Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Dinant hoogleraar Clinical Research in General Practice UM

Datum nieuwsfeit: 12-03-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Universiteit Maastricht

Persbericht 12 maart 1999

Dr. Dinant hoogleraar Clinical Research in General Practice

Nieuwe kennis maakt preventief opsporen botontkalking beter mogelijk

Bijna een kwart van alle gezonde, niet meer menstruerende vrouwen ouder dan 50 jaar heeft osteoporose. Deze vrouwen lopen een sterk verhoogde kans om iets te breken. Uit een (deels nog lopend) onderzoek blijkt dat het relatief eenvoudig is binnen deze groep een onderscheid te maken tussen vrouwen met een heel groot en vrouwen met een minder groot risico op botontkalking. Om te bepalen of verder onderzoek bij een bepaalde patiënt raadzaam is, heeft de huisarts in eerste instantie aan niet meer dan drie gegevens genoeg, namelijk de leeftijd van patiënte, haar gewicht in relatie tot haar lengte en het antwoord op de vraag of zij de laatste vijf jaren een botbreuk opliep. Als het onderzoek is afgerond kunnen de gegevens gebruikt worden om osteoporose actiever op te sporen. Het is evident dat de huisarts dan overweegt om vrouwen uit de belangrijkste risicogroep door te verwijzen voor een onderzoek van de botten en eventueel botversterkende medicijnen voor te schrijven. Hij zou daar niet mee moeten wachten tot de patiënt er naar vraagt of iets breekt. Dat zegt dr. G.J. Dinant in zijn inaugurele rede Onderzoek in de huisartspraktijk: uitdagend en alledaags. Met deze rede aanvaardt hij op 12 maart 1999 het ambt van bijzonder hoogleraar Clinical Research in General Practice aan de Universiteit Maastricht (UM). Dinant pleit voor meer onderzoek naar 'diagnostische instrumenten' die de huisarts helpen om snel en eenvoudig vast te stellen of een patiënt lijdt aan een onschuldige aandoening of iets dat vraagt om nader onderzoek door de huisarts of een ziekenhuis-specialist, en hij beschrijft een aantal onderzoeken op dit vlak.

Doorverwijzen of niet?
De diagnostische instrumenten die Dinant beschrijft zijn combinaties van korte vragenlijstjes, beknopt lichamelijk onderzoek en (deels in de huisartspraktijk uitvoerbaar) onderzoek van bloed en urine. Dagelijks ziet de huisarts patiënten waarbij hij twijfelt of de symptomen die hij ziet onschuldige kwaaltje zijn, of een voorbode van een ernstige ziekte. Diagnostische instrumenten bieden praktische adviezen om de arts te helpen beslissen wanneer het zinvol is de patiënt nader te onderzoeken of door te verwijzen voor verder onderzoek.

Botbreuken

Voor een vrouw die tussen de 50 en 60 jaar oud is, de overgangsjaren achter de rug heeft, er mollig uit ziet en de laatste vijf jaren geen botbreuken opliep, is het risico op het aanwezig zijn van osteoporose (botontkalking) niet meer dan 9%. Er is dus geen reden om deze vrouw te adviseren meer melk te gaan drinken, kalktabletten te gaan slikken of naar het ziekenhuis te gaan om een foto van de botten te laten maken. Omgekeerd kwam uit hetzelfde onderzoek naar voren dat bij een vrouw die de 60 is gepasseerd, mager is en korter dan vijf jaar geleden haar pols (of iets anders) brak, het risico op de aanwezigheid van osteoporose stijgt naar 51%. Vijfentachtig procent van deze groep is osteoporotisch of lijdt al aan een voorstadium van osteoporose (osteopenie).
Het vroegtijdig opsporen van botontkalking is des te belangrijker omdat het gevolg van bijvoorbeeld een gebroken heup niet gering is: de patiënt ontkomt in elk geval niet aan een ziekenhuisopname, operatie en revalidatie. Maar voor veel ouderen komt daar nog een periode in een verpleegkliniek bij. Als de patiënte eenmaal weer thuis is kan de angst om weer te vallen zo groot zijn dat ze ertoe neigt om er, letterlijk, maar liever bij te gaan zitten. Het resultaat daarvan bestaat niet alleen uit een dreigend sociaal isolement, maar ook uit lichamelijke klachten die het gevolg zijn van de afgenomen mobiliteit.

Levensloop

Geert-Jan Dinant (43) studeerde geneeskunde in Utrecht (artsexamen in 1983).

In 1991 promoveerde hij op het proefschrift 'Diagnostic value of the erythrocyte sedimentation rate in general practice' (promotor prof.dr. J.A. Knottnerus).
Vanaf 1993 is hij aangesteld als universitair hoofddocent bij de capaciteitsgroep Huisartsgeneeskunde aan de UM. Kort daarna werd hij divisieleider in het onderzoeksinstituut ExTra (Research Institute of Extramural and Transmural Health Care). Sedert 1986 heeft hij patiëntenzorg en wetenschappelijk onderzoek altijd gecombineerd. Patiëntenzorg vond plaats in een academische huisartspraktijk (aanvankelijk in Stein en sinds 1998 in Maastricht). Onderzoek concentreerde zich voor een belangrijk deel op aspecten van (aanvullende) diagnostiek in de huisartspraktijk. In de loop der jaren werden hieraan activiteiten op het gebied van onderwijs aan toegevoegd. Het laatste concentreert zich nu op het opleiden van onderzoekers (van studenten tot huisartsen) en het coördineren van diverse opleidingen tot onderzoeker. Daarbinnen is een recente ontwikkeling de aanstelling van Assistenten In Opleiding Tot Huisarts en Onderzoeker (AIOTHO). Dinant hecht veel belang aan het betrekken van studenten en huisartsen-in-opleiding bij onderzoek, omdat ze daardoor beter leren om hun eigen handelen in de dagelijkse praktijk kritisch te bekijken en waar nodig bij te stellen. Dr. G.J. Dinant is door de Stichting Wetenschapsbeoefening UM per 1 oktober 1998 benoemd tot hoogleraar 'Clinical Research in General Practice' aan de UM.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie