Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Notitie Macro-economische beleidscoördinatie in de EU

Datum nieuwsfeit: 14-04-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Macro-economische beleidscoordinatie in de Europese Unie



Aan:

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

BFB/99-352m

14 april 1999

Onderwerp

Macro-economische beleidscoördinatie in de Europese Unie

Zoals toegezegd tijdens mijn overleg van 11 maart jongstleden met de vaste Kamercommissie voor Financiën, ontvangt u hierbij namens het Kabinet een notitie over de macro-economische beleidscoördinatie in de EU.

DE MINISTER VAN FINANCIEN,

MINISTERIE VAN FINANCIEN

IMZ/GS-544

Macro-economische beleidscoördinatie in de EU

1.Inleiding

Met de totstandkoming van de EMU is de aandacht voor het vraagstuk van (macro-) economische beleidscoördinatie toegenomen. Bij toenemende integratie worden de spill-overs van economische beleid op andere lidstaten belangrijker. Ook het uniforme monetaire beleid wordt bemoeilijkt indien er sprake is van (te) sterk divergerende economische ontwikkelingen in de lidstaten.

De recente aandacht voor (macro-)economische beleidscoördinatie komt ook voort uit het verzoek van de Top van Wenen tot de ontwikkeling van een Europees werkgelegenheidspact. Het Duitse voorzitterschap heeft hiertoe een voorstel gedaan. In de tot dusver door Duitsland naar voren gebrachte visie zou één van de bouwstenen van dit pact moeten bestaan uit een verbeterde macro-economische coördinatie tussen budgettair beleid, monetair beleid en loonvorming. Het Europese werkgelegenheidspact zou tijdens de Europese Raad van Keulen moeten worden aangenomen.

Deze notitie dient om de Nederlandse inzet ten aanzien van (macro-)economische beleidscoördinatie in de EU te bepalen. In het bijzonder zal worden ingegaan op de Nederlandse inzet ten aanzien van het Europese werkgelegenheidspact. Hierbij zal onder andere de vraag aan de orde komen of in de globale richtsnoeren indicaties over de gewenste loonontwikkeling moeten worden opgenomen. De notitie is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2 wordt een schets gegeven van de instrumenten voor beleidscoördinatie zoals die volgen uit het Verdrag en de resoluties van opeenvolgende Europese Raden inzake beleidscoördinatie. Vervolgens zullen in paragraaf 3 de uitgangspunten voor de Nederlandse inzet worden geformuleerd, waarna in paragraaf 4 de voorstellen voor de Nederlandse inzet zullen worden gepresenteerd. Paragraaf 5 behandelt de meest recente Duitse voorstellen voor het Werkgelegenheidspact.

2. Raamwerk voor economische beleidscoördinatie in de EMU De EMU kenmerkt zich door een uniform monetair beleid met als doelstelling prijsstabiliteit, en een decentraal, maar gecoördineerd economisch beleid. De instrumenten voor coördinatie van het economisch beleid zijn: * de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (artikel 103 EU-Verdrag), bevattende oriëntaties op hoofdlijnen voor een evenwichtige macro-economische beleidsmix die bevorderlijk is voor groei en werkgelegenheid; de ER van Luxemburg heeft bevestigd dat zij het centrale, overkoepelende instrument voor economische beleidscoördinatie zijn; volgens de zogenaamde Cardiff-procedure dienen lidstaten en de Europese Commissie voortgangsrapporten over structurele hervormingen van product- en kapitaalmarkten op te stellen (Verklaring van de Ecofin van 1 mei 1998, ER van Cardiff), die een input vormen voor de globale richtsnoeren. * de werkgelegenheidsrichtsnoeren (nieuwe Verdragstitel over werkgelegenheid), gericht op een gecoördineerde bestrijding van de werkloosheid in Europa; de werkgelegenheidsrichtsnoeren dienen consistent te zijn met de globale richtsnoeren; naast de werkgelegenheidsrichtsnoeren maken ook de nationale actieplannen over werkgelegenheid, de zogenaamde NAPs, onderdeel uit van de nieuwe werkgelegenheidsprocedure; * het Stabiliteits- en groeipact met bindende spelregels voor het begrotingsbeleid (artikel 104C EU-Verdrag, het pact zelf bestaande uit Raadsverordening 1466/97 en 1467/97 van 7 juli 1997en bijbehorende resolutie over het Stabiliteits- en groeipact).

De coördinatieprocedures bestrijken het hele spectrum van het economisch beleid en gelden voor alle lidstaten. Zij verschillen onderling in intensiteit. De globale en werkgelegenheidsrichtsnoeren zijn niet bindend voor lidstaten en er gelden geen financiële sancties bij het niet naleven van de richtsnoeren. Wel kan de Raad besluiten een aanbeveling te richten aan een lidstaat. Ook kan de Raad besluiten die aanbeveling openbaar te maken. Het Stabiliteits- en groeipact bevat wel bindende randvoorwaarden voor het begrotingsbeleid en financiële sancties indien deze randvoorwaarden niet worden gerespecteerd. Enkele specifieke bepalingen van het Stabiliteits- en groeipact zijn overigens niet van toepassing op lidstaten die niet de euro hebben aangenomen als hun munt. Zo kunnen geen sancties worden opgelegd aan deze lidstaten.

3. Uitgangspunten voor de Nederlandse inzet t.a.v. macro-economische beleidscoördinatie

Een belangrijk uitgangspunt van de Nederlandse inzet t.a.v. (macro-)economische beleidscoördinatie is het subsidiariteitsbeginsel: het beleid wordt decentraal bepaald, tenzij er overtuigende redenen zijn om het te centraliseren. Immers, de economische situatie en daarmee het benodigde beleid verschilt per lidstaat. Dit betekent dat binnen de EMU de noodzaak blijft bestaan om recht te doen aan landenspecifieke omstandigheden. Dat geldt temeer nu met de totstandkoming van de EMU het monetaire en wisselkoersbeleid zijn weggevallen als aanpassingsmechanismen bij schokken.

Het subsidiariteitsbeginsel geeft landen voldoende flexibiliteit om in te spelen op hun specifieke situatie. Daarnaast maakt subsidiariteit een zekere mate van beleidsconcurrentie mogelijk waardoor beleidsautoriteiten een extra prikkel krijgen om te zoeken naar zo effectief en efficiënt mogelijke vormen van beleid. Door peer review en uitwisseling van best practices kunnen succesvolle beleidsrichtingen zich uitkristalliseren. Deze peer reviews en uitwisseling van best practices vormen een belangrijk element in het multilateraal toezicht, waarbij lidstaten elkaar informeren over en aanspreken op het gevoerde economisch beleid.

Een tweede uitgangspunt betreft het respecteren van de nationale institutionele structuren alsmede de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de verschillende actoren. Dit betekent dat zowel de onafhankelijkheid van de ECB dient te worden gerespecteerd, alsook de autonomie van de sociale partners.

Een laatste uitgangspunt is dat de mate van beleidscoördinatie gedifferentieerd per beleidsterrein dient te worden bepaald. Uiteraard dient hierbij het Verdrag te worden gerespecteerd. Zo gelden voor het begrotingsbeleid de verplichtingen van het Stabiliteits- en groeipact. Per beleidsterrein moet worden bekeken of en in welke mate een meer of minder verdergaande vorm van beleidscoördinatie wenselijk is. Leidraad hierbij zou moeten zijn dat coördinatie het bereiken van de doelstellingen van de Gemeenschap en de lidstaten op het terrein van welvaart, economische groei en werkgelegenheid dichterbij brengt dan door afzonderlijk nationaal beleid mogelijk zou zijn. Een dergelijke toegevoegde waarde kan onder andere voortkomen uit het internaliseren van grensoverschrijdende externe effecten (bijvoorbeeld milieu), of het voorkomen van negatieve spill-overs van het beleid in verschillende lidstaten (zie bijvoorbeeld gedragscode om schadelijke vormen van belastingconcurrentie te bestrijden).

4. Nederlandse inzet t.a.v. macro-economische beleidscoördinatie

De Europese Raad van Wenen roept op tot volledige en effectieve implementatie van de bestaande procedures voor coördinatie van het economisch beleid. In onderstaande paragraaf zal worden ingegaan op wat dit betekent voor de Nederlandse inzet ten aanzien van de globale richtsnoeren (§ 4.1). Voorts zal apart worden ingegaan op het Europese werkgelegenheidspact (§ 4.2). Tot slot zal worden ingegaan op de Nederlandse inzet ten aanzien van de afstemming tussen de diverse Raden (§ 4.3).

4.1 Globale richtsnoeren

De globale richtsnoeren vormen het centrale, overkoepelende instrument voor economische coördinatie in de EU. Op basis van de analyse in de voorafgaande paragrafen kan een algemene lijn voor de Nederlandse inzet ten aanzien van de globale richtsnoeren worden weergegeven.

Allereerst verdient het aanbeveling dat in de globale richtsnoeren een sterker accent wordt gelegd op het vergroten van het aanpassingsvermogen van de nationale economieën. Macro-economische stabiliteit is een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor economische groei en werkgelegenheid. Een goede werking van de product-, dienst-, kapitaal-, arbeidsmarkt is evenzeer essentieel. Hierbij zou in het bijzonder kunnen worden ingegaan op het belang van de relatie tussen een goed functionerende arbeidsmarkt en een goed functionerende produktmarkt. Voorts zou de effectiviteit van de globale richtsnoeren kunnen worden vergroot door ze meer landenspecifiek en beknopter van vorm te maken. De EPC1-procedure rond structurele hervormingen in de lidstaten, culminerend in het synthesis report over het functioneren van de product-, kapitaal- en arbeidsmarkt, zal een belangrijke bijdrage leveren als input voor de globale richtsnoeren. Naast landenspecifieke factoren dienen de globale richtsnoeren ook aandacht te besteden aan het functioneren van de Gemeenschap waaronder de voltooiing van de interne markt en stroomlijning van wet- en regelgeving op Europees niveau.

De gedachte hierachter is om via de globale richtsnoeren meer identiteit en herkenbaarheid te geven aan het economische beleid binnen de Unie. Deze blijft achter bij de herkenbaarheid van het budgettaire beleid (Stabiliteits- en Groeipact) enerzijds en het werkgelegenheidsbeleid (Luxemburg-richtsnoeren) anderzijds.

4.2 Werkgelegenheidspact

Op de Top van Wenen is besloten tot de ontwikkeling van een Europees Werkgelegenheidspact in het kader van het proces van Luxemburg. Het werkgelegenheidsbeleid zou moeten worden ingepast in een brede aanpak die macro-economisch beleid, concurrentiebevorderende maatregelen en beleid ingevolge de werkgelegenheidsrichtsnoeren omvat. Het Nederlandse standpunt ten aanzien van het werkgelegenheidspact zou de volgende elementen kunnen bevatten.

Alomvattende aanpak: afstemming en consistentie

Het Europese Werkgelegenheidspact zal vooral een politiek document zijn om inhoud te geven aan de committering van de Unie en haar lidstaten aan bestrijding van de werkloosheid. Het werkloosheidsprobleem vergt een alomvattende aanpak waarbij tal van actoren betrokken zijn. Alle actoren -overheden, centrale bank, sociale partners - dragen daarbij hun eigen verantwoordelijkheid. Ieder werkt op het eigen terrein. Het gedrag en de uitkomsten hebben evenwel invloed op de andere beleidsterreinen. Om die reden is het gewenst dat alle betrokkenen elkaar maximaal inzicht verschaffen over hun doelstellingen, inzet van instrumenten en beleidsoriëntaties. Dit kan de consistentie van hun verwachtingen en acties verbeteren, wat kan bijdragen aan een stabiele economische ontwikkeling. Langs deze weg kan meer bereikt worden voor de werkgelegenheid. Dat zou de essentie moeten zijn van een werkgelegenheidspact.

Randvoorwaarden om de werkgelegenheid te bevorderen en de werkloosheid te bestrijden zijn een gezond en stabiel budgettair beleid, structurele hervormingen op product-, arbeids- en kapitaalmarkten, alsmede een op prijsstabiliteit gericht monetair beleid. Veel is op Europees niveau al in gang gezet om aan die randvoorwaarden te voldoen. Het monetair beleid is in handen van de ECB. De andere voorwaarden zijn verantwoordelijkheden van de lidstaten, maar daarover zijn op Europees niveau duidelijke afspraken gemaakt, onder meer in het stabiliteitspact en in het zogenoemde Cardiff-proces. Deze afspraken zijn richtinggevend voor het nationale beleid.

Naast deze randvoorwaarden zijn de volgende zaken van direct belang: * een verantwoorde loonkostenontwikkeling; * een actief arbeidsmarktbeleid met nadruk op preventieve en activerende maatregelen.

Richtsnoer over en monitoring van loonkostenontwikkeling

Uitgangspunt bij het beleid gericht op een verantwoorde loonkostenontwikkeling is dat recht moet worden gedaan aan de verschillende nationale institutionele kaders en aan de eigen verantwoordelijkheden van nationale overheden en sociale partners. Dit betekent dat loonvorming decentraal moet plaatsvinden, omdat alleen dan de loonkostenontwikkeling goed kan worden afgestemd op de specifieke situatie. Overigens ziet Nederland de loonontwikkeling niet als instrument van de overheid in het kader van het macro-economische beleid. De loonontwikkeling is ten allen tijde de uitkomst van arbeidsvoorwaardenoverleg, wat niet wegneemt dat nationale overheden wel de loonontwikkeling kunnen beïnvloeden met het oog op een evenwichtige sociaal-economische en financiële ontwikkeling via overleg met de sociale partners en het scheppen van gunstige randvoorwaarden (bijv. lastenverlichting).

De globale richtsnoeren bevatten reeds een aantal aanbevelingen m.b.t. de verantwoorde loonontwikkeling. Het kan zinvol zijn om een apart richtsnoer over de loonkostenontwikkeling op te nemen in de werkgelegenheidsrichtsnoeren, gericht op een gematigde en gedifferentieerde ontwikkeling van de lonen. Voor een goede monitoring van de implementatie van de richtsnoeren over de loonkostenontwikkeling is het van belang dat de lidstaten elkaar informeren over en aanspreken op het door hen gevoerde beleid gericht op het bewerkstelligen van een verantwoorde decentrale loonkostenontwikkeling. Hiertoe zouden lidstaten jaarlijks in hun nationale actieplannen werkgelegenheid (NAPs) moeten rapporteren over de ontwikkeling van de loonkosten in hun land. In dit verband moeten ze met name aandacht kunnen besteden aan de randvoorwaarden voor een gematigde en gedifferentieerde loonkostenontwikkeling, zoals voldoende effectief arbeidsaanbod en de ontwikkeling van de collectieve lasten. De lidstaten zouden in dat kader ook kunnen aangeven in hoeverre zij met de sociale partners overleg hebben gevoerd over het bereiken van een verantwoorde loonontwikkeling.

De in het voorgaande geschetste procedure doet recht aan de verschillende nationale institutionele kaders en de eigen verantwoordelijkheid van nationale overheden en sociale partners, zodat het gevoerde beleid goed kan worden afgestemd op de specifieke nationale situatie. Meer in algemeenheid kan worden gesteld dat Nederland de huidige globale richtsnoeren over de loonontwikkeling nog steeds volledig onderschrijft (bijvoorbeeld ook rond winstgevendheid bedrijven en loondifferentiatie).

Europese sociale dialoog

In aanvulling op het multilateraal toezicht in het kader van de richtsnoeren kan ook de sociale dialoog op Europees niveau tussen nationale sociale partners onderdeel uitmaken van het werkgelegenheidspact. Op de Top in Wenen is overeengekomen om sociale partners meer te betrekken bij de Europese werkgelegenheidsstrategie. Dat is wenselijk want zij zijn degenen die onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden. Op nationaal niveau zijn sociale partners tot dusver al betrokken via de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Het merendeel van de EU-lidstaten kent bovendien vormen van coördinatie op nationaal niveau ter bevordering van de werkgelegenheid en bestrijding van de werkloosheid, zij het met een grote verscheidenheid aan institutionele structuren en nationale gebruiken.

Ook op Europees niveau zou het nuttig zijn als de sociale dialoog verder tot ontwikkeling komt. Niet om afspraken te maken over loonontwikkeling. De loonvorming dient plaats te vinden op decentraal niveau2. Wel kan op Europees niveau tussen en met sociale partners informatie uitgewisseld worden over de ontwikkeling van arbeidsvoorwaarden, waaronder loondifferentiatie, en kunnen ervaringen worden uitgewisseld met betrekking tot good pratices, onder meer van overheidsbeleid ter ondersteuning van een verantwoorde ontwikkeling van arbeidsvoorwaarden. Zon Europese dialoog zou bij kunnen dragen aan duidelijkheid omtrent elkanders intenties en daarmee vermindering van onzekerheid, en aan het bespreekbaar maken in afzonderlijke lidstaten van - met het oog op de arbeidsmarkt - wenselijke aanpassingen in arbeidsvoorwaardenregelingen (bijvoorbeeld ten aanzien van flexibiliteit en zekerheid). In het bijzonder is ook relevant in de Europese sociale dialoog die onderwerpen te bespreken waar sociale partners, gelet op het Verdrag van Amsterdam, competentie hebben gekregen voor het formuleren van Europees sociaal beleid. Daarmee wordt indirect het aanpassingsvermogen van de loonvorming op decentraal niveau mede beïnvloed. 3. Afstemming tussen Raden

Een belangrijke voorwaarde voor een effectieve coördinatie van het economische beleid is dat de acties en besluiten van de diverse Raden onderling consistent zijn. Het karakter van de globale richtsnoeren - het overkoepelende coördinatie-instrument - brengt immers met zich mee dat de globale richtsnoeren terreinen bestrijken die in andere Raden aan de orde komen. Ook de werkgelegenheidsrichtsnoeren bestrijken terreinen die in andere Raden aan de orde komen. Voorts is ten aanzien van het werkgelegenheidsbeleid in de nieuwe Werkgelegenheidstitel expliciet opgenomen dat de werkgelegenheidsrichtsnoeren consistent dienen te zijn met de globale richtsnoeren.

Nederland is van mening dat, spiegelbeeldig aan de procedure ter vaststelling van de werkgelegenheidsrichtsnoeren in de Sociale Raad, waaraan de Ecofin een bijdrage levert, de Sociale Raad een visie moet kunnen geven over het werkgelegenheidsgedeelte van de concept-globale richtsnoeren voor het economisch beleid, ten behoeve van finale besluitvorming in de Ecofin. Op die wijze kan, met het oog op de volgtijdelijkheid (globale richtsnoeren in het voorjaar, werkgelegenheidsrichtsnoeren in het najaar), vereiste onderlinge inhoudelijke consistentie tussen beide sets richtsnoeren, waar het Verdrag om vraagt, beter worden bewaakt.

Een goede afstemming en onderlinge consistentie vereisen tevens een goede afstemming op nationaal niveau. In Nederland vindt dit plaats in de Ministerraad die terzake wordt voorbereid door de CEC, de zogenoemde Oosterwijk-groep en de Coco. Naast afstemming tussen de Ecofin en de Sociale Raad is in Brussel een goede samenwerking tussen de voorbereidende comités van de relevante Raden vereist. In het bijzonder betreft het hier het EFC (Economic and Financial Committee), EPC (Economic Policy Committee) en ELC (Employment and Labour market Committee). Tussen het EFC en EPC zijn reeds afspraken gemaakt over hun samenwerking en taakverdeling. Dit is neergelegd in een brief van de beide voorzitters aan de voorzitter van de Raad, d.d. 16 februari 1998. Hierin is onder andere opgenomen dat het EPC bijdraagt aan de voorbereiding van de globale richtsnoeren, met name op het terrein van het structureel en werkgelegenheidsbeleid. Het verdient aanbeveling te komen tot nadere afspraken tussen alle voorbereidende comités. Uitgangspunt zou hierbij moeten zijn dat waar er een betrokkenheid van de betreffende Raad is, het voorbereidende comité van die Raad een opinie uitbrengt over het onderwerp. Zon opinie wordt dan in het verdere beleidsproces, o.a. bij de totstandkoming van de globale richtsnoeren, meegenomen.

5. Reactie op recente Duitse voorstellen Werkgelegenheidspact.

Op 30 maart heeft Duitsland een concept verstuurd voor een werkgelegenheidspact dat besproken zal worden tijdens de informele Ecofin van 16-18 april a.s. en de Sociale Raad van 26 april.

Het Duitse voorstel voor een werkgelegenheidspact benadrukt het concept van een alomvattende aanpak. Het pact zou drie doelen moeten dienen: * een spanningsvrije interactie tussen loonontwikkelingen, overheidsfinanciën en monetair beleid (door Duitsland omschreven als de macro-economische beleidsmix); * een betere implementatie van de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie in het kader van het Luxemburg-proces; * versterkte structurele hervormingen in overeenstemming met de zogenoemde Cardiff procedures.

Nederland steunt de alomvattende aanpak en de aandacht voor de loonontwikkeling. Wel heeft Nederland twijfels over de concrete invulling op onderdelen.

Zo kunnen bij het eerste doel (de spanningsvrije interactie, waar het Duitse paper sterk de nadruk op legt) wel enige kanttekeningen worden geplaatst. Een spanningsvrije interactie tussen loonontwikkelingen, overheidsfinanciën en monetair beleid moet niet worden geïnterpreteerd als een pleidooi voor het sluiten van deals tussen monetaire en politieke autoriteiten en sociale partners. Zon interactie begint allereerst met het respecteren door alle actoren van elkaars verantwoordelijkheden en taken. Doel is dat alle betrokkenen elkaar op de hoogte brengen van hun doelstellingen en beleidsoriëntaties, zodat hiermee bij de inzet van de verschillende instrumenten rekening kan worden gehouden. De loonontwikkeling is in de Nederlandse visie geen overheidsinstrument van het macro-economische beleid. Deze volgt immers uit het arbeidsvoorwaardenoverleg, wat niet wegneemt dat de overheid wel de loonontwikkeling kan (willen) beïnvloeden (zie par. 4.2 Richtsnoer loonkostenontwikkeling).

Nederland is van mening dat het werkloosheidsprobleem vraagt om een alomvattende aanpak waarbij tal van actoren - overheden, centrale bank, sociale partners- betrokken zijn. In dit opzicht kan Nederland instemmen met de drie doelen van het Europese werkgelegenheidspact zoals voorgesteld door Duitsland. Terecht wordt gesteld dat de verantwoordelijkheden van de verschillende actoren dienen te worden gerespecteerd. Gezien het feit dat de werkloosheid vooral structureel van aard is vindt Nederland dat de balans in het stuk teveel ligt op vermeende lacunes in de macro-economische beleidscoördinatie en dat er een sterker accent gelegd moet worden op de werkgelegenheidsprocedures en de structurele hervormingen in het kader van Cardiff en de synergie tussen macro-economisch beleid en structureel beleid in het kader van de globale richtsnoeren. De loonontwikkeling (m.n. het volgen en monitoren ervan en de sociale dialoog) hoort thuis onder de procedures inzake de werkgelegenheid en structurele hervormingen (tweede en derde bullet op pag 7)

Loonontwikkeling

De loonontwikkeling dient te worden afgestemd op de ontwikkeling van de arbeidsproduktiviteit. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de middellangetermijnontwikkeling van de productiviteit zoals wordt gesteld in het Duitse paper, maar ook op de feitelijke productiviteitsontwikkeling in elk jaar. Het gaat erom een oploop van de arbeidsinkomensquote (AIQ) te voorkomen die zou leiden tot een stijging van de werkloosheid die vaak structureel van aard wordt. Daarnaast moet de loonontwikkeling niet zozeer rekening houden met de ontwikkeling van het Europese prijsniveau, als wel met de voor ondernemingen relevante prijsontwikkeling in de diverse sectoren van de desbetreffende lidstaat.

Onafhankelijk forum voor analyse

In het Duitse paper wordt voorgesteld een onafhankelijk (ambtelijk) forum in te stellen voor analyse van macro-economische trends en loonkosten op basis van gegevens van Eurostat. De analyse van de economische en financiële toestand van de lidstaten is een taak die conform artikel 109c lid 2 is toebedeeld aan het EFC (multilateral surveillance). Rond de loonontwikkeling is eerder in deze notitie reeds betoogd dat monitoring moet plaatsvinden middels de Nationale actieplannen voor werkgelegenheid (NAPs) en een nieuw werkgelegenheidsrichtsnoer. Zonder overtuigende argumenten is Nederland geen voorstander van het creëren van nieuwe organen en fora. Het aantal fora is de laatste jaren alleen maar is toegenomen en een wildgroei van vergadercomités dient te worden voorkomen.

Nederland is geen voorstander van het instellen van een nieuw onafhankelijk forum voor het analyseren van macro-economische trends en de loonontwikkeling in het kader van de discussie over de macro-economisch policy-mix. De analyse van macro-economische trends is Verdragsmatig reeds aan het EFC toegekend en monitoring van de loonontwikkeling zou moeten plaatsvinden middels de Nationale actieplannen voor werkgelegenheid en een nieuw werkgelegenheidsrichtsnoer.

Macro-economische/sociale dialoog

In het Duitse paper worden twee concrete voorstellen gedaan om de Europese macro-economische/sociale dialoog vorm te geven: een discussie op technisch niveau in hetzij de Macroeconomic Group of the Social dialogue, uitgebreid met (twee keer per jaar in een speciale sessie) een vertegenwoordiger van de Raad en van de ECB, hetzij een ad-hoc groep van het EPC uitgebreid met vertegenwoordigers van Europese werknemers en werkgeversorganisaties; een discussie op politiek niveau: hiertoe zou twee keer per jaar in samenhang met de informele Ecofin een bijeenkomst kunnen plaatsvinden met vertegenwoordigers van de Raad (trojka), de Commissie, de ECB en de Europese sociale partners.

Allereerst wordt in het Duitse paper te sterk gesteld dat de Europese sociale dialoog met name zou moeten dienen om de macro-economische beleidsmix te bespreken. Nederland ziet als toegevoegde waarde van de Europese sociale dialoog het uitwisselen van informatie, het verduidelijken van elkaars intenties en daarmee vermindering van onzekerheid en het bespreekbaar maken van wenselijke aanpassingen in afzonderlijke lidstaten.

In de tweede plaats kunnen vraagtekens worden gezet bij de genoemde gremia waar de Europese sociale dialoog zou moeten plaatsvinden. De voorgestelde institutionele opzet is niet helder en dupliceert bestaande structuren. Gegeven het feit dat in Wenen is geconcludeerd dat het Europees werkgelegenheidspact binnen de kaders van het proces van Luxemburg zou moeten worden vormgegeven en gegeven de aard van de materie ligt het meer voor de hand de sociale dialoog op Europees niveau te laten plaatsvinden in het circuit van de Sociale Raad.

Nederland kan instemmen met de intentie om de sociale dialoog op Europees niveau verder te ontwikkelen. Wel dient hierbij het doel van deze dialoog helder te worden verwoord: op Europees niveau kan tussen en met sociale partners informatie uitgewisseld worden over de ontwikkeling van arbeidsvoorwaarden, waaronder loondifferentiatie, en kunnen ervaringen worden uitgewisseld met betrekking tot good practices, onder meer van overheidsbeleid ter ondersteuning van een verantwoorde ontwikkeling van arbeidsvoorwaarden.

Nederland is voorstander van gebruikmaking van bestaande instituties voor het vormgeven van de sociale dialoog op Europees niveau. Gegeven de conclusies van de Europese Raad van Wenen en de aard van de materie zal Nederland tijdens de informele Ecofin aan de orde stellen of de Sociale Raad en het ELC, niet meer geschikt zijn als fora voor het verder ontwikkelen van de Europese sociale dialoog op, respectievelijk, politiek en technisch niveau.

Richtsnoer over sluitende aanpak voor jonge werklozen In het Duitse paper wordt voorgesteld de huidige werkgelegenheidsrichtsnoer voor jonge werklozen aan te scherpen zodat zij direct in plaats van na 6 maanden werkloos te zijn, scholing of werkervaring worden aangeboden. Nederland is geen voorstander van deze lijn. Het is veel betere wanneer schoolverlaters eerst zelf een baan zoeken. Pas wanneer zij hierbij problemen ondervinden (en na 6 maanden geen baan hebben gevonden) moet de overheid hen scholing, werkervaring of een soortgelijke maatregel aanbieden. Overigens gebeurt dit in Nederland al via het Jeugd Werk Garantieplan.

Nederland is derhalve geen voorstander van aanscherping van de huidige werkgelegenheidsrichtsnoeren voor jonge werklozen. Schoolverlaters dienen eerst zelf een baan te zoeken. Pas wanneer zij hierbij problemen ondervinden (en na 6 maanden geen baan hebben gevonden) moet de overheid hen scholing, werkervaring of een soortgelijke maatregel aanbieden conform de huidige werkgelegenheidsrichtsnoer.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie