Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord kamervragen Voorlopige Rekening 1998

Datum nieuwsfeit: 22-04-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Antwoorden op vragen Voorlopige Rekening 1998



Directie Begrotingszaken

Inspectie der Rijksfinanciën

Directie Algemene Financiële en Economische Politiek

Aan:

de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

B/1999/154M

22 april 1999

Onderwerp

Antwoorden op vragen Voorlopige Rekening 1998

Hierbij ontvangt u de antwoorden op de vragen die gesteld zijn naar aanleiding van de Voorlopige Rekening 1998.

DE MINISTER VAN FINANCIEN,

Vraag 1

In de Voorlopige Rekening wordt gesteld (blz. 2) dat het saldo van de sociale fondsen sinds de publicatie van de Najaarsnota is verslechterd. Tevens wordt gesteld (blz. 6) dat de opbrengst van de premies Volksverzekeringen en Werknemersverzekeringen ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten ongeveer een half miljard tegenvalt. Welke gevolgen zullen deze tekorten hebben voor de premieheffing in de naaste toekomst? (blz. 2)

Antwoord

Het kabinet besluit jaarlijks in augustus over de premietarieven van het daaropvolgende jaar op basis van de meest recente inzichten (o.a. de Macro Economische Verkenning van het CPB). Het streven van het kabinet blijft gericht op vermogensinhaal ultimo 2000.

Vraag 2

Het uitgavenkader wordt met 0,4 miljard overschreden. Een nadere analyse ontbreekt. Een toelichting op deze overschrijding is zeer gewenst. Kan het saldo van de overschrijding van het uitgavenkader (2,1 mrd -/- 1,7 mrd = 0,4 mrd) nader worden onderbouwd? (blz. 2)

Antwoord

In onderstaande tabel is de in de Voorlopige Rekening gemelde overschrijding van de uitgavenkaders voor 1998 uitgesplitst naar de drie budgetdiscipline sectoren.

Tabel Uitgaven 1998 (+ is overschrijding, in miljarden)

Rijksbegroting in enge zin

0,0

Sociale zekerheid

-1,7

Zorg

+2,1

Totaal uitgavenkaders

+0,4

Het uitgavenkader Rijksbegroting in enge zin laat, net als in de Najaarsnota, een sluitend beeld zien. Dit impliceert dat de bij Najaarsnota veronderstelde onderuitputting op de Rijksbegroting gehaald is.

In de Najaarsnota werd voor de Sociale Zekerheid, onder andere als gevolg van volumemeevallers bij de werkloosheids- en bijstandsuitkeringen, een onderschrijding van het uitgavenkader met 1,4 miljard voorzien. Bij de Voorlopige Rekening is een verdere meevaller van circa 0,3 miljard (grotendeels bijstandsuitkeringen) verwerkt.

De overschrijding van het uitgavenkader Zorg is onveranderd ten opzichte van de Najaarsnota. Voor een nadere toelichting op de overschrijding in de zorgsector wordt verwezen naar de beantwoording van vraag 4.

Vraag 3

Er staan enkele fouten (met het -teken) in tabel 1. Kan een verbeterde versie worden gemaakt? (blz. 2)

Antwoord

Per abuis is onvermeld gebleven dat een minteken in de kolom verschil betrekking heeft op mutaties die het tekort ontlasten. Dit verklaart dat zowel de lagere netto SZ-uitgaven als de hogere belastingontvangsten leiden tot een minteken in de kolom verschil. Het voordeel van het op deze manier belichten van verschillen is dat mutaties in de samenstellende bestanddelen van het EMU-tekort logisch optellen tot de mutaties in het EMU-tekort zelf.

Vraag 4

Het uitgavenkader in de sector Zorg wordt met 2,1miljard overschreden. De overschrijding werd al aangekondigd bij de Miljoenennota 1999 en de Najaarsnota 1998. Zou het kabinet nogmaals kunnen toelichten waarom de overschrijding niet binnen de sector kan en hoeft te worden gecompenseerd?

Antwoord

De overschrijding van het BKZ 1998 wordt voornamelijk veroorzaakt door drie factoren: 1. De onbeheersbaar gebleken groei van het medicijnenbudget; 2. De bijstellingen van het uitgavenkader als gevolg van de prijsontwikkeling van het BBP; 3. Het late moment waarop uitvoeringsgegevens van de ZFR beschikbaar komen, waardoor tijdige actie onmogelijk bleek.

In het Regeerakkoord 1994-98 was afgesproken dat de volumegroei in de Zorg maximaal 1,3% mocht bedragen, ex post zou echter beoordeeld worden in hoeverre deze 1,3% toereikend zou zijn aan de hand van de resultaten van een strak programma van volumebeheersing en kostenbeperkingen. De overschrijdingen in 1998 zijn op basis hiervan beoordeeld. Bij het opstellen van het Regeerakkoord 1999-2002 heeft het kabinet besloten tot een hogere groei van de zorguitgaven dan in het vorige Regeerakkoord; de volumegroei in de jaren 1999-2002 zal jaarlijks gemiddeld 2,3% bedragen. Overigens moet hierbij opgemerkt worden dat in tegenstelling tot de afspraken in het Regeerakkoord 1994-98 in de komende periode sprake is van een maximum waar de zorguitgaven onder dienen te blijven. Hierover worden momenteel met de partijen in de Zorgsector afspraken gemaakt.

In het Regeerakkoord 1998-2002 zijn maatregelen aangekondigd tegen de veroorzakers van de overschrijding 1998: M.b.t. de geneesmiddelen heeft het Plan Koopmans een aantal voorstellen opgeleverd welke op termijn dienen te leiden tot een betere beheersing van het medicijnenbudget. De voorstellen van het Plan Koopmans zijn een belangrijk onderdeel van het Regeerakkoord 1998-2002. In het Regeerakkoord is afgesproken dat de reële systematiek in de komende periode gehandhaafd blijft. Ten opzichte van de vorige Regeerperiode is de wijze van nacalculatie van de pBBP echter enigszins gewijzigd. Het kabinet meent hiermee de grondgedachte van de reële systematiek in stand gehouden te hebben en tegelijkertijd een element van hectiek uit het begrotingsproces te hebben weggenomen. Als gevolg van het late moment waarop de uitvoeringsgegevens van de ziekenfondsen beschikbaar komen, is bijsturing van de uitgavenontwikkeling in het lopende, en soms zelfs het eerstvolgende jaar problematisch. Het kabinet acht de verbetering van de informatievoorziening in de zorgsector daarom een belangrijk aandachtsterrein voor de komende jaren.

Vraag 5

Het EMU-tekort komt in 1998 op 0,9% van het BBP, dat is 0,3% lager dan in de Najaarsnota werd aangegeven. In hoeverre valt deze daling toe te schrijven aan het noemereffect, dus de stijging van het BBP? (blz. 2).

Antwoord

De neerwaartse mutatie van het EMU-tekort kan verklaard worden uit de hogere belastingontvangsten en de lagere begrotingsgefinancierde uitgaven binnen het kader Sociale Zekerheid. Het BBP is tussen de Najaarsnota en de Voorlopige Rekening slechts licht neerwaarts bijgesteld en het noemereffect is derhalve geen verklaring voor de neerwaartse bijstelling van het EMU-tekort.

Vraag 6

Voor zover het de teller betreft, is het juist dat de daling van het EMU-tekort vooral te danken is aan de stijging van de relevante niet-belastingontvangsten? In hoeverre is de daling van deze quote derhalve structureel te noemen?

Antwoord

De daling van het EMU-tekort tussen de stand Najaarsnota en de stand Voorlopige Rekening hangt nauwelijks samen met de hogere relevante niet-belastingontvangsten. Uit bijlage 1 bij de Voorjaarsnota blijkt dat de niet-belastingontvangsten 1 miljard hoger uitkomen dan in de Najaarsnota. Voor circa 0,3 miljard betreft dit hogere Agio-ontvangsten bij uitgifte van schuld. Agio is niet relevant voor de berekening van het EMU-tekort. Voor 0,25 mld gaat het om een terugbetaling van de N.V. Westerschelde, waar tegenover een hiermee samenhangende ongeveer even grote mutatie aan de uitgavenzijde staat. Verder betreft het voor circa 0,2 mld aan hogere niet-belastingontvangsten (EU-bijdrage varkenspest) die relevant voor het uitgavenkader Rijksbegroting in enge zin zijn. Aangezien de uitgaven en ontvangsten onder het kader Rijksbegroting in enge zin per saldo geen meevaller vertonen ten opzichte van de Najaarsnota, gaat hier geen ontlasting van het EMU-tekort vanuit. Tenslotte komen de ontvangsten Sociale Zekerheid en de niet-belastingontvangsten buiten de uitgavenkaders (o.a. heffings- en invorderingsrente en gasbaten) circa 0,25 mld hoger uit.

Vraag 7

De Voorlopige Rekening bevat geen integraal overzicht van de uitgaven in de Zorg, omdat geen nieuwe uitvoeringsgegevens voorhanden waren. Waren deze gegevens - informatie van de Ziekenfondsraad over de eerste drie kwartalen van 1998 - kort na de afsluiting van de Voorlopige Rekening wel beschikbaar voor de besluitvorming in het kabinet over de Voorjaarsnota? Kan het moment dat deze gegevens beschikbaar komen enigszins worden vervroegd zodat bij de volgende Voorlopige Rekening wel een integraal overzicht van de uitgaven in de Zorg kan worden gegeven?

Antwoord

Zie vraag 9.

Vraag 8

Was het niet mogelijk geweest om de benodigde informatie voor een integraal beeld van de Zorgsector te versnellen, zodat het beeld niet alleen beschikbaar was voor het centrale beslismoment van het kabinet maar ook vóór de afsluiting van de Voorlopige Rekening?

Antwoord

Zie vraag 9. Vraag 9

Waarom bevat de Voorlopige Rekening geen enkele indicatie van de premiegefinancierde uitgaven, daar deze voor het geven van een getrouw beeld van de budgettaire situatie van zulk een groot belang zijn. Aangenomen, dat deze gegevens bij het publiceren van de Voorlopige Rekening nog niet beschikbaar waren, kan het kabinet deze, bij het bekend worden daarvan, zo spoedig mogelijk aan de Kamer zenden. Deze vraag knelt te meer aangezien de zorguitgaven pakweg 20% van de collectieve uitgaven bedragen en onder- en overschrijding derhalve van groot belang zijn voor de bepaling van het EMU-tekort over 1998. (blz. 2)

Antwoord

In mijn brief van 19 december 1997 aan de Tweede Kamer heb ik aangegeven dat de Kamer parallel aan de Voorlopige Rekening op basis van de januari-notas van de SVB en het LISV door de minister van SZW wordt geïnformeerd over de uitgavenrealisaties van de betreffende fondsen. In de Voorlopige Rekening Sociale Zekerheid 1998 van de minister van SZW is dan ook het op dat moment actuele beeld opgenomen van de premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven. In de brief van 19 december 1997 heb ik tevens aangegeven dat ten tijde van het verschijnen van de Voorlopige Rekening geen actuele gegevens beschikbaar zijn over de premiegefinancierde zorguitgaven. In de Voorjaarsbrief Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt 1999 en in de Voorjaarsbrief Zorg 1999 zal het meest actuele beeld worden geschetst van de premiegefinancierde uitgaven.

Er lopen op dit moment diverse trajecten gericht op een versnelling van de informatievoorziening in de zorgsector. Bedacht moet echter wel worden dat de decentrale organisatie van de zorgsector verhindert dat het moment waarop informatie beschikbaar komt gelijk oploopt met de Rijksbegroting. Verschillende schakels dienen immers informatie aan te leveren waarbij als complicerende factor nog geldt dat het moment van levering en het moment van declaratie in de zorgsector zelden gelijk op gaan.

Vraag 10

Kan de tegenvaller bij de premies van 0,5 miljard ten opzichte van de Miljoenennota 1999 worden uitgesplitst en kunnen hierbij de oorzaken worden aangegeven? (blz 6.)

Antwoord

De premietegenvaller van ½ miljard uit de Voorlopige Rekening doet zich voor 0,3 miljard voor bij de sociale zekerheid (AOW/ANW) en voor 0,2 miljard bij de zorg (AWBZ). Deze tegenvaller hangt nauw samen met de ook in de Voorlopige Rekening gemelde tegenvaller bij de inkomstenbelasting. In de Najaarsnota 1998 was deze premietegenvaller al verwerkt. Vandaar dat er in de Voorlopige Rekening 1998 wordt gemeld dat er geen nieuwe tegenvallers zijn (t.o.v. de Najaarsnota). De tegenvaller verklaart voor een groot deel de in de Najaarsnota 1998 gemelde verslechtering van de exploitatiesaldi van de sociale fondsen in 1998 met ¾ miljard (sociale zekerheid en zorg).

Vraag 11

De premies Volksverzekeringen en Werknemersverzekeringen laten voor 1998 naar de huidige inzichten een tegenvaller zien van ca. 500 miljoen ten opzichte van de Vermoedelijke Uitkomsten. Was deze tegenvaller al verwerkt in de Najaarsnota? Om welke premies gaat het? (blz 6.)

Antwoord

Zie vraag 10.

Vraag 12

Hoe is het verschil te verklaren met de in de Najaarsbrief (26299 nr. 1 blz. 4) aangekondigde tegenvaller van f 300 miljoen en de melding in deze brief dat er geen noemenswaardige nieuwe tegenvallers waren? (blz 6.)

Antwoord

Zie vraag 10. Vraag 13

Kan een volledig beeld gegeven worden van de uitgaven in de Zorgsector, naar analogie van de sector Zekerheid, inclusief de premiegefinancierde uitgaven?

Antwoord

Zie vraag 9. Vraag 14

Is het mogelijk dat er een verschil van inzicht in eventuele tegenvallers is tussen enerzijds het CPB en anderzijds het Lisv en de SVb? (blz. 6)

Antwoord

Ten tijde van het verschijnen van de Voorlopige Rekening 1998 kunnen het Lisv en SVb een ander inzicht hebben in de ontwikkeling van premie-inkomsten en premiegefinancierde uitgaven dan het CPB in de MEV 1999. De MEV 1999 is verschenen in september 1998, waardoor de cijfers voor 1998 gedeeltelijk waren gebaseerd op ramingen.

Vraag 15

Welk deel van de tegenvaller van een half miljard ten opzichte van de stand Vermoedelijke Uitkomsten heeft betrekking op de zorgfondsen AWBZ en ZFW? (blz. 6)

Antwoord

Zie vraag 10. Vraag 16

De EMU-schuldquote daalt van 68,3% naar 67,8% BBP. De economische groei valt tegen ten opzichte van eerdere prognoses, wat zich vertaalt in een lagere omvang van het BBP. De daling van de EMU-schuldquote moet dus door andere ontwikkelingen zijn veroorzaakt. Waardoor wordt de daling in de schuldquote ten opzichte van de Najaarsnota veroorzaakt ?

Antwoord

De daling van de EMU-schuldquote kan grotendeels verklaard worden door de neerwaartse aanpassing van het EMU-tekort in de Voorlopige Rekening. Deze hangt met name samen met de hogere belastingontvangsten en de meevallers in het begrotingsgefinancierde deel van de Sociale Zekerheid. Vraag 17

Kan een verklaring worden gegeven voor de zeer sterke grondslagversmalling door endogene factoren in de inkomstenbelasting? (blz. 10)

Antwoord

De grondslagversmalling bij de inkomstenbelasting kan in belangrijke mate worden toegeschreven aan de groei van aftrekposten als de hypotheekrente en de premies lijfrente, terwijl positieve posten als rente- en dividendinkomsten boven de vrijstelling stagneren of dalen.

Vraag 18

In welke mate hebben endogene ontwikkelingen de grondslag van het totaal van de loon- en inkomstenbelasting beïnvloed? (blz. 10)

Antwoord

In de onderstaande figuur staat de endogene groei van de totale loon- en inkomstenbelasting voor de periode 1994-1998 afgebeeld. De endogene groei heeft betrekking op de groei anders dan uit hoofde van autonome maatregelen zoals bijvoorbeeld tariefwijzigingen. Ook inflatiecorrectie valt onder endogene groei. De figuur laat voor de jaren 1994 en 1995 een dalende grondslag zien en voor 1996 tot en met 1998 een groeiende grondslag.

Figuur: Endogene groei loon- en inkomstenbelasting op kasbasis (1994-1998, in procenten)

Een vergelijking met de endogene groei van alleen de inkomstenbelasting, zoals weergegeven in de Voorlopige Rekening, laat zien dat het totaal van loon- en inkomstenbelasting in de periode 1994-1998 een hogere endogene groei kende. De neerwaartse invloeden van onder meer aftrekposten als de hypotheekrente en de premies lijfrente werden gecompenseerd door loonstijgingen en de groei van de werkgelegenheid.

Vraag 19

Is de tegenvaller van 0,9 miljard bij de IB-ondernemingen geheel het gevolg van gewijzigde AB-wetgeving of bestaat de tegenvaller ook nog uit andere componenten, zo ja welke? (blz.10)

Antwoord

De lagere kasontvangsten bij de IB-ondernemingen in 1998 over het belastingjaar 1997 hangen in belangrijke mate samen met het gewijzigde AB-regime. Tot de wijziging van het AB-regime (1 januari 1997) werden reguliere voordelen (met name uitgekeerd dividend) en vervreemdingsvoordelen uit aanmerkelijk belang verschillend belast. Er bestond een apart tarief van 20% voor vervreemdingsvoordelen.

Naar nu blijkt heeft de tariefsverhoging van 20% naar 25% voor vervreemdingsvoordelen uit hoofde van aanmerkelijk belang geleid tot incidentele effecten over belastingjaar 1996 als gevolg van onvoorzien anticipatiegedrag. Een aantal directeur-grootaandeelhouders heeft geanticipeerd op de verhoging van dit tarief per 1 januari 1997 naar 25% door hun belang nog voor die datum te vervreemden. Dit leidde in 1997 (over belastingjaar 1996) tot hogere kasontvangsten bij de inkomstenbelasting. De meevallers die daardoor optraden bij de IB zijn ten onrechte structureel in de raming opgenomen, waardoor over belastingjaar 1997 een tegenvaller is opgetreden. De kwantitatieve omvang van dit effect is vooralsnog moeilijk in te schatten en kan dus niet worden uitgesplitst omdat onzeker is in hoeverre het huidige lage niveau van vervreemdingsvoordelen structureel zal zijn, dit mede in het licht van de in het Regeerakkoord aangekondigde verhoging van het AB-tarief naar 30%.

Wel kan worden opgemerkt dat de tegenvaller van 0,9 miljard een incidentele tegenvaller van 0,1 miljard omvat die betrekking heeft op een correctie van een dubbele boeking in de WIR uit een oud transactiejaar. Voorts kan worden opgemerkt dat de Kamer voor 1 juli 1999 op basis van een nadere analyse zal worden geïnformeerd over budgettaire effecten van het gewijzigde AB-regime.

Vraag 20

Waaruit bestaan de incidentele effecten als gevolg van de tariefsverhoging van 20% naar 25% voor vervreemdingsvoordelen uit hoofde van aanmerkelijk belang? Kunnen deze incidentele effecten kwantitatief worden uitgesplitst? (blz. 10)

Antwoord

Zie vraag 19. Vraag 21

In welke post komt de WIR tegenvaller van 0,1 miljard tot uitdrukking? Welk jaar betreft het? (blz.10)

Antwoord

De WIR tegenvaller van 0,1 miljard komt als incidentele tegenvaller in de inkomstenbelasting tot uitdrukking. Sinds 1986 is een aantal kleinere posten ten onrechte dubbel geregistreerd. Er is voor gekozen om deze dubbeltellingen in één klap te corrigeren ten laste van het jaar 1998. Overigens gaat de tegenvaller bij de inkomstenbelasting uit hoofde van de WIR gepaard met een even grote tegenboeking bij de niet-belastingontvangsten. De tegenvaller is daarom niet relevant voor het tekort. Vraag 22

Kan er wel inzicht worden gegeven in het effect van de ontwikkelingen op de hypotheekmarkt 1995-1998 op het geheel van de loon- en inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen? (blz.11)

Antwoord

De genoemde definitieve cijfers van 24,5 miljard aan hypotheekrenteaftrek en 7,3 miljard huurwaardeforfait in 1995 hebben betrekking op het totaal aan loon- en inkomstenbelasting (inclusief premies volksverzekeringen).

Aangezien veel mensen nog maar net aangifte inkomstenbelasting hebben gedaan over belastingjaar 1998 duurt het nog enige tijd voordat er voorlopige cijfers over dat jaar bekend zijn. Met name bij ondernemers kan het soms 4 jaar duren voordat een belastingjaar helemaal is afgesloten.

Bij gebrek aan definitieve belastinggegevens over de ontwikkeling van de hypotheekrenteaftrek sinds 1995 is in de Voorlopige Rekening getracht een beeld te geven van de ontwikkeling van de hypotheekrenteaftrek op basis van voorlopige belastinggegevens en CBS-cijfers. Hoewel dit beeld geen harde conclusies toelaat over de precieze omvang van de hypotheekrenteaftrek, geeft het een indicatie dat er sprake is van een aanzienlijke stijging van de hypotheekrenteaftrek. De informatie betreft de ontwikkeling van de totale hypotheekrenteaftrek bij zowel inkomsten- als loonheffing (d.w.z. inclusief premies volksverzekering).

Het bovengenoemde totaaleffect van de hypotheekrenteaftrek laat zich moeilijk uitsplitsen naar loon- en inkomstenbelasting, waardoor het effect van de hypotheekrente op de inkomstenbelasting afzonderlijk moeilijk is aan te geven. Vanaf januari 1999 is overigens de loonbeschikking omgezet in een voorlopige teruggaaf waardoor alle hiermee samenhangende aftrekposten voortaan ten laste van de inkomstenbelasting komen.

Vraag 23

Kan worden toegelicht waarom gegevens over de hypotheekrenteaftrek moeilijk of niet meer te achterhalen zijn doordat deze via loonbeschikkingen tot uiting komen? (blz.12)

Antwoord

Zie vraag 22. Vraag 24

Hoe kan het overige deel van de tegenvaller van 0,1 miljard in de belasting op milieugrondslag worden verklaard? (blz.12)

Antwoord

De tegenvaller bij de belasting op milieugrondslag (-0,4 miljard) wordt met name veroorzaakt door een lagere realisatie van de regulerende energiebelasting (-0,3 miljard). Een deel van deze tegenvaller (-0,2 miljard) wordt verklaard door een ander kaspatroon dan in voorgaande jaren. Het resterende deel van de tegenvaller bij de regulerende energiebelasting (-0,1 miljard) is waarschijnlijk het gevolg van een lager dan verwacht energieverbruik. De tegenvallers bij de grondwaterbelasting en afvalstoffenbelasting zijn beperkt (samen afgerond minder dan 0,1 miljard).

Vraag 25

De tegenvaller op de begroting van Buitenlandse Zaken is mede het gevolg van een nacalculatie van het BNP-middel over de periode 1988-1997. Over de economische ontwikkeling wordt geregeld gerapporteerd aan de Europese Commissie. Op basis van welke inzichten is nu pas de bijstelling van de grondslag tot stand gekomen? (blz. 21)

Antwoord

Raadsverordening 1552/89 inzake het stelsel van eigen middelen van de gemeenschap regelt de lengte van de periode van nacalculatie van het BNP-middel. Artikel 10 lid 8 van deze verordening schrijft voor dat: na september van het vierde jaar volgende op een bepaald begrotingsjaar eventuele wijzigingen in het BNP niet meer in aanmerking genomen worden, behalve op vóór het verstrijken van deze termijn hetzij door de Europese Commissie, hetzij door de lidstaat ter kennis gebrachte punten.

De Europese Commissie heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en voorbehouden geplaatst bij de BNPs van alle lidstaten voor de jaren vanaf 1988 (vanaf het eerste jaar dat het BNP-middel is ingevoerd). Deze voorbehouden zijn geplaatst ten einde er voor in te kunnen staan dat de BNPs van de individuele lidstaten op geharmoniseerde wijze berekend worden en dus onderling vergelijkbaar, betrouwbaar en volledig zijn. Daartoe zijn algemene voorbehouden gemaakt (gelden voor alle lidstaten), specifieke voorbehouden (specifiek voor een lidstaat) en nog een algemeen volledigheidsvoorbehoud.

De nabetalingen uit de Voorlopige Rekening 1998 voor de jaren vanaf 1988 hangen met name samen met de voorbehouden bij de Nederlandse BNPs. In september 1998 heeft Nederland gewijzigde BNPs voor de jaren 1988-1997 aangeleverd aan de Europese Commissie, met daarin statistische aanpassing vanwege nog openstaande voorbehouden. Zo zijn statistische aanpassingen verwerkt in het BNP voor inkomen in natura, fooien, antiquiteiten en kunstwerken. Voor de jaren 1995, 1996 en 1997 zijn daarenboven ook de nieuwe inzichten van het CBS over de economische ontwikkeling meegenomen uit de Nationale Rekeningen 1998.

Per saldo is door al deze aanpassing de BNP-grondslag voor de jaren 1988-1997 toegenomen, hetgeen geleid heeft tot de in de Voorlopige Rekening 1998 gemelde nabetaling.

De verwachting is dat de Europese Commissie de voorbehouden bij de Nederlandse cijfers in de loop van 1999 zal opheffen. Dit betekent dat de jaren 1988-1995 dan het predikaat definitief ontvangen. Dan kunnen voor die jaren geen nacalculaties meer plaatsvinden.

Vraag 26

Zijn er grenzen aan de periode waarin de Europese Commissie kan navorderen, mede in het licht van de goedkeuring die de Commissie verleent aan convergentie- en stabiliteitsprogrammas? (blz. 21)

Antwoord

Zie vraag 25. Vraag 27

De NIO heeft minder terugbetalingen ontvangen dan voorzien waardoor een negatief saldo is ontstaan. Het betreft een tijdelijke financiering die in 1999 zal worden gladgetrokken. Gebeurt dit bij de Voorjaarsnota? (blz. 21)

Antwoord

Ja.

Vraag 28

De toelichting suggereert dat de financiering budgettair neutraal is. Betekent dit dat er geen sprake is van lagere rente-inkomsten voor de Staat? (blz. 21)

Antwoord

Ultimo 1998 heeft de NIO als gevolg van mismatch tussen uitgaven en ontvangsten een debetstand in de rekening-courant bij het Rijk opgebouwd van 133,9 miljoen. Dit tekort is door Buitenlandse Zaken aangevuld en als een uitgave verantwoord op haar begroting. Inmiddels heeft de NIO haar debetsaldo afgebouwd en is dit bedrag teruggeboekt ten gunste van de begroting van Buitenlandse Zaken.

Een debetstand op de rekening-courant van de NIO wordt gefinancierd via leningen van het Rijk op de kapitaal- c.q. geldmarkt, waarvoor rente wordt betaald (t.l.v. IX-A). De NIO vergoedt ook rente over het debetsaldo in de rekening-courant aan het Rijk. Dit komt ten gunste van de begroting van het ministerie van Financiën (IX-A).

Vraag 29

Bevat de overeenkomst tussen de Staat en de NIO een bepaling voor de maximale hoogte voor het tijdelijk dekken van de tekorten? (blz. 21)

Antwoord

In de overeenkomst van 23 december 1993 tussen de Staat der Nederlanden en de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V. is o.a. de rekening-courantverhouding tussen beide partijen geregeld. Deze rekening heeft een limiet van 150 miljoen debet en credit.

Vraag 30

In hoeverre hebben de tekorten een incidenteel dan wel een structureel karakter? Wat zijn hiervan de oorzaken? (blz. 21)

Antwoord

Liquiditeitstekorten op de rekening-courant van de NIO zijn incidenteel van aard. Een liquiditeitstekort is een momentopname, dit kan binnen één dag veranderen in een liquiditeitsoverschot, afhankelijk van het moment van aantrekken van middelen op de kapitaalmarkt.

Vraag 31

Betekent de voor 1999 verwachte spiegelbeeldige mutatie in de rekening-courantverhouding van Financiën met de NIO, dat de verevening van genoemd negatief saldo per 31/12 1998 budgettair neutraal zal verlopen? Is hier sprake van lagere rente-inkomsten voor de Staat? (blz. 21)

Antwoord

Zie vraag 28. Vraag 32

Kan de meevaller ten opzichte van de Najaarsnota als gevolg van de vermindering van het aantal asielzoekers nader worden onderbouwd (blz. 23) ? Waarom bedraagt deze meevaller ongeveer de helft van de tegenvaller in de Najaarsnota, terwijl de vermindering van het aantal asielzoekers minder dan 30% van de opwaartse bijstelling in de Najaarsnota is (blz. 23) ?

Antwoord

De meevaller bestaat uit het saldo van een aantal factoren. Een lagere instroom van asielzoekers leidt tot een meevallende ontwikkeling. Deze wordt voor een deel teniet gedaan door een lagere uitstroom van asielzoekers uit de opvang dan waarmee bij de Najaarsnota rekening was gehouden. Daar hoort bij dat een deel van de eerder geplande investeringen ten behoeve van de opvang van asielzoekers niet in 1998 worden gedaan. Dit verklaart het grootste deel van de meevaller.

Tot slot leiden de lagere uitgaven aan tolkencentra dan bij Najaarsnota geraamd tot een geringe meevaller.

Vraag 33

Kan meer inzicht gegeven worden in de relatie tussen de instroom en uitstroom van het aantal asielzoekers en de (veranderingen) in de kosten van de opvang ?

Antwoord

De totale kosten van de opvang op jaarbasis kunnen bepaald worden door de gemiddelde bezetting van de opvang in een jaar te vermenigvuldigen met de gemiddelde opvangkosten per asielzoeker per jaar. De gemiddelde bezetting wordt verkregen uit het gemiddelde van de begin- en eindvoorraad. De eindvoorraad bestaat uit de beginvoorraad en het saldo van de in- en uitstroom van asielzoekers.

Vraag 34

De uitgaven ten behoeve van asielzoekers zijn lager dan verondersteld bij de Najaarsnota. Wordt de raming voor 1999 nu ook bijgesteld en zo ja welke gevolgen heeft dat ?

Antwoord

Op basis van een actualisatie van de in- en uitstroomprognose van het aantal asielzoekers zal de raming voor 1999 worden bijgesteld. Bij Voorjaarsnota 1999 zal deze ramingsbijstelling worden vastgesteld.

Vraag 35

Bij Binnenlandse Zaken is ten opzichte van de Najaarsnota sprake van een meevaller van 117 miljoen gulden als gevolg van de vertraging in de uitbetaling van de waterschade, terwijl in de Najaarsnota het budget van Binnenlandse Zaken was verhoogd met 150 miljoen gulden. Bij Nota van wijziging bij de tweede suppletoire wet van 14 december 1998 is dit bedrag teruggebracht tot 100 miljoen. Kan het kabinet de Kamer een overzicht verschaffen van de stand van zaken met betrekking tot de wateroverlast en in het bijzonder verduidelijken waarom de schades nog niet zijn uitgekeerd?

Antwoord

Het kabinet schat het budgettair beslag van de waterschade 1998 thans in op circa 975 miljoen gulden, als volgt over de jaren verdeeld:

1998 1999 totaal * Zuidwest-Nederland (13 en 14 september) 78 397 475 * Noordoost-Nederland (27 en 28 oktober) 0 500 500 * Oogstschaderegeling ___ 125 125 * Totaal 78 1022 1100

Zuidwest-Nederland (13 en 14 september):

Voor de regeling 13 en 14 september wordt thans uitgegaan van in totaal circa 475 miljoen gulden (inclusief uitvoeringskosten).

Hiervan is circa 78 miljoen gulden in 1998 betaald. In de Najaarsnota was hiervoor 150 miljoen gulden in 1998 opgenomen. De meevaller bij Binnenlandse Zaken ten opzichte van de Najaarsnota wordt derhalve voor circa 72 miljoen gulden verklaard door een vertraging in de uitbetaling van de waterschade. Omdat na verzending van de Najaarsnota aan de Kamer reeds werd voorzien dat deze 150 miljoen gulden niet zou worden gerealiseerd, is dit bedrag in de 2e suppletoire begrotingswet van Binnenlandse Zaken met Nota van wijziging teruggebracht naar 100 miljoen gulden.

Zoals in de Voorlopige Rekening is aangegeven is deze vertraging enerzijds veroorzaakt door het feit dat in veel gevallen een tweede taxatie noodzakelijk bleek en anderzijds doordat meer correcties nodig waren op door taxateurs aangeleverde taxaties. Daarnaast bleken dossiers vaak niet compleet, omdat accountantsverklaringen of notas van gemaakte kosten ontbraken en alsnog door de gedupeerde ingediend moesten worden.

Voor 1999 wordt het budgettair beslag dus thans geraamd op circa 400 miljoen gulden. Verwachting is dat alle vergoedingen uiterlijk eind mei 1999 betaald zullen zijn.

Noordoost-Nederland (27 en 28 oktober):

Voor de regeling 27 en 28 oktober wordt thans uitgegaan van in totaal circa 500 miljoen gulden (inclusief uitvoeringskosten). Zoals reeds in de Najaarsnota is gemeld, zullen de vergoedingen op grond van deze regeling in 1999 tot betaling komen. De regeling is 21 december 1998, onder voorbehoud goedkeuring EU, in de Staatscourant gepubliceerd en in uitvoering genomen. Deze goedkeuring heeft tot op heden nog niet plaats gevonden. Dit verklaart de vertraging in de uitbetaling bij Noordoost-Nederland. Indien de goedkeuring vanuit Brussel op korte termijn wordt verkregen, is de verwachting dat eind juni 1999 alle vergoedingen betaald kunnen zijn.

Oogstschaderegeling

Naast de bovenstaande regelingen bestaat de oogstschaderegeling van het Ministerie van LNV. Voor deze oogstschaderegeling wordt thans uitgegaan van een bedrag van circa 125 miljoen gulden. De verwachting is dat de uitbetalingen van de schadebedragen in mei en juni zullen plaatsvinden. Op dit moment zijn de taxatiedossiers zo goed als rond. Vraag 36

Hoe groot schat het kabinet thans de omvang van de schade?

Antwoord

Zie vraag 35. Vraag 37

Wat is de reden waarom de ontvangsten op kortlopende leningen bij OCW lager zijn dan geraamd (blz. 28)?

Antwoord

De ontvangsten op de kortlopende schulden betreffen direct opeisbare vorderingen, meestal als gevolg van controle-acties door de IB-Groep. Wanneer uit een controle blijkt dat een student ten onrechte een (deel van zijn) beurs of studielening heeft gekregen, ontstaat een direct opeisbare vordering. Deze ontvangsten kennen een grillig verloop en zijn dientengevolge moeilijk in te schatten.

Vraag 38

Waarom worden de inkomsten uit de exportkredietverzekering voortdurend te laag geprognotiseerd? Leidt dit tot bijstelling van de ramingen voor de begroting 2000?

Antwoord

De uitgaven en ontvangsten met betrekking tot exportkredietverzekering zijn afhankelijk van moeilijk voorspelbare ontwikkelingen, zoals de politieke en/of economische situatie in de landen waarvoor verzekeringen onder overheidsgarantie zijn afgegeven. Hierdoor zijn ook de begrotingsramingen met grote onzekerheden omgeven en wordt er behoedzaam geraamd. De afgelopen jaren heeft een aantal grote schuldenlanden (Peru, Iran, Argentinië, Polen en Rusland) volledig aan hun verplichtingen voldaan, waardoor de ontvangsten zijn meegevallen. Mede op basis van de meest recente inzichten wordt bezien of de ramingen bijstelling behoeven. Voorzien wordt overigens wel dat de ontvangst van provenus de komende jaren gekenmerkt wordt door een dalende trend. Oorzaken hiervan betreffen met name het over het hoogtepunt heen zijn van de terugbetalingsregelingen (met Argentinië en Peru) en de verslechterde economische situatie in het algemeen. De Kamer zal hierover in de Voorjaarsnota 1999 nader worden geïnformeerd.

Vraag 39

Bij de aanschaf van de SMART-L lange afstand waarschuwingsradarsysteem treedt een overschrijding van het budget op. Waardoor treedt deze op en waarom is de Kamer daarvan niet op de hoogte gesteld? (blz. 32)

Antwoord

Na beantwoording van schriftelijke Kamervragen op 9 februari 1998 (Kamerstuk 25 800 nr. 2) heeft ondertekening van het contract met de firma Signaal op 24 februari plaatsgevonden. Aangezien het betalingsschema op basis van nieuwe inzichten na Najaarsnota is aangepast, vielen voor de periode 1999-2003 voorziene projectuitgaven al in 1998. Van een overschrijding van het budget, een versnelde aanschaf of van onvoorziene extra uitgaven is dan ook geen sprake. Het betreft hier slechts een verschuiving in de tijd binnen het volume van het contract.

Vraag 40

Is er sprake van versnelde aanschaf van een SMART-L lange afstand waarschuwingsradar-systeem of van onvoorziene extra uitgaven? Wordt het projectbudget hierdoor overschreden? Zo ja, om welk bedrag aan overschrijdingen gaat het? Hoe verhoudt het geval van een versnelde levering zich tot de brief van 23 maart jl. (M 99001497), waarin staat dat de desbetreffende systemen volgens schema zullen worden geleverd? (blz. 32).

Antwoord

Zie vraag 39. Vraag 41

Wat is de reden waarom het in 1998 niet is gelukt om de beoogde afkoop van twee instellingen in het kader van de regeling Eenmalige Subsidies NWIs te realiseren? (blz. 32)

Antwoord

De regeling is later gepubliceerd dan voorzien en met geplande instellingen kon nog geen overeenstemming worden bereikt over de hoogte van het afkoopbedrag.

Vraag 42

Waarom vindt de afrekening van het Eurovignet later plaats? Hoe worden de extra kosten die nu in 1999 moeten worden gemaakt gefinancierd?

Antwoord

De betaling door Nederland aan Duitsland overeenkomstig het verdrag inzake het Eurovignet vindt jaarlijks plaats op basis van de door Nederlandse vrachtwagens in Duitsland afgelegde kilometers. Tevens is de betaling door zogenaamde niet verdragslanden aan Duitsland van invloed op de betaling door Nederland. Het overleg over de hoogte van de verrekening heeft geleid tot vertraging van de afrekening. De raming in de begroting 1999 voorziet in de betalingen 1998 en 1999.

Vraag 43

Aan de oplossing van het millenniumprobleem bij het Ministerie voor Verkeer en Waterstaat is in 1998 27,7 miljoen minder besteed dan geraamd. Is dit veroorzaakt omdat het probleem minder groot is dan verwacht, zal er in 1999 sprake zijn van een inhaalslag, of zijn er voor dit bedrag al wel verplichtingen aangegaan? (blz. 38)

Antwoord

De in 1998 bij Najaarsnota toegevoegde middelen voor oplossing van het millenniumprobleem worden door gebruikmaking van de eindejaarsmarge meegenomen naar 1999 en zullen naar verwachting in 1999 tot besteding leiden.

Vraag 44

Waarom behoren de geraamde ontvangsten voor de isolatie van woningen rondom Schiphol niet tot een ijklijn? Is het beleidsmatig niet inconsistent als de uitgaven voor isolatie wel onder het uitgavenkader vallen?

Antwoord

De ontvangsten uit heffingen voor de isolatie van woningen rond Schiphol behoren niet tot de ijklijn, aangezien deze ontvangsten worden gerekend tot de collectieve lasten. Uit dien hoofde maken deze ontvangsten vanaf 1999 onderdeel uit van de ijklat voor de inkomsten.

Vraag 45

In de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 17 december 1998 (26.200 XII, nr. 32) was sprake van een lening van 50 miljoen ten behoeve van de Koninklijke Schelde. Zowel Economische Zaken als Defensie zouden ieder 25 miljoen ter beschikking stellen. Uit de Voorlopige Rekening blijkt dat aan de Nationale Investeringsbank 35 miljoen ter beschikking is gesteld. Vanwaar dit lagere bedrag? Betalen Economische Zaken nu 25 miljoen en Defensie 10 miljoen? Kan het kabinet een toelichting verschaffen op deze gewijzigde verdeling van de bijdragen? (blz. 40)

Antwoord

De Ministers van Economische Zaken en Defensie hebben een financiële injectie van 50 mln aan de Koninklijke Schelde Groep verstrekt. Beide ministeries nemen 25 mln voor hun rekening. Zoals aangegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 17 december 1998 (26.200 XII nr. 32) bestaat deze financiële injectie grotendeels uit een lening. Van de genoemde 50 mln is 35 mln ingevuld door het via de Nationale Investeringsbank verstrekken van een lening aan KSG. Van deze lening is 25 mln afkomstig van EZ en 10 mln van Defensie. De overige 15 mln betreft het eerder dan voorzien betalen door Defensie van de voorcalculatorische winst op basis van het contract inzake het project Luchtverdedigings en Commando Fregatten.

Vraag 46

Kan worden verduidelijkt wat de bijgestelde inzichten inhouden? (blz. 41)

Antwoord

De raming is in de loop van 1998 verhoogd van 15 mln tot 50 mln omdat bij enkele ondernemingen desinvesteringen plaatsvonden met als gevolg het terugbetalen van eerder ontvangen WIR-premies. In het najaar 1998 bleek echter dat voor een deel de eerder vastgestelde desinvesteringsbetaling is verlaagd. Dit betekent dat er ten opzichte van de eerdere raming minder terugbetaald hoeft te worden.

Vraag 47

Kan worden toegelicht wat de BTW te maken heeft met vergoedingen van de varkenspest?

Antwoord

Bij het uitbreken van de varkenspest is de opkoop van varkens aanvankelijk aangemerkt als een BTW-belaste levering. De opkoopvergoedingen aan de daarvoor in aanmerking komende varkenshouders zijn door LNV opgehoogd met 6% BTW, met als achterliggende gedachte dat de varkenshouders ter zake BTW zijn verschuldigd. Deze BTW-component is door LNV expliciet vermeld op de aan de varkenshouders verstuurde besluiten opkoopvergoedingen. De varkenshouders hebben bezwaar gemaakt tegen het apart vermelden van BTW op de door LNV gemaakte eindafrekeningen. Op 8 augustus 1997 is door de Staatssecretaris van Financiën in dit verband aangegeven dat de opkoopregelingen als een schadeloosstelling moesten worden beschouwd, waarover geen BTW verschuldigd is.

Vraag 48

Kan nader worden verduidelijkt waarom de BTW-component inzake de vergoedingen voor de bestrijding van de klassieke varkenspest anders is uitgevallen dan geraamd?

Antwoord

De tegenvaller in de Voorlopige Rekening is ontstaan doordat bij de Najaarsnota 1998 het saldo van het fonds politionele dierziektebestrijding abusievelijk twee- in plaats van eenmaal voor deze BTW-component was gecorrigeerd.

Vraag 49

Er is een tegenvaller van 73 miljoen als gevolg van de late besluitvorming in Brussel over betaling van de veterinaire declaratie over 1997. Is de betaling inmiddels ontvangen? Bestaat de mogelijkheid dat de Europese Commissie de declaratie afwijst? (blz. 42)

Antwoord

Inmiddels is op basis van een beschikking van de Europese Commissie 71 miljoen ontvangen als een tweede voorschot op de veterinaire declaratie 1997. In deze beschikking heeft de Commissie nadrukkelijk aangegeven dat zij nog apart zal besluiten over de totale financiële bijdrage aan Nederland en de eventuele kortingen daarop.

Vraag 50

Wat is de reden waarom zowel bij de ontvangsten en uitgaven voor VWS geen toelichting is opgenomen (blz. 46)?

Antwoord

Bij de Verticale Toelichting is het gebruikelijk om uitsluitend mutaties toe te lichten die groter zijn dan of gelijk aan 25 mln. Op de begroting van VWS hebben zich na de Najaarsnota geen mutaties voorgedaan die groter zijn dan 25 mln.

Vraag 51

De afrekening over het derde en vierde kwartaal van 1997 voor de Betuweroute leidt tot hogere uitgaven dan tot nu toe was geraamd. Wil het kabinet de systematiek van de bekostiging van de Betuweroute toelichten? Kan voorts worden toegelicht waarom in 1999 nog wordt afgerekend over 1997. Waardoor zijn de ontvangsten in 1998 bijna verdubbeld ten opzichte van de raming uit de begroting 1999 van het infrastructuurfonds? (blz. 51)

Antwoord

Voor de aanleg van de Betuweroute vinden er op basis van door de Nederlandse Spoorwegen verstrekte opgaven voorlopige betalingen plaats. Aan de hand van de gerealiseerde uitgaven vindt er een afrekening plaats.

Bij de afrekening 1997 bleek dat er door V&W een te hoog voorschot was betaald. Op grond van de afgesproken systematiek heeft de Nederlandse Spoorwegen het teveel ontvangen bedrag in 1998 (niet 1999) terugbetaald. De totale uitgavenraming voor de Betuweroute is niet veranderd. Met het oog op de planning van de aanleg vindt er gelijktijdig met de terugontvangst een verhoging van de uitgaven in 1998 plaats.

Vraag 52

Invoering van de GMIS per 1-1-2000 is waarschijnlijk niet haalbaar. Kan de oorzaak van deze vertraging worden aangeven? Heeft deze vertraging ook gevolgen voor de noodzakelijk geachte verbetering van het financieel beheer op de posten ?

Antwoord

Het project Geïntegreerde Management Informatiesystemen (GMIS) is een omvangrijk meerjarig project, waarbij zowel de dienstonderdelen op het departement als de posten in het buitenland nauw betrokken zijn. Het project is onder een strakke tijdsplanning gestart vanwege de millennium-druk op de oude systemen. Inmiddels zijn de oude systemen millennium-bestendig gemaakt en is de tijdsdruk in die zin minder geworden.

Het GMIS-project en de afzonderlijke deelprojecten hangen met elkaar samen en vertonen veel onderlinge afhankelijkheden. Bovendien dient het project te worden ingevoerd in een omgeving die continu aan verandering onderhevig is. Tussentijds is gebleken dat hierin de belangrijkste oorzaak van de vertraging is gelegen. De complexiteit en afhankelijkheid van het huidige project worden nu dan ook gereduceerd, zodat het project beter beheersbaar en hanteerbaar wordt. Daartoe wordt een bijgesteld plan van aanpak voor het GMIS opgesteld.

Voor de verbetering van het financieel beheer op de posten zijn en worden administratieve en organisatorische maatregelen genomen in het kader van het project Veiligstellen Financieel Beheer I en II (VFB I en II). Dit geheel ligt op schema.

De rol van het GMIS in dit project houdt in dat het een nieuwe geautomatiseerde omgeving levert waarbinnen het financieel beheer efficiënter kan worden uitgevoerd. Het GMIS heeft als zodanig dus voornamelijk een ondersteunende rol. Enige vertraging heeft dan ook geen ingrijpende gevolgen voor de verbeteringen van het financieel beheer op de posten. Vraag 53

Kan de regering een nadere toelichting geven op de lagere uitgaven voor de WIW van 27 mln gulden? Gesteld wordt dat dit komt door het geringere aantal WIW-dienstbetrekkingen voor jongeren. Doch het aantal langdurig werklozen is in een aantal regios (waaronder Oost-Groningen) gestegen. Daar heeft men een tekort aan fondsen om deze werklozen te bemiddelen.

Antwoord

De WIW-uitgaven zijn neerwaarts bijgesteld, omdat er in 1998 minder dienstbetrekkingen zijn gerealiseerd dan eerder werd verwacht. Het is nog niet bekend waardoor er minder dienstbetrekkingen zijn gerealiseerd. Hierop zal meer zicht bestaan zodra de realisatiecijfers over geheel 1998 beschikbaar zijn.

Op de specifieke situatie in Oost-Groningen is ingegaan bij de beantwoording van de Kamervragen van de leden Verburg, Eisses-Timmerman en De Haan (TK vergaderjaar 98/99 aanhangsel handelingen nr. 1099) d.d. 1 april 1999 .

- o -

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie