Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Rede: Transgenerationele Oorlogsgevolgen

Datum nieuwsfeit: 22-04-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Katholieke Universiteit Nijmegen

Bron: Pers en Voorlichting, tel. (024) 361 22 30 Aanmaakdatum: 22 april 1999

PERS & VOORLICHTING Persbericht

WAT NIET WEET, WAT WEL DEERT
Over de cognitief-emotionele verwerking van oorlogstrauma's door ouders en hun kinderen

Dr. Bas J.N. Schreuder

Samenvatting van de inaugurale rede bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de 'Transgenerationele Oorlogsgevolgen' aan de Faculteit der Medische Wetenschappen van de Katholieke Universiteit Nijmegen op 22 april 1999

Wat zou Anne Frank hedentendage in haar dagboek schrijven als zij de Holocaust had overleefd? Ze zou nu bijna zeventig jaar zijn geweest. Er zijn hedentendage mensen van zeventig jaar die de Holocaust hebben overleefd. Ze hebben de kampen overleefd. Ze hebben ondergedoken gezeten. Ze zijn meestal onbekend. Ze zien de beelden van wat heet ethnische zuivering op de televisie. Wat zal er door hun hoofden gaan? En wat zullen de gevolgen zijn voor de kindsoldaten in Sierra Leone; of voor de kinderen van vluchtelingen; of voor de tien kinderen die in een vluchtelingenkamp in Macedonië juist tegen de grens met Kosovo werden geboren op de vierde dag van de NAVO-bombardementen?

Om wie gaat het?

Het vakgebied van de Transgenerationele oorlogsgevolgen behelst zoals dat kortweg heet: de 'Kinderen van de oorlog'. Hiermee worden kinderen bedoeld die zelf als kind onder oorlogsomstandigheden moesten leven en daarvan de nadelige gevolgen ondervonden en ondervinden en de kinderen die na een oorlog werden geboren en die lijden onder de psychische gevolgen die hun door de oorlog getraumatiseerde ouders ondervinden.

'Kinderen van de oorlog' zijn mensen van alle leeftijden. Wat zij gemeenschappelijk hebben is dat ze op zeer jonge leeftijd onder extreme omstandigheden kwamen te verkeren. Omstandigheden die we graag zouden ontkennen en zeker vergeten. Van kleine kinderen werd en wordt nog steeds gedacht dat ze geen kennis hebben van wat ze meemaken. Die veronderstelling wordt gevoed door het feit dat kleine kinderen geen gestructureerde herinneringen hebben. Die veronderstelling wil ik bestrijden.

Ik zal u laten zien dat ervaringen die kinderen zich niet lijken te kunnen herinneren, een ingrijpende invloed op hun leven kunnen uitoefenen. "Wat niet weet, wat wel deert" geldt juist voor kinderen van de oorlog. En door daar de consequenties van onder ogen te zien, kunnen deze kinderen misschien mogelijkheden worden aangereikt om de risico's op late psychische gevolgen te verkleinen.

Weinig begrip

Eind jaren tachtig organiseert de tweede generatie oorlogsgetroffenen zelf bijeenkomsten. Kinderen van de oorlog zelf realiseren zich met welke emotionele problemen ze te kampen kunnen hebben en vinden bij elkaar herkenning, erkenning en begrip. Buiten de eigen kringen ontmoet men echter weinig begrip. Ook al werd in dezelfde tijd door de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945 het initiatief genomen tot de vestiging van een bijzondere leerstoel 'Transgenerationele Oorlogsgevolgen'. En ook al was er van enige erkenning sprake in het Eindadvies van de door de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Van der Reijden, ingestelde Projectgroep Behandeling Oorlogs- en Geweldsgetroffenen (1988). Bredere maatschappelijke erkenning bleef uit.

Ook in het Regeringsstandpunt naar aanleiding van het PBOG-rapport, vinden we die erkenning in woorden terug. De toenmalige Minister van WVC, mevrouw d'Ancona, besluit wel tot het in het leven roepen van een Aanspreekpunt Na-oorlogse generatie bij het ICODO in samenwerking met Centrum '45 en Sinai-centrum. Maar de Ministerraad besluit op 4 december 1992 accoord te gaan met het wetsvoorstel om de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (w.u.v.) te sluiten voor de na-oorlogse generatie. Vond de erkenning van de oorlogsgevolgen voor de eerste generatie langzaam en in veel gevallen heel laat plaats, voor de tweede generatie is die erkenning dus eigenlijk achterwege gebleven.

Redenen

Het is opvallend dat in een tijdsbestek waarin het trauma-concept juist brede erkenning vindt, de gevolgen voor de kinderen en de tweede generatie lijken te worden veronachtzaamd. Wat zou de reden hiervoor kunnen zijn?

De eerste reden is dat deze kinderen niet de mogelijkheid hebben om van hun traumatische ervaringen getuigenis af te leggen. Dit hangt samen met de vroege leeftijd waarop het vermogen gestructureerde herinneringen op te slaan en op te roepen nog onvoldoende is ontwikkeld. Voor de tweede generatie hangt het samen met het feit dat de traumatische ervaring niet zelf werd meegemaakt maar indirect via de ouder werd ervaren. Ten slotte wordt soms door derden aan de geloofwaardigheid van de getuigenissen van kinderen getwijfeld.

De tweede reden is de beperkte diagnostische specificiteit en de beperkte diagnostische mogelijkheden. Hierdoor lijken de gevolgen van traumatische ervaringen voor kinderen en tweede generatie weinig specifiek. Het is het proces zelf dat specifieke kenmerken vertoont. Dat wil zeggen de traumatische situatie en de condities waaronder deze plaatsvindt, vormen een specifiek samengaan van factoren die een verstoring teweegbrengen. Maar de verschijnselen die er het gevolg van zijn, hebben een geringe specificiteit en worden gediagnosticeerd als een angst- of stemmingsstoornis, of een persoonlijkheidsstoornis.

Dit geldt overigens ook voor de eerste generatie. Veel mensen die langdurig geweld moesten ondergaan, krijgen helemaal geen specifieke posttraumatische symptomen maar ontwikkelen een depressie. De specificiteit blijkt dan uit hun verhaal. Dat is belangrijk genoeg, maar geeft wetenschappelijk te weinig houvast. Zo ook gaat het bij kinderen. Het is soms gemakkelijk voor te stellen dat een kind klachten krijgt door wat het heeft meegemaakt. Maar dat dit zo is heeft meer te maken met de ernst van de traumatische situatie die ons voorstellingsvermogen tart dan met het feit dat wij begrijpen hoe dit proces in zijn werk gaat. Het is niet gemakkelijk voor te stellen dat een kind van een jaar oud dat zich nog niets lijkt te kunnen herinneren toch bepaalde ervaringen zo met zich meedraagt dat het er later hinder van ondervindt.

Er zijn natuurlijk ook maatschappelijke en politieke argumenten aan te voeren, maar die worden in dit betoog buiten beschouwing gelaten.

Bevindingen

Vervolgens worden twee opmerkelijke bevindingen besproken bij de tweede generatie.

* In mijn eigen onderzoek werden regelmatig bij tweede-generatiepatiënten een posttraumatische stressstoornis gevonden zonder dat sprake was van eigen traumatische ervaringen. De inhoud van de herbelevings- en vermijdingssymptomen van deze patiënten verwees naar traumatische ervaringen van de ouders (Schreuder e.a., 1993).

* Yehuda (1998) vond een samenhang tussen bloedspiegels van het anti-stresshormoon bij Holocaustoverlevenden en die van hun nakomelingen. Ook hier heeft het verband te maken met posttraumatische symptomen die de nakomelingen ontwikkelen in reactie op gebeurtenissen die met de Holocaust verbonden zijn.

Is hier sprake van een van ouder op kind overgedragen verstoring of van een familiaire gevoeligheid van de hormoonreactie op stress?

Het zal nog wel even duren voor we deze vragen kunnen beantwoorden. Op dit moment zijn ze richtinggevend voor verder onderzoek naar de transgenerationele oorlogsgevolgen. Als we er vanuit gaan dat deze bevindingen iets te maken hebben met de overdracht van ouder op kind zijn er theoretisch drie wegen waarlangs die overdracht kan plaatsvinden.

In de eerste plaats kan deze berusten op genetische bepaaldheid (1). Vervolgens kan hij ook het gevolg zijn van prenatale mechanismen (2). En in de derde plaats kunnen postnatale omgevingsinvloeden in het spel zijn. De laatste mogelijkheid kan nog weer onderscheiden worden in onbewuste (limbische systeem)(3) en bewuste (hogere cognitieve functies) (4) invloeden. Deze vier mogelijkheden (het multifactorieel erfelijkheidsmodel) worden behandeld.

Multifactorieel erfelijkheidsmodel


1. Er zijn aanwijzingen dat er een erfelijke predispositie bestaat in de vorm van geremdheid die een biologische basis heeft in een lage drempel voor fysiologische opwinding in bepaalde hersenkernen. Dit zou dan een belangrijke aanwijzing kunnen vormen voor de variabiliteit in posttraumatische aanpassing tussen mensen. Pathologische reacties berustend op angstconditionering zoals LeDoux (1997) die beschreven heeft, zullen dan juist optreden bij individuen van wie het amygdala-hypothalamus-systeem bijzonder gevoelig is.

2. Verschillende onderzoeken laten zien dat prenatale stress voor de moeder postnataal gevolgen heeft voor het kind hetgeen tot uitdrukking komt in verhoogde gevoeligheid voor stressvolle prikkels, en een vermijdend en defensief gedrag in confrontatie met nieuwe prikkels.

3. De Kloet (1996, p. 345) concludeert op grond van zijn onderzoek bij ratten: "Het Stress Response Systeem wordt gevormd door genetische factoren en levenservaringen, waarvan het effect van een neonatale levensgebeurtenis een van de meest blijvende is". Levenservaringen kunnen in de eerste levensmaanden op verschillende manieren van ouder op kind worden overgedragen. Voorbeelden worden ontleend aan ethologische observaties van bijvoorbeeld 'observational conditioning'.

4. Bij de hogere cognitieve functies gaat het om verwerking en de beinvloeding ervan. Voorbeelden worden gegeven van individuele en collectieve (maatschappelijke) verwerking. Door Jolande Withuis is bijvoorbeeld helder uiteengezet wat de invloed kan zijn van wat zij collectieve of sociale amnesie noemt. De individuele werkelijkheid van het trauma is afhankelijk van de sociale identificaties en de sociale werkelijkheid waarin het trauma wordt herinnerd. Dit bepaalt mede de transgenerationele overdracht.

Wat niet weet, wat wel deert

De veronderstelling die aan de zegswijze "Wat niet weet, wat niet deert", ten grondslag ligt, is dat er bepaalde kennis is die bij iemand een negatief emotioneel effect kan oproepen. Nu weten wij natuurlijk allemaal dat we in ons dagelijkse leven dingen tegenkomen die we liever niet waren tegengekomen. Of zoals een van mijn dochters pleegt te zeggen als het over iets onaangenaams of ergerlijks gaat: "Dat wil je niet weten". Van oorlog wil je niet weten. Maar of het verstandig is er het zwijgen toe te doen is zeer de vraag...

Ik heb u laten zien dat de geldigheid van de oorspronkelijke zegswijze in twijfel moet worden getrokken en bovendien een slecht advies is. Niet iedereen zal kunnen vergeten. Zeker niet die kinderen van de oorlog voor wie door een combinate van erfelijke aanleg, prenatale en postnatale omgevingsfactoren traumatische ervaringen tot een ziekte kunnen leiden.

Het is dus zaak deze factoren verder te onderzoeken. Bovendien kan met de huidige kennis van deze factoren geprobeerd worden een voorspelling te doen over het risico dat een kind kan lopen op latere verschijnselen. Als dit zou worden bevestigd in onderzoek heeft het verregaande consequenties om oorlogsleed op de lange termijn te voorkomen.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie