Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Voorjaarsnota 1999

Datum nieuwsfeit: 03-05-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: De Voorjaarsnota 1999



Directie Begrotingszaken

Inspectie der Rijksfinanciën

Directie Algemene Financiële en Economische PolitiekDirectie Begrotingszaken

Aan:

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

B99 / 128M

3 mei 1999

Onderwerp

De Voorjaarsnota 1999


1. Hoofdlijnen

Sinds de Miljoenennota 1999 zijn de economische vooruitzichten voor 1999 verslechterd. Voor 1999 raamt het CPB in het Centraal economisch Plan (CEP) 1999 een economische groei van 2%, terwijl het kabinet bij de opstelling van de begroting 1999 op basis van de Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau uitging van 3%. De oorzaak van deze neerwaartse bijstelling hangt samen met een sterk vertraagde wereldhandel die zich in de de tweede helft van 1998 manifesteerde. Voor 1999 raamt het CPB in het CEP 1999 een groei van de relevante wereldhandel van 1¼%, terwijl in de MEV 1999 nog een groei van 6½% werd geraamd. Deze stagnerende ontwikkeling van de wereldhandel werkt ook door in lagere invoerprijzen en daarmee ook in het inflatietempo in 1999. De inflatieraming (o.b.v. de consumentenprijsindex) van het CPB in het CEP 1999 bedraagt 1¼% tegenover 1¾% in de MEV 1999.

In het licht van de realisatiecijfers van de consumentenprijsindex tot en met maart van dit jaar en de huidige stand van de dollarkoers en olieprijs in vergelijking met de CEP-ramingen, wordt in deze Voorjaarsnota voor het jaar 1999 uitgegaan van een 0,33%-pt hogere consumentenprijsindex dan in het CEP. In lijn hiermee wordt ook uitgegaan van een 0,2% hogere prijsstijging van het bruto binnenlands product. Op basis van de juni-publicatie van het CPB zullen deze uitgangspunten definitief worden vastgesteld.

De groeivertraging heeft een negatief effect op de groei van de werkgelegenheid. Doordat de werkgelegenheid met vertraging reageert op de teruglopende economische groei, stijgt de werkgelegenheid echter toch nog met 105 duizend personen. In 1998 bedroeg de stijging circa 180 duizend personen.

Naast problematiek die samenhangt met de economische groei wordt het beeld in 1999 verder belast door de reeds in de Najaarsnota gemelde kosten van de waterschade uit 1998 en de stijgende kosten van de opvang van asielzoekers. De aldus in totaliteit voor 1999 ontstane problematiek heeft het kabinet ertoe genoodzaakt om een aantal maatregelen te nemen en budgetverlagingen door te voeren. Deze maatregelen en budgetverlagingen, tezamen met een aantal meevallers, resulteren erin dat de kaders Zorg en Rijksbegroting in enge zin sluiten en dat het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt1 (SZA) in 1999 een onderschrijding laat zien van 0,4 miljard. Het kabinet heeft besloten dat deze onderschrijding in de sector SZA, indien nodig, zal worden aangewend ter compensatie van de budgettaire problematiek die in het jaar 2000 in deze sector wordt verwacht.


2. De uitgaven en de uitgavenkaders


2.1. De nominale problematiek

In de hierna volgende tabellen 1 tot en met 3 zijn aanpassingen van de uitgavenkaders opgenomen. De uitgavenkaders zijn bij regeerakkoord gedefinieerd in reële termen. Ieder jaar worden ze aangepast aan de prijsontwikkeling van het BBP (pBBP) op basis van de raming in het CEP. Op dit moment is de geraamde pBBP voor 1999 lager dan ten tijde van de Miljoenennota werd voorzien, waardoor het toegestane uitgavenniveau in guldens neerwaarts moet worden bijgesteld. Omdat een lagere pBBP, en dus een lager toegestaan uitgavenniveau, niet automatisch leidt tot navenant lagere uitgaven (een groot deel van de CAOs voor het lopende jaar is reeds afgesloten en de lagere contractloonontwikkeling in de marktsector werkt met vertraging door in de koppeling van sociale uitkeringen) ontstaat het zogenoemde ruilvoetverlies van de collectieve sector ten opzichte van de economie als geheel.

De neerwaartse aanpassing van de uitgavenkaders van de drie sectoren als gevolg van de lagere pBBP in 1999 wordt beperkt door het toedelen aan de sectoren van de nog niet uitgedeelde tranche 1999 van de uitgavenreserve. Deze reserve was al wel in het totale kader verwerkt (zie Miljoenennota 1999, blz. 41). De omvang van de tranche 1999 bedraagt 0,25 miljard. De reserve is ingezet en over de sectoren verdeeld naar rato van hun budgettaire omvang.

Omdat per saldo een neerwaartse kaderaanpassing resulteert en dien tengevolge budgettaire problematiek heeft het kabinet besloten om vooralsnog slechts 25% van de tranche prijsbijstelling 1999 uit te delen. Vanwege de genoemde onzekerheden met betrekking tot de inflatie zal het kabinet de besluitvorming over de nominale problematiek en de (nominale) oplossingen in juli, dat wil zeggen een paar maanden later dan gebruikelijk, definitief afronden op basis van de juni-publicatie van het CPB. De Kamer zal hierover bij Vermoedelijke Uitkomsten 1999 in de Miljoenennota 2000 nader worden geïnformeerd.


2.2 Netto-uitgaven Rijksbegroting in enge zin

In de onderstaande tabel 1 wordt de budgettaire ontwikkeling van het kader Rijksbegroting eng sinds de Miljoenennota 1999 gepresenteerd.

Tabel 1 Budgettaire ontwikkeling Rijksbegroting in enge zin (in miljarden guldens)

1999

I

Mutaties in de uitgaven sinds Miljoenennota 1999

a

Netto uitgaven stand Miljoenennota 1999

173,8

b

Mee- en tegenvallers

0,5

c

Beleidsmatige mutaties


-0,7

d

Overboekingen en statistische mutaties


-1,4

e

Netto uitgaven stand Voorjaarsnota 1999

172,2

II

Mutaties in het uitgavenkader sinds Miljoenennota

a

Uitgavenkader stand Miljoenennota 1999

173,8

b

Mutatie prijsontwikkeling BBP


-0,3

c

Inzet uitgavenreserve

0,1

d

Overboekingen en statistische mutaties


-1,4

e

Uitgavenkader stand Voorjaarsnota 1999

172,2

III

Onderschrijding Voorjaarsnota 1999 (I - II)

0,0

Het totaal van mee- en tegenvallers en beleidsmatige mutaties binnen het kader Rijksbegroting in enge zin resulteert in een neerwaartse bijstelling van de netto-uitgaven van per saldo 0,2 miljard (regels Ib+Ic). In een aparte bijlage (de Verticale Toelichting) zijn alle begrotingsmutaties van 25 miljoen en groter toegelicht. In deze paragraaf wordt aangegeven welke de voornaamste mutaties zijn die aan de wijziging in het beeld ten grondslag liggen.
* De lagere prijsontwikkeling van het BBP heeft gevolgen voor het budgetdisciplinekader. De neerwaartse aanpassing van dit kader als gevolg van de lagere prijsontwikkeling van het BBP bedraagt 0,3 miljard. Deze neerwaartse aanpassing wordt voor 0,1 miljard gecompenseerd door de inzet van de uitgavenreserve (aandeel Rijksbegroting-eng: 130 miljoen)

* In verband met Kosovo worden de uitgaven binnen de Homogene Groep Internationale Samenwerking verhoogd met 100 miljoen. Hiervan heeft 50 miljoen betrekking op humanitaire hulp (ODA) en 50 miljoen op vredesoperaties (non-ODA).

* Als gevolg van een hogere instroom en een lagere instroom van asielzoekers zullen de uitgaven op verschillende begrotingen in totaal 1,0 miljard hoger uitvallen. De hogere uitgaven vloeien onder meer voort uit een uitbreiding van de opvang- en behandelcapaciteit, politie-inzet bij de opvangcentra en onderwijs aan leerplichtige asielzoekers. Om de uitgavenstijging in omvang te beperken is tot een aantal maatregelen besloten die inmiddels hun effect hebben (VVTV-beleid, Wet ongedocumenteerden, opvang Dublin-claimanten, wachtlijsten), terwijl het kabinet op zeer korte termijn maatregelen voorbereidt in de sfeer van een intensivering van de terugkeer en kostenbesparing bij de opvang.
* De in 1998 als gevolg van extreme regenval opgetreden waterschade leidt in 1999 tot 1,0 miljard hogere uitgaven. Deze 1,0 miljard bestaat voor 0,5 miljard uit schade in Zuidwest-Nederland en een deel van Zuid-Limburg en voor 0,4 miljard uit schade in Noordoost-Nederland. Voor de oogstschaderegeling ten behoeve van agrariërs die niet onder de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (WTS) vallen, wordt 125 miljoen uitgetrokken.
* De EU-afdrachten worden met 0,5 miljard neerwaarts bijgesteld. Deze lagere afdrachten zijn het gevolg van de wijzigingen in het economisch beeld en onderuitputting op de EU-begroting in 1998.
* Bij de rentelasten treedt een meevaller op van f 437 miljoen, vooral als gevolg van de lagere rentevoet.

* Wegens het aanhoudende positieve betalingsgedrag van een aantal belangrijke debiteurenlanden wordt de raming voor de ontvangsten uit hoofde van de Exportkredietverzekering opgehoogd met 300 miljoen.

* Ter compensatie van de budgettaire problematiek is besloten tot het inhouden van van ¾ van de prijsbijstelling voor het jaar 1999, hetgeen de begroting met 310 miljoen ontlast. De bijstellingen van de rijksuitgaven leiden tot een opwaartse bijstelling van het Gemeente- en Provinciefonds van 37 miljoen. Dit effect ontstaat als gevolg van de koppeling van de omvang van deze fondsen aan de ontwikkeling van de gecorrigeerde netto-rijksuitgaven. Omdat onder andere wordt gecorrigeerd voor de EU-afdrachten en renteuitgaven, waar meevallers zijn, stijgen de netto-rijksuitgaven waaraan het gemeente- en provinciefonds gekoppeld zijn.
Er is sprake van een tweetal majeure overboekingen. Ten eerste is besloten dat SZA met ingang van 1999 verantwoordelijk is voor de gemeentelijke Instroom / Doorstroom-banen, waardoor een bedrag van 0,85 miljard van Rijksbegroting-eng naar SZA is overgeboekt. Tevens is voor ca. 0,4 miljard uitgaven aan maatschappelijke opvang overgeboekt van Rijksbegroting-eng naar Zorg


2.3 Netto-uitgaven Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

in tabel 2 zijn de ontwikkelingen vanaf de Miljoenennota binnen het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt opgenomen.

Binnen het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt is ten opzichte van de raming bij Miljoenennota 1999 sprake van per saldo meevallende uitgaven van ruim 0,4 miljard.

Dit wordt onder andere veroorzaakt door een meevaller bij de AOW van 235 miljoen. Verder is een meevaller van 275 miljoen ontstaan op het artikel voor terugontvangsten ABW/Arbeidsmarkt als gevolg van een te hoge bevoorschotting van gemeenten in 1998.

De lagere prijsontwikkeling van het BBP heeft ook gevolgen voor het budgetdisciplinekader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt. De neerwaartse aanpassing van dit kader als gevolg van de lagere prijsontwikkeling van het BBP bedraagt 0,2 miljard. Deze neerwaartse aanpassing wordt voor slechts 0,1 miljard gecompenseerd door lagere kosten van de koppeling. Het proportionele SZA-aandeel in de uitgavenreserve bedraagt 80 miljoen.

Tabel 2 Budgettaire ontwikkeling Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt


Tekst is te lang voor een persbericht. Zie voor de rest het origineel.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie