Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

CDA over wijziging Pensioen en Spaarfondswet

Datum nieuwsfeit: 14-04-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Tweede Kamer : Wijziging Pensioen en Spaarfondswet (060499)

Wijziging Pensioen en Spaarfondswet (060499)

Het goed en betrouwbaar gefinancierd zijn van pensioenregelingen is voor veel ouderen in ons land van levensbelang om te kunnen blijven participeren. Het CDA stemt daarom in met aanscherping van de regels omtrent het toezicht op en de financiering van pensioenregelingen. Zij vindt echter niet dat kleine fondsen op voorhand gedwongen moeten worden tot schaalvergroting of herverzekering van de pensioenen op de verzekeringsmarkt.
Wie aan de strenge(re) kwaliteitseisen voldoet moet volwaardig zelfstandig kunnen functioneren.

Den Haag, 6 april 1999

Woordvoerder: N. Dankers

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling en met instemming kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij zijn het eens met het kabinet om vooruitlopend op de algehele modernisering van de Pensioen- en Spaarfondsenwet via deze tussenronde een aantal verbeteringen door te voeren, die door velen als noodzakelijk worden beschouwd. De (aanvullende) pensioenregelingen die op grond van deze wetgeving tot stand komen moeten velen in dit land op hogere leeftijd van voldoende inkomen voorzien. Maximale zekerheid hieromtrent is dan ook geboden. Derhalve achten deze leden het aanscherpen van de regels omtrent het toezicht gerechtvaardigd. Dit geldt zowel de kwaliteitstoets voor besturen en bestuurders als het financiële beleid. Essentie is het waarborgen van de pensioenafspraken. Daarom vinden deze leden het ook een goede zaak dat het verboden gaat worden om uitstel toe te passen bij de financiering van pensioentoezeggingen.

Op hoofdlijnen hebben de leden van de CDA-fractie slechts met één onderdeel grote moeite, en dat is de herverzekeringsplicht voor kleinere pensioenfondsen. Ook na aanpassing van de stukken op grond van het advies van de Raad van State zijn deze leden niet overtuigd van de noodzaak om deze verplichting op te leggen.

Te zeer lijkt de grens van 100 deelnemers ingegeven door de bewerkelijkheid voor de Verzekeringskamer bij het uitoefenen van het toezicht. De belangrijkste functie van een pensioenfonds is de waarborgfunctie, het garanderen dat mensen later ook daadwerkelijk de pensioentoezegging kunnen genieten. Als kleine pensioenfondsen deze waarborgfunctie goed vervullen, is er geen enkele inhoudelijke reden om hen een herverzekeringsplicht op te leggen. Dit geldt natuurlijk ook voor fondsen die in liquidatie zijn, maar uitstekend aan de verplichtingen kunnen voldoen. Zeker waar de kosten van een herverzekering ten laste komen van de deelnemers moet hiertoe alleen maar worden overgegaan wanneer de waarborgfunctie niet gegarandeerd is.
Waarom dan toch deze min of meer gedwongen schaalvergroting? Immers, zon 400 pensioenfondsen van de huidige 1100 hebben nog slechts de keuze tussen samengaan om groter te worden dan 100 deelnemers, of het onderbrengen van de pensioentoezeggingen bij verzekeraars. In de Memorie van Toelichting staat dat het gaat om een bedrag van fl. 4 mrd. dat herverzekerd moet gaan worden.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het dient te gaan om de kwaliteit en niet om de kwantiteit. Zij delen bijvoorbeeld de mening van het kabinet dat over de positie van eenmansfondsen ten principale gesproken moet worden bij de algehele modernisering van de PSW. Maatregelen ter vereenvoudiging van de uitvoering met het oog op de (zeer) beperkte omvang van sommige fondsen zijn dan ook niet aan de orde wat hen betreft. Maar het omgekeerde geldt ook: wanneer voldaan wordt aan de gestelde kwaliteitseisen, ook in het strengere regime, is er geen inhoudelijke reden waarom fondsen niet zelfstandig kunnen voortbestaan. Discussies over een eventuele ondergrens horen dan ook gevoerd te worden rondom de modernisering van de gehele wet. Daarbij dient het dan eerder te gaan over criteria zoals in welke mate is er (nog) sprake van solidariteit met anderen dan over een aantal fondsen meer of minder dat door de Verzekeringskamer moet worden gecontroleerd.
Nergens in de Memorie van Toelichting hebben de leden van de CDA-fractie een passage aangetroffen over de eventuele noodzaak om over te gaan tot sanering van het aantal pensioenfondsen in ons land. Wel is het terrein van toezicht uitgebreid met de rechtstreekse regelingen, waarvan er ca. 30.000 bestaan. In dat licht bezien is het temeer de vraag waarom uit praktische redenen voor een ondergrens van 100 actieve deelnemers moet worden gekozen, dus 400 fondsen moeten verdwijnen. In hoeverre loopt het kabinet hiermee tenminste deels vooruit op de discussie over de afbakening van activiteiten die pensioenfondsen (mogen) verrichten in relatie tot wat het terrein van verzekeraars wordt geacht te zijn? Of speelt het bedrag van fl. 4 mrd. extra dat aan pensioenverplichtingen bij verzekeraars moet ondergebracht gaan worden in die discussie geen enkele rol?

Kortom, ten principale zijn de leden van de CDA-fractie vooralsnog van mening dat geen getalscriterium als ondergrens moet worden gehanteerd. Het huidige regime kan worden gehandhaafd dat herverzekering dient plaats te vinden wanneer de Verzekeringskamer van oordeel is dat onvoldoende wordt voldaan aan de in onderhavige wetgeving vastgelegde eisen.

In het algemeen zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat de uitvoering van de pensioenregelingen een zaak is van sociale partners. Mogen zij ervan uitgaan dat nadere regels betrekking zullen hebben op minimaal te stellen eisen en geen algemeen normerend of uniformerend karakter hebben?
Is voldoende veiliggesteld dat pensioentoezeggingen via een pensioenfonds en pensioentoezegging via direct verzekerde regelingen qua toezicht gelijk zullen worden behandeld? Pensioenfondsen moeten bijvoorbeeld ook een actuarieel bedrijfstechnische nota (abtn) overleggen wanneer er sprake is van herverzekering. Bij direct verzekerde regelingen is dit niet aan de orde. Kan hierop nader worden ingegaan?

Voor het overige hebben de leden van de CDA-fractie nog een aantal vragen en opmerkingen die meer liggen op het terrein van uitvoering en invoering:

De keuze voor een overgangstermijn van 10 jaar met ontheffingsmogelijkheid vinden de leden redelijk in verband met het streven om geen uitstelfinanciering meer te kennen wanneer in 2010 de vergrijzinggolf een feit is. Ook de Stichting van de Arbeid is van mening dat het goed is zo snel mogelijk te opereren, want bij het pleidooi voor een harde overgangstermijn van 15 jaar heeft zij toegezegd de leden op te roepen om zoveel eerder als mogelijk is een en ander door te voeren. Materieel lijkt er daarom weinig verschil te zitten tussen beide voorstellen. Kan nog eens nader worden ingegaan op de argumenten van de Verzekeringskamer om toch voor de termijn van 15 jaar te kiezen?

De overgangstermijn is voor pensioenfondsen redelijk overzichtelijk. Hoe gaat een en ander geregeld worden voor rechtstreeks verzekerde regelingen? Geldt ook daarvoor een overgangstermijn van 10 jaar?

Is een termijn van een half jaar voldoende wanneer de Verzekeringskamer van mening is dat tot herverzekering moet worden overgegaan, gelet op de noodzaak tot een zorgvuldige afweging en overleg in het kader van medezeggenschap?

Geldt die termijn voor het komen tot een keuze tussen offertes en het geven van de opdracht, of moeten in die tijd ook individuele dossiers geregeld zijn?

In de toelichting op het wetsvoorstel wordt aangegeven onderhavig wetsvoorstel kan leiden tot een hoge premiestijging gedurende de overgangsperiode, maar dat dit geen invloed heeft op het pensioenconvenant omdat het slechts een verschuiving van de pensioenlast betreft. Dat neemt niet weg dat er sprake is van een aanzienlijke premieverhoging op de korte en middellange termijn. In hoeverre kan dit een factor van betekenis zijn voor andere punten die tot premieverhoging leiden en zeer wenselijk worden geacht voor bepaalde doelen of doelgroepen?

Geldt het verbod op uitstelfinanciering ook het inhaalpensioen van bijvoorbeeld in het verleden op geslacht uitgesloten vrouwen? Het kan zijn dat de Hoge Raad tot de uitspraak komt dat inhaalpensioenen toegekend moeten worden, die mogelijk teruggaan tot 8 april 1976. Dat kan dus een grote financieringslast betekenen als de Hoge Raad pas na invoering van onderhavige wet tot uitspraak komt. Wordt een dergelijke situatie dan gezien als een nieuwe toezegging, dus affinanciering ineens moet plaatsvinden, of is toepassing van het overgangsregime daarbij ook mogelijk?

De Verzekeringskamer moet een plan van aanpak opstellen om effectief toezicht te kunnen gaan uitoefenen op de rechtstreekse pensioenregelingen die bij verzekeraars zijn ondergebracht. Wordt dit plan vastgesteld alvorens de hiermee samenhangende onderdelen van de wet in werking treden? Wordt de Kamer van dit plan van aanpak in kennis gesteld?

Ten aanzien van de interne organisatie van de Verzekeringskamer moet er een strikte scheiding worden ingevoerd tussen enerzijds toezicht en controle en anderzijds het opleggen van sancties. Wanneer wordt dit ingevoerd, en wordt de kamer geïnformeerd over de wijze waarop dit gebeurt?

Wordt er naar gestreefd om zoveel mogelijk onderdelen van de wet tegelijk in werking te laten treden, wat de voorkeur van deze leden heeft? Kan nu al worden aangegeven bij welke artikelen of onderdelen daarvan een verschillende datum van inwerkingtreding noodzakelijk wordt geacht?

In de MvT, pag. 23, wordt aangegeven dat de Verzekeringskamer uit bestuurlijke boeten inkomsten gaat genereren die mede dienen ter dekking van de kosten. In verband hiermee wordt zelfs de stelling betrokken dat uitbreiding van het handhavinginstrumentarium niet noodzakelijkerwijs hoeft te leiden tot hogere kosten voor de ondertoezichtgestelden, maar zelfs kan leiden tot vermindering daarvan. Is hier geen sprake van wenselijke gedachten? In hoeverre wordt voorkomen dat de noodzaak tot inkomensverwerving de hoogte van de boetes gaat beïnvloeden?

De leden van de CDA-fractie kunnen instemmen met een meldingsplicht van onregelmatigheden voor accountants en actuarissen. Mogen zij ervan uitgaan dat dat zaken betreft die van belang (kunnen) zijn voor het toezicht en geen zaken zoals bijvoorbeeld een omissie in individuele gevallen van ondergeschikt belang?

Artikelsgewijs:

Artikel I, onderdeel A
De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom niet een pensioenfonds na een faillissement van de gelieerde onderneming zelfstandig kan voortbestaan wanneer de pensioentoezeggingen voldoende gewaarborgd zijn. Hoort ook niet dit onderdeel ten principale behandeld te worden bij de integrale modernisering van de PSW?

Artikel I, onderdeel E
Hoe moeten art. 5, lid 5 en 6, worden geïnterpreteerd wanneer in enig bestuur tot benoeming wordt gekomen op grond van verkiezingen? Moeten kandidaten dan tevoren worden gemeld, of pas degene die in het bestuur gekozen is?

Artikel I, onderdeel S
In een aantal gevallen zijn besturen zeker wanneer van herverzekering sprake is voor het verstrekken van informatie afhankelijk van hun verzekeraar. Indien deze laatste niet tijdig de benodigde informatie aanlevert, wie is dan aansprakelijk voor de boetebepaling op grond van artikel 19?
Het is mogelijk dat de Verzekeringskamer voor de uitoefening van haar taken ook de werkgever om gegevens moet kunnen vragen. Verdient het echter niet de voorkeur om deze expliciet te beperken tot inlichtingen over de inhoud, de uitvoering alsmede de wijze van totstandkoming van de pensioenregeling?

Artikel I, onderdeel V
Vloeit uit artikel 23a, lid 1 automatisch voort dat de opbrengst van dwangsommen de Verzekeringskamer toekomt? (In artikel 23b wordt het expliciet gemeld)

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie