Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Ecofin Raad 8 februari 1999

Datum nieuwsfeit: 15-02-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Financien

Titel: Verslag Ecofin Raad 8 februari 1999

DIRECTIE BUITENLANDSE FINANCIËLE BETREKKINGEN

Aan:

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BFB/99-126m

15 februari 1999

Onderwerp

Toezending verslag van de Ecofin Raad 8 februari 1999.

Inlichtingen: Freek Janmaat · Telefoon: 070-342 7180 · Fax: 070-342 7901 · Postbus 20201, 2500 EE Den Haag

Bezoekadres: Korte Voorhout 7, Den Haag

Hierbij zend ik u het verslag van de vergadering van de Ecofin Raad van 8 februari 1999.

Dit verslag wordt toegezonden aan de Voorzitters van de Eerste Kamer en Tweede Kamer alsmede de Voorzitters van de Algemene Commissie voor Europese Zaken en de Vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

MINISTERIE VAN FINANCIËN

Afdeling Europese Unie

Verslag van de Euro-11 en de Ecofin Raad van 8 februari 1999

Op februari vergaderde de Ecofin-Raad in Brussel over Agenda 2000, over de implementatie van het stabiliteits- en groeipact en over de economische situatie en economisch beleid van de gemeenschap en van de lidstaten. Voorafgaand aan de Ecofin Raad kwam de Euro-11 groep bijeen.

Euro-11

In de Euro-11 is gesproken over de economische situatie in de EU, de externe vertegenwoordiging van de Gemeenschap en de G7-vergadering van 20 februari a.s. De discussie vond plaats in aanwezigheid van directeur Noyer van de ECB.

Economische situatie EU

De discussie richtte zich op de vraag of de groeivertraging in het eurogebied van tijdelijke aard is of langer zal voortduren. Ook werd er besproken of, en zo ja, hoe er beleidsmatig gereageerd zou moeten worden. De meeste landen bleken van mening te zijn dat de groeivertraging een tijdelijke verzwakking is. Deze landen beschouwen de huidige policy mix als evenwichtig, en benadrukten het belang van handhaving van stabiliteit en vertrouwen. Automatische stabilisatoren aan de inkomstenkant van de begroting dienen normaal te kunnen werken. Er werd opgemerkt dat de begrotingssituaties verschillen, waarbij de grote landen onvoldoende ruimte onder het 3%-plafond houden; er moet per land bezien worden wat mogelijk is. Ook het loonbeleid leent zich niet voor algemene recepten; een en ander moet per land worden bezien. Structurele werkloosheid dient men met structureel beleid te bestrijden.

Sommige landen vroegen zich af of de groeivertraging wel tijdelijk is, maar zien vooralsnog geen reden om zwaar geschut in te zetten. Wel moeten de economische ontwikkelingen alert worden gevolgd.

Andere landen zagen met name in de rentestructuur (vlakke yield-curve) een teken van verslechterende vooruitzichten; de lage lange rente zou een teken van malaise zijn. Bij zwakkere groei voorzien de automatische stabilisatoren niet in de juiste impuls om de economie weer op de rails te krijgen. Bovendien duiden de loonontwikkelingen op een latente deflatoire situatie.

Minister Zalm gaf aan dat er geen sprake is van een schok, wel van een groeivertraging. Sommige landen, waaronder Nederland, hebben enige ruimte voor begrotingsbeleid, voor andere landen is dit te riskant. Slechts bij een krimp van meer dan ¾% is er sprake van een uitzonderlijke omstandigheid volgens de definitie van het stabiliteits- en groeipact. Niemand verwacht evenwel een dergelijke krimp. Bij de huidige groeivertraging is het belangrijk dat we het stabiliteitskader niet ter discussie stellen

De output gap in de Unie is klein en kan zodoende maar een klein deel van de werkloosheid verklaren. De werkloosheid is een structureel probleem dat structurele oplossingen vereist. Gezien de slechte ervaringen in het verleden moeten we niet op zoek gaan naar nieuw activistisch conjunctuurbeleid.

Externe vertegenwoordiging

Gemeld werd dat de niet-Europese partners in de G7 bezwaar zouden maken tegen een uitbreiding van de Europese vertegenwoordiging op de wijze waarop tijdens de Europese Raad van Wenen was besloten. Het Duitse Voorzitterschap zal in het uitnodigingenbeleid voor de komende G7-bijeenkomst handelen conform de ER-besluitvorming. Materieel krijgt dit pas betekenis vanaf 1 juli aanstaande wanneer met Finland voor het eerst een niet G7-lid het voorzitterschap van de Euro-11 zal bekleden.

Voorbereiding G-7

De Voorzitter gaf aan dat de VS een bijdrage van Europa vragen aan het stimuleren van de groei. Verder kondigde hij aan dat gesproken zal worden over het internationale financiële systeem. In de discussie werden vijf themas ter nadere uitwerking genoemd: 1. versterking van toezicht/regulering hedge funds. 2. transparant en prudent beleid. 3. (beperking)/geordende kapitaalliberalisatie. 4. betrokkenheid private sector bij bestrijding van financiële crises 5. IMF preventieve faciliteit: wanneer en hoe?

Daarnaast zou er aandacht moeten zijn voor een systeem van versterkte internationale samenwerking met Japan en de VS op monetair terrein. In het verleden bestond er redelijke stabiliteit zonder het afstemmen van economisch beleid. Nu zou er een nieuwe fase zijn aangebroken waarin preventief beleid gewenst is

Minister Zalm kon de vijf genoemde themas onderschrijven. Wel bepleitte hij terughoudendheid bij het doen van uitspraken in de G7 namens de Euro-11. Dergelijke discussies zouden beter moeten worden voorbereid. Over de noodzaak van versterkte monetaire samenwerking was minister Zalm nog niet overtuigd. Hij waarschuwde voor een activistisch optreden. Prijsstabiliteit is een interne aangelegenheid waarvoor de ECB verantwoordelijk is; de wisselkoers is daarvan de resultante. Uitspraken op het terrein van de wisselkoers zouden met de nodige terughoudendheid moeten worden gedaan en alleen in die situatie dat er sprake is van een fundamentele verstoring.

Ecofin Raad

Agenda 2000

Voorzitter Lafontaine introduceerde dit agendapunt met de mededeling dat het Voorzitterschap van oordeel is dat als leidraad voor de financiële perspectieven zou moeten gelden Europese uitgaven die niet sneller toenemen dan de nationale begrotingen. Ten aanzien van de Eigen Middelen gaf hij aan dat een oplossing van de scheve lastenverdeling moest worden gevonden in het kader van een totaalpakket.

Commissievoorzitter Santer verwees naar de discussie in de Algemene Raad inzake het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en de conclusie dat het plafond voor de landbouwuitgaven in relatie zou moeten staan met het actuele uitgavenniveau. Hij achtte het noodzakelijk dat de landbouwuitgaven in eerste instantie boven dat actuele uitgavenniveau zouden uitstijgen teneinde hervormingen mogelijk te maken. Wat de structuurfondsen betreft gaf Santer aan dat de Commissie het concept van stabilisatie zou kunnen onderschrijven mits het laatste jaar van de huidige programmeringsperiode (1999) als uitgangspunt zou gelden. Het vraagstuk van de lastenverdeling zou volgens de Commissie pas kunnen worden bezien nadat de gevolgen van de hervormingen en vaststelling van de financiële kaders helder zijn. Wel zou de compensatie voor het Verenigd Koninkrijk moeten worden gecorrigeerd voor onbedoelde voordelen die voortvloeien uit de huidige voorstellen alsmede voor de kosten van de uitbreiding.

Alle lidstaten intervenieerden. Een ruime meerderheid deelde de opinie van het Voorzitterschap inzake de noodzaak van een restrictieve ontwikkeling van de Europese uitgaven. Met name op het terrein van de landbouwuitgaven en op het punt van eventuele correcties voor onevenwichtigheden in de verdeling van de lasten kon beweging in de posities van lidstaten worden geregistreerd.

Landbouwuitgaven

Een ruime meerderheid van lidstaten sprak zich uit voor een plafond voor de landbouwuitgaven, ruim onder het Landbouwrichtsnoer en meer in overeenstemming met het huidige uitgaven niveau van 40,5 miljard euro. Punt van discussie is nog of het huidige uitgavenpeil direct vanaf het jaar 2000 moet gelden als plafond of dat het een plafond is dat gemiddeld voor de periode 2000-2006 moet gelden, dan wel een niveau dat in ieder geval in het jaar 2006 moet worden bereikt. In de laatste twee opties zou in de beginjaren van de periode 2000-2006 extra financiële ruimte ten behoeve van de landbouwhervormingen worden geboden.

Minister Zalm verwees in dit verband naar de hobbel in de betalingen bij de structuurfondsen in de eerste jaren van de komende periode. Met het oog daarop zou naar wegen moeten worden gezocht om een hobbel bij ook de landbouwuitgaven te voorkomen. Hij wees zijn collegas er op dat anders de pijn van het restrictieve uitgavenbeleid wel erg gemakkelijk naar de toekomst zou worden geschoven. Het voorkomen van een stijging van de landbouwuitgaven zou aldus minister Zalm gerealiseerd kunnen worden door een latere aanvangsdatum van sommige hervormingen, door afbouw van inkomenssteun en door het afzien van overheveling van structuursteun voor rurale gebieden naar categorie 1.

Zeven lidstaten toonden zich voorstander van een geleidelijke vermindering van de inkomenstoeslagen in de tijd (degressiviteit) danwel achtten een eventueel voorstel daarvoor bespreekbaar (waaronder Nederland). Twee lidstaten spraken zich hier principieel tegen uit.

Wat betreft de overheveling van ruraal beleid naar categorie 1 lopen de posities uiteen: de lidstaten die zich daarover uitspraken, tenderen in meerderheid naar financiering uit categorie 1 waarbij sommige dit binnen het kader van 40,5 miljard euro gefinancierd willen zien en enkele andere lidstaten in aanvulling op dit plafond.

Lastenverdeling

Naast de vier lidstaten die al enige tijd een pleidooi houden voor een generiek correctiemechanisme voor excessieve netto-betalers, bleken nu ook twee kleine lidstaten geen principiële bezwaren te hebben tegen een dergelijk systeem. Daarnaast bleken vier andere lidstaten bereid te zijn in de eindfase van de onderhandelingen van geval tot geval te willen bezien welke specifieke problemen in de sfeer van de lastenverdeling nog een oplossing zouden behoeven. Een groot aantal lidstaten sprak zich nu expliciet uit tegen de ongewijzigde voortzetting van de eenzijdige VK-compensatieregeling.

Voor twee lidstaten is een oplossing van het vraagstuk van de lastenverdeling langs de weg van correcties aan de middelenkant onbespreekbaar. Men refereerde daarbij aan de conclusies van de Europese Raad van Fontainebleau die stellen dat onevenwichtigheden langs de weg van het uitgavenbeleid van de unie moeten worden geredresseerd.

Minister Zalm reageerde hierop door te wijzen op de voornemens van de Commissie met betrekking tot de verdeling van de structuurfondsuitgaven. Uit deze voorstellen kon geen begin van een tegemoetkoming voor de excessieve positie van Nederland worden afgeleid, integendeel. Daarom herhaalde minister Zalm zijn pleidooi voor cofinanciering bij de landbouwuitgaven en voor overgang naar een systeem van Eigen Middelen uitsluitend op basis van het BNP. Dit laatste zou in een overgangsfase kunnen worden vorm gegeven via een geleidelijke ophoging van de zogenaamde perceptiekostenvergoeding voor de Traditionele Eigen Middelen. Ten slotte bepleitte hij een algemeen correctiemechanisme waarin de VK-compensatie zou moeten opgaan.

Wat betreft de eventuele medefinanciering van landbouwuitgaven (cofinanciering) door lidstaten bleken tijdens deze Ecofin de posities van de lidstaten ongewijzigd. Vijf lidstaten, waaronder Nederland, zijn hier vóór of achtten dit bespreekbaar; vijf lidstaten toonden hier grote bezwaren tegen.

Structuurfondsen

Wat de structuurfondsen betreft gaf minister Zalm aan dat het gemiddelde steunbedrag per capita uit de vorige periode uitgangspunt zou moeten zijn en niet het hoge steunbedrag uit 1999. Over dit onderwerp bleken de posities nog ongewijzigd: de lidstaten die zich hebben uitgesproken voor een totaalplafond voor de EU-uitgaven van circa 85 miljard euro gaan uit van de gemiddelde steunbedragen over de hele voorgaande periode. Andere lidstaten wensen het niveau 1999 als vertrekpunt.

Minister Zalm gaf voorts aan dat het Cohesiefonds niet langer open zou moeten staan voor EMU-deelnemers, al zou daar in het kader van een totaalpakket een zekere uitfasering bespreekbaar kunnen zijn.

Voorzitter Lafontaine vatte de verschillende posities samen waarvoor kortheidshalve zij verwezen naar de in bijlage 1) opgenomen voorzitterschapsconclusies

Implementatie van het stabiliteits- en groeipact

Stabiliteitsprogramma Italië

Commissaris De Silguy gaf een toelichting op het advies van de Commissie, waarbij hij er op wijst dat het stabiliteitsprogramma gebaseerd is op de macro-economische veronderstellingen die ten grondslag lagen aan het in voorjaar 1998 verschenen Document voor Economische en Financiele Planning (DPEF). Deze veronderstellingen zijn thans verouderd.

Voorziter Lemierre van het EFC meldde dat Italië alle kansen moet benutten om het tekort te verlagen. De Italiaanse groeiveronderstellingen zijn optimistisch en de schuldenlast zou verder moeten worden gereduceerd.

Minister Ciampi zette uiteen dat het de vaste doelstelling van de Italiaanse regering is om in 2001 een tekort van 1% te bereiken. Gezien de huidige groei is het structureel tekort in Italië gunstiger dan het feitelijk tekort. Bij een redelijke groei kunnen beide grootheden in 2002 samenvallen. In het DPEF van 1998 was een groei van 2,5% en een rente van 4,5% verondersteld. Beide zijn een procentpunt lager uitgevallen; de effecten daarvan op de begroting wegen grosso modo tegen elkaar op. Italië had een nieuw document kunnen indienen, maar heeft besloten dit niet te doen. Hij wees er op dat de rentedaling mede toe te schrijven is aan een toegenomen geloofwaardigheid van het Italiaans beleid.

Minister Zalm hechtte veel waarde aan de brief die minister Ciampi aan Commissaris De Silguy heeft gestuurd en waarin hij het commitment van de Italiaanse regering voor het bereiken van een tekort van 1% in 2001 uitspreekt.

Wel deed minister Zalm een voorstel om de voorgestelde Raadsconclusie zodanig te amenderen dat uit de tekst blijkt dat doelstellingen die de Italiaanse regering zich stelt, leiden tot een ontwikkeling in de richting van de eisen uit het stabiliteits- en groeipact.

Voorzitter Lafontaine constateerde dat er met de door Nederland gesuggereerde wijziging een accoord was over de ontwerp-raadsconclusies (bijgevoegd als bijlage 2 bij dit verslag).

Stabiliteitsprogramma Portugal

Commissaris De Silguy meldde dat de tekortdoelstelling van Portugal in overeenstemming is met de vereisten van het stabiliteits- en groeipact. Wel vond hij de marge onder het tekortplafond minimaal. Een grotere tekortreductie zou daarom wenselijk zijn, met name aan het begin van de periode.

Voorzitter Lemierre van het EFC gaf aan dat het programma op realistische veronderstellingen is gebaseerd. Portugal investeert veel in infrastructuur, hetgeen door het EFC werd toegejuicht. Onder de gegeven omstandigheden had de tekortdoelstelling wel wat ambitieuzer dan 0,8% mogen zijn. Ten slotte maakte hij melding van het geringe risico van inflatoire druk en adviseerde hij de Portugese regering om dit zo nodig langs de weg van het begrotingsbeleid tegen te gaan.

Minister De Sousa Franco merkte in zijn reactie op dat de inflatie het laagst van de euro-11 is. De uitkomsten zijn de laatste tijd altijd beter geweest dan de doelstellingen. Het feit dat de overheidsinvesteringen hoog zijn schreef hij toe aan de ontwikkelingsfase van de Portugese economie. Hij achtte de budgettaire ruimte in 1998 voldoende om de automatische stabilisatoren te laten werken.

Voorzitter Lafontaine concludeerde dat de ontwerp-Raadsconclusies konden worden vastgesteld (bijlage 3).

Convergentieprogramma Verenigd Koninkrijk

Commissaris De Silguy stelde dat er sprake is van een uitstekend programma, waarbij aan alle eisen van het stabiliteits- en groeipact is voldaan. Het streven naar een lage inflatie, de gehanteerde realistische groeiramingen en het bereikte begrotingsoverschot worden verwelkomd. Wel merkte hij op dat de productiviteit in het VK achter blijft bij die van andere landen.

Voorzitter Lemierre van het EFC sloot zich aan bij de opmerkingen van Commissaris De Silguy en voegde hieraan toe dat de wil om structurele hervormingen door te voeren het mogelijk zou moeten maken voor het VK om op termijn tot het ERM2 toe te treden.

Minister Brown toonde zich erkentelijk voor de complimenten en gaf aan dat het in gang gezette herstelbeleid zijn vruchten begint af te werpen.

Voorzitter Lafontaine concludeerde dat de opvatting van de Raad over het convergentieprogramma van het VK kon worden goedgekeurd (bijlage 4)

Convergentieprogramma Zweden

Commissaris De Silguy gaf aan dat het Zweedse programma ambitieus doch realiseerbaar is en daarmee voldoet aan de in het stabiliteits- en groeipact gestelde eisen. Wel kunnen drie kanttekeningen geplaatst worden. De gehanteerde macro-economische voorspellingen zijn optimistisch zodat waakzaamheid geboden is. De inflatiedoelstelling is hoger dan de ECB voor wenselijkheid houdt en de koers van de Zweedse kroon kan aan sterke schommelingen onderhevig zijn.

De voorzitter van het EFC, Lemierre, meldde van mening te zijn dat er sprake is van een uitstekend programma.

Minister Asbrink dankte de Commisie en het EFC voor de opmerkingen en het gestelde vertrouwen. Volgens hem betreft het inderdaad een ambitieus programma. Dit is nodig om de overheidsfinanciën verder op orde te krijgen en een toetreding op termijn tot het ERM2 mogelijk te maken. Aangezien de andere delegaties geen nadere op- of aanmerkingen hadden, constateerde voorzitter Lafontaine dat de bijgevoegde Raadsopvatting over het Zweedse convergentieprogramma kon worden vastgesteld (bijlage 5).

Economische situatie en economisch beleid van de gemeenschap en van de lidstaten

Voorzitter Lafontaine gaf aan dat er over dit onderwerp ook al gesproken is tijdens de euro-11.

Commissaris De Silguy noemde drie centrale vragen: is er sprake van een groeivertraging; wat betekent dit voor het financieel economisch beleid en wat voor soort loonbeleid moet er

gevoerd worden?

Commissaris Monti gaf vervolgens een toelichting op het rapport over het functioneren van de product- en kapitaalmarkten. Hij beschouwt het tot stand komen van de Interne Markt als de belangrijkste supply side maatregel van de laatste tijd. De afzonderlijke nationale markten zijn immers niet meer efficiënt. Hij kondigde aan dat na bespreking van het onderhavige rapport (Cardiff I) in de Ecofin en in de Interne Marktraad een rapport zal volgen (Cardiff II) over de structurele maatregelen en het beleid in de lidstaten. Dit rapport zal op 15 maart in de Ecofin behandeld worden.

Een lidstaat wees op de ontwikkeling waarbij de aandacht is verschoven van het voorkomen van inflatie naar bevorderen van economische groei. Daarbij werd een pleidooi gehouden voor een evenwichtige beleidsaanpak waarbij een stabiel macro-economische klimaat en structurele hervormingen hand in hand dienen te gaan.

Minister Zalm pleitte er voor dat de richtsnoeren voor economisch beleid ook landenspecifieke aanbevelingen zouden bevatten. Vervolgens vroeg hij aandacht voor het pensioenvraagstuk. Veel landen hebben een omslagstelsel; bij een vergrijzende bevolking biedt een kapitaaldekkingstelsel meer zekerheid. Voorts merkte hij op dat gelet op de oorzaak van de huidige werkloosheid, structurele maatregelen in ogenschouw moeten worden genomen. De Luxemburg-procedure biedt daartoe de mogelijkheid en in dat verband zou ook overleg met de sociale partners moeten worden gevoerd, waarmee in Nederland goede ervaringen zijn opgedaan.

Door enkele andere lidstaten werd aandacht gevraagd voor de toegankelijkheid van markten, en voor de beschikbaarheid van risicokapitaal en financieringsmogelijkheden van innovatieve projecten.

Voorzitter Lafontaine concludeerde dat het EFC door zal gaan met de werkzaamheden ter voorbereiding van de economische richtsnoeren en in maart verslag zal uitbrengen.

- o -

DIRECTIE BUITENLANDSE FINANCIËLE BETREKKINGEN

Aan:

De Voorzitter van de Vaste Commissie voor Financiën

van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BFB/99-126m

15 februari 1999

Onderwerp

Toezending verslag van de Ecofin Raad 8 februari 1999.

Inlichtingen: Freek Janmaat · Telefoon: 070-342 7180 · Fax: 070-342 7901 · Postbus 20201, 2500 EE Den Haag

Bezoekadres: Korte Voorhout 7, Den Haag

Hierbij zend ik u het verslag van de vergadering van de Ecofin Raad van 8 februari 1999.

Dit verslag wordt toegezonden aan de Voorzitters van de Eerste Kamer en Tweede Kamer alsmede de Voorzitters van de Algemene Commissie voor Europese Zaken en de Vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

DIRECTIE BUITENLANDSE FINANCIËLE BETREKKINGEN

Aan:

De Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 22

2513 AA DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BFB/99-126m

15 februari 1999

Onderwerp

Toezending verslag van de Ecofin Raad 8 februari 1999.

Inlichtingen: Freek Janmaat · Telefoon: 070-342 7180 · Fax: 070-342 7901 · Postbus 20201, 2500 EE Den Haag

Bezoekadres: Korte Voorhout 7, Den Haag

Hierbij zend ik u het verslag van de vergadering van de Ecofin Raad van 8 februari 1999.

Dit verslag wordt toegezonden aan de Voorzitters van de Eerste Kamer en Tweede Kamer alsmede de Voorzitters van de Algemene Commissie voor Europese Zaken en de Vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

DIRECTIE BUITENLANDSE FINANCIËLE BETREKKINGEN

Aan:

De Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 22

2513 AA DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BFB/99-126m

15 februari 1999

Onderwerp

Toezending verslag van de Ecofin Raad 8 februari 1999.

Inlichtingen: Freek Janmaat · Telefoon: 070-342 7180 · Fax: 070-342 7901 · Postbus 20201, 2500 EE Den Haag

Bezoekadres: Korte Voorhout 7, Den Haag

Hierbij zend ik u het verslag van de vergadering van de Ecofin Raad van 8 februari 1999.

Dit verslag wordt toegezonden aan de Voorzitters van de Eerste Kamer en Tweede Kamer alsmede de Voorzitters van de Algemene Commissie voor Europese Zaken en de Vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

DIRECTIE BUITENLANDSE FINANCIËLE BETREKKINGEN

Aan:

Alle Ministers

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BFB/99-126m

15 februari 1999

Onderwerp

Toezending verslag van de Ecofin Raad 8 februari 1999.

Inlichtingen: Freek Janmaat · Telefoon: 070-342 7180 · Fax: 070-342 7901 · Postbus 20201, 2500 EE Den Haag

Bezoekadres: Korte Voorhout 7, Den Haag

Hierbij zend ik u het verslag van de vergadering van de Ecofin Raad van 8 februari 1999.

Dit verslag wordt toegezonden aan de Voorzitters van de Eerste Kamer en Tweede Kamer alsmede de Voorzitters van de Algemene Commissie voor Europese Zaken en de Vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie