van groot belang blijft om rekening te houden met terugvalposities of noodscenarios. Hieraan zal in de volgende monitorronde uitdrukkelijk aandacht worden besteed.

De te volgen lijn met betrekking tot het verstrekken van eurogewenningsinformatie door de (rijks)overheid is nog niet bij alle departementen vastgelegd. In het verlengde van het NFE-advies lijkt het raadzaam de gewenningsinformatie van de overheid te concentreren op die groepen die de komende jaren vanuit de markt minder met de euro worden geconfronteerd. Gezien de ingrijpende gevolgen die het verstrekken van gewenningsinformatie voor geautomatiseerde systemen kan hebben is het noodzakelijk om deze (en andere strategische) beslissingen in de fase van analyse en planning (mijlpaal 1 juli 1999) te nemen.

3.5 Wet- en regelgeving

Onder impuls van de Juridische Interdepartementale Werkgroep Euro (JIWE) is de afgelopen maanden veel voortgang geboekt op dit deeltraject. Op het moment dat deze voortgangsrapportage uw Kamer bereikt, zal de inventarisatie van aan te passen wet- en regelgeving bij alle departementen vrijwel afgerond zijn. Met behulp van een door het Ministerie van Financiën ontwikkeld geautomatiseerd instrument is de Algemene Databank Wet- en regelgeving (ADW) in de herfst van 1998 op artikelniveau doorgelicht. De resultaten hiervan zijn in elektronische vorm voor de departementen beschikbaar gekomen. Alle departementen hebben deze inventarisatie daarop in de organisatie uitgezet voor een controle op volledigheid.

Aan de hand van het complete beeld van de aan te passen wet- en regelgeving wordt vervolgens geïnventariseerd welke bedragen in de wet- en regelgeving exact (volgens EU-Verordening 1103/97, met afronding op eurocenten) kunnen worden omgerekend en welke bedragen in min of meerdere mate afronding vergen. Dit kan onder meer betreffen drempelbedragen en ronde bedragen in hele guldens die bij voorkeur ook in euros een rond bedrag zouden moeten zijn (bijvoorbeeld boetes). Dergelijke niet-exacte omzettingen hebben effecten op de begroting van het betreffende departement. In de eerste maanden van 1999 worden ramingen gemaakt van de te verwachten budgettaire effecten en effecten voor verschillende groepen burgers als gevolg van voorgenomen niet-exacte aanpassingen2.

Complex zijn ook de ketenafhankelijkheden bij de aanpassing van de wet- en regelgeving; dit betreft aanpassingen waarbij meerdere departementen en/of andere organisaties (mede-overheden, zbos of uitvoeringsinstellingen) betrokken zijn. In de planning zal hiermee terdege rekening moeten worden gehouden.

Vooruitlopend op het uiteindelijke wetgevingsproces per verzamelwet in 2001 zullen de voorstellen voor aanpassingsrichtingen en de geraamde budgettaire effecten medio 1999 aan de Ministerraad worden voorgelegd.

Overigens zal de verzamelwet niet alle eurorelevante wet- en regelgeving betreffen. In een aantal gevallen kan omzetting naar euro in de loop van 2001 plaatsvinden bij het gebruikelijke (jaarlijkse) besluitvormingsmoment. Over de te volgen procedure wordt u op korte termijn geïnformeerd. Onlangs is een voorstel over de te volgen procedure voor advies aan de Raad van State voorgelegd.

3.6 Voorlichting

Verheugend is dat alle departementen in de loop van 1998 een communicatieplan hebben opgesteld, waarin aandacht wordt besteed aan zowel interne als externe communicatie. Deze communicatieplannen zijn inmiddels vrijwel zonder uitzondering in de eurowerkgroep van de Voorlichtingsraad (VoRa) besproken. In deze werkgroep zijn voorlichters van alle departementen vertegenwoordigd. De werkgroep zorgt voor de onderlinge afstemming van de departementale communicatie-inspanningen en de afstemming met de massamediale voorlichtingscampagne van het Nationaal Forum voor de introductie van de euro (NFE).

3.7 Zelfstandige bestuursorganen

In de derde voortgangsrapportage werd gemeld dat de relatie tussen departementen en zelfstandige bestuursorganen (zbos) in een aantal gevallen nog nadere invulling behoefde. De keuze tussen informeren of aansturen/monitoren werd als lastig ervaren in het spanningsveld tussen de (politieke) verantwoordelijkheid van departementen en de eigen verantwoordelijkheid van zbos. Vanuit de ketengedachte hebben de meeste departementen de contacten met hun zbos ten aanzien van het euro-implementatieproces de afgelopen maanden aanzienlijk versterkt.

De inspanningen op dit deelaspect hangen in belangrijke mate samen met de omvang en samenstelling van het veld van zbos en uitvoeringsinstellingen (uvis). Voor Algemene Zaken (geen zbos), Buitenlandse Zaken (1) en Defensie (1) is dit deeltraject van geen of beperkt gewicht. Daarentegen hebben Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Verkeer en Waterstaat, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Sociale Zaken en Werkgelegenheid te maken met een groter en/of complexer uitvoeringsveld. Voor Landbouw en Economische Zaken geldt dat ook met de publiekrechtelijke bestuursorganisaties (pbos) goede afspraken gemaakt moeten worden.

De wijze waarop de versterkte aandacht voor de zbos (en pbos) wordt ingevuld loopt sterk uiteen. Een aantal departementen heeft gekozen voor het in de centrale werkgroep opnemen van de belangrijkste zbos (Buitenlandse Zaken, Economische Zaken) of het opzetten van een aparte werkgroep of overleg (Financiën, Verkeer en Waterstaat). Andere departementen kiezen voor het aanstellen van een speciale coördinator (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en/of het uitsturen van een vragenlijst aangevuld met gesprekken (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu hanteren een lichtere benadering van de relatie met de zbos; deze beperkt zich tot nog toe vooral tot het doorspelen van informatie.

Vrijwel alle departementen hebben hun zbos gevraagd om draaiboeken op te stellen en toetsen deze draaiboeken op volledigheid en de aansluiting op het departementale draaiboek. Daarnaast wordt de informatie uit het overleg Mede-overheden, Zelfstandige Bestuursorganen en Euro (MOZE) door de departementen verspreid onder de eigen zbos.

3.8 Samenvattend beeld departementen

Het beeld dat uit de gevoerde monitorgesprekken naar voren komt is dat de meeste departementen goed op weg zijn, zowel wat betreft de gekozen projectorganisatie als de gerealiseerde voortgang. De relatieve posities van de departementen zijn in Figuur 1 weergegeven. Figuur 1 geeft weer hoe de huidige situatie bij de departementen zich verhoudt tot de gewenste situatie. Het interdepartementaal afgestemde tijdpad voor het eurotraject voor de rijksoverheid wordt bij de beoordeling van de voortgang als referentiekader gebruikt. De positie op de horizontale as is gerelateerd aan de eerste mijlpaal, de afronding van de inventarisatiefase. De positie op de verticale as is gebaseerd op onderlinge vergelijking van de departementale projectorganisaties en het beeld dat volgens het Ministerie van Financiën wenselijk is. De projectorganisatie dient wat opzet, omvang en samenstelling betreft steeds aan te sluiten bij de fase waarin het europroject zich bevindt: naarmate het project vordert worden zwaardere eisen aan de projectorganisatie gesteld. Bij het beoordelen van de projectorganisatie en de voortgang van de departementen wordt uiteraard ook rekening gehouden met de onderlinge verschillen in omvang, complexiteit en maatschappelijke relevantie van het europroject3.

Departementen als Justitie, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Financiën bijvoorbeeld hebben een omvangrijkere klus te klaren dan Buitenlandse Zaken of Economische Zaken. De europrojecten van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en in het bijzonder Sociale Zaken en Werkgelegenheid kenmerken zich door een groot maatschappelijk belang. Andere departementen, waaronder Verkeer en Waterstaat, Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ook Sociale Zaken en Werkgelegenheid kennen een complexe achterban van zelfstandige bestuursorganen en uitvoeringsinstellingen.

Figuur 1 Voortgang en projectorganisatie departementen rijksoverheid4

Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Buitenlandse Zaken en Defensie kunnen op dit moment worden beschouwd als best practice departementen. Deze departementen combineren een goede voortgang aan een stevig verankerde projectorganisatie.

Bij de departementen Justitie, Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Verkeer en Waterstaat, en in mindere mate ook Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is de afgelopen maanden veel voortgang geboekt.

Bij Financiën en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu is de organisatie van het project nog niet geheel uitgekristalliseerd, maar wordt niettemin goede voortgang geboekt. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dat al relatief veel werk heeft verzet, is het afgelopen half jaar een deel van de voorsprong kwijtgeraakt.

Ook bij Economische Zaken en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is de afgelopen maanden relatief minder voortgang geboekt, terwijl ook de projectorganisatie nog niet op volle toeren draait. Er is voor beide departementen evenwel nog voldoende tijd om de opgelopen achterstand goed te maken. Eind 1998 zijn diverse acties in gang gezet waardoor verwacht mag worden dat een inhaalslag kan worden gemaakt, waardoor het gevaar van overschrijding van de mijlpalen kan worden voorkomen.

4. Omschakeling van de mede-overheden

In de derde voortgangsrapportage5 is een onderzoek aangekondigd naar de stand van zaken van de voorbereidingen op de komst van de euro bij de Nederlandse mede-overheden. In de periode september/oktober werd een uitgebreide monitor uitgevoerd onder de gemeenten. In november is een vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd onder de provincies.6 De resultaten van beide onderzoeken zijn in figuur 2 samengevat.7

Naast de gemiddelde voortgang zijn ook de best practice resultaten in de groepen (met een ster) weergegeven: de gemeente of provincie die binnen de groep de meeste voortgang heeft geboekt. Het beeld is duidelijk: de gemiddelde voortgang neemt toe met de omvang van de gemeenten. De voortgang bij de provincies laat zich vergelijken met die bij de grootste gemeenten.

Figuur 2 Voortgangsindex gemeenten en provincies

In deze paragraaf en Bijlagen B en C worden de uitkomsten en conclusies van deze onderzoeken nader toegelicht.

4.1 Gemeenten

Het onderzoek bij de gemeenten wordt steeds in het najaar van 1998, 1999, 2000 en 2001 uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek over het jaar 1998 geven de situatie weer van najaar 1998. In het algemeen kan worden gesteld dat de voorbereidingen op de euro bij de meeste gemeenten nog in de kinderschoenen staan. Vooral de kleinere gemeenten bevinden zich nog in de eerste fase van bewustwording en inventarisatie. Grotere gemeenten zijn in het algemeen verder. Voor nadere informatie over de opzet van het onderzoek zij verwezen naar Bijlage B bij deze brief.

4.1.1 Hoofdlijnen

Samengevat bevinden de voorbereidingen op de euro bij gemeenten zich nog in de eerste fasen van bewustwording en inventarisatie. Ongeveer 2/3 van de gemeenten is begonnen met de voorbereidingen. Alle 100.000+ gemeenten bevinden zich in deze groep. Dit is geen overbodige luxe, aangezien het eurotraject bij grote gemeenten zich wat complexiteit en omvang betreft kan meten met dat van een departement. Ongeveer 40% van de gemeenten kleiner dan 20.000 inwoners is nog niet begonnen. Gezien de relatief beperkte impact van de euro op kleine gemeenten, de tijd die nog rest en de prioriteit die aan het millenniumprobleem wordt gegeven is dit niet direct zorgwekkend. Bovendien kunnen deze gemeenten profiteren van ervaring en kennis die bij grotere gemeenten en de rijksoverheid wordt opgedaan. De aandacht gaat in het bijzonder uit naar de middelgrote gemeenten, 20.000-50.000 en 50.000-100.000, waarvan respectievelijk zon 25% en 13% nog niet met de eurovoorbereidingen is begonnen. Het eurotraject kan voor middelgrote gemeenten evenwel complex en ingrijpend zijn, vooral voor gemeenten die een centrumfunctie vervullen.

Wat de verschillende deeltrajecten van het europroject betreft krijgen automatisering en regelgeving over het algemeen voldoende aandacht. In de relevante gevallen zijn de meeste gemeenten ook voorbereid op de omschakeling van de financiële markten per 1 januari 1999. Een belangrijke witte vlek in de projectaanpak is vooralsnog het aspect voorlichting.

4.1.2 Conclusies en aanbevelingen

Bij de meeste gemeenten is inmiddels een projectcoördinator aangesteld of een projectgroep is opgericht. Desondanks lijkt de continuïteit van het project in veel gevallen nog onvoldoende gewaarborgd. Gelet op de huidige stand van voorbereiding, heeft de bestuurlijke of de ambtelijke top bij veel gemeenten nog geen volledig beeld van de implicaties van de invoering van de euro.

Een en ander impliceert ook dat gemeenten nog geen zicht hebben op de budgettaire consequenties van de omzetting van tarieven en bedragen in lokale regelgeving. Overigens duidden de aanvullende gesprekken op een attitude dat de invoering van de euro niet mag leiden tot verhoging van gemeentelijke tarieven.

Veel gemeenten zijn zich bewust van het feit dat ook de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en gemeenschappelijke regelingen met de overschakeling naar de euro te maken krijgen. De scope van het europroject is hierbij nog vaak onvoldoende in kaart gebracht. Verzelfstandigde en op afstand geplaatste diensten, bestuurscommissies ex. artikel 82 van de Gemeentewet en gesubsidieerde instellingen worden vaak doorgaans zelf verantwoordelijk gehouden voor een tijdige omschakeling naar de euro. Hoewel voor een dergelijke benadering zeker valide argumenten kunnen worden aangevoerd, lijkt het gewenst dat gemeenten over de stand van zaken met betrekking tot de eurovoorbereiding bij dergelijke instanties ten minste geïnformeerd zouden moeten zijn, overeenkomstig de gedragslijn die departementen volgen ten aanzien van zbos.

Uit het onderzoek blijkt dat, zeker waar het de kleinere gemeenten betreft, de inhoudelijke aanpak van het eurovraagstuk nog geen hoge prioriteit heeft gekregen. Deels valt dit wel te verklaren. De aanpak van het millenniumvraagstuk vraagt bij veel gemeenten alle aandacht. Ook het feit dat de overheid per 1 januari 2002 op de euro overschakelt, doet veel gemeenten veronderstellen dat er nog voldoende tijd voor de euro-aanpassingen resteert. Desalniettemin schuilt in deze aanpak het gevaar dat veel activiteiten worden uitgesteld tot het laatste moment, waardoor in 2001 een cumulatie van werkzaamheden optreedt. Vooral bij activiteiten waarbij externe ondersteuning gebruikelijk is, zoals de aanpassing van geautomatiseerde systemen, lopen gemeenten dan het risico op een overspannen markt terecht te komen. Zo concreet mogelijk plannen van aanpak zijn derhalve aangewezen.

4.1.3 Overige bevindingen

Bij het onderzoek is tevens de behoefte van gemeenten gepeild aan informatie en ondersteuning. Bij de beoordeling in hoeverre aan de door de gemeenten geuite wensen tegemoet kan worden gekomen, dienen de bestuurlijke verhoudingen uiteraard niet uit het oog te worden verloren. Zo is bij de interdepartementale uitgangspunten8 aangegeven dat elk ministerie, elke mede-overheid en elke zbo zelf verantwoordelijk is voor de opstelling en uitvoering van het eigen overgangsscenario. De inzet van de centrale overheid richting gemeenten dient derhalve beperkt te blijven tot initiëring, facilitering en ondersteuning op afstand. Met inachtneming van deze uitgangsstelling zijn twee punten duidelijk naar voren gekomen.

In de eerste plaats hebben veel gemeenten nog behoefte aan concrete en doelgerichte informatie. Hieraan zal worden tegemoet gekomen door gerichte informatiepakketten die worden samengesteld door de bij het onderzoek betrokken ministeries, de BNG en de VNG. De Handleiding Euro Implementatie Overheid, die in eerste instantie is ontwikkeld als een hulpmiddel bij de verdere concretisering van projectplannen bij de rijksoverheid, is eveneens aan alle gemeenten ter beschikking gesteld. Verder hebben alle gemeenten en provincies een door het NFE ontwikkelde toolkit ontvangen die hen helpt bij het opstellen van communicatieplannen. Overigens hebben veel gemeenten bij het onderzoek hun waardering uitgesproken voor de informatie die tot op heden is verstrekt door de BNG9 en de VNG.

In de tweede plaats hebben vooral de kleinere en middelgrote gemeenten aangegeven behoefte te hebben aan een bepaalde vorm van collegiaal overleg. Dit lijkt een terechte wens. Zowel in de Interdepartementale Werkgroep Euro als in het overleg Mede Overheden en Zelfstandige bestuursorganen Euro, waaraan ook enkele gemeenten deelnemen, blijkt collegiaal overleg van groot belang. Onder de vlag van het NFE, waarin ook de VNG actief participeert, zal een aantal regionale bijeenkomsten worden georganiseerd voor alle gemeenten. In deze bijeenkomsten zal worden ingegaan op concrete problemen waar gemeenten bij de omschakeling naar de euro tegenaan kunnen lopen.

4.2 Provincies

4.2.1 Inleiding

In aanvulling op het onderzoek bij de gemeenten is ook een onderzoek ingesteld bij de provincies. Het is uitgevoerd door de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Financiën, in overleg met het vakberaad provinciale financiën. Aan elke provincie is schriftelijk een vragenlijst voorgelegd.

Voor een gedetailleerde beschrijving van de uitkomsten van het onderzoek zij verwezen naar Bijlage C bij deze brief.

4.2.2 Conclusies en aanbevelingen

Gezien de relatief beperkte omvang en complexiteit van het eurotraject bij de provincies is het beeld dat uit de monitor naar voren komt als geruststellend te omschrijven. Met betrekking tot de voortgang laten de provincies zich vergelijken met de grootste steden. Met uitzondering van Friesland en Zuid-Holland hebben alle provincies reeds een goede start gemaakt. Voor de provincies die nog geen eurocoördinator hebben aangesteld en/of projectorganisatie hebben ingericht lijkt het verstandig om dat op korte termijn alsnog te doen.

Een belangrijk aandachtspunt is dat slechts bij minder dan de helft van de provincies op dit moment op bestuurlijk niveau expliciet aandacht lijkt te bestaan voor de invoering van de euro. Dat neemt niet weg dat met de feitelijke werkzaamheden vaak al behoorlijke voortgang wordt gemaakt. Bijna alle provincies zijn al bezig met aanpassing van de computerprogrammas en de meeste hebben ook al een beeld van de aan te passen verordeningen en tarieven.

Meer aandacht zou ook wenselijk zijn voor de verantwoordelijkheid voor invoering van de euro bij de samenwerkingsverbanden waarin de provincies deelnemen en voor de gang van zaken bij verzelfstandigde diensten en gesubsidieerde organisaties. Mede-overheden dienen zicht te hebben op de stand van zaken bij dergelijke satellieten. Verder lijkt het een goed idee om in het kader van het financiële toezicht door de provincies meer nadrukkelijk aandacht te besteden aan het eurotraject.

4.3 Waterschappen

Hoewel de waterschappen ook als mede-overheden kunnen worden gekwalificeerd, is het euro-implementatietraject bij deze organisaties nog niet het onderwerp van monitoring geworden. De complexiteit van het euro-implementatieproces bij de waterschappen is relatief gering. De voortgang bij deze organisaties zal worden bewaakt door het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

5. Tot slot

De geslaagde euroconversie van de financiële sector stelt een voorbeeld voor de omschakeling door de overheid per 1 januari 2002. De ervaring met deze omschakeling leert, net zoals de ervaring met het millenniumproject, dat we deze uitdaging aankunnen bij een scherpe sturing, niet alleen op kwaliteit, maar vooral ook op tijd. De gestelde mijlpalen bieden hierbij een gemeenschappelijk referentiekader.

Gemeten aan deze mijlpalen ligt de overheid ultimo 1998 goed op koers. Dat schept vertrouwen. Het traject tot 2002 is evenwel complex en kent nog een aantal kritische fasen. De komende drie jaar zal het project daarom de volle aandacht van de bestuurlijke top moeten blijven houden.

Op basis van deze en andere in deze brief beschreven afspraken en instrumenten zullen zowel de voortgang als de kwaliteit van het eurotraject de komende jaren nog nauwgezetter kunnen worden gevolgd. Hiermee heeft de rijksoverheid zich extra handvatten verschaft om een tijdige, ordelijke en kostenefficiënte overgang naar de euro te realiseren. Ook gemeenten en provincies kunnen hun voordeel hiermee doen.

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

Uitgangspunten IWE

Bijgevoegd zijn de geactualiseerde IWE-uitgangspunten.

- o -

Uitgangspunten voor de introductie van de euro door de Rijksoverheid

Vastgesteld met de eerste voortgangsrapportage IWE, d.d. 28 oktober 1997

Gewijzigd met de tweede voortgangsrapportage IWE, d.d. 11 februari 1998

Gewijzigd met de derde voortgangsrapportage IWE, d.d. 29 september 1998

Gewijzigd met de vierde voortgangsrapportage IWE, d.d. (10 februari 1999)

UITGANGSPUNTEN VOOR DE INTRODUCTIE VAN DE EURO DOOR DE RIJKSOVERHEID

De uitgangspunten voor de introductie van de euro door de Rijksoverheid zijn door de Interdepartementale Werkgroep invoering Euro (IWE) opgesteld en door de Ministerraad vastgesteld. De uitgangspunten gelden daarmee als leidraad bij de voorbereiding en uitvoering van de overgang van de gulden naar de euro. Ook de zbos en mede-overheden hebben aangegeven hun beleid te baseren op deze uitgangspunten.

De gemeenschappelijke uitgangspunten hebben als doel het bevorderen van eenheid in beleid tussen de diverse onderdelen van de Rijksoverheid. Daardoor wordt een soepele en coherente overgang naar de euro binnen de Rijksoverheid als geheel bevorderd en is naar het publiek en instanties buiten de Rijksoverheid zoveel mogelijk sprake van een afgestemd, uniform beleid. De uitgangspunten zijn daarmee een uitwerking van het in december 1996 aan de ministerraad en de Tweede Kamer gepresenteerde "Stappenplan Rijksoverheid introductie euro".

De gemeenschappelijke uitgangspunten bieden richtsnoeren dan wel randvoorwaarden voor de gedetailleerde draaiboeken (overgangsscenario's) die de ministeries voor zichzelf opstellen en waarvoor zij ook zelf verantwoordelijk zijn. De IWE dient in dat kader als klankbord voor de betrokken ministeries en als orgaan om in de komende jaren het proces van afstemming, de voortgang bij het opstellen en het actualiseren, alsmede het uitvoeren van de departementale overgangsscenario's te bewaken.

Naast de voorbereiding van de Rijksoverheid wordt tevens voorzien in bevordering van een brede afstemming tussen de rijksoverheid, de mede-overheden en zelfstandige bestuursorganen. Deze afstemming betreft niet alleen de onderlinge communicatie, maar tevens de communicatie met de burger en beoogt het optreden van fricties (en dus kosten) en verwarring in het overgangsproces naar de euro zoveel mogelijk te voorkomen.

De IWE informeert de Ministerraad periodiek over de stand van de voorbereidingen.

UITGANGSPUNTEN :

A. Taken en verantwoordelijkheden van de IWE, de overige interdepartementale werkgroepen en van de afzonderlijke ministeries

A1 De IWE heeft een functie als klankbord en als orgaan voor de afstemming tussen de betrokken ministeries. Tevens voorziet de IWE in de globale voortgangsbewaking met betrekking tot de in het kader van de invoering van de euro te verrichten werkzaamheden. Onder de IWE functioneert een interdepartementale werkgroep Euro en Begrotingsadministraties (Eurba). De Eurba is in eerste instantie ingesteld om afspraken te maken over de wijze waarop in de begrotingsadministraties wordt omgegaan met de euro. In het verlengde hiervan is de werkgroep Eurba verantwoordelijk voor de coördinatie van de invoering van de euro in geautomatiseerde systemen. In dit kader worden onder meer de projectplannen op automatiseringsgebied kritisch bezien en wordt de voortgang van de uitvoering daarvan gemonitord. De Eurba rapporteert aan de IWE. Bespreking van plannen op juridisch gebied geschiedt op overeenkomstige wijze in de Juridische Interdepartementale Werkgroep Euro (JIWE). Voorts is er een Kenniscentrum Automatiseringsconsequenties Euro (KACE) ingesteld. Het KACE heeft tot taak het bundelen en beschikbaar stellen van relevante kennis en ervaring op het gebied van euro en automatisering. Hierbij richt het KACE zich niet alleen op de ministeries en agentschappen, maar ook tot zbos en mede-overheden.

A2 Elk ministerie, elke mede-overheid en elke ZBO is zelf verantwoordelijk voor de opstelling en uitvoering van het eigen overgangsscenario.

A3 Het Ministerie van Financiën heeft in het kader van de onderlinge afstemming en voortgangsbewaking een coördinerende rol. Aan deze rol wordt onder meer invulling gegeven door het voeren van halfjaarlijks monitoroverleg met de ministeries.

A4 Elk ministerie stelt een centraal aanspreekpunt in (projectcoördinator) dat tot taak heeft de werkzaamheden binnen het betrokken ministerie met betrekking tot de invoering van de euro te coördineren.

A5 Ieder ministerie zal zelf de interne voorlichting over de euro verzorgen. Specifieke voorlichting aan door departementen onderscheiden doelgroepen zal eveneens door het desbetreffende ministerie worden gedaan. Afstemming daarover vindt plaats binnen de Voorlichtingsraad. Het Ministerie van Financiën zorgt in samenwerking met het Nationaal Forum voor brede, algemene publieksvoorlichting. Uitgangspunten voor de invoering van de euro in de departementale (begrotings-) administraties

B1 Voorgenomen automatiseringsinvesteringen worden alleen dan uitgevoerd als de desbetreffende systemen zonder problemen de overgang van de gulden naar de euro kunnen maken en door de leverancier is geëxpliciteerd hoe dit kan worden bewerkstelligd (de zgn. euro-toets).

B2 Teneinde de beheersbaarheid te bevorderen, capaciteitsproblemen te ondervangen, rekening te kunnen houden met administraties met afwijkend boekjaar en te voorzien in mogelijkheden om beter aan te sluiten bij decentraal ingerichte administraties, kan de conversie van administraties van guldens naar euro's gefaseerd plaatsvinden.

B3 Er dient per departement een totaaloverzicht te zijn van alle administraties die geconverteerd moeten worden. Verder dient er een beschrijving te zijn van de wijze waarop de conversie plaatsvindt, alsmede een beschrijving van welke historische gegevensbestanden geconverteerd worden.

B4 Ten aanzien van de conversie geldt dat bij uitvoering daarvan geen andere waarborgen behoeven te worden ingebouwd dan de normale procedures die binnen een ministerie gelden ten aanzien van conversie van administraties. Dit betekent dat er procedurebeschrijvingen moeten worden opgesteld die gericht zijn op een eenmalige conversie en het behoud van het controlespoor.

B5 De begroting, uitvoeringsnota's en financiële verantwoording over de jaren 2000 en 2001 worden gedeeltelijk gepresenteerd in zowel guldens als euro's. De begroting over het jaar 2002 wordt geheel opgesteld in euro. Autorisatie over de jaren 2000 en 2001 vindt plaats in guldens, en over het jaar 2002 in euro's. Dit zal worden opgenomen in de Geïntegreerde rijksbegrotingsaanschrijving en -voorschriften.

B6 De conversiekoers zal luiden in zes significante cijfers, dat wil zeggen dat bedragen worden omgerekend met een rekenfaktor in vijf cijfers achter de komma. Na omrekening kan afronding in twee cijfers achter de komma plaatsvinden. De nota Omrekenen en Afronden van het Nationaal Forum voor de introductie van de Euro dient hierbij als leidraad. In procedurebeschrijvingen moet worden opgenomen hoe er met afrondingsverschillen wordt omgegaan.

B7 Op openbare aanbestedingen kan vanaf 1 januari 1999 zowel in gulden als in euro worden ingeschreven. Dit laat echter onverlet dat het uiteindelijke contract in guldens kan luiden, waarmee ook de facturering in guldens kan plaatsvinden.

B8 De (rijks-)overheid dient administratieve procedures te ontwikkelen die het afhandelen van facturen in euro mogelijk maken.

C. Communicatie

C1 De communicatie (mondeling, schriftelijk en elektronisch) binnen de (rijks)overheid én de communicatie tussen de (rijks)overheid en derden (burgers, bedrijven, (gesubsidieerde) instellingen en andere organisaties) geschiedt tot 1 januari 2002 in guldens en vanaf 2002 in euro, ongeacht de periode waarop de communicatie betrekking heeft. Het vorenstaande laat onverlet dat (rijks)overheidsinstanties aan derden aanvullende mogelijkheden kunnen bieden.

C2 Om deze derden in een vroeg stadium vertrouwd te maken met de euro, wordt vanaf 1 januari 1999 zoveel mogelijk gestreefd naar het geven van eurogewenningsinformatie (het in de communicatie vermelden van sleutel- en/of eindbedragen in zowel gulden als de euro), indien dit door de betreffende instantie relevant en doelmatig wordt geacht. De aard, de frequentie alsook het aantal contacten met derden bepaalt óf en zo ja welke eurogewenningsinformatie gedurende welke periode gegeven moet worden. Ook gedurende een zekere periode na E-day (de dag dat de chartale euro wordt ingevoerd) zal het geven van eurogewenningsinformatie noodzakelijk kunnen zijn.

C3 Communicatie over wetgeving (waaronder begrotingswetten) betrekking hebbend op de periode na 1 januari 2002 kan in euro luiden, aangezien deze logischerwijs uitsluitend in euro zal worden opgesteld.

D. Uitgangspunten aangaande aanpassing van wet- en regelgeving

D1 Aanpassing van de wet- en regelgeving (specifieke wetgeving als de Bankwet of jaarlijks beleid zoals belastingwetgeving of premievaststelling daargelaten) zal plaatsvinden door middel van één 'verzamelwet' (en een verzamel AMVB) waarmee alle noodzakelijke wijzigingen met betrekking tot de omzetting van gulden naar euro worden doorgevoerd. De coördinatie daarvan berust bij de ministeries van Financiën en Justitie. De aanpassing van ministeriële- of beleidsregelingen is een verantwoordelijkheid van de betrokken ministeries; begeleiding hiervan geschiedt door de Juridische Interdepartementale Werkgroep Euro (JIWE) die een vraagbaakfunctie ten opzichte van ministeries, mede-overheden en ZBO's verzorgt.

D2 Bij aanpassing van regelgeving zal veelvuldig sprake zijn van de vraag op welke wijze afgerond moet worden. Vuistregel hierbij is:

een bedrag in guldens wordt omgerekend in euro overeenkomstig uitgangspunt B6. Indien afronding op ronde euro-bedragen wenselijk/noodzakelijk wordt geacht, wordt daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat deze afronding voor de burger niet nadelig is. Van laatstgenoemd uitgangspunt kan worden afgeweken indien, hetzij in de desbetreffende regelgeving algemene regels m.b.t. afronding zijn opgenomen, hetzij budgettaire overwegingen toepassing van dat uitgangspunt uitsluiten.

D3 Mede-overheden en ZBO's zijn zelf verantwoordelijk voor de (tijdige) aanpassing van hun eigen regelgeving. De direct betrokken ministeries zijn verantwoordelijk voor het informeren van de betrokken overheden of instanties, het monitoren van deze overheden en instanties en voor het initiëren en waar nodig coördineren van de voorbereiding.

E. Afstemming van de rijksoverheid met derden

Voor andere overheidsinstanties (provincies, gemeenten, waterschappen), ZBO's en berekenings-, uitkerings- en heffingsadministraties, geldt dat de wijze waarop deze instanties overgaan op de euro aan deze instanties zelf is. Dit laat onverlet dat een brede afstemming niet alleen van belang is tussen de diverse rijksonderdelen, maar tevens tussen het rijk en genoemde instanties. Daarom is door de IWE het volgende overeengekomen:

E1 Het ministerie waar de ministeriële verantwoordelijkheid ligt voor de uitvoering van de wet- en regelgeving door een ZBO of door een berekenings-, uitkerings-, of heffingsadministratie , is verantwoordelijk voor het informeren van de betrokken instanties, het monitoren van deze instanties en voor het initiëren en waar nodig coördineren van de voorbereiding zodat deze gericht wordt op het zoveel mogelijk afstemmen van de overgang.

E2 De ministeries van Financiën, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid entameren regulier overleg met mede-overheden en ZBO's. Dit overleg heeft tot doel te zorgen voor een vergelijkbare omschakeling naar de euro door de rijksoverheid, mede-overheden en ZBOs. Om deze reden dienen de IWE-uitgangspunten als basis voor dit overleg. De Bank Nederlandse Gemeenten en de Vereniging Nederlandse Gemeenten zijn bij dit overleg betrokken.

E3 Zoals onder A1 respectievelijk D1 vermeld, kunnen ZBO's en lagere overheden met vragen over automatisering of regelgeving terecht bij KACE en JIWE. KACE en JIWE nemen daarmee de verantwoordelijkheid van het betrokken departement, mede-overheid of ZBO niet over.

F. Vormvereisten voor overgangsscenario's en communicatie met de IWE

F1 Ter bevordering van de transparantie van de departementale scenarios en de communicatie daarover met de IWE, worden de in het kader van de overgang op de euro te verrichten werkzaamheden op inzichtelijke wijze in een draaiboek vermeld. Hierbij wordt zowel aandacht besteedt aan de afhankelijkheden die tussen de verschillende werkzaamheden kunnen bestaan, als aan de ketenproblematiek (afhankelijkheden tussen organisaties). Of detail-werkzaamheden of werkzaamheden op meer geaggregeerd niveau worden weergegeven is in beginsel te bepalen door de betrokken afdeling of de departementale euro-coördinator van het betrokken departement. Een eerste randvoorwaarde is compleetheid: er zijn geen werkzaamheden die wel moeten worden gedaan maar niet op meer of minder geaggregeerd niveau worden beschreven. Een tweede randvoorwaarde is dat de keuze omtrent detaillering zo wordt gemaakt dat het draaiboek de informatie bevat die voor de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheid en de sturing daarvan door beslissers noodzakelijk zijn. Het draaiboek kan derhalve niet los staan van de interne planning, uitvoering en control. Uit het draaiboek blijkt de planning. Door een regelmatige up-date van het draaiboek wordt ten behoeve van de voortgangsrapportages voor de IWE, de Ministerraad of de Tweede Kamer duidelijk gemaakt welk deel van de planning voltooid is. De uitvoering van het draaiboek vormt een onderdeel van het halfjaarlijkse euromonitoroverleg tussen de ministeries en het Ministerie van Financiën.

Toelichting op de basis van de uitgangspunten

Europees tijdpad

De basis voor de (interdepartementale) uitgangspunten wordt gevormd door de besluiten over het overgangsscenario die door de Europese Raad zijn genomen, te weten:

- vanaf 1 januari 1999 zullen geldmarktoperaties door de centrale banken in euro's worden afgewikkeld en zullen de nationale overheden nieuwe staatsschuld gedenomineerd in euro's uitgeven.

- Vanaf 1 januari 2002 zullen de nationale overheden en de centrale banken euromunten en -bankbiljetten in omloop brengen. Buiten deze Europese afspraken zijn nationale overheden vrij om het overgangsscenario vast te stellen. In Nederland worden de alternatieven momenteel nog onderzocht.

- uiterlijk 1 juli 2002 vervalt de status van wettig betaalmiddel van de munten en bankbiljetten die luiden in de oude munteenheden.

Voorlichting

Elk departement verzorgt, evenals ieder ander bedrijf of organisatie, de voorlichting voor het eigen personeel en de eigen achterban. Dit betekent dat departementen zelf zorgen voor de noodzakelijke specifieke informatie over veranderingen aan de eigen medewerkers. Ook concrete en specifieke informatie voor doelgroepen (bijvoorbeeld huurders of woningcorporaties voor VROM) wordt door of vanwege de departementen zelf verzorgd. Deze voorlichting wordt aan de hand van departementale communicatieplannen afgestemd binnen de Voorlichtingsraad (het overlegorgaan van de voorlichters van de ministeries), om te voorkomen dat dezelfde doelgroepen tegelijkertijd door diverse departementen worden benaderd. Bij voorlichting aan de eigen achterban wordt zoveel mogelijk aangesloten bij reeds bestaande communicatiemomenten (contactmomenten) en worden afzonderlijke voorlichtingsinspanningen zoveel mogelijk vermeden. Tijdens deze contactmomenten kan ook gewenningsinformatie worden gegeven. Bij communicatie-uitingen waarmee departementen hun eigen achterban van specifieke euro-informatie voorzien, wordt in beginsel het eurologo geplaatst. Inventarisatie en coördinatie van de voorlichting aan de eigen achterban vindt eveneens plaats in de Voorlichtingsraad.

Generieke informatie over de euro-introductie wordt door het Ministerie van Financiën in samenwerking met het Nationaal Forum verzorgd. Thans zijn al verschillende voorlichtingsmiddelen beschikbaar: brochures, een kwartaalblad (Eurokoers), de Euro-site (www.euro.nl) en de Eurolijn (0800-1521). Sinds mei 1998 richt de informatiecampagne zich actief op een breed publiek.

Specifieke informatie over de voorbereidingen van de Rijksoverheid op de invoering van de euro wordt beschikbaar gesteld via de internetsite van het Ministerie van Financiën (www.minfin.nl).

Communicatie met Europese instellingen

Verschillende departementen wisselen regelmatig grote hoeveelheden informatie uit met Europese instellingen. Zo is er bijvoorbeeld tussen diverse produktschappen waar het Ministerie van Landbouw voor verantwoordelijk is, en DG6 van de Europese Commissie een uitgebreide gegevensuitwisseling over subsidies en heffingen. Afstemming met de Commissie is daarom noodzakelijk. Aangezien de diverse directoraten-generaal van de Europese Commissie niet één gecoördineerd draaiboek maken en alle een eigen tijdpad voor de opstelling van hun draaiboek hanteren, moeten departementen zelf inventariseren met welke instellingen zij te maken hebben en hoe de overgang van gegevensuitwisselingssystemen wordt afgestemd.

Resultaten Monitor Gemeenten

Opzet en doel

Het onderzoek wordt jaarlijks gehouden in de vorm van een telefonische enquête onder alle Nederlandse gemeenten. De telefonische benadering heeft geleid tot een respons van 95%. Het onderzoek is voorbereid door een begeleidingscommissie, waarin naast de ministeries van Financiën, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) zitting hebben. Aan de hand van een door de begeleidingscommissie opgestelde vragenlijst is het feitelijke onderzoek uitgevoerd door een extern bureau. Na afloop van het telefonische onderzoek zijn met de eurocoördinatoren van zeven gemeenten vervolggesprekken gevoerd.

Het doel van het onderzoek is drieledig. In de eerste plaats moet het onderzoek inzicht verschaffen in de aanpak en voortgang van het omschakelingsproces naar de euro bij de gemeenten. In de tweede plaats zal het onderzoek de bewustwording van de omvang en diversiteit van de consequenties van de komst van de euro vergroten en kan het de aanpak op gemeentelijk niveau een impuls geven. Daartoe omvat het onderzoek alle aspecten of deeltrajecten van de voorbereidingen op en de omschakeling naar de euro. Het derde doel is om inzicht te krijgen in de behoefte van gemeenten aan informatie en hulpmiddelen die het omschakelingsproces kunnen ondersteunen. Het uitgangspunt daarbij blijft dat gemeenten zelf verantwoordelijk zijn en blijven voor een tijdige omschakeling naar de euro.

Bij de aankondiging van het onderzoek is de gemeenten toegezegd dat zij de eigen uitkomsten van de monitor teruggekoppeld zouden krijgen in de vorm van een benchmark. Hierin wordt de eigen voortgang afgezet tegen het algemene beeld. Dit biedt gemeenten de mogelijkheid zich een beeld te vormen van de eigen voortgang, kunnen onderbelichte aandachtspunten in de aanpak worden opgespoord en kan waar nodig worden bijgestuurd. Alle colleges van Burgemeester en Wethouders hebben inmiddels de resultaten van het onderzoek op individuele basis teruggemeld gekregen. Gemeenten die niet aan het onderzoek hebben deelgenomen, hebben eveneens inzicht gekregen in de gemiddelde voortgang van gemeenten met een vergelijkbare grootte.

Bij het onderzoek is onderscheid gemaakt in de volgende grootteklassen: tot 10.000 inwoners (121 gemeenten), 10.000-20.000 inwoners (183 gemeenten), 20.000-50.000 inwoners (153 gemeenten), 50.000-100.000 inwoners (31 gemeenten) en meer dan 100.000 inwoners (24 gemeenten). Bij de bespreking van de resultaten zal dit onderscheid, waar relevant, steeds worden weergegeven.

Resultaten

Projectorganisatie

Het onderzoek heeft zich onder meer gericht op de organisatorische inbedding van het europroject in de gemeentelijke structuur. Daarbij is nagegaan of er een eurocoördinator is aangesteld en/of een europrojectgroep is opgericht. Ook is onderzocht op welk bestuurlijk en ambtelijk niveau er aandacht voor het eurovraagstuk bestaat.

Van de 512 gemeenten die aan het onderzoek hebben deelgenomen, is 65% gestart met de voorbereidingen op de komst van de euro. Bij gemiddeld iets minder dan de helft van de gemeenten is deze start geconcretiseerd door de oprichting van een projectgroep euro.

Organisatie europroject

< 10.000

10.000-20.000

20.000-50.000

50.000-100.000

> 100.000

Gestart

54%

58%

73%

87%

100%

Coördinator aangesteld

51%

54%

71%

84%

100%

Projectgroep opgericht

31%

38%

50%

71%

92%

In het algemeen is het college van Burgemeester en Wethouders betrokken bij de benoeming van de eurocoördinator. Ook de verslaglegging over het europroject geschiedt doorgaans aan het college van B&W, aan het managementteam of aan de directieraad van de desbetreffende gemeente. Veel gemeenten zijn zich bewust van het feit dat ook de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en gemeenschappelijke regelingen met de overschakeling naar de euro te maken krijgen. Bijna eenderde van de gemeenten gaf aan hierbij voor zichzelf een taak te zien.

Dat een gemeente aangeeft te zijn gestart met de voorbereidingen, zegt op zich weinig over de mate waarin die voorbereidingen zijn gevorderd. Om inzicht te krijgen in de stand van zaken bij de inhoudelijke voorbereidingen op de komst van de euro, is dieper ingegaan op de deelaspecten draaiboek, automatisering, juridische en fiscale consequenties, begrotingscyclus en administratie, treasury, voorlichting en communicatie. Deze deelaspecten, die hierna kort worden toegelicht, bestrijken het gehele terrein waarop euro-inspanningen moeten worden gepleegd.

Inventarisatie en draaiboek

De eerste stap bij de invulling van het europroject is de inventarisatiefase. De belangrijkste deelaspecten zijn daarbij automatisering en juridische en fiscale consequenties. De vorderingen op dit gebied zijn als volgt.

Inventarisatie van deelaspecten (gereed of mee bezig)

< 10.000

10.000-20.000

20.000-50.000

50.000-100.000

> 100.000

automatisering

41%

43%

55%

87%

88%

juridische en fiscale cons.

25%

31%

43%

55%

75%

Na de inventarisatiefase volgt veelal het opstellen van een draaiboek. Ten tijde van het onderzoek had 6% van de gemeenten een draaiboek klaar, terwijl 28% bezig was met het opstellen daarvan. In feite is een draaiboek pas afgerond als het door de opdrachtgever is geaccordeerd. Dit is in 5% van de gemeenten het geval.

Draaiboek (gereed of meer bezig)

< 10.000

10.000-20.000

20.000-50.000

50.000-100.000

> 100.000

Draaiboek

22%

28%

41%

84%

100%

Verdere uitwerking van het draaiboek naar de onderscheiden deelaspecten wordt veelal geconcretiseerd in min of meer gedetailleerde plannen van aanpak.

Plannen van aanpak

Een globaal plan van aanpak voor de automatisering is in 29% van de gemeenten opgesteld. 10% van alle gemeenten heeft het plan van aanpak voor de automatisering verder uitgewerkt en gedetailleerd.

Een soortgelijk beeld kan worden geschetst met betrekking tot de juridische en fiscale consequenties. Een globaal plan van aanpak is bij 30% van de gemeenten voorhanden, bij 7% van de gemeenten is dit plan verder uitgewerkt. De aanpassing van de begrotingscyclus en de administraties is gemiddeld in 18% van de gemeenten ter hand genomen. Op dit moment zijn 176 gemeenten van plan de begroting al voor 2002 geheel of gedeeltelijk in euros te willen opstellen. In ongeveer 1% van de gemeenten is de aanpassing van interne werkinstructies en AO-procedures gereed. Saillant detail daarbij is dat de kleinere gemeenten op dit onderdeel iets beter scoren dan de grotere gemeenten.

Verder gaf 39% van de gemeenten aan dat de treasury-afdeling was voorbereid op de omschakeling naar de euro op 1 januari 1999. Daarbij zij aangetekend dat de banken de mogelijkheid bieden om het betalingsverkeer, waaronder die uit hoofde van door gemeenten opgenomen leningen (stortingen, aflossingen en rentebetalingen) tot 2002 in guldens te laten plaatsvinden.

Met betrekking tot voorlichting en communicatie gaf iets minder dan een kwart van de gemeenten aan hier meer of minder gedetailleerde plannen voor te hebben opgesteld. Daar waar er een plan is of wordt opgesteld, betreft het meestal de interne communicatie (23%). Een afgerond plan voor de externe voorlichting is in 4% van de gemeenten voorhanden, terwijl 11% van de gemeenten bezig is met het opstellen ervan. De meeste gemeenten hebben nog geen zicht op de vraag of, en zo ja vanaf wanneer zij gewenningsinformatie10 aan burgers en bedrijven zullen verstrekken. Op deze vraag gaven 26 gemeenten een positief antwoord, 6 gemeenten zullen hiermee al in 1999 starten.

Plannen van aanpak op deelaspecten (gereed of mee bezig)

< 10.000

10.000-20.000

20.000-50.000

50.000-100.000

> 100.000

automatisering

25%

27%

28%

39%

58%

juridische en fiscale cons.

20%

25%

31%

55%

71%

begroting en administraties

12%

14%

19%

39%

54%

treasury

26%

33%

47%

68%

75%

Interne communicatie

11%

19%

26%

45%

79%

externe communicatie

7%

11%

13%

39%

62%

- o -

Resultaten Monitor Provincies

Alle twaalf provincies hebben aan de monitor meegewerkt door het invullen van een schriftelijke vragenlijst. De gemiddelde voortgang op de verschillende deeltrajecten is weergegeven in figuur C1.

Figuur C1 Gemiddelde voortgang provincies op deeltrajecten euro-implementatieproces

Projectorganisatie en draaiboek

In tien provincies is een eurocoördinator aangesteld. In de andere twee provincies is niettemin al wel een begin gemaakt met de werkzaamheden, met name ook op het terrein van de treasury. Driekwart van de provincies heeft een projectorganisatie in het leven geroepen. Verslaglegging over de werkzaamheden vindt in 5 provincies plaats aan het college van gedeputeerde staten en bij 8 provincies (ook) aan de ambtelijke leiding. Elf provincies zijn klaar met het opstellen van een draaiboek of zijn daar mee bezig. De voortgang bij de inventarisatie van euro-aandachtspunten is wisselend. Het verst is men met het onderdeel financiën/treasury (83%), het minst ver met communicatie en voorlichting (42%).

Automatisering

Driekwart van de provincies heeft een plan van aanpak voor aanpassing van de computerprogrammas. Elf provincies hebben de aan te passen computerprogrammas geïnventariseerd (7) of zijn daar mee bezig (4). Tien provincies geven aan reeds begonnen te zijn met de feitelijke aanpassing van de computerprogrammas.

Juridische en fiscale consequenties

Tien provincies hebben een plan van aanpak opgesteld voor aanpassing van de verordeningen of zijn daar mee bezig. In drie provincies zijn de aan te passen verordeningen en tarieven al daadwerkelijk geïnventariseerd en zes zijn er mee bezig. Met de feitelijke aanpassing is nog nauwelijks begonnen, maar dat ligt ook niet voor de hand aangezien de provincies, behalve op de kapitaalmarkt, pas in 2002 feitelijk met de euro gaan werken.

Begroting, administratie en treasury

Acht provincies werken aan een draaiboek voor aanpassing van de begrotingscyclus en de administraties; één provincie is daar al mee klaar. Zes provincies ontwikkelen interne werkinstructies en nieuwe AO-procedures. Vier provincies hebben een inventarisatie gemaakt van de eurogevoeligheid van betaalautomaten.

Voorlichting en communicatie

Negen provincies ontplooien activiteiten op het gebied van de interne communicatie over de euro en vier provincies doen dat ook extern. Met zelfstandige diensten en gesubsidieerde organisaties is nog weinig contact geweest. Vier provincies hebben in informerende zin contact gehad.

Samenwerking en toezicht

Op het terrein van de samenwerkingsverbanden waaraan de provincies deelnemen zijn nog weinig contacten geweest. Twee provincies hebben afspraken gemaakt over de verantwoordelijkheid voor de omschakeling binnen die samenwerkingsverbanden. Bij het financiële toezicht op de gemeenten wordt veelal in de reguliere contacten ook aandacht besteed aan de invoering van de euro.

Overige bevindingen

Alle provincies kennen de euro-informatie van het Nationaal Forum voor de introductie van de euro (NFE) en van de BNG. Die informatie krijgt ook de hoogste waardering (NFE: 58% goed tot zeer goed en BNG: 62% goed tot zeer goed). De meeste provincies kennen ook de informatie van de rijksoverheid en van de banken. De informatie van de VNG is bij de helft van de provincies bekend en wordt als voldoende tot goed gekwalificeerd. Het handboek euro en publieke sector van de BNG wordt door alle provincies gebruikt en als goed tot zeer goed gekwalificeerd.

- o -

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

actuele persberichten

Lezing STOP stress en chronische vermoeidheid; herstel mogelijk
Helga Verhoeven, directeur van Ander Leven, geeft op donderdag 6 oktober bij Centrum de Roos in Amsterdam een informatiebijeenkomst over...

Hotwire PR koopt Eastwick Communications voor versterking in VS
Hotwire PR koopt Eastwick Communications voor versterkte aanwezigheid in VS en gegarandeerde positie in Noord-Amerikaanse top tien technologiebureaus NEW YORK-(BUSINESS...

Premie zelfrijdende auto toch niet zo laag: nieuw hackrisico
Door de zelfrijdende auto zouden verzekeringspremies sterk dalen, zo dacht men lang. De kans op ongelukken zou er immers ingrijpend...

Gesol Zorgverzekeringskantoor met vervoer overledenen Caribisch Nld
Het Zorgverzekeringskantoor (ZVK) is in Caribisch Nederland (de eilanden Bonaire, St. Eustatius en Saba) verantwoordelijk voor het terugvervoer van lichamen...

Kinderombudsman: Zwarte Piet vraagt om aanpassing
Kinderombudsman: Zwarte Piet vraagt om aanpassing 30 sep 2016 De figuur van Zwarte Piet kan bijdragen aan pesten, uitsluiting of...

Nieuwe film- en discussieavond DocuDoka over duurzaam toerisme
Op vrijdag 30 september presenteert het Volkshotel de tweede editie van zijn geëngageerde film- en discussieavond DocuDoka in club Doka,...

TransEnterix presenteert operatierobot Senhance(TM) op congres
TransEnterix presenteert operatierobot Senhance(TM) op congres Europese Vereniging voor Gynaecologische Endoscopie RESEARCH TRIANGLE PARK, N.C.-(BUSINESS WIRE)- TransEnterix, Inc., een bedrijf...

DNB maakt pensioenopbouw onbetaalbaar door “Occasional Studie”
De conclusie van DNB dat uitsluitend een actuariële pensioenpremie garandeert dat jongeren evenveel betalen dan de ouderen deelnemers werd gelogenstraft...

Delticom AG: Probanden.nl begint de winter met nieuwe shop-features
Delticom AG: Probanden.nl begint de winter met nieuwe shop-features HANNOVER, Duitsland-(BUSINESS WIRE)- Precies op tijd voor de winterbandenperiode breidt Probanden.nl...

Qeado geeft websitebezoekers een identiteit
Qeado, ontwerper en leverancier van customer intelligence software voor digitale B2B marketeers, introduceert vandaag zijn clouddienst. Qeado stelt B2B marketeers...

Techbedrijf UNAS start website voor alternatieve manier van doneren
Technologie-initiatief UNAS heeft vandaag een website gelanceerd waarop mensen op een alternatieve manier kunnen doneren door middel van het kijken...

Nederlandse erotiek gigant lanceert als eerste een webshop in China
EasyToys Nederland is het eerste erotiekbedrijf in Europa dat seksspeeltjes levert aan China. De Nederlandse cross-border organisatie lanceert vandaag de...

Gelderse uitjes het duurst in 2016
Inwoners van Gelderland waren het afgelopen seizoen gemiddeld het duurst uit voor een bezoek aan een pretpark, dierentuin of familiepark....

Markten tijdens Sinterklaasintocht en Winterbeleving in Mill
Op zaterdag 12 november zal Sinterklaas samen met zijn Pieten weer voet aan wal zetten in Nederland. Traditioneel komt hij...

Tweederde Nederlandse huishoudens heeft triple- of quadplay abonnement
Circa 66% van de Nederlandse huishoudens beschikt over een abonnement bij 1 provider waarbij internet, tv en bellen worden afgenomen....

Internationaal evenement voor vertrouwenstechnologieen
TRUSTECH (inclusief CARTES) - een internationaal evenement voor vertrouwenstechnologieen - presenteert uitzonderlijk programma 2016 PARIJS-(BUSINESS WIRE)- Nieuwe naam, nieuwe targets,...

Meer passagiers voor Nederlandse luchthavens, maar omzet groeit niet
Schiphol bestaat 100 jaar. De luchthaven ligt op koers om dit jaar 60 miljoen passagiers te bereiken. Met dit mogelijke...

Alcoa: News: News Releases: Alcoa Inc. Announces Closing of Debt Off..
NEW YORK--(BUSINESS WIRE)--Alcoa Inc. (NYSE:AA) ("Alcoa") announced today that Alcoa Nederland Holding B.V. (the "Issuer"), a wholly owned subsidiary of...

Nieuw bedrijf Med4You.nl helpt patiënt aan regie
Op 1 oktober aanstaande start voormalig zorg-ict bestuurder Hans Hagoort het bedrijf Med4You.nl. Med4You.nl wil zich met haar activiteiten richten...

Smartmatic lanceert TIVI - systeem voor online verkiezingen
Smartmatic lanceert TIVI - veilig en verifieerbaar systeem voor online verkiezingen LONDON-(BUSINESS WIRE)- Smartmatic heeft vandaag de lancering van TIVI...

D-Day voor Daycar.nl - Auto voor de deur wordt wagenpark van de wijk
We zijn op weg naar een nieuwe samen-beweging, waarin de deelauto innoveert. De laatste ontwikkeling is Daycar. Door leenschaamte te...

Na 30 jaar brengt Marian Backus haar debuut Schoksgewijs opnieuw uit
Schoksgewijs gaat over Ans, zij is een heel onzeker, bang, afhankelijk gehandicapt meisje. Haar leven heeft zich vanaf haar tweede...

'Reclameverbod op Binaire Opties en CFD's werkt averechts'
De aankondiging van minister Dijsselbloem dat hij van plan is reclame voor risicovolle financiële beleggingsinstrumenten te verbieden, heeft geleid tot...

Aanhuisgebracht.nl gaat online boodschappen voor verswinkels bezorgen
Om de speciaalzaken te helpen in de online strijd om boodschappen te bezorgen heeft Aanhuisgebracht.nl een landelijk online platform ontwikkeld...

Podium onder de Dom wint Nederlandse finale Copa Jerez
De Nederlandse finale van de Copa Jerez, de internationale sherry-spijscompetitie voor restaurantprofessionals, is gewonnen door het team van restaurant Podium...

Actie Alleszelf.nl en ANBO brengt diensten ouderen in kaart
Voor het eerst in Nederland kunnen ouderen zélf diensten aanmelden waarmee ze langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Hiervoor organiseren...

Laag aantal energiezuinige huizen in Amsterdam
Een energielabel voor huizen is in 2010 ingevoerd en sinds 2015 verplicht voor elke woning. Het label laat zien hoe...

Israël Christelijk Nieuws Netwerk met een hart voor Israël op kabeltv
Vanaf 1 oktober 2016 zendt IsraelCNN elke zaterdagavond uit om 20.00 uur op de Kabel-TV via de Christelijke zender Family7....

23 wijnlanden in finale 28e Proefschrift Wijnconcours
Ruim 250 finalewijnen afkomstig uit 23 wijnlanden stonden zondag 25 september op de proeftafels van het 28e Proefschrift Wijnconcours. 27...

Danielle Van 't Schip Oonk brengt Loveable Light naar Melbourne
“Het vinden van vrede in jezelf leidt tot de ontwaking van je innerlijke rust die een stroom van liefde teweeg...

Loveable Light van start gegaan als statement tegen haat in de wereld
Vandaag is officieel de eerste aktie van Loveable Light van start gegaan, een initiatief van Annelies George (Basaiia) uit Bussum....

Het Spoorwegmuseum krijgt een Apenkop
Ruim 50 jaar was de Mat ’64, in de volksmond ook wel Apenkop genoemd, een bekende verschijning op het Nederlandse...

Savelberg wine collection for auction with a value of 500.000 euro
In Amsterdam on Sunday 25th September the Henk Savelberg Collection of Fine and Rare wines is held for auction with...

Nieuw Snor-boek: Het Winter BBQ-boek
Weer of geen weer, barbecueën kan altijd. Sterker nog, dat is juist extra leuk als het weer niet meteen voor...

Snorfestival op nieuwe locatie in Utrecht
Boeklanceringen saai? Niet bij Uitgeverij Snor! Snor lanceert haar nieuwste titels en chocolade tijdens het tweedaagse Snorfestival in de spiksplinternieuwe...

Nieuw Snor-boek Lievelingssprookjes
Blauwbaard, de Gelaarsde Kat, het Meisje met de zwavelstokjes. Sprookjes blijven tot de verbeelding spreken met verhalen over bedrog, liefde...

Uitgeverij Snor opent pop-up Snorfabriek
Een jaar lang creatieve workshops, boeklanceringen, etentjes, mobiele werkplekken, café-restaurant, galerie, winkel, atelier, zeefdrukkerij en uitgeverij. Dat is de pop-up...

Werknemers Alexion als vrijwilligers aan de slag voor Global Day
Werknemers Alexion al vrijwilligers aan de slag voor eerste Global Day of Service NEW HAVEN, Connecticut-(BUSINESS WIRE)- Alexion Pharmaceuticals, Inc....

Louis Bonduelle Foundation steunt tien jaar onderzoek met beurs
Onderzoek gezocht: Louis Bonduelle Foundation steunt tien jaar onderzoek met beurs VILLENEUVE D'ASCQ, Frankrijk-(BUSINESS WIRE)- Onderzoek is van cruciaal belang...

Zuid-Afrikaanse film- en muziekavond bij Pllek
Op vrijdag 23 september vindt de vierde en laatste editie van Pllek Going Places plaats. Onder de titel Afrolijk wordt...

Moeders van jonge kinderen ondervinden meeste vakantie stress
Volgens Synovate heeft 46 procent van de Nederlanders last van een vakantiedip bij de terugkeer naar werk. Maar veel moeders...

Sprankelende juwelencollecties in Oisterwijk
Liefhebbers van bijzondere juwelen, sieraden en horloges houden 25 t/m 27 november 2016 vrij voor “Het Juweel Oisterwijk” in Gallery...

Aantal ontslagprocedures bijna gehalveerd na invoering WWZ
1 juli 2015 is de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) ingevoerd. De WWZ heeft onder meer ten doel het ontslagrecht...

Alcoa: News: News Releases: Alcoa Inc. Announces Pricing of Debt Off..
NEW YORK--(BUSINESS WIRE)--Alcoa Inc. (NYSE:AA) ("Alcoa") announced today that Alcoa Nederland Holding B.V. (the "Issuer"), a wholly owned subsidiary of...

DeOnlineDrogist.nl opnieuw de grootste online drogist
DeOnlineDrogist.nl is opnieuw de grootste online drogist van Nederland, zo blijkt uit de Twinkle100. Deze jaarlijkse ranglijst toont de grootste...

Mobiel.nl opent servicepunt in Utrecht
Mobiel.nl, de grootste onafhankelijke aanbieder van smartphones en mobiele abonnementen in Nederland, opende op 20 september een servicepunt op Europaplein...

2 miljoen online boodschappers in 2017
Ruim één op de zes Nederlanders koopt in 2017 eten en drinken bij een online supermarkt. Het merendeel van de...

Krimpen aan den IJssel en Beek en Donk zijn Groenste Stad en Dorp 2016
In het Isala theater in Capelle aan den IJssel zijn vandaag tijdens de Nationale Groendag Krimpen aan de IJssel en...

LINTEC vernieuwt website en catalogus voor internationaal publiek uit
LINTEC vernieuwt website en geeft catalogus voor internationaal publiek uit TOKYO-(BUSINESS WIRE)- LINTEC Corporation heeft in juli 2016 een Engelstalige...

Quintiq en Wereldvoedselprogramma: een wereld zonder honger
Quintiq en Wereldvoedselprogramma: samenwerking voor een wereld zonder honger `S-HERTOGENBOSCH, Nederland-(BUSINESS WIRE)- Quintiq en het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de Verenigde...