Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Speech Pronk bij Vereniging Nederlandse Afvalondernemingen

Datum nieuwsfeit: 12-05-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE VROM

www.minvrom.nl

MIN VROM: Speech minister Pronk VROM

SPEECH MINISTER PRONK (VROM) TER GELEGENHEID VAN HET MINISYMPOSIUM VAN

DE VERENIGING NEDERLANDSE AFVALONDERNEMINGEN D.D. 12 MEI 1999

Dames en heren,

Onderweg hiernaar toe, vroeg ik me af waarom een Vereniging van Afvalondernemingen een locatie als deze kiest voor het houden van een symposium en een feestje. Je bent natuurlijk al gauw geneigd een relatie te leggen met de dagelijkse gebruikers van deze locatie. En is het dan niet toevallig dat die gebruikers dit jaar kampioen van Nederland zijn geworden? Zou daar de affiniteit liggen, of misschien de voor de toekomst gewenste affiniteit? Of zou het te maken hebben met het karakter van die gebruikers en het karakter van deze stad: hard werken en resultaatgericht. Ik denk eerlijk gezegd dat gelet op uw vakgebied de Amsterdam Arena een betere keus was geweest. Daar moet immers regelmatig de grasmat worden vervangen en dat is dus steeds een hoop afval die vrijkomt.

Op een moment als dit, wanneer organisaties fuseren tot een nieuwe organisatie, in uw geval tot de Vereniging Nederlandse Afvalondernemingen, is het goed om eens naar het verleden te kijken en vervolgens de blik op de toekomst te richten. Ik moet overigens zeggen dat ik niet altijd zonder meer gelukkig ben met fusies die leiden tot mega-instellingen. Uw fusie betekent echter dat ik nu één aanspreekpunt en gesprekspartner heb voor private bedrijven op het gebied van de verwijdering van zowel gevaarlijke als niet gevaarlijke afvalstoffen. Dat verheugt mij. U weet dat ik met het opstellen van het Landelijk Afvalbeheersplan eenzelfde integratie beoog. Kijkend naar de toekomst, wil ik het met u hebben over actuele thema.s in het milieubeleid en dan met name het afvalbeleid. In het milieubeleid voeren we discussies over hoe het beleid in de huidige maatschappelijke situatie het beste verder vormgegeven kan worden. Ik bereid een nieuw Nationaal Milieubeleidsplan voor waarin ik de noodzakelijke vernieuwingen in het milieubeleid wil bewerkstelligen. Vragen die daarbij aan de orde komen zijn de rol van de overheid en van de andere maatschappelijke actoren. Waar kunnen welke verantwoordelijkheden het beste neergelegd worden. En toegespitst op het afvalbeleid: hoe kan de afvalverwijdering het beste georganiseerd worden? Wat moet de overheid doen en wat moet het bedrijfsleven doen? Ik wil u vandaag mijn mening geven over de rol van marktwerking in de afvalverwijdering.

Maar voor ik dat doe wil ik eerst naar het verleden kijken. Dan zie ik een afvalverwijdering die 10 tot 15 jaar geleden niet optimaal, om niet te zeggen slecht functioneerde en zeker toe was aan vernieuwing. Immers: verbrandingsinstallaties moeten worden gesloten, omdat ze te veel dioxine uitstoten. De bevolking raakt verontrust over hoe er met gevaarlijk afval omgegaan wordt. De gezondheid van mensen raakt in geding. Stortplaatsen hebben onvoldoende milieubeschermende voorzieningen. Het grootste deel van het afval wordt domweg gestort, wat uit het oogpunt van milieu en ruimte ongewenst is. Afval wordt zelfs in schepen opgeslagen, omdat er niet voldoende capaciteit is om het milieuverantwoord te verwijderen. Kortom, de afvalverwijdering was nog bepaald niet gericht op een duurzame ontwikkeling, dat wil zeggen zo verstandig mogelijk omgaan met grondstoffen, met milieu en gezondheid. Het is dan de overheid die het initiatief neemt om dit te verbeteren. Preventie krijgt nadrukkelijk de aandacht en gescheiden inzameling en hergebruik van afvalstoffen worden gestimuleerd en gereguleerd. De in 1988 door mijn ministerie opgestelde notitie Preventie en Hergebruik van afvalstoffen heeft bijna 10 jaar lang als een soort bijbel gefunctioneerd voor het afvalbeleid in Nederland. Daarnaast is het totstandbrengen van een goede infrastructuur voor de definitieve verwijdering, het verbranden en storten, een belangrijk onderdeel van de vernieuwing van het afvalbeleid. Er worden, voornamelijk door de overheid, nieuwe verbrandingsinstallaties gebouwd, waarbij soms investeringen van bijna één miljard gulden worden gedaan. Bestaande verbranders passen hun installaties aan om meer energie uit het afval te halen en om te kunnen voldoen aan de strengste luchtemissie-eisen ter wereld. Stortplaatsen moeten milieubeschermende voorzieningen gaan aanbrengen en zorgen dat er continu wordt gemonitord. Ze moeten geld gaan reserveren om de eeuwigdurende nazorg te kunnen financieren. Ik zou nog diverse andere voorbeelden van ontwikkelingen en ook successen van het afvalbeleid kunnen opnoemen, maar ik veronderstel dat u ze kent. Als je dan overziet wat er de afgelopen 10 jaar is bereikt, dan vind ik dat de overheid en daar bedoel ik ook de provincies en gemeenten mee, met name op het gebied van de definitieve verwijdering van afvalstoffen een hele belangrijke rol heeft gespeeld. De overheid vervulde haar regulerende en ook haar stimulerende taak, waarop het bedrijfsleven vervolgens intensief en in toenemende mate heeft ingespeeld. Met name in de sfeer van het inzamelen en het hergebruik van afvalstoffen.

Tot zover het verleden. Ik wil nu stil staan bij huidige en toekomstige ontwikkelingen. Voor afval betreffen die ontwikkelingen de verandering in de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de overheden, het toekomstige vervallen van de provinciegrenzen en de discussie over het mogelijk op termijn vervallen van de landsgrenzen voor de definitieve verwijdering van afvalstoffen. Deze ontwikkelingen hebben het sleutelwoord .marktwerking. gemeen. Daar wil ik nu wat verder op ingaan. Om een en ander in het juiste perspectief te bezien wil ik duidelijk maken hoe ik tegen de afvalsector aankijk. Volgens de zienswijze van de Commissie Toekomstige Organisatie Afvalverwijdering vormt de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen en de definitieve verwijdering ervan, namelijk het verbranden en het storten, een nutsfunctie. Ik ben het daarmee eens. Net zo goed als bijvoorbeeld de drinkwatervoorziening aan huishoudens waarvoor ik ook verantwoordelijk ben, een nutsvoorziening is. Het gaat daarbij om een maatschappelijk onmisbare voorziening die absoluut gewaarborgd moet zijn. Dan moet je de verantwoordelijkheid ervoor ook helder regelen. Ik vind dat het zorgdragen voor een nutstaak een bijzondere verantwoordelijkheid van de overheid is, mede gericht op de bescherming van de burger, die de gebonden klant is.

Het gaat er niet om dat private partijen bij de definitieve verwijdering geen rol zouden kunnen spelen. Ik zou er voorstander van zijn om te bezien of bijvoorbeeld PPS-achtige constructies hierbij een rol kunnen spelen. Maar de verantwoordelijkheid zou hier bij voorkeur bij de overheid moeten blijven, opdat alles uiteindelijk goed gewaarborgd wordt. Kijken we niet alleen naar de definitieve verwijdering (verbranden en storten) maar naar de hele afvalketen, dan speelt al gauw de vraag hoe het met de effectiviteit en de efficiency gesteld is. Volgens sommigen is meer efficiency synoniem aan meer marktwerking. Ik waag het te betwijfelen of een hogere efficiency in de afvalmarkt alleen te realiseren zou zijn met meer marktwerking. Maar ik wil graag alle mogelijkheden in de breedte bezien en heb daarom meegedaan aan een onderzoek hierover dat direct op marktwerking gericht was. VROM en EZ hebben medio 1998 opdracht gegeven aan de Erasmusuniversiteit om te onderzoeken of het mogelijk is om in Nederland meer efficiency via marktwerking in de afvalsector te bereiken.

Het eerste deel van dit onderzoek met een analyse van de huidige afvalmarkt is inmiddels afgerond. Aan het tweede deel met voorstellen voor mogelijke andere aanpak wordt momenteel de laatste hand gelegd. Omdat marktwerking vaak nogal erg divers wordt geïnterpreteerd, is in dit onderzoek marktwerking gedefinieerd als de mate waarin de beslissers (al dan niet overheidsgedomineerde bedrijven) rekening moeten houden met de prestaties van andere beslissers. Met marktwerking wordt in het onderzoek dus nadrukkelijk de mate van concurrentie bedoeld.
Eerst is in kaart gebracht hoe het op dit moment met de afvalverwijdering in Nederland staat, zowel wat betreft de effectiviteit als de efficiency. Conclusie is dat het met de effectiviteit wel goed zit: in 1997 is ruim 74 % van het afval nuttig toegepast en nog maar 12 % komt op de stortplaats terecht. En ook met de efficiency zou het niet slecht gesteld moeten zijn. Die 74% wordt immers verwerkt op een markt waar in meer of mindere mate sprake is van concurrentie en volgens de leer van de marktwerking is een dergelijke markt efficiënter. Vanuit die gedachtengang geredeneerd is in het onderzoek voor drie afvalvelden aangegeven dat deze efficiënter zouden kunnen. Namelijk de inzameling van huishoudelijk afval, het storten en het verbranden.

Daarvoor zijn volgens het onderzoek drie belangrijke redenen aan te wijzen.

1. Er is geen sprake van vrije toe- en uittreding. De drie overheden reguleren immers in kader van het Afval Overleg Orgaan (AOO) de capaciteit voor definitieve verwijdering en gemeenten reguleren de toetreding voor de inzameling van huishoudelijk afval.
2. Er is sprake van concentratie. Zo kunnen provincies bijvoorbeeld nog steeds hun grenzen gesloten houden en het afval sturen naar de AVI.s en stortplaatsen in hun eigen gebied. Dat in die afzonderlijke gebieden het aantal spelers beperkt is en er soms maar één speler is in een provincie, zou remmend werken voor de efficiency.

3. Er is geen vrije afstemming is tussen vraag en aanbod. Er is sprake van vaak langjarige contracten tussen AVI.s en gemeenten. Bovendien wordt het financiële risico van AVI.s afgedekt doordat gemeenten al dan niet via een aandeelhouderschap garant staan voor eventuele verliezen.

Meer efficiency in de afvalsector betekent dus dat je iets moet doen aan deze drie aspecten. Laten we eens beginnen met de inzameling van huishoudelijk afval. Die zie ik als een nutsfunctie waarvoor de gemeente een bijzondere verantwoordelijkheid heeft. Zij kunnen echter beslissen om dit zelf te doen of om dit uit te besteden. Wat het aantal gemeenten betreft is op dit moment het marktaandeel van particuliere inzamelaars bijna gelijk aan dat van publieke diensten. Als we echter naar aantal inwoners kijken, dan wordt zo.n 70 % van de Nederlanders door een publieke dienst bediend en 30 % door een private inzamelaar. Wat kan er gebeuren als we hier meer marktwerking introduceren? Marktwerking beperkende factoren zijn dat er geen vrije toe- en uittreding is en geen vrije afstemming tussen vraag en aanbod. Gemeenten kunnen immers andere partijen weren van de markt en hoeven die beslissing niet te baseren op een vergelijking tussen zelf doen en uitbesteden. Meer marktwerking zou kunnen betekenen dat de burger geen gebonden gebruiker meer is en de gemeente als regelende instantie wordt geschrapt.
Maar dan zouden we de burger dus loslaten op de markt en hem of haar laten kiezen tussen meerdere aanbieders, alsof het gaat om het afsluiten van een inboedelverzekering. Ik moet er eerlijk gezegd niet aan denken.

Want hoe voorkom je dat individuele burgers geen contract afsluiten met een inzamelaar maar hun afval overal gaan dumpen, hetzij bij de goede buur met contract, hetzij in de vrije natuur? Daarnaast is het niet uitgesloten dat de burger elke dag van de week en op elk tijdstip vuilniswagens door zijn/haar straat ziet rijden. Het milieu, de burger en ik zijn niet blij met een dergelijke toename van vervoersbewegingen. Bovendien betwijfel ik ten zeerste of een dergelijke oplossing goedkoper voor de burger zal uitpakken door de hoge transactiekosten en de hoge kosten voor handhaving. Dergelijke vragen komen bij mij ook boven als ik bijvoorbeeld kijk naar de ontwikkelingen in het kader van de liberalisering van de electriciteit, de spoorwegen en de telecommunicatie. Voor de burger is het er nog niet echt beter op geworden. Ik ben dan ook van mening dat een dergelijke situatie tot een minder effectieve en minder efficiënte situatie zal leiden en ik zie dat dan ook totaal niet zitten. Een minder vergaande oplossing is dat gemeenten de inzameling gaan aanbesteden.
Volgens de economen leidt het aanbesteden van overheidsdiensten namelijk over het algemeen tot een kostenreductie. Bij de afvalwaterzuivering wordt ook gekeken naar de mogelijkheden van dergelijke constructies. Opvallend is daarbij overigens wel dat er bij aanbesteding geen verschil meer is tussen publieke en private partijen. Het is dan uiteraard wel belangrijk dat zowel de publieke als de private inzamelaars onder dezelfde condities opereren. In goed Nederlands: er moet een level-playing-field zijn. Voor de inzameling van huishoudelijk afval betekent dit dat er dan dus met name iets moet worden gedaan aan het BTW voordeel dat publieke inzamelaars op dit moment nog hebben ten opzichte van private inzamelaars. Overigens heb ik zo mijn twijfels of de gemeenten die zelf inzamelen bij het maken van die keuze niet naar prestaties van anderen hebben gekeken. Efficiëntie speelt immers ook bij de overheid een steeds belangrijkere rol. Mochten gemeenten tot uitbesteding overgaan, dan acht ik het van groot belang dat zij hun verantwoordelijkheid op een goede wijze waarborgen. Publiek-private constructies bieden daartoe goede mogelijkheden.

Nu een lastiger situatie, namelijk de markten van verbranden en storten. En de rol van de overheid in het kader van de nutsvoorziening. Als we deze markten bezien op de aspecten als deconcentratie, vrije toe- en uittreding en vrije afstemming van vraag en aanbod, dan levert dat het volgende beeld op. Voor wat de deconcentratie betreft is van belang of de lang gekoesterde wens van velen van U hier in de zaal eindelijk in vervulling zal gaan: namelijk wanneer de provinciegrenzen worden opgeheven. Zoals ik vorig jaar tijdens de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer heb gezegd, kunnen de provinciegrenzen voor brandbaar afval pas worden opgeheven als de tarieven voor verbranden en storten op ongeveer hetzelfde niveau liggen. Binnenkort zal staatssecretaris Vermeend aan de Tweede Kamer de regeringsvoorstellen sturen voor de verdere vergroening van het belastingstelsel. Een van deze voorstellen is het verhogen van de belasting op het storten van brandbaar afval. Ik kan niet het exacte bedrag van deze verhoging noemen, maar ik kan U wel vertellen dat deze zodanig fors is, dat aan mijn voorwaarde wordt voldaan. Ik verwacht dat deze verhoging vanaf 1 januari 2000 van kracht wordt. Op die datum komen wat mij betreft dan ook de provinciegrenzen voor brandbaar afval te vervallen. U weet ongetwijfeld al, dat sommige overheidsinstanties daar wat andere opvattingen over hebben dan ik. Ik zal hierop uitgebreid ingaan in een brief die ik binnenkort aan de Kamer stuur. En op 3 juni praat ik met de Tweede Kamer over dit onderwerp.

Met het vervallen van de provinciegrenzen zetten we in Nederland feitelijk al een belangrijke stap in de richting van meer marktwerking. Het betekent deconcentratie en meer mogelijkheden voor de marktpartijen. Naast deconcentratie is, zoals gezegd, voor marktwerking ook een vrije afstemming van vraag en aanbod en een toe- en uittreding van belang. Het realiseren hiervan zou wel eens wat meer voeten in de aarde kunnen hebben. Daarnaast heb ik zo mijn aarzelingen in hoeverre dit beleidsmatig ook wel zo gewenst is. Vrije toe- en uittreding en afstemming van vraag en aanbod zou namelijk een gelijk speelveld voor iedereen op de markt kunnen veronderstellen. Men zou tenminste een zelfde startpositie moeten hebben om te kunnen concurreren. Aangezien we niet met een schone lei beginnen, zou er wel eens heel wat water of liever gezegd geld door de Rijn moeten stromen om dit mogelijk te maken. Wat dacht U bijvoorbeeld van het afkopen van de langlopende contracten en van het compenseren van externe geldschieters?
Naast deze praktische bezwaren, vraag ik mij echter ook af of meer marktwerking dan via de deconcentratie door het opheffen van provinciegrenzen is te bereiken, uit beleidsmatig oogpunt wenselijk is.

Zoals eerder gezegd vind ik dat de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor het zorgdragen voor een nutstaak. Deze verantwoordelijkheid is nodig om uit overwegingen van milieu en volksgezondheid de continuïteit van de eindverwijdering te garanderen. Ook voor U als inzamelaars en herverwerkers is deze continuïteit heel belangrijk. Voor een goede bedrijfsvoering is het noodzakelijk te kunnen rekenen op een zekere definitieve verwijdering. Vanwege Uw belang hierbij, maak ik me wel eens zorgen als ik hoor over initiatieven, die de continuïteit van de Nederlandse eindverwijderingsstructuur in gevaar kunnen brengen. De bijzondere verantwoordelijkheid van de overheid is ook nodig om de doelen op het gebied van preventie en hergebruik te realiseren. Deze doelen brengen met zich dat de markt voor de eindverwijdering per definitie geen groeimarkt mag zijn. Integendeel, eerder is krimp aan de orde. Voor een ondernemer moet dat geen aantrekkelijke perspectief zijn. Uiteraard voor de overheid ook niet, zeker niet voor die overheden die participeren in de definitieve verwijdering, maar de overheid moet wel meer in staat geacht worden om aan een dergelijke gewenste ontwikkeling sturing te geven. De U wel bekende discussie over de gewenste hoogte van de calorische waarde van afvalstoffen illustreert overigens de spanning die er bestaat tussen milieudoelen en het instandhouden van de eindverwijderingsstructuur.

Voor wat deze discussie betreft wil ik hier volstaan met de opmerking, dat het bij de vaststelling van die waarde wel moet gaan om hoofdgebruik als brandstof en niet om gebruik als brandstof.

Door het opheffen van de provinciegrenzen zal er sprake zijn van deconcentratie en dus van meer marktwerking. De vraag is of deze deconcentratie nog verder vorm moet krijgen door het opheffen van de landsgrenzen. In het regeringsstandpunt over het advies van de Commissie Toekomstige Organisatie Afvalverwijdering is aangegeven dat Nederland voor te storten afval zelfvoorzienend moet blijven. Voor afval dat verbrand wordt voor definitieve verwijdering zouden de landsgrenzen open kunnen wanneer in de ons omliggende landen een zelfde voorzieningenniveau op het gebied van afvalverbranding bestaat als in Nederland. Dat wil dus zeggen dat er in die landen een verwijderingsstructuur is, die gebaseerd is op dezelfde uitgangspunten als in Nederland het geval is. De verwachting is uitgesproken dat een dergelijke situatie omstreeks 2005 bereikt zou zijn. Gezien de ontwikkelingen in België en Duitsland heb ik mijn twijfels over de haalbaarheid van die datum. Bovendien speelt daarbij het vraagstuk van de eerder genoemde aspecten, die een level playing field in de weg staan.

Ik wil nu afsluiten. Ik heb u mijn mening gegeven over het toekomstige afvalbeleid. Ik denk dat helderheid over en weer een belangrijke basis vormt voor een goede samenwerking. Ik hoop dat uw organisatie een goede toekomst tegemoet gaat en dat wij een goed gezamenlijk overleg over het afvalbeleid kunnen hebben.

Voor vragen of informatie:
Persvoorlichting Ministerie VROM:
Marja van Paassen
070-339 39 86

faxnummer:
070-339 13 75

12 mei 99 17:40

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie