Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Van Boxtel in Nijmegen

Datum nieuwsfeit: 28-04-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Toespraak van minister van Boxtel voor Grote Steden- en Integratiebeleid in O42 Politiek Cultureel Centrum te Nijmegen

27 april 1999,
In dit gezelschap, met onder andere de heer Van Rossem als illustere voorganger, kan ik de verleiding niet weerstaan om in me de polemiek tussen hem, de heer Top en anderen over de "multiculturele samenleving" te mengen. Ik heb daar al iets over geschreven, in mijn nota over de aanpak van het integratiebeleid "Kansen krijgen, Kansen pakken", maar ik wil er hier best nog wat dieper op ingaan. Laat ik beginnen met een compliment aan Van Rossum en Top en aan Gertjan van Schoonhoven die in Elsevier van 15 augustus van het vorige jaar de kat de bel aanbond. Mijn compliment betreft het feit dat zij van een term die we vaak zonder nadenken gebruiken, een onderwerp van maatschappelijke discussie gemaakt hebben. We gebruiken de aanduiding "multiculturele samenleving" te pas en te onpas, zonder er veel invulling aan te geven. Een uitdrukking als "integratie met behoud van eigen identiteit" zwierf al twintig jaar rond als dé samenvatting van de overheidsvisie en niemand had in de gaten dat minister Wiegel daar in de Ontwerp-Minderhedennota al kritische kanttekeningen bij had gemaakt. En dat was in 1981! We hebben het vaak over de multiculturele samenleving als een wenkend perspectief als het over het toekomstbeeld van onze samenleving gaat,. Er is weinig mee mis om de hoop en verwachting uit te spreken dat onze samenleving op weg is om een multiculturele samenleving te worden. Zeker als signaal in de richting van al diegenen die zweren bij een - niet bestaand! - monocultureel verleden en de tekenen des tijds niet willen verstaan, heeft het schetsen van een multicultureel perspectief een nuttige functie.
Maar, de manier waarop bestaande culturen zich ten opzichte van elkaar ontwikkelen, blijft primair afhankelijk van de eigen keuzen van de desbetreffende cultuurdragers én van de ontwikkelingen in hun omgeving. De overheid heeft slechts een voorwaardenscheppende rol. Zeker als het gaat over toekomstbeelden en over samenleven past het de overheid, in mijn visie, om enigszins terughoudend te zijn. Samenleven is het resultaat van actie en reactie, van onderlinge en wederzijdse beïnvloeding. Samenleven doen mensen tenslotte met elkaar. Zij laten zich daarbij leiden, niet door oekazes van de overheid, maar door wat de omstandigheden hun ingeven, door hun innerlijke opvattingen, door hun eigen, individuele levensbeschouwing.
Dat wil niet zeggen dat er geen sprake is van interactie, van een ontmoeting tussen individu en collectief. Bij dat hele complex van intermenselijke processen ziet een overheid bij voorkeur toe dat het niet de spuigaten uitloopt: dat ieder zich aan de Grondwet en andere wetten en spelregels van onze wijze van samenleven houdt. De overheid bewaakt de normen en die zijn per definitie tijdelijk van aard. De overheid, met andere woorden, waakt over het publieke domein en blijft zo mogelijk op afstand waar het het private domein betreft. Wel heeft de overheid een rol als het gaat om het bevorderen van de interactie tussen individu en collectief, is de overheid essentieel als het gaat om het creëren van een drempelruimte, een ontmoetingsplaats.
Maar dat alles betekent niet dat de overheid waardevrij is. Overheidshandelen is een reflectie van de maatschappelijke opvattingen. Overheidshandelen heeft daarom wel degelijk maatschappelijke invloed: de samenleving is weliswaar niet maakbaar, maar wel stuurbaar door overheidshandelen. Een actueel voorbeeld daarvan is de discussie over ons asielbeleid: de overheid kan bepalen hoeveel vluchtelingen per jaar naar Nederland kunnen komen, kan zorgen voor huisvesting, voor kleding en voedsel. Maar de overheid kan vervolgens niet bepalen hoe gastvrij deze mensen worden ontvangen en of ze werkelijk worden opgenomen in de Nederlandse samenleving. Een Turkse columniste verhaalde onlangs over de wijze waarop zij volgens de beste Turkse traditie, een nieuwe buurfamilie ontving met een warme maaltijd. De buren namen het in ontvangst en gooiden vervolgens weer de deur dicht. Er is geen enkele wet die zich daartegen verzet, maar erg hartelijk is het niet. Of een ander voorbeeld: de overheid kan bij de werving van nieuw personeel een voorkeursbeleid voeren voor allochtonen, maar dat garandeert zeker niet dat die allochtone medewerkers niet meer te maken hebben met kleine dagelijkse vooroordelen, met bewuste of onbewuste vormen van discriminatie. Maar, daarbij moeten we niet vergeten dat Nederland binnen Europa toch heel bijzonder is: aan de ene kant besteden we veel geld en aandacht aan inburgeringsprogrammas, aan de andere kant is er (sinds vorige week) de mogelijkheid tot vrijwillige remigratie. Al deze voorbeelden maken duidelijk dat de overheid een deel is van de samenleving en vibreert op de trillingen daarvan. Dat geldt ook voor de discussie over wat een "multiculturele samenleving" als toekomstconcept inhoudt. We kunnen in ieder geval constateren dat de overheid dit nooit afdoende heeft gedefinieerd. Wij hebben nooit een debat als in Duitsland gekend, waar de term "multicultureel fijnmazig tegenover "intercultureel" is geplaatst. Naarmate de discussie voortduurt, duiken er ook allerlei alternatieven op: multiraciaal, multi-etnisch, inter-creatief, divers, veelkleurig, geschakeerd: termen die trouwens evenmin goed omschreven worden en waarvan de meerwaarde ten opzichte van andere woorden nooit werd aangetoond.
Wat trouwens ook nogal eens over het hoofd is gezien, is dat in overheidsdocumenten ook een ideeënevolutie waar te nemen valt. Het spreken over "multiculturele samenleving" stamt uit een tijd dat nog sterk in collectiviteiten gedacht werd: de cultuur van dé Surinamers, de cultuur van dé Turken tegenover de cultuur van dé autochtonen. Men zag het integratieproces als iets wat groepen als zodanig overkwam. Niet voor niets werd emancipatie als groep geponeerd als een streefdoel van de Minderhedennota uit 1983. Het werd echter steeds duidelijker dat de interne cohesie van die groepen aan fundamentele veranderingen onderhevig was. Binnen die groepen blijken zeer diverse processen op te treden; groepen vallen uiteen en de succesvolste zijn niet zelden degenen die de binding met hun achterland deels achter zich gelaten hebben. En ook omgekeerd: hechte interne cohesie zuigt mensen vast in statische stramienen en blijkt niet zelden mensen te hinderen in de uitoefening van hun rechten en plichten. Groupthink leidt soms tot een warm bed in een kil woonhuis.
Het is natuurlijk helemaal geen probleem dat Nederlanders van Turkse afkomst vaker fan zijn van Instanbul Sport dan van Ajax, maar wat wél een probleem kan zijn is dat zij zich voor vrijwel al hun informatievoorziening afhankelijk maken van de Turkse media. Zij sluiten zich daardoor af van hun directe omgeving en beperken hun eigen kansen op integratie en participatie in de Nederlandse samenleving. Geen wonder dat veel kinderen met ouders uit etnische minderheidsgroepen het liefst een eigen tv willen hebben. Zij willen, net als hun klasgenoten, naar Goede Tijden, Slecte Tijden en Onderweg Naar Morgen kunnen kijken.
In de jaren 90 gaat het dan ook niet meer over het minderhedenbeleid, toch vooral het repareren van deficiënties bij minderheidsgroepen, en bestrijding van ongelijke behandeling, maar over integratiebeleid waarbinnen veel meer oog is voor de interactie tussen allochtonen en autochtonen. Beter zou het zijn om te spreken over participatiebeleid, waarbij we de nadruk leggen op wederkerigheid in de onderlinge verhoudingen tussen allochtonen en autochtonen. Ik zou dan ook het liefst minister voor Grote Steden- en Participatiebeleid heten!
Er is sprake van een duidelijke verschuiving van een collectieve emancipatie-doelstelling naar een individuele
verantwoordelijkheid. Met andere woorden: naast rechten gaat het steeds meer ook over plichten. Het woord burgerschap duikt op. Wat mij betreft is de primaire doelstelling van het integratiebeleid de realisering van een actief burgerschap voor leden van alle etnische groepen, inclusief de autochtone Nederlanders dus. Actief burgerschap is tenslotte de basis van een volwassen democratie. Een fundamentele norm daarbij is de gelijkwaardigheid en gelijke inzet van iedere burger als basis voor zelfredzaamheid, voor het creëren van eigen oplossingen.
Daarnaast heeft burgerschap ook een sociale betekenis: burgerschap als maatschappelijke attitude, als Leitmotief van het dagelijks bestaan: als klant, ondernemer, lid van een vereniging, werknemer, opvoeder. Daar vindt de interactie plaats waar ik het net over had: het samenleven op voet van gelijkheid. Burgers horen te staan voor hun keuzen, moeten tegen een stootje kunnen, moeten elkaar voldoende ruimte geven, bereid zijn om grenzen te verleggen. Door actief burgerschap wordt de eigen verantwoordelijkheid van ieder lid van de samenleving voor het welslagen van het integratieproces veel sterker onderstreept. Er is steeds meer oog voor het individuele en face-to-face karakter van integratie. Een mooi voorbeeld van de emancipatie op dit vlak zijn de Marokkaanse vaders die sinds kort zelf het initiatief hebben genomen om s avonds op straat te patrouilleren in Amsterdam Nieuw West. Dat is ook de basis van hoe we aankijken tegen de aanwezigheid van verschillende culturen. De overheid is niet gehouden om allerhande culturen in stand te houden, laat staan om het bestaan ervan sowieso te bevorderen. Of en zo ja in welke mate mensen hechten aan hun culturele erfgoed, is primair hun eigen
verantwoordelijkheid, daarover beslissen ze zelf. De overheid heeft er voor te waken dat dat recht niet in het gedrang komt, zo is al in het Internationale Verdrag over Burgerlijke en Politieke Rechten bepaald. De Nederlandse overheid gaat hier zelfs vele stappen verder, niet alleen door het onderwijs in eigen taal en cultuur, maar ook door subsidies aan culturele instellingen, bijeenkomsten, festivals, onderzoek, enzovoorts. Het feit zelf dat zich in onze samenleving groepen bevinden met ieder hun eigen culturele bezit, valt niet te ontkennen. De intense invloed van massamedia en informatietechnologie en daarmee de trend tot individualisering, heeft er naast de voortgaande immigratie toe geleid dat de verscheidenheid in onze samenleving de laatste veertig jaar alleen maar is toegenomen. Tot de jaren zestig liepen de breuklijnen vooral langs levensbeschouwing en regionale herkomst. Die twee parameters zijn sterk in betekenis afgenomen, maar ze hebben een nieuwe invulling gekregen (islam, het Turks zijn) en tevens zijn in de plaats van die klassieke indicatoren vele andere elementen van zelfidentificatie ontstaan. In zoverre is het spreken van een "multiculturele samenleving" legitiem en realistisch. Die diversiteit is er dus niet alleen een langs etnische breuklijnen; die lijnen lopen steeds meer dwars door die etnische groepen en steeds meer ook door het aloude autochtone deel van onze samenleving heen. Of de huidige realiteit van de "multiculturele samenleving" voor de toekomst in deze vorm gehandhaafd blijft, dat moeten we maar overlaten aan het vrije spel van interacties tussen mensen en mensengroepen. Dat impliceert tevens dat "multiculturele samenleving" als toekomstbeeld niet het laatste woord is om er als overheid bij haar beleid bij te zweren.
Wat de overheid uitdrukkelijk niet wil, -het is reeds vaak geschreven- is mee te werken aan gedwongen assimilatie van nieuwe etnisch-culturele entiteiten aan traditionele, statische burgermanswaarden van onze samenleving, wat dat dan ook is. Cultuur is een dynamisch proces, ook voor de z.g. gezeten burgerij, een heen-en-weer van geven en nemen waarin niets bij het oude blijft.
Integratiebeleid is de consequentie van de erkenning dat internationale migratie in het Nederlandse geval in de afgelopen decennia een eenrichtingsverkeer is gebleken. Wie geen gedwongen assimilatie wil, heeft geen andere mogelijkheid dan voor integratie te kiezen: bevordering van de wederzijdse acceptatie door meerderheid en minderheden dat zij tezamen verantwoordelijk zijn voor de toekomst van dit land. Of die toekomst een toekomst van verschillende naast elkaar staande cultuureenheden zal opleveren, of een min of meer homogene mix van oud en nieuw: daartussen te kiezen is geen taak van de overheid. Het gaat de overheid ook om iets wezenlijkers. Multicultureel of niet: het gaat om de democratie, in de breedste zin des woords, in vrijheid beleefd. Democratie in termen van participatie: doel van het integratiebeleid is bevordering van participatie. Daar ligt ook de link met het Grotestedenbeleid. Die link is er niet alleen omdat er zoveel leden van etnische minderheidsgroepen in de grote steden wonen, maar ook omdat participatie van burgers, bestuurders en bedrijven samen verantwoordelijk zijn om van het Grotestedenbeleid een succes te maken: op basis van een integrale aanpak investeren in de fysieke infrastructuur, in het herstel van de werkgelegenheid en de bedrijvigheid en in de sociale infrastructuur van onze steden.
Maarten van Rossem zei hier vorige keer dat je mensen kunt stimuleren om uit hun marginale positie te komen door te gaan werken. Dat staat ook, in iets andere woorden, in het SER-advies over het grotestedenbeleid. Daarin werd gesteld dat "arbeid in onze samenleving het integratiekader bij uitstek is. De beste manier om achterstandsituaties in wijken en steden te bestrijden is dus gelegen in een versterking en benutting van het economisch potentieel op wijk- en stadsniveau. Leefbaarheid is dan een belangrijke uitkomst van beleid."
Dat uitgangspunt onderschrijf ik volledig: werk staat niet alleen voor geld, financiële armslag, maar ook voor aanzien en voldoening, collegas en acceptatie. Een economisch startpunt dat leidt tot een sociaal-economisch eindpunt. Daarom moeten we de komende jaar stevig investeren in het creëren van werkgelegenheid, in het stimuleren van economische bedrijvigheid op stads-en wijkniveau, en in het wegwerken van de te hoge werkloosheid onder leden van etnische minderheidsgroepen.
Het is makkelijk, zeker bij een gelegenheid als deze, om je te verliezen in een theoretisch denkspel over onze samenleving. Nadenken, theorievorming is zeker belangrijk, dat wil ik niet ontkennen, maar ik weet zeker dat u mij als minister niet uitsluitend afrekenen op mijn intellectuele exercities, maar tevens op wat ik al doende volbreng. Ik maak van mijn hart dan ook geen moordkuil als ik u zeg dat presteren voor mij een heel belangrijke opgave is bij het integratiebeleid. Ik weet wel dat mijn dadendrang afhankelijk is van veel factoren en van veler medewerking die ik niet in de hand heb. Maar ik ben mijn ministersloopbaan niet voor niets begonnen met een nota "Kansen krijgen, kansen pakken" die voor twee-derde uit een actieprogramma bestaat. En op 8 april heb ik een vervolgnota uitgebracht die alleen maar over de uitvoering van die actieprogrammas gaat. Daar ga ik mijn tijd aan wijden. Dat is míjn bijdrage aan de totstandkoming van een interactieve samenleving van een hoog democratisch gehalte, waarin ieder in volle vrijheid kan participeren.
Dat is het toekomstbeeld dat ik dichterbij wil brengen!

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie