Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord kamervragen over wet belasting op milieugrondslag

Datum nieuwsfeit: 09-04-1999
Vindplaats van dit bericht
Vindplaats 2
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE FIN

www.minfin.nl

MIN FIN: DE WET BELASTING OP MILIEUGRONDSLAG

PERSBERICHTNR. 99/077 Den Haag 9 april 1999

ANTWOORDEN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN EN DE MINISTER VAN

VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER OP VRAGEN VAN

DE LEDEN VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL FEENSTRA EN KLEIN

MOLENKAMP OVER DE TOEPASSING VAN DE WET BELASTING OP MILIEUGRONDSLAG

VRAGEN:


1.

Bent u bekend met de discussie tussen het bedrijf Groot-Recycling BV te Alkmaar en de Belastingdienst over de toepassing van de Wet belasting op milieugrondslag (Wbm)?

2.

Brengt de Wbm mee dat de heffing van afvalstoffen voor stortplaatsen beperkt is tot het aanbod voor eindverwerking op de desbetreffende inrichting en derhalve niet van toepassing is op materialen die als secundaire grondstoffen de inrichting (al dan niet na bewerking) verlaten en op materialen, bedoeld voor de inrichting van de stortplaats?

3.

Wordt de zogenaamde .in/uit-methode. ook bij het genoemde bedrijf waarvan de recyclingsactiviteiten op de eigen stortplaats worden uitgevoerd, toegepast? En, zo ja, hoe verhoudt deze praktijk zich tot de klacht van het bedrijf, dat niet over de gestorte hoeveelheid, maar over alle binnenkomende afvalstoffen en met terugwerkende kracht vanaf
1 januari 1995 de afvalstoffenheffing moet worden betaald?

4.

Moet over het verhoudingsgetal van het herbruikbaar en niet-herbruikbaar materiaal dan wel de .in/uit-methode. vooraf goedkeuring van de inspecteur worden verkregen? Zo ja, is daar in deze situatie ook in voorzien?
5.

Zal de in/uit-methode in de Wbm worden opgenomen?

6.

Is de navordering in een soortgelijk geval in een gerechtelijke uitspraak onjuist gebleken?2

7.

Zal de nu ontstane situatie kunnen leiden tot het beëindigen van de recyclingsactiviteiten en de stortplaatsherinrichting door het desbetreffende bedrijf? Zo niet, welke stappen zullen betrokkenen dan moeten ondernemen?

ANTWOORDEN:


1, 3, 4, (gedeeltelijk ) en 7
De geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen staat er aan in de weg informatie over individuele belastingplichtigen openbaar te maken.

2.

Op grond van artikel 13 van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) wordt afvalstoffenbelasting geheven ter zake van de afgifte ter verwerking van afvalstoffen aan een inrichting. Afvalstoffen wordt gedefinieerd als afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer. Op grond van die wet zijn afvalstoffen alle stoffen, preparaten of andere producten, waarvan de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
Met de belasting wordt aangesloten bij het beleid dat erop gericht is de totale hoeveelheid te storten of te verbranden afvalstoffen te verminderen en preventie of hergebruik van afval buiten de inrichting te bevorderen. Immers met opzet zijn alleen die afvalstoffen in de belastingheffing betrokken die aan een inrichting worden aangeboden. De Wbm maakt, behoudens het onderscheid tussen verbranden en storten, geen onderscheid met betrekking tot de aard van de verwerking. Als afvalstoffen aan een stortplaats zijn afgegeven en daar vervolgens ook blijven, is het voor de toepassing van de Wbm niet van belang of zij binnen de stortplaats nog een functie kunnen vervullen, bijvoorbeeld als steunlaag voor een weg. De wetgever heeft hiertoe besloten omdat een stortplaats als zodanig niet als nuttige toepassing van afvalstoffen kan worden aangemerkt. Het primaire doel van een stortplaats is het op een verantwoorde manier verwerken van afvalstoffen. Daarbij is het voorts niet eenvoudig onderscheid aan te brengen tussen wat wel en wat niet binnen een stortplaats als nuttige toepassing kan worden aangemerkt. Bovendien is het uitvoeringstechnisch te lastig bevonden om binnen een stortplaats na te gaan welke van de stoffen die worden aangeboden omdat de houder zich ervan wenst of moet ontdoen, voor nuttige toepassing mogen, en ook daadwerkelijk daarvoor, worden aangewend. Om deze problemen te voorkomen heeft de wetgever in artikel 13, tweede lid, Wbm de fictie opgenomen op grond waarvan alle afvalstoffen (behoudens afzonderlijk aangeboden groente-, fruit- of tuinafval), die worden afgegeven aan een stortplaats, geacht worden alle te zijn afgegeven om te worden gestort.
Bij het evaluatie-onderzoek over de jaren 1995 en 1996 naar de uitvoerbaarheid van de wet (u toegezonden met de dezerzijdse brief van 23 juni 1997, nr. WV97/437M) hebben houders van stortplaatsen aangegeven dat zij oneerlijke concurrentie ondervinden als gevolg van het verschil in belastingheffing met name met betrekking tot (licht verontreinigde) grond. Dit zou voor de stortplaatshouders nadelige gevolgen hebben voor zowel het kunnen voorzien in de eigen grondbehoefte als voor hun positie als partij op de grondmarkt. Het kabinet heeft toegezegd dit via een studie nader te onderzoeken (kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 600 IXB, nr. 7). Voorafgaand aan deze studie is in het kader van de werking van het Besluit stortverbod afvalstoffen een onderzoek gedaan naar de behoefte van stortinrichtingen naar materialen voor de inrichting van de stortplaats zelf. Uit deze studie is gebleken dat de stortplaatsexploitant circa 15% van de stortmassa nodig heeft voor de in de vergunning voorgeschreven voorzieningen, zij het dat dit per stortplaats kan verschillen. Een vervolgstudie moet uitwijzen hoeveel daarvan uit grond kan bestaan en of daarmee in de wet rekening kan worden gehouden, waarbij onder meer de budgettaire en de uitvoeringsaspecten in kaart moeten worden gebracht. Dit onderzoek zal medio 1999 zijn afgerond.

Aan de andere kant heeft de wetgever wel onderkend dat in een aantal situaties niet al hetgeen als afval wordt aangeboden op de inrichting zal achterblijven, bijvoorbeeld in de situatie dat afval wordt gescheiden in herbruikbaar en niet herbruikbaar materiaal. Het herbruikbare materiaal zal weer - met het oog op het hergebruik - van de inrichting worden weggevoerd. In dat geval treedt er een verschil op tussen de hoeveelheid ter verwerking afgegeven afval en de hoeveelheid afval die daadwerkelijk binnen de inrichting achterblijft. De Wbm kent de mogelijkheid daarmee rekening te houden door middel van een - vooraf door de inspecteur vast te stellen - verhoudingsgetal. Toepassing van het verhoudingsgetal blijkt echter in de praktijk op bezwaren te stuiten van belastingplichtigen. Vandaar dat (na overleg met belanghebbenden) de zogenoemde in/uitmethode is toegestaan. Met toepassing van deze methode worden alle inkomende afvalstoffen belast. Indien echter een deel van de belaste afvalstoffen de inrichting weer verlaat met het oog op hergebruik buiten de inrichting, mag de aangifte afvalstoffenbelasting over dat tijdvak worden verminderd met de over die afvalstoffen geheven afvalstoffenbelasting. Onderkend is dat bij de in/uitmethode een financieringsnadeel optreedt, maar dit weegt op tegen de betere aansluiting bij de praktijk en de betere uitvoerbaarheid zowel voor belanghebbende als de belastingdienst.

4.

De mogelijkheid om het verhoudingsgetal toe te passen, is opgenomen in artikel 13, tweede lid, van de Wbm. Op basis daarvan dient belanghebbende vooraf schriftelijk te verzoeken om toepassing van het verhoudingsgetal. De inspecteur neemt een beslissing op een dergelijk verzoek bij voor een voor bezwaar vatbare beschikking. De in-/uitmethode is zoals hiervoor uiteengezet, een alternatief voor de toepassing van het verhoudingsgetal, waarvoor eveneens vooraf de goedkeuring van de inspecteur vereist is.

5.

Het ligt in het voornemen de in/uitmethode in de Wbm op te nemen.

6.

Wij verstaan deze vraag als een vraag naar recente jurisprudentie op het gebied van de afvalstoffenbelasting.
Thans zijn bij de Hoge Raad twee procedures aanhangig waarbij onder meer in geschil is de vraag wat onder afvalstoffen moet worden verstaan voor de toepassing van de Wbm.
In ÄÄn geschil heeft het Hof geoordeeld dat gelet op jurisprudentie tot stand gekomen in het kader van milieuwetgeving en hetgeen ter zitting is vast komen te staan, in het betreffende geval geen sprake was van afvalstoffen zodat de door de inspecteur opgelegde naheffingsaanslag niet in stand kan blijven. Tegen deze uitspraak heb ik beroep in cassatie ingesteld omdat naar ons oordeel het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de uitleg van het begrip afvalstoffen voor de toepassing van de Wbm en zich op onjuiste feiten baseert.
In een ander geschil heeft het Hof geoordeeld dat in het betreffende geval sprake is van afvalstoffen en dat het onderscheid dat belanghebbende - op basis van de aan hem verleende vergunning voor het houden van een stortplaats - aanbrengt tussen afvalstoffen en secundaire bouwstoffen er voor de toepassing van de Wbm er niet toe doet. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad heeft nog geen arrest gewezen.

Woordvoerder: mr. H.J. Lutke Schipholt
tel.nr: 070 - 342 8231


09 apr 99 15:11

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie