Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Van der Ploeg bij Nederlandse Museum Vereniging

Datum nieuwsfeit: 05-03-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, directie Voorlichting
Datum: 05-03-1999

Toespraak

Naar een mobiele en zichtbare collectie

Toespraak van dr. F. van der Ploeg, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en wetenschappen, Op de bijeenkomst van de Ned. Museum Vereniging over het verzamelbeleid van de Nederlandse musea. (Georganiseerd door de sectie Kunstmusea van de Nederlandse Museumvereniging. 25 februari 1999 te Den Haag , Gemeentemuseum

Ik wil dat u mij ziet als een repeteerwekker. Ik bedoel daarmee dat je bij de tijd blijft en dat het erg lastig is om je ongestoord nog eens om te draaien en in te dommelen. Ik wil het dus weer hebben over het slapend vermogen van de musea. Mijn toespraak van november 1998 in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen, is niet geheel onopgemerkt gebleven. U valt vast niet van uw stoel als ik opbiecht dat het me daar ook om te doen was. Het zal u ook niet verbazen dat ik het verwijt van "die Van der Ploeg roept maar wat, als het maar publiciteit oplevert" niet als zodanig opvat. Ik ben ervan overtuigd dat je door het opwekken tot discussie en vervolgens het voeren van een openbaar debat een breed publiek kunt betrekken bij het cultuurbeleid.
En kranten, tijdschriften, radio en tv - ze heten niet voor niks media
- hebben nu eenmaal een flink bereik. Ik wil als verantwoordelijk bewindsman cultuur hoog op de politieke agenda krijgen. "Veel woorden en veel daden".

We hebben het over een belangrijk onderwerp. Dat valt ook op te maken uit de talloze, zowel creatieve, verrassende als ingecalculeerde reacties op mijn uitspraken toen. Collectiemobiliteit en zichtbaarheid voor een zo breed mogelijk publiek - daar draait het in essentie om. Dat uitgangspunt koester ik en wil ik vasthouden. Nu is het zaak om een samenhangende én werkbare manier te vinden om die mobiliteit en zichtbaarheid te vergroten.
Vandaag wil ik alvast een paar aanzetten geven.

De reacties op mijn "opwekkende schone-slaap-verhaal" in Enkhuizen, kwamen grofweg uit drie hoeken: uit de museale, de politieke en uit de economische hoek. Het ligt in de rede om het vandaag vooral over die eerste hoek te hebben. De repliek op mijn oproep tot grotere mobiliteit, zichtbaar-heid en toegankelijkheid van collecties bestond voor een deel uit verzuch-tingen als "dat doen we al lang". Maar er werd ook gewag gemaakt van allerlei obstakels; de veiligheid en het juiste klimaat zijn in het geding bij het elders plaatsen van collectiestukken. Ook voerden enkelen juridische bezwa-ren aan, bijvoorbeeld tegen het verkopen van schenkingen. Daarnaast is benadrukt dat bij een te grote nadruk op mobiliteit, de conservering weer in het verdomhoekje terecht dreigt te komen. Om direct op dit laatste in te gaan: het is niet mijn bedoeling de verworvenheden van het Deltaplan op het spel te zetten!

Wat mij nu voor ogen staat, is een instrumentarium te ontwikkelen dat past in mijn algemene cultuurbeleid, dat de mobiliteit en zichtbaarheid van museale collecties vergroot en dat tegelijkertijd de genoemde hobbels wegneemt. Ik bedoel hiermee ook te zeggen dat collectiemobiliteit geen doel op zich is, maar een functioneel onderdeel is van mijn streven naar onder andere een groter publieksbereik, meer diversiteit, verjonging, ondernemings-zin en gebruik van nieuwe media in de culturele sector.

We moeten bij het bevorderen van de zichtbaarheid en mobiliteit van museale collecties een aantal zaken helder omschrijven en nagaan hoe dat bereikt kan worden. Daar zitten natuurlijk wel wat haken en ogen aan. Daarmee doel ik op aansprakelijkheid, verzekering, mogelijk marktbederf en dergelijke. Musea moeten het verkeer van stukken - onderling en met andere instellingen - goed regelen en er daarbij van uitgaan dat iedereen er beter van kan worden. Met andere woorden: coöperatie én concurrentie.

Ik wil dergelijke zaken graag mogelijk maken, vergemakkelijken en ondersteunen. Daartoe doe ik een aantal voorstellen en suggesties.

Om het mobiliseren van collecties - dat wil zeggen het uitwisselen van stukken - te bevorderen, zou ik bijdragen uit het aankoopfonds willen clausuleren. Een museum kan pas zo'n bijdrage tegemoet zien als andere musea uit zijn collectie mogen putten. In de aankoopsubsidieregeling zal ik dit verder uitwerken. De Mondriaanstichting - die zoals u weet belast zal worden met de uitvoering van de regeling - is nog bezig met een voorstel aan mij. Op basis hiervan en na advies van de Raad voor Cultuur neem ik een besluit over die regeling.

In aansluiting op de aankoopregeling wil ik dat de onderlinge bruiklening van museumstukken vergemakkelijkt wordt. Ik denk aan aanpassing en uitbrei-ding van de zogeheten Kaderovereenkomst. Deze is in 1989 gesloten tussen de Staat en de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Gouda.
De essentie van de overeenkomst is het achterwege laten van de verplichting tot verzekering van bruikleenstukken; eigen collecties zijn immers ook niet verzekerd. Waarom maken we hier niet een landelijke regeling van? Het komt bovendien de kleinere musea ten goede; voor hen drukt immers de verzeke-ringsplicht financieel vaak te zwaar.
Ik wil nog een stapje verder. Als we die Kaderovereenkomst toch aanpassen, kunnen we dan niet meteen iets aan het heikele punt van de leenvergoe-dingen doen? Dat komt de consistentie in elk geval ten goede. Ik bedoel, het zou wat zot zijn om aan de ene kant de verzekeringsplicht weg te nemen om de mobiliteit te bevorderen, en aan de andere kant het obstakel van de leen-vergoeding te laten voor wat het is.

Voor de goede orde: ik heb het hier over de betaling van leenvergoedingen aan collega-musea. Het zou natuurlijk een al te luid tikkende bom onder het cultureel ondernemerschap zijn, als ik u zou afraden een bruikleenvergoeding te vragen aan derden, zoals particuliere instellingen en bedrijven.

Uit de convenantbesprekingen maak ik op dat een landelijke uitbreiding van de kaderovereenkomst op een welwillende bejegening kan rekenen. Ook positief is dat uw vereniging samen met de provincies bezig is met het opzetten van een register van musea dat een grote steun kan zijn bij de bepaling van de musea die onder de overeenkomst kunnen vallen.

Op korte termijn bespreek ik een model van zo'n kaderovereenkomst met de landelijke museumorganisaties, de provincies en de gemeenten. Uiteraard vraag ik daarna de Raad voor Cultuur om advies.

De volkswijsheid "Wie wat bewaart, die heeft wat" gaat ook op voor musea. Ik houd niet van semantische haarkloverijen, maar we moeten ons wel afvra-gen wat dat "wat" nu is en wat dat "wat" maakt tot iets wat bewaard moet worden. Dit refereert onder meer aan mijn bedenkingen tegen de term "conservator" die in de museumwereld is ingeburgerd. Beter zou "curator" zijn. Maar los van het feit dat dit in dit verband een anglicisme is, heeft het in Nederland voornamelijk een juridische betekenis en roept het werkwoord niet de "zuivere" associaties op. Toch kun je met het "cureren" van collecties (inclusief de depots uiteraard!) wel wat kanten op, zeker als je dat begrip wat ruim opvat en instrumenteert. Het is in elk geval een vriendelijker term dan afstoten. Zo nu en dan is een opschoning wel op zijn plaats. Immers, de collectieaanwas is bij menig museum ook niet gering.

Om aan dit soort zaken van "aan- en afwas" gerichte aandacht te geven, is aan mijn Instituut Collectie Nederland (ICN) gevraagd om een project te coördineren dat zich richt op selectie en afstoting van museale objecten en, meer in het algemeen, op 'upgrading'. (Het Museum Selectie Project).
Het project bestaat uit zes deelprojecten, die ik u graag als voorbeelden van "good practice" wil schetsen.

Laat ik beginnen met het Gemeentemuseum, alhier. De schaal van dit onlangs gerestaureerde gebouw en het personeelsbestand zijn bepalend voor de omvang van de collectie. De garantie voor toegankelijkheid, behoud en beheer van de collectie is hierbij de leidraad. Daardoor is er flink wat geselecteerd en afgestoten.
Museum Boerhaave in Leiden wil een topstuk, een van de drie Van Leeuwen-hoek-microscopen, ruilen voor één van de drie microscopen van John Marshall die het Science Museum in Londen in bezit heeft. Zo kunnen deze twee musea een lacune in hun collectie opvullen; ze willen beide een inter-nationaal overzicht bieden van de ontwikkeling van de microscoop.
Naturalis (een andere parel in het Leidse) doet evenals de plaatselijke universiteit aan "selectie aan de poort". Er wordt dan ook samengewerkt met deze instelling bij het selecteren en conserveren van de zogeheten Meijendel-collectie van het Zoölogisch Laboratorium. Deze collectie documenteert veranderingsprocessen in het milieu. Bij dit project komt aan het licht op welke problemen je kunt stuiten bij selectie aan de poort en welke tijd en kosten ermee gemoeid zijn. Met de niet alledaagse combinatie van selectie, afstoting en ontkerkelijking heeft Museum Catharijneconvent te maken. De enorme toestroom van kunstobjecten uit kerken dwong het museum tot allerlei scherpe afwegingen voor behoud, overplaatsing en afstoting. In algemene zin kan dit als voorbeeld dienen voor het ver- en ontzamelen bij cultuurhistorische collecties.
Of het aan het niet altijd even milde klimaat in ons land ligt, weet ik niet. Feit is wel dat de expositie in de open lucht noodlottig is geworden voor een groot object in het beeldenpark van Kröller Müller. Afstoting door vernietiging, dat is het trieste einde geworden van een werk van Dennis Oppenheim. Eerlijk gezegd vind ik de titel ook een tikkeltje omineus klinken: "Station for defensing and blinding radioactive horses". Tot vernietiging is overgegaan na uitgebreid onderzoek naar andere mogelijkheden en na overleg met de kunstenaar. De laatste van de zes casussen uit het Museum Selectie Project gaat over de afdeling collecties van het Instituut Collectie Nederland zelf. Het gaat hier om 5000 twijfelgevallen die nog zijn overgebleven na de selectie uit de vele tienduizenden objecten die via de BKR in de collectie van het Rijk waren opgenomen. Doel van deze casus is het onderzoeken van mogelijkheden voor efficiënte bulkselectie en het systematisch vastleggen van de selectieargumenten.

Dat aan het selecteren en afstoten van museale objecten allerlei praktische en ethische kanten kleven, hoef ik u niet te vertellen. Het ICN is dan ook gevraagd een gedragscode voor selectie en afstoting op te stellen. Die code moet breed toepasbaar zijn, dus niet alleen voor rijkscollecties.

Dat heeft niet noodzakelijk iets te maken met de ABCD-categorieën van het Deltaplan. Rudi Fuchs heeft in zijn nieuwjaarsrede terecht gewezen op de zwakke plekken van deze indeling. Een mogelijke oorzaak daarvan is dat de indeling een belangrijke rol speelde bij de toekenning van conserveringssubsidies in het kader van het Deltaplan. De musea hadden er belang bij om zoveel mogelijk voorwerpen in de A-categorie onder te brengen. Zou de subsidiëring op andere activiteiten betrekking hebben gehad, dan zou de indeling er misschien heel anders hebben uitgezien. Voor een beleid van selectie, afstoting en 'upgrading' is het wellicht raadzaam de STAU-categorieën te onderscheiden:
S = studiecollectie
T = tentoonstellingscollectie
A = af te stoten collectie
U = uit te lenen collectie
Ik noem met nadruk het "onheilspellende" woord verkopen. Musea kunnen zich immers niet alleen profileren met een interessant aankoopbeleid, maar ook met een aansprekend verkoopbeleid. Fuchs twijfelde er in zijn nieuwjaarsrede aan, maar dit woord prijkt nog altijd in mijn repertoire. Ik ben bijvoorbeeld in gesprek met de directeur van het Openluchtmuseum die mij onlangs heeft voorgesteld een 25-tal voorwerpen te verkopen na een uiterst zorgvuldig selectie- en uitplaatsingstraject te hebben doorlopen. De Corneilles en Appels in het Stedelijk Museum waren net na de oorlog avant-gardistische kunst; nu zijn het vooral distinctieobjecten voor rijkere burgers in de samenleving. Ik kan me voorstellen dat een museumdirecteur er best een aantal wil verkopen tegen een goede prijs, om nieuwe kunst, bijvoorbeeld van Damien Hirst, te kopen. Overigens ben ik benieuwd wat de suggestie van Fuchs zal opleveren om de selectie te baseren op de inhoudelijke en narratieve analyse van de collectie. Welke verhalen zijn er met welke invalshoeken te vertellen over collecties en kunstenaars? Dat moet de boel natuurlijk niet te veel ophouden, maar ik ben wel geïnteresseerd in zo'n soort visionaire blik van de gezamenlijke kunstmusea.

Zichtbaarheid en mobiliteit zijn ook uitstekend gediend met dependances of filialen van de grotere musea. Het is voor mij denkbaar initiatieven te ondersteunen die leiden tot bijvoorbeeld een scheepvaartfiliaal bij de Batavia-werf in Lelystad, een natuurhistorisch filiaal bij het Noorder Dierenpark te Emmen, een geschiedenisfiliaal bij het Binnenhof in Den Haag en dergelijke. De mobiliteit van collecties is ermee gediend en het cultuurtoerisme in Nederland krijgt een forse stimulans.

Overigens - even de nog bestaande orthodoxie voorbij - ook De Bijenkorf heeft prachtige plannen om depotstukken te exposeren c.q. te etaleren. Het grootwinkelbedrijf wil tijdens een actie over Nederlandse vormgeving in april ontwerpen van zowel jong nieuw talent als van gevestigde namen tonen. De plannen moeten nog worden uitgewerkt en ik wil dat mijn ICN hieraan ten volle meewerkt.

Ik heb hier een tip willen oplichten van de sluier die mijn collectiebeleid nu nog deels aan het oog onttrekt. Om mijn gedachten aan te scherpen, om het realiteitsgehalte te toetsen en om het draagvlak vast te stellen, heb ik inmiddels aan de Raad voor Cultuur advies gevraagd. Behalve voor de zojuist genoemde onderwerpen heb ik de aandacht van de Raad gevraagd voor zaken als:

Zijn andere dan de klassieke openingstijden mogelijk en wenselijk? Een van de mogelijke vormen is avond-openstelling.

Welke (semi)-commerciële vormen van collectiemobiliteit lenen zich voor toepassing? De volgende vormen noem ik:
Plaatsing van museumobjecten, wellicht tegen vergoeding, in openbare ruimten (van stations en postkantoren tot welzijnsinstellingen en ziekenhuizen). Plaatsing van museumobjecten tegen vergoeding bij de kunstuitlenen. Instellingen als de Federatie Kunstuitleen kunnen bij de advisering hierover worden betrokken.
Vormen van uitlening of verhuur van museumobjecten aan bedrijven en instellingen.
De introductie van kostenvergoeding voor het intermuseale bruikleenverkeer en voor de bruiklening aan particulieren en instellingen. Bij dit onderwerp vraag ik aandacht voor de positie van de kleinere musea.
Verkoop van museumobjecten zowel binnen als buiten het museale circuit. Welke voorwaarden zijn aan verkoop van museumobjecten (binnen en buiten het museale circuit) te stellen? Aandacht vraag ik ook voor de verkoopvorm van 'upgrading', waarbij door een museum een bepaald object verkocht wordt om een soortgelijk exemplaar van betere kwaliteit aan te kunnen kopen. Het Instituut Collectie Nederland heeft een gedragscode in voorbereiding voor selecteren en afstoten. Ik heb de Raad verzocht om die code in zijn advies te betrekken. Koppelen van aankoopsubsidiëring aan mobiliteit: onder welke condities kunnen musea 'winkelen' in de collecties van de musea die aankoopsubsidies ontvangen? Kan hier een verplichting van worden gemaakt? Welke rol kan een 'collectieplan nieuwe stijl' spelen, waarbij in het collectieplan bijvoorbeeld wordt aangegeven welk type collectie c.q. object in aanmerking komt voor mobiliteit in de collectie Nederland? De ontvangers van aankoopsubsidies zullen meestal de grotere musea zijn. Dat biedt de kans de 'mobiliteitcollecties' van die grote musea beschikbaar te stellen voor het 'winkelen'. Hoe kan bevorderd worden dat middelgrote en kleine musea daarvan profiteren?

Het inrichten van collectiefilialen van grotere musea elders in het land zie ik als een veelbelovende vorm van collectiemobiliteit. Het zal dan wel moeten gaan om een voldoende reservoir aan collecties en een te voorzien groot publieksbereik ter plaatse. Als voorbeelden van deze gedachte noem ik een natuurhistorisch filiaal in de gemeente Emmen/Noorder Dierenpark, een scheepvaartfiliaal in Lelystad of een wetenschap/techniek-filiaal in Eindhoven. Gemeenten, provincies en instellingen ter plaatse zouden moeten zorgen voor de accommodatie en de exploitatie, terwijl het museum zorgt voor de collectie en de presentatie. Het rijk kan goede initiatieven premiëren. Een variant is dat musea gezamenlijk tentoonstellingen maken, ook van delen van kerncollecties, die in verschillende delen van het land te bezichtigen zijn.
Dergelijke tentoonstellingen kunnen ook met buitenlandse partners worden opgezet. De mobiliteit van collecties is ermee gediend en het cultuurtoerisme krijgt een aardige stimulans. Er kunnen in het kader van de cultuurconvenanten afspraken over worden gemaakt.

Ik heb de Raad gevraagd wat die vindt van de gedachte om aan de subsidieverlening aan musea de voorwaarde te verbinden dat jaarlijks door hen in een 'depotplan' (als deel van een collectieplan nieuwe stijl), wordt medegedeeld hoe en in welke mate zij werken uit hun depot het afgelopen jaar hebben tentoongesteld, uitgeleend, verhuurd dan wel te gelde gemaakt, en hoe en in welke mate zij gedurende de komende jaren voornemens zijn met hun depot te handelen.

De mobiliteit van objecten en collecties kan worden gehinderd door bepalingen in schenkingen en legaten. Ik heb de Raad verzocht dit onderwerp in zijn advies te betrekken.

Tevens vraag ik de Raad om te bezien of verzekeringen vervoerstechnische belemmeringen zijn voor collectiemobiliteit en welke oplossingen hiervoor zijn aan te dragen.

Ten slotte heb ik de Raad gevraagd naar de relatie van de digitalisering met de collectiemobiliteit. Het gaat dan om onderwerpen als de (selectieve) digitale collectieontsluiting, universele standaarden, de mogelijke rol van het 'Netwerk Collectie Nederland', de 'Netwijzer Cultuur' die de vereniging Digitaal Erfgoed Nederland (DEN) in ontwikkeling heeft en de digitale ontsluiting en informatievoorziening voor het grote publiek.

Wat dit laatste punt betreft, moet me van het hart dat het op z'n zachtst gezegd nogal vreemd is, dat de musea nog steeds geen gezamenlijke ICT-standaarden hebben.
Zoals ik afgelopen maandag tijdens een werkbezoek aan Zeeland, bij de opening van de digitale culture agenda aldaar (Digicult) al zei: het zou toch mooi zijn als Nederland een soort digitale culturele entree zou hebben. Nu vind je op het internet eigenlijk alleen "visitekaartjes" van culturele instellingen. Nadere collectie-informatie en doorklikmogelijkheden, ho maar. Van een vraaggestuurde, interactieve, gebruikersvriendelijke toegankelijkheid van cultuur met behulp van digitalisering is nog veel te weinig sprake. Daar wil ik de komende jaren in mijn beleid veel aandacht aan besteden.
Ook vind ik het triest dat er nauwelijks beroep wordt gedaan op beschikbare Europese middelen.
Er moet veel meer worden samengewerkt. Er is meer regie nodig en wellicht is het advies van de vereniging Digitaal Erfgoed Nederland hierbij van nut. In dit verband een agenda-tip: op 19 maart geeft deze vereniging een eerste presentatie aan de erfgoed-instellingen van het project 'Netwijzer Cultuur'. Digitale zichtbaarheid van ons cultureel erfgoed is een uitstekende bron van inspiratie, ook voor de collectiemobiliteit.

Ik kijk uit naar het belangrijke advies van de Raad van Cultuur, zodat ik dat in de uitgangspuntenbrief (eind dit voorjaar) kan verwerken. Het advies van de Raad betrek ik vervolgens bij de opstelling van de Cultuurnota 2001 - 2005.

In mijn Zuiderzeemuseumrede wilde ik u en uw collecties 'uit een schone slaap' wekken. Uit de reacties die daarop zijn gevolgd heb ik opgemaakt dat de graad van wakkerte aanzienlijk is toegenomen. Ik heb nu geprobeerd enkele mogelijkheden te verkennen om meer rendement uit uw cultureel vermogen te halen. Een van u, de directeur van Kröller Müller, kijkt daar reikhalzend naar uit. Althans dat maak ik op uit het Financieel Dagblad van 5 februari jl. Het is nu aan u en aan de Raad voor Cultuur om uw opvattingen kenbaar te maken. Ik verwacht stellig dat dit niet het einde is van onze openbare gedachtewisseling en zie uw voorstellen met veel belangstelling tegemoet.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie