Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord kamervragen EG-importverbod hormoonvlees

Datum nieuwsfeit: 22-04-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Algemene

Commissie voor Europese Zaken

en de Voorzitter van de Vaste Commissie

voor Buitenlandse Zaken van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's Gravenhage
Directie Integratie Europa

Internationale Samenwerking Aangelegenheden

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 20 april 1999
Kenmerk 275/99
Blad /5
Bijlage(n) * E-mail die-(is@die.minbuza.nl)
Betreft EG-importverbod hormoonvlees

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer, d.d. 13 april 1999, kenmerk 1-99-EU, waarbij gevoegd waren de door de heer Timmermans overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U als bijlage dezes het antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken


1-99-EU

Vragen van de heer Timmermans aan de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over EG-importverbod hormoonvlees.

Vraag 1:

In de Algemene Raad van 22 maart jl. is blijkens het verslag (235/99,
25 maart 1999) gesproken over het dispuut met de VS inzake hormoonrundvlees en de aangekondigde retaliatie-maatregelen door de VS met ingang van 13 mei 1999. Het standpunt dat de minister van BuZa aldaar heeft verwoord is dat het invoerverbod moet worden voortgezet vanaf 13 mei 1999 onder verwijzing naar het "voorzorgsbeginsel". Wat is de reden dat de Kamer niet vooraf middels de geannoteerde agenda over dit onderwerp en het Nederlands standpunt is geïnformeerd?

Antwoord 1:

De geannoteerde agenda voor de Algemene Raad van 22 maart jl. werd u op 16 maart gezonden. Op 17 maart werd, bij de gebruikelijke voorbespreking van de agenda van de Algemene Raad in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers in Brussel, op verzoek van de Commissie, bespreking van het geschil tussen EU en VS over het importverbod voor hormoonvlees toegevoegd aan de agenda voor de Algemene Raad onder het punt EU-VS. Tot dan toe werd onder dat punt uitsluitend bespreking van het geschil over bananen voorzien.

Vraag 2:

Is dit in de Algemene Raad verwoorde standpunt gebaseerd op een kabinetsbesluit en is dit standpunt in lijn met eerder over deze kwestie ingenomen standpunten?


Antwoord 2:

Het standpunt is gebaseerd op een voorlopig kabinetsbesluit van 19 maart jl. Het betrof de eerste maal dat het kabinet sprak over de vraag wat te doen met het EG importverbod na 13 mei a.s., wanneer de periode voor implementatie van de uitspraak terzake van het WTO-panel van januari 1998 is verstreken.

Vraag 3:

Kan aangegeven worden wat verstaan dient te worden onder het "voorzorgsbeginsel" en in hoeverre de WTO dit beginsel erkent als handelspolitiek instrument? Indien de WTO het voorzorgsbeginsel niet erkent, is de regering voornemens om het beginsel in te brengen in de komende WTO-onderhandelingen?

Antwoord 3:

In het verslag van de Algemene Raad van 22 maart jl., waaraan u in uw eerste vraag refereert, is reeds toegelicht dat volgens het voorzorgsbeginsel maatregelen getroffen kunnen worden als er weliswaar sprake is van concrete aanwijzingen voor het bestaan van mogelijk - ernstige - risico's, maar er nog geen sluitend wetenschappelijk bewijs voor het bestaan daarvan kan worden geleverd. Het voorzorgsbeginsel wordt door de WTO erkend als handelspolitiek instrument in artikel 5. lid 7. van de overeenkomst inzake de toepassing van Sanitaire en Fytosanitaire maatregelen. Het relevante deel van de tekst van dat artikel luidt: "Wanneer onvoldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar is, mag een Lid voorlopige sanitaire of fytosanitaire maatregelen vaststellen op grond van de beschikbare relevante gegevens, waaronder gegevens van de betrokken internationale organisaties en gegevens in verband met sanitaire of fytosanitaire maatregelen die worden toegepast door andere leden. In die situatie moeten de Leden ernaar streven om de bijkomende gegevens te verzamelen die nodig zijn voor een objectievere risico-evaluatie en om de betrokken sanitaire of fytosanitaire maatregel binnen een redelijke termijn dienovereenkomstig opnieuw tebekijken".

Vraag 4:

Kan aangegeven worden waarom etikettering "op dit moment niet opportuun" is en wat bij benadering de bedragen zijn die gemoeid zouden zijn met mogelijke compensatie?

Antwoord 4:

Uit het door het kabinet ingenomen voorlopige standpunt dat het invoerverbod ook na 13 mei a.s. dient te worden gehandhaafd vloeit voort dat etikettering niet de voorkeursoptie van het kabinet is.

De waarde van de aangeboden compensatie, die de vorm heeft van het verstrekken van extra handelsconcessies (bv. lagere importtarieven of ruimere quota), dient in beginsel gelijk te zijn aan de waarde van de door de andere partij (VS en Canada) geleden schade als gevolg van het importverbod. De VS claimt een schade ter waarde van USD 500 mln. Volgens de Europese Commissie ligt dit bedrag lager: zij noemt USD 100 mln. Extra concessies die aan de VS en Canada worden verstrekt kunnen volgens de regels van de WTO (Most Favoured Nation principe) niet uitsluitend tot die landen worden beperkt. De totale waarde van de handelsconcessies als gevolg van de verleende compensatie zal daardoor hoger uitvallen dan de door de VS en Canada geleden schade.

Vraag 5:

Kunt u aangeven welke schade de Nederlandse export naar de VS zal lopen indien de aangekondigde retaliatie-maatregelen doorgang vinden en op welke wijze deze schade zo veel mogelijk zal worden beperkt?

Antwoord 5:

De VS publiceerde op 22 maart jl. een voorlopige retaliatie-lijst. Deze lijst omvat Europese producten met een totale exportwaarde van ca. 1,8 mld gulden. Dewaarde van door Nederland geëxporteerde producten (i.h.b. trostomaten) op die lijst bedraagt ca. 180 mln gulden of 1,4% van de Nederlandse export naar de VS. De retaliatie krijgt vorm in een strafheffing van 100%. Hiermee zal de import in de VS van deze producten naar verwachting stil komen te liggen.

Ook voor retaliatie geldt, dat de waarde daarvan gelijk moet zijn aan de door de klagende partij geleden schade. Dit betekent dat de huidige lijst à 1,8 mld gulden een veelvoud is van de door de VS geclaimde schade. De schade voor Nederland zal daarom naar verwachting lager liggen dan de genoemde 180 mln gulden.

Retaliatie zou voorkomen kunnen worden, wanneer voor 13 mei a.s. met de VS (en Canada) een onderhandelde oplossing bereikt wordt. De Algemene Raad van 26 april a.s. zal opnieuw de mogelijkheden daartoe bezien.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie