Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Klaas de Vries bij installatie Herman Wijffels

Datum nieuwsfeit: 19-03-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE SZW

www.minszw.nl

SZW: Toespraak van minister De Vries SER/Wijffels

Nr. 99/40

18 maart 1999

Embargo:

19 maart 1999 tot

11.00 uur

Toespraak van minister mr. K.G. de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij de installatie van dr. H.H.F. Wijffels als voorzitter van de Sociaal-Economische Raad op 19 maart 1999 in Den Haag.

Veel eerder dan mijn voorganger als minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid had gedacht toen hij drie jaar geleden een nieuwe voorzitter van de SER installeerde, is de raad weer bijeen voor de installatie van een nieuwe voorzitter. Als opvolger van mijn ambtsvoorganger in het kabinet, is vandaag aan mij de eer mijn opvolger als voorzitter van de Sociaal-Economische Raad te installeren. En het doet mij bijzonder veel genoegen dat deze nieuwe voorzitter Herman Wijffels is.

Op bijna vijftigjarige leeftijd is de SER nog altijd het vitaal kloppend hart van de overlegeconomie. En zoals we allemaal weten: vitaliteit heeft niet veel met leeftijd van doen. De vitaliteit van de SER bestaat bij de gratie van alert en adequaat inspelen op ontwikkelingen in de samenleving door de geledingen van ondernemers, werknemers en kroonleden.

Drie jaar geleden was het oordeel over de betekenis van de SER vooral in, maar ook wel buiten politieke kringen op zijn zachtst gezegd genuanceerd. Als uitvloeisel van de discussie over de stroperigheid van de advisering en over het primaat van de politiek, was zelfs de traditionele adviesplicht afgeschaft.

Sommigen zagen daarin op voorhand een verzwakking van de positie van de SER. Ik heb die mening nooit gedeeld. De afgelopen drie jaar is naar mijn overtuiging gebleken dat de vernieuwde SER zijn taken als adviseur en ook zijn taken als bestuursorgaan met grote deskundigheid en inventiviteit heeft vervuld. De discussie over de positie, het nut en de rol van de SER is inmiddels dan ook vrijwel verstomd.

Dat is geenszins verbazingwekkend. Want de afgelopen jaren is het inzicht in de betekenis van de overlegeconomie en het belang van de instituties waarin dat overleg vorm krijgt, alleen maar toegenomen. De nationale ontvankelijkheid voor het oordeel van buitenlanders die niet zonder naijver hun blik rond lieten dwalen door de keuken van de Nederlandse overlegeconomie heeft daarbij zeker een rol gespeeld.

Het unieke van de Nederlandse overlegeconomie zit hem natuurlijk niet alleen in het bestaan van een instituut als de SER. Dat unieke komt voort uit de bereidheid en het vermogen van hoofdrolspelers op het terrein van het sociaal-economisch beleid om niet alleen het eigenbelang en niet alleen het korte termijn-belang te dienen. Van de vertegenwoordigers van belangenorganisaties vraagt dat een scherp inzicht in het algemeen belang. Het noopt tot veel overleg met de respectieve achterbannen, hetgeen op zich het draagvlak voor noodzakelijke vernieuwing vergroot.

De ontwikkelingen op sociaal-economisch gebied hebben in toenemende mate internationale dimensies. De hoogmogende Nederlandse overheid is niet meer wat zij was. De opkomst van Europa is van groter belang dan de opkomst van de kiezers bij verkiezingen voor het Europees Parlement zou kunnen doen vermoeden.

Instituties zullen zich aan moeten passen aan veranderingen in de samenleving. In een steeds inniger verenigd Europa zullen landen en regio.s nadrukkelijker elkaars beleidsconcurrenten worden. Nationale overheden zullen in die concurrentieslag worden afgerekend op de kwaliteit van hun beleid en niet op hun ideologische standvastigheid. Nu grote delen van het Europese continent een zeer toegankelijk werkterrein worden voor het bedrijfsleven, zijn in Nederland intensieve vormen van samenwerking geboden om nieuwe kansen maximaal te benutten en nieuwe uitdagingen alert tegemoet te treden.

Die vernieuwing is ook aan de orde als het gaat over een thema als de ruimtelijke ordening in Nederland. Mijn collega Pronk heeft, in navolging van gedachten die daarover leven bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, in zijn houtskoolschets voor de ruimtelijke ordening een vernieuwing van de sturing door de overheid geschetst. Daarin is sprake van een verschuiving van enkel afstemming binnen de overheid naar coalitievorming met andere partijen in de samenleving.

De klassieke inspraak maakt in dat model plaats voor participatie van maatschappelijke partijen in het proces van besluitvorming: de stake holders-benadering. Bij die stake holders-benadering past een gedegen en openbare advisering die een zakelijk en ordelijk verloop van de discussie kan bevorderen. Voor u allen komt dat niet als een verrassing: in goede afstemming tussen publieke en private belangen ligt voor onze samenleving alleen maar winst.

Interactieve beleidsvorming en projectsamenwerking bij de ruimtelijke inrichting van het land, wordt wel het Groen Poldermodel genoemd. Van wezenlijk belang voor dat model is, naar analogie van de werkwijze van de SER, de bereidheid van alle partijen om open en onbevangen met elkaar te overleggen. Om vervolgens zoveel mogelijk tot gezamenlijke standpunten te komen, die worden gedragen door de eigen achterban. De SER heeft met het instellen van een Commissie Ruimtelijke Inrichting en Bereikbaarheid een goed forum in het leven geroepen voor het bespreken van een aantal belangrijke thema.s, die verband houden met de ruimtelijke inrichting van ons land in de komende eeuw. Daarbij kunnen ook groeperingen worden betrokken, die niet rechtstreeks in de raad zijn vertegenwoordigd. Het is een goed voorbeeld van inspelen op maatschappelijke veranderingen.

Naast de adviserende taak van de SER, blijft zijn bestuurlijke rol van belang. Ook als het gaat om de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie heeft de SER te maken met veranderde opvattingen over de bestuurlijke inrichting van onze samenleving. Twee jaar geleden heeft het vorige kabinet, na grondige bestudering van eb en vloed in het oordeel over de pbo, vastgesteld dat de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie bestaansrecht blijft houden. Wel tekende het daarbij aan dat modernisering van de wetgeving en hergroepering en vermindering van het aantal PBO-lichamen wenselijk zou zijn. De SER en de schappen hebben de afgelopen jaren hard meegewerkt aan het inrichten van een vernieuwd, effectief en eigentijds stelsel van product- en bedrijfschappen.

De publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie is een belangrijke pijler onder de Nederlandse overlegeconomie. Maar het voortbestaan van product- en bedrijfschappen heeft zijn stilzwijgende vanzelfsprekendheid verloren. De schappen zullen hun bestaansrecht voortdurend moeten bewijzen in het spanningsveld tussen ordening en marktwerking; tussen wat privaat kan en wat publiek moet.

De besturen van de schappen moeten er ook van doordrongen zijn dat zij, als organen die met overheidsgezag zijn bekleed, zich bij voortduring overtuigend jegens hun doelgroep en jegens de samenleving moeten waarmaken.

Uit het werkprogramma van de SER voor dit jaar blijkt dat de raad zich weer met een breed scala aan thema.s bezighoudt. Zes ministeries hebben een of meer adviesaanvragen ingediend. Een belangrijk deel van de adviezen zal dit jaar betrekking hebben op de ruimtelijke inrichting van het land in de komende eeuw. Dat moet een kolfje naar de hand van de nieuwe voorzitter zijn. Ook de problematiek van de arbeidsmarkt blijft hoog op de agenda van de raad.

In het beleid van het kabinet krijgen adviezen van de SER veel aandacht. Ik denk aan de adviezen over de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt, evenals aan het recente advies over de fiscale oudedagsparaplu. En de raad houdt zich ook bezig met het probleem van het combineren van arbeid met zorgtaken, waarmee werknemers èn werkgevers in de toekomst in toenemende mate te maken krijgen.

Die toekomst ziet er vandaag in economisch opzicht iets minder voorspoedig uit. De afgelopen jaren hebben we in Nederland een welhaast onstuimige groei van de economie en van de werkgelegenheid gezien. Nu zwakt de economische groei af. En ook ten aanzien van de toename van de werkgelegenheid is het oppassen geblazen. Uitgesproken zorgelijk vind ik dat de arbeidsinkomensquote weer flink gaat oplopen. Van vorig jaar op dit jaar met twee volle punten. En voor volgend jaar dreigt een verdere stijging. Het verleden heeft ons geleerd dat elk procent stijging van de arbeidsinkomensquote op termijn leidt tot het verlies van veertigduizend banen.

Er is dus alle reden om alert te zijn. Juist als het ons in economische zin iets minder voor de wind gaat, verwachten wij van instituties met een brede maatschappelijke betekenis als de SER een realistische oriëntatie. Want juist in de wat minder goede tijden kan het Nederlands overlegmodel zijn waarde in de praktijk bewijzen.

Een breed opererende SER verdient een voorzitter als Herman Wijffels. Ik ben heel blij dat we hem bereid hebben gevonden het voorzitterschap op zich te nemen. We hebben iemand gezocht - en gevonden - die ten diepste overtuigd is van het belang van brede samenwerking binnen onze samenleving. Daartoe moeten tegenstellingen worden overbrugd, taboes worden vervangen door creatieve oplossingen. Aan zo.n proces moet iemand leiding geven die mensen wil betrekken bij het oplossen van problemen, die mensen mee laat praten, iemand die kan luisteren, die uiteenlopende standpunten met elkaar kan verzoenen.

Iemand bovenal met een visie op de inrichting van de samenleving. Wijffels noemt het streven naar winst belangrijk voor ondernemingen, maar vindt het allerminst zaligmakend. Hij heeft er onlangs nog op gewezen dat bedrijven een bredere verantwoordelijkheid dragen voor hun omgeving. Het gaat wat hem betreft om de drie p.s: profit, people en planet. Ik ben er zeker van dat hij daaraan binnen de SER een Nederlandse vertaling weet te geven.

Wijffels is een overtuigd aanhanger van het overlegmodel. .Partijen bij de feiten brengen, mensen kansen geven om mee te doen aan het debat en motiveren om daarin een inbreng te leveren. Samen zoeken naar gemeenschappelijke grond,. zo verwoordde hij zijn visie op ons overlegmodel bij zijn afscheid van de Rabobank. Zo iemand is het voorzitterschap van de SER graag toevertrouwd.

Waarde Herman,
Drie jaar geleden zei Ad Melkert van mij te verwachten dat ik de SER de volgende eeuw in zou loodsen. Hij dacht toen nog dat ik een millenniumbestendige voorzitter was. Zoals ik trouwens van hem dacht dat hij een millenniumbestendige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid was. Maar de dingen willen wel eens anders lopen dan je verwacht. Daar kan de SER tegen en daar ben jij ook mee vertrouwd.

Ik wens je namens het kabinet van ganser harte een voorzitterschap toe waarin je je grote talenten van dag tot dag kunt inzetten voor een harmonieuze behartiging van het algemeen belang en van het belang van het bedrijfsleven en de mensen die daar werken.


19 mrt 99 11:00

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie