Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Nederlandsche Bank over verstrijken van de tijd

Datum nieuwsfeit: 15-05-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

De Nederlandsche Bank NV
Afdeling Externe betrekkingen en voorlichting

Tijd en hoe opvattingen bij het verstrijken daarvan (al dan niet) veranderen.

Speech van dr A.H.E.M. Wellink, president van de Nederlandsche Bank, ter gelegenheid van de Rotary Districtsconferentie District 1600, te Voorburg op 15 mei 1999.

Inleiding
De aanloop naar het nieuwe millennium is aanleiding tot vele bespiegelingen van filosofische en van minder filosofische aard. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar de gedachte aan een periode van duizend jaar doet mij enigszins duizelen. Met tijd is het in zekere zin net als met geld. Geld is ook altijd een goede aanleiding tot bespiegelingen, zij het vaak van minder filosofische aard. Op een gemiddeld verjaardagsfeestje gaat het gesprek tegenwoordig al snel en vaak veel te lang over de ontwikkelingen op de beurs en andere financiële zaken. En toch is geld natuurlijk heel betrekkelijk. Betrekkelijk, maar wel handig. In zijn huidige vorm, als ruilmiddel, bestond het duizend jaar geleden nauwelijks. Transacties vonden in belangrijke mate plaats via ruilhandel. Wat een verschil met de huidige wereld van het flitskapitaal. Bedragen die voor normale mensen niet te bevatten zijn, vliegen binnen enkele seconden van de ene plaats op de aardbol naar de andere.

De titel van mijn inleiding is ´Tijd en hoe opvattingen bij het verstrijken daarvan (al dan niet) veranderen´. Ik zal dit thema behandelen in relatie tot de euro. In het afgelopen millennium zijn meerdere pogingen gedaan om in delen van Europa één munt in te voeren. Daar ga ik nu niet verder op in. De eerste 950 jaar van het millennium sla ik gemakshalve maar even over. Kort wil ik met u terugblikken op de geschiedenis van de Europese monetaire integratie, waarvan de komst van de euro het unieke slotakkoord is. Nog niet eerder droegen elf landen vrijwillig hun monetaire beleidsautonomie over aan een supranationaal orgaan. Daarna zal ik ingaan op de ontwikkeling van de publieke opinie ten opzichte van de euro. Nederland is altijd relatief ´euro minded´ geweest, maar de mening over de nieuwe munt was in de tijd aan soms sterke veranderingen onderhevig.

Historie Europese monetaire integratie
De invoering van de euro is, zoals gezegd, een historische stap in de Europese eenwording. De Europese landen hebben zich sinds de Tweede Wereldoorlog steeds nauwer met elkaar verbonden. Een goede samenwerking moest voorkomen dat er nog eens oorlog zou uitbreken. Zo ontstond de Europese Unie, waaraan inmiddels 15 West-Europese landen deelnemen. De invoering van de euro is het sluitstuk van de interne markt. Het besluit hiertoe viel in 1991 in ons eigen land, in Maastricht. De afsluiting van het Verdrag van Maastricht was een belangrijke doorbraak, die aanvankelijk een flinke stimulans voor het eurosentiment betekende. Het enthousiasme voor de invoering van een Europese munt verschilde overigens van land tot land. Dit kwam in sommige landen tot uitdrukking bij de referenda die over de toetreding tot de EMU werden gehouden. Diepe dalen moesten worden gepasseerd, voordat de euro er uiteindelijk kwam. U herinnert zich vast nog de monetaire crises in het EMS in 1992 en 1993. Het Britse pond en de Italiaanse lire werden gedwongen de monetaire samenwerking binnen het Europees Monetair Stelsel op te zeggen. Voor de valuta´s die overbleven werden de marges rond de zogenaamde spilkoersen opgerekt tot 15%. Alleen de gulden bleef in dit geweld overeind. Niet zonder trots kan ik zeggen dat wij als enige erin slaagden een bilateraal arrangement met de Duitsers af te sluiten, dat voorzag in handhaving van de fluctuatiemarge van 2,25% tussen de gulden en de D-mark. De EMS-crisis creëerde alom twijfel over de levensvatbaarheid van het monetaire eenwordingsproject. Daaraan droeg bij de geringe vooruitgang die in de eerste helft van de jaren negentig werd geboekt met de sanering van de overheidsfinanciën. De overheidstekorten in Europa liepen na ´Maastricht´ zelfs op. In 1993 werd het hoogste niveau bereikt, gemiddeld 6,3%. Daarna trad een langzame daling op en pas in 1997 waren in de meeste landen de overheidsfinanciën zodanig gesaneerd, dat de Maastrichtnormen werden gehaald. Geen wonder dus eigenlijk dat het met het vertrouwen in het Europese monetaire integratieproces niet altijd even goed gesteld was.

De beslissingen van de Europese regeringsleiders en staatshoofden op 2 en 3 mei 1998 maakten een einde aan alle twijfels ten aanzien van de euro. Op 1 juni 1998 werd de Europese Centrale Bank opgericht en per 1 januari jl. werd de muntunie en dus ook de euro gestart. De nationale regeringen hebben grote inspanningen geleverd om aan de toetredingscriteria te voldoen, hetgeen, zoals u weet, resulteerde in een EMU-kopgroep van elf landen. Lange tijd zag het ernaar uit dat de EMU zou beginnen met een stuk of zes, zeven landen, als het al zou beginnen. Maar met name in de Zuid-Europese landen vond een indrukwekkende inhaalrace plaats. Hier en daar moest men zijn toevlucht zoeken tot wat creatief boekhouden, maar, het moet gezegd, ook zonder dat is veel bereikt. De Duitse Bondskanselier Kohl heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld. Dit bewijst dat een enkeling, als hij maar op de goede plaats zit, grote invloed kan hebben op het wijzigen van opvattingen.

Publiek debat ontbrak
In tegenstelling tot enkele andere Europese landen hebben wij in Nederland nauwelijks een publiek debat gekend over de voors en tegens van de EMU. Hiervoor bestaat een aantal redenen. Ten eerste de Europese gezindheid van de Nederlandse bevolking. Nederland stond in Europa steeds vooraan als het ging om internationale samenwerking. Als geen ander Europees land hebben wij een geschiedenis als handelsnatie. Een tweede verklaring voor het geringe debat is mogelijk gelegen in het Nederlandse vertrouwen in instituties. De overheid en publieke organen, waar ik de Bank ook toe reken, genieten over het algemeen groot vertrouwen van de bevolking. De derde verklaring voor het beperkte debat over de wenselijkheid van de euro is van juridische aard. In sommige Europese landen kunnen verdragen niet worden gesloten zonder volksraadpleging, hetgeen in sommige landen leidde tot een heftige publieke discussie. U herinnert zich misschien nog het resolute ´nej´ van de Deense bevolking. Ook in Frankrijk werd een referendum gehouden, en het scheelde maar een haar of de Fransen hadden de bepalingen die de komst van de euro mogelijk maakten verworpen.

Het belang van opiniepeilingen
Het geringe publieke debat over de euro betekende niet dat geen behoefte bestond aan informatie. Ook de Nederlandsche Bank is zich hiervan steeds goed bewust geweest. Een handicap voor een vroege start van de voorlichting was wel, dat tot in een late fase zoveel zaken nog niet beslist waren, zoals de naam van de nieuwe valuta, ecu of euro, welke landen aan de muntunie zouden gaan deelnemen, en of en wanneer de euro zou starten. Dit neemt niet weg dat in een enkel ander land de voorlichting toch eerder is gestart. Ik heb het altijd buitengewoon verstandig gevonden dat bijvoorbeeld in Frankrijk, waar heel wat tegenstanders van de euro waren, de regering zo vroeg met publieksvoorlichting is begonnen. Onbekend maakt immers onbemind.

Om te weten op welke terreinen voorlichting nodig is, is het zeer belangrijk om de publieke opinie goed te volgen. Daarom voert de Bank sinds 1995 tweemaal per jaar een enquête inzake de euro uit onder het Nederlandse publiek en het bedrijfsleven. Enquêteren om rekening te kunnen houden met de gevoelens van het publiek, is voor de Bank overigens een doodgewone zaak. De Bank heeft sinds de jaren zestig veelvuldig via enquêtes de opinie van het publiek gemeten. Dit betrof vaak de kennis en waardering van bankbiljetten en de behoefte aan wijziging van de coupurereeks. Onderzoeksresultaten hebben een rol gespeeld bij de invoering van de biljetten van 5, 50 en 250 gulden en de ontwikkeling van nieuwe bankbiljettenseries. Het publiek is ook herhaaldelijk ondervraagd over het gebruik van bankbiljetten en het betaalgedrag in het algemeen. Dit is buitengewoon belangrijke informatie. Het geeft ons onder meer inzichten die ons helpen de vervanging van de gulden door de euro in 2002 zo goed mogelijk te regelen.

De ontwikkeling van de publieke opinie met betrekking tot de euro Het eerste opinie-onderzoek van de Bank over de euro dateert uit het voorjaar van 1995. De resultaten ervan kan men zien als een soort nulmeting. Van voorlichtingsactiviteiten was nog niet of nauwelijks sprake. Dat had ook nog niet veel zin, omdat - zoals gezegd - veel zaken destijds nog niet vast stonden. Opvallend was dat de mening van particulieren aanvankelijk niet erg sterk afweek van die van bedrijven. Dit zou later veranderen. Uit de nulmeting bleek een positieve instelling ten aanzien van de euro. 60% van de Nederlanders achtte de euro een aanvaardbaar alternatief voor de gulden. De ontwikkelingen rond de EMU werden, met name door mannen en hogeropgeleiden, redelijk tot goed gevolgd. Deze groepen dachten ook positiever over de nieuwe munt. Met de kennis van de bevolking bleek het echter aanmerkelijk minder goed gesteld. Dit zou nog een hele tijd zo blijven. Ook in latere peilingen kwam, bij zowel consumenten als bedrijven, de onbekendheid als hardnekkigste bezwaar tegen de euro naar voren. Ook chauvinistische gevoelens, merkwaardigerwijs relatief sterker bij vrouwen, en economische overwegingen, zoals de angst voor een hogere inflatie, relatief sterker bij mannen, speelden een rol bij negatieve gevoelens ten opzichte van de euro. Duidelijk was dat een goede voorlichting zou moeten bijdragen aan het wegnemen van de onbekendheid met de euro. Dit zou een gunstige invloed kunnen hebben op de aanvaarding ervan door het publiek.

Een aantal momenten zijn cruciaal geweest voor de ontwikkeling van de publieke opinie. Zo namen de Europese regeringsleiders tijdens de Europese Top van Madrid in december 1995 veel weg van de twijfel of de EMU er ook echt zou komen. Ogenschijnlijk een futiliteit, maar van grote symbolische waarde voor het publiek, was dat de gemeenschappelijke munt een naam kreeg. Verder besloot men dat de EMU op 1 januari 1999 van start zou gaan en dat de deelnemende landen zo vroeg mogelijk in 1998 zouden worden aangewezen. Een derde belangrijk besluit betrof de vaststelling van het - u allen inmiddels bekende - tijdpad voor de overgang op de euro. De resultaten van Madrid waren niet direct terug te zien in de publieke opinievorming. De acceptatie van de euro nam toe, maar met de kennis van de bevolking wilde het maar niet vlotten. Een intensivering van de communicatie-inspanningen, juist ook gericht op de praktische consequenties van de euro voor het publiek en het bedrijfsleven, was nodig. Eén op de vijf respondenten kende de naam euro. De meerderheid, 60% hield het echter nog op ´ecu´. Een hardnekkig misverstand is ook steeds geweest dat de chartale euro zou worden ingevoerd op 1 januari 1999, de startdatum van de EMU. Ofschoon dit niet is gemeten, vermoed ik dat de meeste mensen nu overigens wel door hebben dat dat niet het geval is. Onze DNB-euro-informatielijn heeft sinds de start van de EMU pas één telefoontje ontvangen van een kwieke oude dame, die wilde weten waar zij de eurobiljetten kon krijgen.

Een belangrijke rol in de communicatie is weggelegd voor het Nationaal Forum voor de introductie van de euro, dat begin 1996 door Minister Zalm werd ingesteld. In dit Forum, dat zorgt voor een soepele overgang op de euro, zijn alle maatschappelijke sectoren vertegenwoordigd. De voorlichtingsinspanningen worden gecoördineerd in het Voorlichtersforum. Hieronder ressorteren verschillende werkgroepen, die zich bezighouden met de specifieke voorlichting van bijvoorbeeld ouderen, gehandicapten, minderheden en het onderwijs. De enquêteresultaten van de Bank spelen bij dit alles een belangrijke rol. Om effectief sturing te kunnen geven aan de nationale voorlichtingscampagne wordt de vragenlijst steeds aangepast.

Ofschoon de steun voor de euro nog altijd vrij hoog was, trad in het voorjaar van 1997 een daling op in mate waarin men de euro als aanvaardbaar alternatief voor de gulden accepteerde. Angst voor een zwakke euro bleek ineens weer een belangrijk tegenargument. De voors, maar vooral ook de tegens van de euro hadden veel aandacht in de media gekregen. Dit gebeurde ook door het publiciteitsoffensief van een groep van zeventig kritische economen, die wat laat wakker waren geworden. Hun argumenten bleken overigens alleen particulieren te kunnen bekoren. De steun van het bedrijfsleven voor de euro is steeds vrij constant, op een hoog niveau, geweest.

De Eurotop, die in juni 1997 in ons eigen gebouw plaatsvond, leidde tot veel publiciteit over de euro, maar de steun van het publiek kwam niet terug op het oude niveau. Mede door het houden van een groot aantal speeches en het ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal is, ook de door de Bank, gewerkt aan een intensievere voorlichting. Uit de enquête-resultaten kwam immers keer op keer naar voren dat de acceptatie van de euro groter is, naarmate men zich beter geïnformeerd voelt.

Dat het relatief grote vertrouwen in de euro gepaard kon gaan met een gebrekkige kennis, hing waarschijnlijk samen met de abstracte berichtgeving over de euro in 1996 en 1997. Veel aandacht ging immers uit naar zaken als de EMU-kwalificatie van de lidstaten, het stabiliteitspact en de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank. De praktische consequenties van de komst van de euro bleven onderbelicht, ook al omdat veel zaken nog niet waren uitgekristalliseerd. Dit was een van de redenen om de massale publiciteits-campagne over de euro pas te starten in 1998, toen de EMU-deelnemers bekend waren.

Pas in het voorjaar van 1998 nam de steun voor de euro weer toe. Gelukkig, want de nieuwe munt stond al bijna op de stoep. Met de kennis, een rode draad in het verhaal, bleef het echter kwakkelen: zo dachten een jaar geleden veel mensen nog altijd dat de start van de EMU en de chartale invoering van de euro zouden samenvallen. De eurokennis van de bevolking is eigenlijk pas echt op niveau gekomen na de start van de intensieve mediacampagne, die in mei 1998 onder de titel `De euro wordt van ons allemaal' van start ging. Na de bekendmaking van de EMU-deelnemers hebben ook andere partijen, zoals banken, hun voorlichting geïntensiveerd, en dat heeft zeker vruchten afgeworpen.

Euroforie
In maart van dit jaar is de eerste opiniepeiling verricht na de feitelijke start van de EMU en de resultaten zijn zeer verheugend. De acceptatie van de euro was al hoog, en dat is niet veranderd. Vier van de vijf Nederlanders zien het zitten met de nieuwe munt. Van de bedrijven heeft 90% goede verwachtingen. In het licht van al onze activiteiten is het daarnaast bijzonder prettig om te kunnen constateren dat het inmiddels ook goed is gesteld met de kennis van de consument. 85% van de particulieren acht zich op dit moment voldoende geïnformeerd. Een half jaar geleden was dit nog 60%. Maar liefst zeventig procent van de mensen weet dat de euro fl. 2,20 waard is. Driekwart is zich ervan bewust dat de euro´s per 1 januari 2002 in omloop komen (een half jaar gelden nog niet één derde), en vier van de vijf Nederlanders weten dat de euro ´euro´ heet. (U begrijpt dat deze vraag niet zo is gesteld). Andere nuttige informatie is dat het animo onder het publiek om voor 1 januari 2002 met euro´s te gaan betalen, beperkt is. Vier van de vijf Nederlanders zeggen de euro pas te willen gebruiken als de munten en de bankbiljetten beschikbaar zijn. Wel vindt de helft van de mensen dat winkels zo snel mogelijk dubbele prijzen moeten hanteren. Circa 30% vindt het voldoende als winkels dit doen een paar maanden vóór 1 januari 2002.

Deze resultaten zijn uitstekend, maar ik had ze wel verwacht. Ze sporen met de intuïtie en de gegeven voorlichting. Met name in de aanloop naar de start van de EMU was sprake van een publiciteitsgolf. Voor de Bank kan ik zeggen dat wij heel bewust een offensieve strategie hebben gekozen. Iets waar wij niet om bekend staan, maar wat heel goed blijkt te hebben uitgepakt. Onze afdeling Voorlichting heeft de laatste maanden de handen vol gehad. De eerste druk van de nieuwe brochure van de Nederlandsche Bank, 10.000 stuks, was zeer snel uitverkocht. Onze website wordt inmiddels dagelijks door circa 400 personen bezocht. De absolute piek werd bereikt op Oudejaarsdag, toen meer dan 1000 personen benieuwd waren naar de euroconversiekoers van de gulden. Zelf heb ik in de laatste maanden van 1998 aan vrijwel alle grote Nederlandse dag- en weekbladen een interview gegeven en vele speeches gehouden. Ook een aantal Bankmedewerkers heeft veelvuldig speeches ´in het land´ verzorgd. In december heeft de Bank een speciaal euroseminar georganiseerd voor de financiële pers. Verder zou ik willen wijzen op de publiciteit rond het, zeer succesvolle, conversieweekend tijdens Oud- en Nieuw. Kranten, radio en t.v. zijn tegen het eind van 1998 zeer actief geworden en hebben in zeer belangrijke mate bijgedragen aan de huidige euroforie.

Toekomstige ontwikkelingen
Kortom: het ziet er allemaal goed uit, maar we zijn er nog niet. Om mogelijke verschuivingen in de voorkeur en het gedrag van consumenten en bedrijven tijdig op het spoor te komen meet het Nationaal Forum viermaal per jaar de ´Eurodynamiek´. Belangrijke informatie betreft de mate waarin in het maatschappelijk verkeer de euro wordt gebruikt, c.q. de behoefte wordt gevoeld de euro te gaan gebruiken. De enquête van de Bank speelt hierbij een belangrijke rol. Daarnaast worden ook gegevens van het bankwezen en de belastingdienst meegenomen over het gebruik van de euro in het betalingsverkeer en over de ontwikkeling in het aantal aangiftes in euro. De resultaten van de eerste meting duiden erop dat het gebruik van de euro door consumenten en bedrijven nog geen grote vlucht heeft genomen. Via onze eurolijn komen dagelijks vele vragen binnen. De aard hiervan geeft ons een goede indruk van wat er speelt. Ook de bestuurders van onze Bankkantoren houden, via hun bedrijfsbezoeken, een vinger aan de pols in de regio. Ook bijeenkomsten zoals die van vandaag zijn prima geschikt om ontwikkelingen te signaleren.

Tot slot
In vogelvlucht zijn de opvattingen in de jaren negentig rond de euro aangestipt. Bij terugzien wordt duidelijk hoezeer zelfs binnen een decennium opvattingen kunnen veranderen. Pessimisme ten aanzien van de komst van de euro werd afgewisseld met euroforie. Toevallige externe, dat wil zeggen niet of zeer moeilijk te beïnvloeden omstandigheden kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Maar ook duidelijk is hoe groot de rol van goede voorlichting is. Opvattingen kunnen veranderen door adequate informatieverschaffing. Bij de euro is het voorlichtingstraject, ten dele onvermijdelijk, aan de late kant gestart. Maar eenmaal begonnen, heeft de voorlichting duidelijk effect gehad. Een zeer belangrijke rol in de laatste fase heeft de aandacht gespeeld die de kranten tegen het eind van 1998 aan de euro zijn gaan besteden. De bekendheid van het publiek met de euro is hierdoor in hoge mate vergroot.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie