Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Allochtone leerling presteert minder op examen

Datum nieuwsfeit: 19-05-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CBS Persbericht

Datum: 19-05-99

Allochtone leerling presteert minder op examen

Allochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs slagen gemiddeld minder vaak voor het eindexamen dan autochtone leerlingen. De verschillen zijn het grootst op de havo en het vwo. Zowel autochtone als allochtone leerlingen presteren beter bij het schoolonderzoek dan bij het centraal examen, maar vooral bij allochtone leerlingen is het verschil groot. Voor de scholen in de grote steden geldt dat de slagingspercentages van zowel autochtone als allochtone leerlingen lager zijn dan in de rest van Nederland. Opmerkelijk is dat op scholen met een hoog percentage "cumi-leerlingen" zowel de autochtone als allochtone leerlingen minder goede examenresultaten hebben. Dit hangt deels samen met het feit dat deze scholen meer in de grote steden voorkomen.

Grote verschillen naar etniciteit bij vwo en havo

In 1998 deden bijna 180 duizend leerlingen examen in het voortgezet onderwijs. Het voortgezet onderwijs omvat de schoolsoorten mavo, havo, vwo en voorbereidend beroepsonderwijs. De slagingspercentages zijn het hoogst bij het mavo en vbo en het laagst bij het havo. De examenresultaten verschillen aanzienlijk naar etniciteit. De resultaten van de groep autochtone leerlingen zijn het hoogst en die van de zogenaamde cumi-leerlingen zijn het laagst. Cumi-leerlingen zijn voornamelijk leerlingen van wie beide ouders geboren zijn in landen als Marokko, Turkije, voormalig Joegoslavië, Suriname en de Antillen. Voor het vwo en havo zijn de verschillen tussen autochtone leerlingen en cumi-leerlingen het grootst. Voor het mavo en het vbo zijn de verschillen minder groot. Dit hangt samen met het feit dat cumi-leerlingen op de mavo en het vbo vaker een diploma behalen op een lager niveau.

Resultaat centraal examen lager dan schoolonderzoek

Leerlingen presteren bij het schoolonderzoek gemiddeld beter dan bij het centraal examen. Het gemiddelde cijfer voor het schoolonderzoek (SO) ligt bij alle schoolsoorten hoger dan voor het centraal examen (CE). Bij de autochtone leerlingen is het gemiddelde SO-cijfer iets hoger dan het gemiddelde CE-cijfer, namelijk 0,1 à 0,2 punt. Bij de cumi-leerlingen daarentegen ligt het SO-cijfer fors hoger dan het cijfer voor het centraal examen, namelijk 0,5 à 0,6 punt. Anders gezegd: bij het schoolonderzoek presteren cumi-leerlingen gemiddeld bijna even goed als de autochtone leerlingen; bij het centrale examen zijn de verschillen tussen cumi-leerlingen en autochtone leerlingen groter.

Minder goede resultaten in grote steden

Relatief veel cumi-leerlingen gaan naar school in de grote steden. Van alle examenkandidaten in het voortgezet onderwijs gaat ruim één op de tien naar school in een van de grote gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag). Van de cumi-leerlingen in de hoogste klassen van het voortgezet onderwijs gaan maar liefst vier op de tien naar school in deze vier grote gemeenten. De gemiddelde slagingspercentages in de vier grote steden zijn voor alle schoolsoorten lager dan in de rest van Nederland. Dit geldt zowel voor de autochtone leerlingen als voor de allochtone leerlingen. Bij het havo zijn de verschillen tussen de grote steden en de rest van Nederland het grootst, bij het vbo het kleinst.

Verschillen tussen scholen

Er zijn scholen waar geen enkele leerling in de examenklas tot de cumi-leerlingen behoort en scholen waar meer dan 20 procent van de examenleerlingen tot deze groep behoort. Voor met name mavo, havo en vwo geldt dat het slagingspercentage van zowel autochtonen als allochtonen afneemt naarmate het percentage cumi-leerlingen dat examen doet, hoger is. Bij de interpretatie van dit verschijnsel moet worden opgemerkt dat scholen met een hoog percentage cumi-leerlingen vooral worden gevonden in de grote steden. Als rekening wordt gehouden met de locatie van de school blijkt dat de verschillen in examenresultaten tussen scholen met meer en minder cumi-leerlingen kleiner worden.

Technische toelichting

De cijfers in dit artikel voor het verslagjaar 1998 zijn gebaseerd op een gezamenlijk onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs, de Informatie Beheer Groep (IB-groep) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 1998 deden bijna 180 duizend leerlingen examen in het voortgezet onderwijs. De IB-groep heeft een bestand met persoonsgegevens (waaronder het sofi-nummer) van 80 procent van deze leerlingen beschikbaar. Dit bestand is door het CBS gekoppeld aan de Gemeentelijke Basisadministratie om het geboorteland van de leerlingen en hun ouders te bepalen. De examenresultaten naar etniciteit zijn gebaseerd op dit gekoppelde bestand, en dus op een deelpopulatie van alle examenkandidaten.

Vergeleken met de totale populatie examenkandidaten bevat de deelpopulatie relatief weinig vbo-leerlingen en veel havo- en vwo-leerlingen. Daarom is het bestand niet gebruikt voor de berekening van het slagingspercentage in het voortgezet onderwijs als geheel. Bovendien zijn allochtone leerlingen enigszins ondervertegenwoordigd, zodat per schoolsoort geen uitspraken gedaan kunnen worden over autochtonen en allochtonen tezamen. Het gekoppelde bestand is dus alleen gebruikt voor de berekening van slagingspercentages per schoolsoort per etnische groep.

In dit persbericht is de volgende indeling van etniciteit gemaakt:
* Autochtone leerlingen. Dit zijn leerlingen die zelf en van wie beide ouders zijn geboren in Nederland.

* Allochtone leerlingen. Dit zijn leerlingen die in het buitenland zijn geboren of waarvan minstens één van de ouders in het buitenland is geboren.

Binnen de groep allochtone leerlingen is een tweedeling gemaakt in:
* Cumi-leerlingen. Dit is bij benadering de groep leerlingen die het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen tot de culturele minderheidscategorieën in het voortgezet onderwijs rekent. Het betreft voornamelijk leerlingen van wie beide ouders afkomstig zijn uit landen als Marokko, Turkije, voormalig Joegoslavië, Suriname en de Antillen. Van bijna vier van de vijf cumi-leerlingen zijn de ouders afkomstig uit Marokko of Turkije.
* Overige allochtonen. Dit zijn bijvoorbeeld leerlingen die geboren zijn in Duitsland, België of de Verenigde Staten.

Het voorbereidend beroepsonderwijs omvat ook het individueel voorbereidend beroepsonderwijs.

Achtergrondinformatie

Voor meer informatie over de cijfers kunt u contact opnemen met het Centraal Bureau voor de Statistiek in Voorburg, mevr. drs. B. Schaafsma-Harteveld, tel. (070) 337 54 57; e-mail: (bhrd@cbs.nl). Overige informatie kunt u krijgen bij de persdienst van het CBS, tel. (070) 337 58 16. De gegevens zijn ook opgenomen in het Onderwijsverslag 1998 van de Inspectie van het Onderwijs. Het Onderwijsverslag zal vanmiddag om 14.00 uur aan de pers gepresenteerd worden in Nieuwspoort.

© Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen, 1999 Bronvermelding is verplicht.
Verveelvoudiging voor eigen gebruik of intern gebruik is toegestaan.

Laatst gewijzigd: 19 mei 1999

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie