Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Jaarrapportage regulerende energiebelasting over 1997

Datum nieuwsfeit: 10-03-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Jaarrapportage regulerende energiebelasting over 1997

Aan:
de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Plein 2
2511 CR DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk
Ons kenmerk
Den Haag
WV98/539 M.1
10 maart 1999

Onderwerp
Jaarrapportage regulerende energiebelasting over 1997

Bij mijn brief van 26 juni 1997, kenmerk WV97/409M, werd u de eerste jaarrapportage inzake de regulerende energiebelasting (hierna: REB) toegezonden. Deze rapportage had betrekking op het jaar 1996.

Mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de minister van Economische Zaken bied ik u hierbij thans de rapportage over het jaar 1997 aan. Ik zend u hierbij tevens in tweevoud het rapport Onderzoek naar effecten van de regulerende energiebelasting bij bedrijven - stand van zaken einde 1997 -. Dit onderzoek werd ten behoeve van deze jaarrapportage in opdracht van het ministerie van Financiën, mede namens het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het ministerie van Economische Zaken uitgevoerd door de Stichting voor Economisch Onderzoek der Universiteit van Amsterdam (SEO) in samenwerking met de Vakgroep Natuurwetenschap en Samenleving (NW&S) Universiteit van Utrecht.

De Staatssecretaris van Financiën, 1. Inleiding

Bij de parlementaire behandeling in de Tweede Kamer van het voorstel van wet tot wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) in verband met de invoering van een regulerende energiebelasting (wet van 13 december 1995, Stb. 662) is een motie van het lid B.M. de Vries aanvaard waarin de regering wordt verzocht door middel van een jaarlijkse rapportage de Kamer te informeren over de gevolgen van het wetsvoorstel met name met betrekking tot de milieu-effecten, de economische effecten alsmede de financiële effecten (Kamerstukken II 1995/96, 24 250, nr. 29). De voorliggende rapportage strekt ertoe aan deze motie uitvoering te geven met betrekking tot het jaar 1997.

Eerst wordt in de volgende paragraaf een overzicht gegeven van de onderwerpen waarover in de loop van 1997 schriftelijk of mondeling van gedachten is gewisseld met de Tweede Kamer. In de daarop volgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op de milieu-effecten, uitgesplitst naar effecten op het energieverbruik van bedrijven en huishoudens en de effecten van de REB op duurzame energie, de budgettaire effecten (totale opbrengst van de REB, omvang terugsluis uitgesplitst naar bedrijven en huishoudens) en de voorlichting.

Met betrekking tot de uitvoering en administratieve lasten zijn, na de evaluatie over het jaar 1996, geen nieuwe ontwikkelingen te melden.

Tenslotte is van belang te vermelden dat de Europese Commissie op 17 maart 1997 een voorstel voor een richtlijn tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten - COM(97) 30 def. - heeft gepresenteerd op de Ecofin-Raad (PB EG 1997, nr. C 139/07). Zowel onder het Nederlandse als het Luxemburgse, Britse en Oostenrijkse voorzitterschap is het richtlijnvoorstel in verschillende vergaderingen aan de orde geweest. Het Oostenrijkse voorzitterschap heeft een interimrapport over de voortgang van de besprekingen opgesteld dat is besproken tijdens de Ecofin-Raad van 1 december 1998 (zie verslag Ecofin-Raad, Kamerstukken II 1998/99, 21 501-07, nr. 234).

2. Overzicht onderwerpen waarover reeds eerder is gerapporteerd

Vanuit de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de effecten van de regulerende energiebelasting (Aanhangsel Handelingen nr. 1048, vergaderjaar 1996/97 en Kamerstukken II 1997/98, 25 600 XIII, nr. 35). In deze jaarrapportage wordt op dit onderwerp ingegaan in hoofdstuk 3.

Verder is op 17 juni 1997 door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de zogenoemde Landbouwvoorjaarsnotitie naar de Kamer gestuurd. In deze notitie wordt onder andere inzicht gegeven in de financiële effecten op bedrijfsniveau in de primaire landbouw van de lastenverlichting, van de regulerende energiebelasting en van de terugsluismaatregelen (Kamerstukken II 1996/97, 25421, nr. 1).

In artikel 36q van de Wbm is voorzien in een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen teruggaafregeling REB ten behoeve van verbruikers die in het kader van met Onze Minister gemaakte afspraken verplichtingen op zich hebben genomen ter verbetering van de energie-efficiency. Met betrekking tot deze teruggaafregeling is met de Tweede Kamer zowel in 1996 als in 1997 zowel mondeling als schriftelijk van gedachten gewisseld. Als uitvloeisel van de door de Tweede Kamer aanvaarde motie Crone c.s. (Kamerstukken II 1996/97, 24 250 nr. 36) heeft nader onderzoek plaatsgevonden in verband met deze teruggaafregeling. Verwezen zij naar de brief van 13 oktober 1997 (Kamerstukken II 1997/98, 24250, nr. 39) en het verslag van het algemeen overleg over deze brief op 11 december 1997 (Kamerstukken II 1997/98, 24250, nr. 40). Als uitvloeisel van dit debat is nog enig nader onderzoek verricht. De Kamer is hierover geïnformeerd bij de brief van de Minister van Economische Zaken van 27 april 1998 (Kamerstukken II 1997/98, 24250, nr 41).

In de memorie van toelichting bij de begroting van Economische Zaken voor 1998 zijn de resultaten gepubliceerd van een CBS-onderzoek naar de bekendheid en de tevredenheid met een aantal beleidsinitiatieven die mede onder verantwoordelijkheid van EZ vallen. De bekendheid met de REB bleek onder de respondenten al behoorlijk groot, zij het niet bij het MKB. Deze bekendheid leidde volgens dit onderzoek in beperkte mate tot een daadwerkelijke vermindering van het energieverbruik (huishoudens: 17% van de respondenten, bedrijven <5%). De tevredenheid met dit beleidsinstrument was groter bij de respondenten die hun energieverbruik zeiden te hebben verminderd dan bij de andere respondenten.

3. Energiebesparingseffecten en effecten op duurzame energie

3.1. Plaats van de REB in de instrumentenmix

De REB is niet ingevoerd als op zichzelf staand instrument, maar als onderdeel van de instrumentenmix gericht op energiebesparing, toepassing van duurzame energie en CO2-reductie. Naast een zelfstandig effect op energiebesparend gedrag, biedt de REB ook een ondersteuning van andere instrumenten, zoals het MAP, meerjarenafspraken, regelgeving, voorlichting en subsidies. Omdat bij al deze instrumenten rentabiliteitsoverwegingen bij de eindverbruiker een rol spelen, is de eindverbruikersprijs van energie voor de effectiviteit van deze instrumenten medebepalend. De REB en de overige instrumenten moeten daarom niet zo zeer worden gezien als alternatieven waaruit gekozen kan worden, maar meer als complementaire onderdelen. Voor de verschillende instrumenttypen wordt dat hieronder toegelicht.

Voorlichting en communicatie

Door middel van voorlichting en communicatie worden energiebesparende opties onder de aandacht van de consument gebracht. Sommige van deze opties zijn kosteloos, maar voor de meeste moet de energieverbruiker een investering doen. In de voorlichting wordt vaak de rentabiliteit van deze maatregelen in beeld gebracht, en worden conclusies getrokken of een bepaalde maatregel rendabel is, en dus alleen al om financiële redenen het overwegen waard is. Voorbeelden zijn artikelen in de Consumentengids, De Woonconsument, advertenties van leveranciers van energiebesparende producten en voorlichting door energiebedrijven. In de laatste categorie valt ook het boekje Energiebewust wonen; comfortabel, voordelig, milieuvriendelijk (EnergieNed 1997). Hierin worden van alle mogelijke maatregelen kosten, besparingen en terugverdientijden gepresenteerd, uitgaande van een totale energieprijs (inclusief REB) van 64 cent per m3 aardgas en 25 cent per kWh elektriciteit. Het beeld van de rentabiliteit van besparingsopties zou een stuk somberder geweest zijn, indien in dit boekje met energieprijzen exclusief REB zou zijn gerekend (zie verder par. 3.3). Een ander communicatief instrument is het energielabel voor energiezuinig witgoed. De apparaten in de energiezuinigste klasse zijn vaak iets duurder dan in minder efficiënte klassen, maar zijn goedkoper in het gebruik. Of de aanschaf van een zuinig apparaat uiteindelijk financieel voordelig is, wordt mede bepaald door de energieprijs. In Energiebewust wonen krijgt de consument voorgerekend dat een koelvriescombinatie met A-label in aanschaf weliswaar 100 gulden duurder is dan een apparaat met B-label, maar dat de jaarlijkse energiekosten 25 gulden lager zijn.

Regelgeving

Op het eerste gezicht lijkt de effectiviteit van regelgeving niet afhankelijk te zijn van de energieprijs. Als de overheid iets voorschrijft, en dat vervolgens ook handhaaft, zou de maatregel immers getroffen moeten worden ongeacht de financiële consequenties. In werkelijkheid is er wel degelijk een samenhang, omdat de rentabiliteit grenzen stelt aan wat kan worden voorgeschreven. Bij de vergunningen en AMvBs op basis van de Wet milieubeheer wordt uitgegaan van het ALARA-principe dat in dit verband inhoudt dat het energieverbruik zo laag moet zijn als redelijkerwijs mogelijk is. Dit principe is geoperationaliseerd in het uitgangspunt dat alle maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder dienen te worden genomen. Bij dalende energieprijzen zou het energiebesparingspotentieel dat redelijkerwijs kan worden verwacht van bedrijven in de tijd dus afnemen. Hier ligt dus een duidelijke relatie tussen de energieprijs en wat er met regelgeving te bereiken is. Ook bij de Energieprestatienorm voor de nieuwbouw (EPN) is een van de uitgangspunten dat maatregelen dienen te renderen. Om een verdere aanscherping van de EPN soepel te laten verlopen zijn dalende kosten van de te treffen maatregelen en hogere besparingsvoordelen door een hogere energieprijs belangrijk.

Het milieu-actieplan (MAP) van de energiedistributiebedrijven

In het kader van het milieu-actieplan ondernemen energiedistributiebedrijven activiteiten ter stimulering van energiebesparing en duurzame energie.

In het kader van het MAP worden subsidies verstrekt, bijvoorbeeld op zonneboilers en isolatie. Bij dalende energieprijzen neemt de effectiviteit van subsidieprogrammas af: het te overbruggen verschil tussen kosten en baten neemt toe, hetgeen een stijgende subsidie nodig maakt. Aan de andere kant leidt een door de REB stijgende energieprijs er toe dat sommige maatregelen in het rendabele bereik komen. De subsidies daarvoor kunnen dan (geleidelijk) worden afgeschaft en ergens anders voor worden gebruikt. Zo hebben de energiebedrijven per 1 juli 1996 de subsidie voor HR-ketels stopgezet en de middelen, gegeven gelijke opbrengst van de MAP-heffing, besteed aan de stimulering van andere maatregelen.

In het kader van het MAP hebben de energiedistributiebedrijven ook een doelstelling ten aanzien van duurzame energie. De REB ondersteunt de activiteiten van de energiebedrijven op dit punt op drie manieren. Allereerst verbetert de REB alszodanig de concurrentiepositie van dié door de energiebedrijven gestimuleerde duurzame energie-opties die achter de meter zitten, met name zonneboilers en warmtepompen. In de tweede plaats is er de bijzondere regeling voor duurzame energie, die de energiebedrijven in staat stelt om aan opwekkers van duurzame energie een hogere vergoeding te betalen. In de derde plaats geldt er (met ingang van 1998) een nihiltarief voor via afzonderlijke contracten geleverde duurzaam opgewekte elektriciteit (Groene Stroom, Natuurstroom, Milieustroom of Ecostroom). De extra bijdrage die de energiebedrijven van hun klanten voor deze milieuvriendelijke energie vragen kan door dit nihiltarief met 40% dalen. Het valt te verwachten dat tegen deze lagere meerkosten meer consumenten bereid zullen zijn groene stroom af te nemen.

Stadsverwarming

Op verschillende manieren probeert de overheid de toepassing van het gebruik van restwarmte in de gebouwde omgeving te stimuleren. In het kader van het CO2-reductieplan is de stimuleringsregeling niet-industriële restwarmte infrastructuur (NIRIS) ingesteld, waarmee stadsverwarmingsprojecten worden gestimuleerd. De energiebedrijven stimuleren stadsverwarming in het kader van het MAP. Behalve de investeringskosten van het warmtenet, zijn de te verwachten opbrengsten in de vorm van de warmteprijs van belang voor het beoordelen van de rentabiliteit van een project. Deze warmteprijs is mede afhankelijk van de prijs van aardgas, inclusief REB. Op deze wijze ondersteunt de REB het stadsverwarmingsbeleid. Stadsverwarming wordt vooral toegepast in de nieuwbouw en in bestaande hoogbouw. Die woningen hebben veelal een verbruik dat tussen de 1000 en 1500 m3 aardgas equivalent ligt. De stimulans die van de REB uitgaat is bij dit relatief lage verbruik beperkt, mede gezien de belastingvrije voet van 800 m3.

Rebound effect

Huishoudens en bedrijven hebben op de keper beschouwd geen behoefte aan elektriciteit en gas, maar willen warmte, licht en kracht. Naast de energieprijzen zijn daarom de prijzen van de energiefuncties van belang. Door verbetering van de energie-effiency neemt de effectieve prijs van deze energiefuncties af. Hierdoor is het mogelijk dat de vraag naar licht, warmte en kracht toeneemt. Dit wordt in de literatuur aangeduid als het rebound-effect. Uit de verschillende uitgevoerde studies komt naar voren dat het rebound-effect weliswaar beperkt van omvang is, maar wel bestaat.

In een recente IEA-studie1 over het rebound effect wordt geconcludeerd dat beleid gericht op het verbeteren van de energie-efficiëntie door toepassing van nieuwe technologie ondersteund kan worden door energiebelastingen, omdat zonder een dergelijke ondersteuning de mogelijkheid bestaat dat een deel van de geboekte winst weer verloren gaat door het rebound-effect.

3.2 Doorwerking van de REB in de (reële) energieprijzen

Voor de effectiviteit van de REB is allereerst de doorwerking in de energieprijzen van belang. De REB is ingevoerd om door middel van het verhogen van de energieprijs een prikkel te geven tot energiebesparing. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel REB is aangegeven dat een belangrijk motief voor invoering van de REB was het ombuigen van de trend van dalende reële energieprijzen. In de Nota Energiebesparing (1990) werd nog uitgegaan van een forse stijging van de reële energieprijzen in de tweede helft van de jaren 90, terwijl de Vervolgnota Energiebesparing (1993) uitging van beperkt stijgende reële energieprijzen. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel REB werd geconstateerd dat de werkelijke ontwikkeling van de energieprijzen hierbij achterbleef, en werd de kans klein geacht dat dergelijke prijsniveaus in de nabije toekomst zouden worden gerealiseerd. Door deze dalende prijsontwikkeling werden investeringen in energiebesparing steeds minder aantrekkelijk, hetgeen de urgentie voor de invoering van de REB versterkte. Zoals in de vorige paragraaf werd aangegeven, staat ook de effectiviteit van de andere instrumenten continu onder druk als de reële energieprijzen een dalende tendens vertonen.

Terugkijkend blijkt dat de in de memorie van toelichting beschreven ontwikkeling zich inderdaad heeft voorgedaan. Voor elektriciteit zijn de reële prijzen exclusief REB blijven dalen. Ten gevolge van de REB lagen de reële elektriciteitsprijzen in 1997 5% hoger dan in 1990. Bij aardgas stegen de tarieven exclusief REB weliswaar vanaf 1995, maar niet voldoende om in 1997 boven het prijsniveau in 1990 uit te komen. Ten gevolge van de REB liggen de reële aardgastarieven voor kleinverbruikers eind 1997 6% hoger dan in 1990. Een en ander wordt geïllustreerd in onderstaande grafieken. Uit deze analyse blijkt dat de met de REB beoogde verhoging van de energieprijzen zich heeft voorgedaan indien gekeken wordt naar lopende prijzen. De reële prijs van energie is ten opzichte van het niveau 1990 echter slechts beperkt gestegen. Een deel van het prijseffect van de REB lekt weg door de jaarlijkse inflatie. Om deze reden stelt het kabinet in het belastingplan 1999 voor om de tarieven van de milieubelastingen per 1-1-1999 te indexeren voor de inflatie.

(invoegen bladzijde met grafieken inzake ontwikkeling gemiddelde tarieven aardgas en elektriciteit kleinverbruik - incl. BTW - NB. niet elektronisch beschikbaar)

3.3 Effect van de REB op de rentabiliteit van besparingsopties

Door een verhoging van de energieprijs, wordt energiebesparing financieel aantrekkelijker. Energiebesparend gedrag levert meer geld op, terwijl de terugverdientijd van energiebesparende investeringen afneemt.

Energiebesparend gedrag, ook wel good house keeping genoemd, vergt handelingen die steeds herhaald moeten worden. De financiële kosten zijn gering, terwijl er een behoorlijke besparing mee wordt bereikt. De REB kan good house keeping bevorderen, doordat het financieel voordeel enigszins toeneemt.

Voor andere energiebesparingsmaatregelen is een eenmalige investering nodig. Sommige van deze investeringen zijn relatief klein (leiding isolatie), in andere gevallen gaat het om enkele duizenden guldens (bijvoorbeeld spouwmuurisolatie). Consumenten zullen zich, voor ze tot een dergelijke uitgave overgaan, vaak afvragen of de kosten van de maatregel worden terugverdiend. Een maat voor de rentabiliteit is de terugverdientijd. Door de REB wordt de terugverdientijd van maatregelen vaak met enige jaren verkort. Overigens is het niet noodzakelijk dat de consumenten zich bewust zijn van de REB, of de berekening van de terugverdientijd zelf uitvoeren. In voorlichtingsmateriaal en informatie van organisaties als de energiebedrijven, de Consumentenbond of de Vereniging Eigen Huis wordt de consument vaak precies voorgerekend of een energiebesparingsmaatregel rendabel is of niet. Het is ook via deze route dat de REB effect heeft op het consumentengedrag.

Terugverdientijd in jaren

zonder REB

met REB

HR-ketel

11

9

Vloerisolatie

30

24

Zonneboiler

43

33

Spouwmuurisolatie

6

5

HR-glas

14

11

CV-leiding isolatie

1

0

Overigens blijkt dat de gedragsmaatregelen ook zonder REB al geld opleveren en toch door veel huishoudens niet worden getroffen. Andersom worden sommige besparende investeringen wel getroffen, ook al is de terugverdientijd (inclusief de REB) nog behoorlijk lang. Financiële overwegingen geven dus niet altijd de doorslag bij besparend gedrag. Vandaar dat het kabinet de REB ook ziet als een onderdeel van het besparingsbeleid, waarin behalve voor financiële prikkels ook aandacht is voor voorlichting, bewustwording en regelgeving.

3.4. Onderzoek naar de effecten van de REB op energiebesparing bij huishoudens

Om inzicht te krijgen in het effect van de REB op de intenties en gedragingen van Nederlandse huishoudens betreffende het gas- en elektriciteitsverbruik wordt onderzoek uitgevoerd door de Rijksuniversiteit Leiden.

Een vast panel dat representatief is voor de Nederlandse bevolking wordt met ingang van 1996 twee keer per jaar ondervraagd over hun bekendheid met en hun mening over de REB. Ook wordt geïnformeerd naar hun voorgenomen en gerealiseerde energiebesparingsgedrag.

Door deze onderzoeksopzet wordt ingespeeld op het feit dat de REB stapsgewijs wordt ingevoerd. Ook is het goed mogelijk veranderingen in de tijd te volgen, en na te gaan of intenties van respondenten worden omgezet in daden.

In het onderzoek wordt gevraagd naar:

- de bekendheid met de REB

- de mening over de REB

- een inschatting van de hoogte van de REB en het saldo effect van heffing en terugsluis voor het huishouden

- energiebesparende intenties en gedragingen

- de motieven van huishoudens om aan energiebesparing te doen

De onderzoekers geven aan dat het trekken van eenduidige conclusies over de effectiviteit van de REB wordt bemoeilijkt door een tweetal factoren. De eerste is dat er van prijsmaatregelen van de aard en omvang van de REB op basis van economisch onderzoek pas op middellange termijn een - bescheiden - effect wordt verwacht (zie ook bijlage 2: Raming van de effectiviteit van de REB door het CPB). Het rapport bevat de uitkomsten over 1996 en 1997, maar het is goed mogelijk dat de effecten pas later zichtbaar worden. Verder is voor een eenduidige conclusie over de effecten van een maatregel een vergelijking nodig tussen een groep die wel, en een groep die niet aan de maatregel is blootgesteld. Bij de energiebelasting is een dergelijke vergelijking echter niet mogelijk. Het onderzoek probeert daarom op basis van bovengenoemde vragen indicaties te krijgen van mogelijke effecten. Indien deze indicaties convergeren is dat een aanwijzing voor de effectiviteit van de heffing.

De rapportage over de metingen in 1996 en 1997 is inmiddels verschenen

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie