Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Geannoteerde agenda Ecofin Raad

Datum nieuwsfeit: 25-05-1999
Vindplaats van dit bericht
Vindplaats 2
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE FIN

www.minfin.nl

MIN FIN: GEANNOTEERDE AGENDA ECOFIN NAAR KAMER

PERSBERICHTNR. 99/109 Den Haag 18 mei 1999

GEANNOTEERDE AGENDA ECOFIN 25 MEI 1999 NAAR KAMER

Minister Zalm van Financiën heeft vandaag, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, de geannoteerde agenda van de Ecofin Raad van 25 mei 1999 naar de Kamer gezonden.
Het is mogelijk dat nog punten worden toegevoegd aan de agenda of dat bepaalde onderwerpen worden afgevoerd of worden uitgesteld tot in de volgende vergadering. De agenda wordt pas definitief bij het begin van de vergadering van de Raad.
De geannoteerde agenda van de Ecofin Raad zal voortaan als persbericht worden verzonden.
Hieronder volgt de integrale tekst.


1. Voorbereiding Europese Raad in Keulen (3/4 juni 1999) Globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de gemeenschap (COM(1999) 143 final).
De Ecofin van 25 mei stelt het ontwerp voor de globale richtsnoeren vast en legt zijn bevindingen in een verslag aan de Europese Raad van Keulen voor. Uitgaande van de conclusie van de ER neemt de Ecofin van 14 juni de globale richtsnoeren aan en stelt het Europees Parlement van zijn aanbeveling in kennis. Het Europees Parlement heeft de Resolutie over de globale richtsnoeren aangenomen (DOC.EN.RR.377.377106), waarin onder andere de aard van de aanbeveling wordt verwelkomd. Zoals blijkt uit het Verslag van de Ecofin van 10 mei, is Nederland zeer tevreden over de aanbeveling van de Commissie, die een juiste balans weet te vinden in de aandacht voor macro-economische en structurele beleidsvraagstukken en voor het eerst ook landenspecifieke richtsnoeren op het gebied van het structurele en het macro-economische beleid bevatten. Verwacht wordt dat hierdoor meer identiteit en herkenbaarheid wordt gegeven aan het economische beleid binnen de Unie. Belangrijkste Nederlandse inzet is het behouden van het landenspecifieke en kritische karakter van de richtsnoeren. Andere speerpunten van Nederland zijn aanpassing van de algemene richtsnoeren over de loonvorming, die nu nog teveel het belang van de effectieve vraag benadrukken, meer aandacht voor het milieu via vergroening van het belastingstelsel en aandacht voor de pensioenproblematiek in het kader van de vergrijzing.

Werkgelegenheidspact
Op de top van Wenen is besloten tot de ontwikkeling van een werkgelegenheidspact in het kader van het proces van Luxemburg. Het werkgelegenheidspact, zoals opgesteld door het Duits voorzitterschap, heeft reeds een aantal ronden van discussie doorgemaakt in de Ecofin en de Sociale Raad. De Duitse voorstellen zijn inmiddels een stuk beter op het Nederlands standpunt afgestemd (betere balans tussen macro-economische beleidscoördinatie en structurele hervormingen; en erkenning van de verantwoordelijkheden van de verschillende actoren - overheid, sociale partners en ECB). De bedoeling is dat de ER van Keulen (3 en 4 juni) een resolutie over het pact uitgeeft, waarbij het pact als bijlage wordt toegevoegd. Tegelijkertijd zullen de sociale partners een verklaring uitbrengen over hun bijdrage aan het pact. Een concept-resolutie zal voorliggen aan de Ecofin van 25 mei. Aansluitend op deze Ecofin zal een gezamenlijke vergadering plaatsvinden van de Ecofin en de Sociale Raad. De Nederlandse inzet inzake de resolutie en het werkgelegenheidspact is overeenkomstig het standpunt zoals is verwoord in de nota .macro-economische beleidscoördinatie. en de gezamenlijke brief van minister Zalm en De Vries zoals verzonden, mede namens minister Jorritsma, aan de informele Ecofin te Dresden.

Rapport over de Interne Markt voor Financiële diensten Op 23 november 1998 heeft de Ecofin Raad bij de behandeling van het Actiekader voor Financiële Diensten (COM(1998)625, 28.10.98) ingestemd met het opzetten van een tijdelijke Financial Services Policy Group (FSPG), bestaande uit persoonlijk vertegenwoordigers van de ministers van Financiën. Deze FSPG heeft in drie vergaderingen die in de eerste helft van 1999 hebben plaatsgevonden, getracht tot politieke consensus te komen ten aanzien van de prioriteitstelling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de komende jaren op het gebied van financiële diensten. Deze prioriteitstelling zal door de Commissie worden uitgewerkt in een rapport en een concreet Actieplan, waarvoor op de Ecofin en de Europese Raad in Keulen politiek commitment zal worden gezocht.
Hoewel het rapport en het Actieplan nog niet zijn ontvangen, zal Nederland zich naar verwachting kunnen vinden in de hoofdlijnen van het rapport en het Actieplan. Tijdens de vergaderingen van de FSPG heeft de Commissie aangegeven het rapport en het Actieplan geheel te zullen baseren op de besprekingen in de FSPG. Nederland bleek zich tijdens de bijeenkomsten veelal te kunnen vinden in de door de Commissie voorgestelde benadering van de verschillende onderwerpen. Daarnaast bleek tijdens de bijeenkomsten van de FSPG dat het stuk dat Nederland aan de Commissie en de andere lidstaten van de Europese Unie had gezonden (dit stuk is per brief van 17 februari 1999 (BGW 99/332-M) ook aan de Tweede Kamer aangeboden) om een positieve bijdrage te kunnen leveren aan de discussie in de FSPG, op een groot aantal onderdelen door de Commissie en de meerderheid van de lidstaten werd gesteund, onder andere ten aanzien van het niet opleggen van kwantitatieve restricties aan pensioenfondsen, betere informatieverstrekking aan de consument en het in kaart brengen van bepalingen die grensoverschrijdende dienstverlening belemmeren. Op het gebied van de wholesale markt zal de Commissie naar verwachting de hoogste prioriteit willen geven aan de regulering van pensioenfondsen, de verbetering van de wederzijdse erkenning van prospectussen en afronding van een aantal richtlijnen, zoals de 13e richtlijn Vennootschapsrecht en de richtlijnen inzake Collectieve Beleggingen (UCITS). Daarnaast zal onder andere aandacht worden besteed aan de verbetering van transparantie van verslaggeving van financiële instellingen. Op het gebied van de retailmarkt zal de Commissie naar verwachting de hoogste prioriteit geven aan een mededeling over de bevordering van betaalbaar grensoverschrijdend betalingsverkeer voor de consument en het afronden van de richtlijn inzake verkoop op afstand van financiële diensten. Daarnaast zal de Commissie aandacht willen besteden aan betere informatieverstrekking aan de consument, buitenrechtelijke geschillenbeslechting en het in kaart brengen van bepalingen van .algemeen belang. die grensoverschrijdende diensten kunnen belemmeren. In het kader van prudentiële regelgeving en toezicht zal naar verwachting de hoogste prioriteit worden gegeven aan afronding en aanpassing van een aantal richtlijnen, zoals de richtlijnen inzake sanering en liquidatie en de richtlijn witwassen. Daarnaast zal de Commissie aandacht besteden aan het toezicht op financiële conglomeraten.

Voortgangsrapport over versterkte samenwerking belastingbeleid De Commissie zal aan de Ecofin een voortgangsrapport voorleggen over de versterkte samenwerking van het belastingbeleid in de EU. Het rapport is echter nog niet ontvangen. Waarschijnlijk zal de Commissie in het voortgangsrapport ingaan op de stand van zaken in de lopende Europese belastingdossiers. De nadruk zal daarbij waarschijnlijk liggen op het belastingpakket dat is aangenomen op de Ecofin van 1 december 1997 en dat bestaat uit de gedragscode ter voorkoming van schadelijke belastingconcurrentie, het richtlijnvoorstel over belastingheffing op rente uit spaartegoeden van particulieren en het richtlijnvoorstel over belastingheffing op rente en royalty-betalingen tussen verbonden ondernemingen. Eventueel zullen aanbevelingen worden gedaan voor verdere initiatieven. Aangezien het rapport nog niet is ontvangen, is de definitieve Nederlandse inzet nog niet vastgesteld. Waarschijnlijk zal Nederland volstaan met kennisnemen van de inhoud van het rapport.

Internationaal Financieel Stelsel.
Zoals besloten tijdens de Europese Raad van Wenen, zal de komende ER een nader rapport ontvangen over de Internationale Financiële Architectuur. Onderwerpen die in dit rapport aan de orde komen zijn transparantie, toezicht op de financiële sector, kapitaalverkeer, betrokkenheid van de particuliere sector bij het voorkomen en oplossen van financiële crises, wisselkoersbeleid, technische assistentie, en de Bretton Woods-instellingen. Doel van de exercitie is een meer gemeenschappelijke Europese positie op deze terreinen tot stand te brengen. De paper is nog volop in bespreking, en zal aan de orde zijn in het het EFC (15-18 mei), en de Ecofin (25 mei) , alvorens door de Europese Raad (3-4 juni) te worden opgenomen. De Nederlandse inzet is gericht op het zo spoedig mogelijk overeenkomen van een gemeenschappelijk Europees standpunt dat vervolgens in de internationale fora kan worden uitgedragen.

Investeringen in infrastructuur en menselijk kapitaal De Europese Raad van Wenen (december 1998) heeft kennis genomen van de mededeling van de Europese Commissie getiteld 'overheidsinvesteringen in het kader van de economische strategie' (COM(1998) 682 def.). Naar aanleiding van deze mededeling heeft de Europese Raad toegezegd de vooruitgang die geboekt is ten aanzien van de Trans-Europese Netwerken (TEN.s), en met name de 14 prioritaire projecten op vervoersgebied, te evalueren, evenals de ontwikkeling van telecommunicatie- en informatietechnologieprojecten. Hiertoe zal de Ecofin Raad een rapport opstellen (nog niet beschikbaar) dat eerst op de Ecofin zelf zal worden besproken, alvorens het aan de Europese Raad te Keulen zal worden aangeboden. Op basis van deze evaluatie dient te worden bezien hoe financieringsregelingen kunnen worden verstrekt, waarbij de Europese Investeringsbank mede betrokken is. De EIB zou hierbij gebruik kunnen maken van haar ervaringen in het kader van het Speciale Actieprogramma van Amsterdam. Nederland erkent de rol die de EIB via het verstrekken van leningen in de financiering van bovengenoemde projecten kan hebben. Het verstrekken van dergelijke leningen moet echter een duidelijke meerwaarde hebben voor het desbetreffende project en niet in de plaats komen van particuliere leningen. Dit laatste is vaak het geval bij telecommunicatie-projecten, waarvoor in het algemeen ruime financieringsmogelijkheden bestaan in de particuliere sector. Uit het evaluatierapport zal moeten blijken of de huidige financieringsregelingen aanpassing behoeven.


2. Belastingen
Gedragscode ter voorkoming van schadelijke belastingconcurrentie (Pb 98/C2/01)

Aan de Ecofin ligt het tweede voortgangsrapport voor van de Gedragscode Groep die zorgt voor de feitelijke uitvoering van de gedragscode ter voorkoming van schadelijke belastingconcurrentie. De gedragscode behelst een politieke overeenkomst tussen de lidstaten om schadelijke vormen van belastingconcurrentie uit te bannen. De gedragscode groep toetst fiscale maatregelen op hun schadelijke karakter in het licht van de gedragscode. Het rapport bevat een opsomming van de werkzaamheden van de groep gedurende het afgelopen half jaar. Het rapport bevat geen beslispunten. De Ecofin kan besluiten om het rapport openbaar te maken. Het is de bedoeling dat de groep aan het einde van dit jaar met een rapport komt waarin voor het eerst conclusies worden vastgesteld. Het Europees Parlement heeft geen rol binnen de gedragscode discussies.
Nederland kan kennis nemen van de tweede tussenrapportage en steunt het voornemen van de groep om aan het einde van het jaar conclusies vast te stellen. Deze conclusies dienen wel op een evenwichtige wijze te zijn opgesteld in die zin dat vergelijkbare maatregelen van de lidstaten gelijk worden behandeld.

Richtlijnvoorstel belasting op rente uit spaartegoeden (COM (1998) 295 final)
Op 20 mei 1998 heeft de Europese Commissie het richtlijnvoorstel voor de belastingheffing van inkomsten uit spaartegoeden gepresenteerd. Na advisering door het Europees Parlement zal dit voorstel bij unanimiteit moeten worden goedgekeurd door de Raad. Gestreefd wordt om voor de bijeenkomst van de Europese Raad in Helsinki overeenstemming te bereiken over het richtlijnvoorstel. Een aantal vraagstukken dat voortvloeit uit dit richtlijnvoorstel wordt behandeld door de Raadswerkgroep Financiële Vraagstukken. Tijdens de bijeenkomst van de Informele Ecofin van 16 tot 18 april 1999 is aan de Raadswerkgroep de opdracht verstrekt om een oplossing te vinden gericht op het verminderen van de administratieve lasten van betaalagenten ('paying agents') bij de uitvoering van de richtlijn. Ook werd de Raadswerkgroep verzocht om de mogelijkheid te onderzoeken om de groothandel in internationale waardepapieren (eurobonds) buiten de reikwijdte van de richtlijn te houden. De Raadswerkgroep werd verzocht haar bevindingen aan de Ecofin Raad van 25 mei 1999 te rapporteren. De Raadswerkgroep geeft in haar conclusies aan tot overeenstemming te zijn gekomen over de beginselen op basis waarvan het paying agent beginsel ten aanzien van particuliere ontvangers van rente-inkomsten moet worden toegepast. Met betrekking tot de behandeling van internationale waardepapieren was de Raadswerkgroep nog niet in staat tot een oplossing te komen. Gestreefd wordt naar een compromis waarin zowel met de werking van de obligatiemarkt als met de doelstelling van de richtlijn rekening wordt gehouden. Voorts is op hoofdlijnen overeenstemming bereikt over de wijze waarop inkomsten uit schuldpapieren moeten worden gedefinieerd.
De Raad wordt verzocht in te stemmen met de conclusies van de Raadswerkgroep. Voorts zal de Raadswerkgroep worden verzocht om de details van het paying agent beginsel en de rentedefinitie verder uit te werken. Nederland kan hiermee instemmen.

Richtlijnvoorstel belasting op interest en royalty.s (COM (98) 67 def.)
Het richtlijnvoorstel is onderdeel van het belastingpakket van 1 december 1997. Het voorstel beoogt de afschaffing van bronheffingen op betalingen van interest en royalty.s tussen verbonden ondernemingen uit twee verschillende lidstaten. Het is de bedoeling dat het voorstel aan het einde van dit jaar wordt goedgekeurd. Enkele lidstaten hebben ten aanzien van het voorstel een algemeen voorbehoud gemaakt en leggen een koppeling met de andere onderdelen van het taxation package, met name het richtlijnvoorstel belasting op rente uit spaartegoeden. Waarschijnlijk komt het Voorzitterschap met een voortgangsrapport over de werkzaamheden in de Raadswerkgroep Financiële Vraagstukken. Voor ongeveer de helft van de artikelen heeft deze groep zijn werk afgerond; wel zijn er nog een aantal problemen voor hoger niveau (Coreper of Ecofin Raad) blijven liggen. Het lijkt voor de hand te liggen dat de Raad in dit stadium nota neemt van de stand van de besprekingen en het Coreper en de Raadswerkgroep uitnodigt allereerst ook de overige artikelen van de richtlijn afdoende te bespreken, voordat door de Raad conclusies worden getrokken. Nederland is voorstander van de totstandkoming van de richtlijn op een zo kort mogelijke termijn. In de praktijk zal de richtlijn overigens vooral betekenis hebben voor de relatie tussen Nederland en Portugal omdat daarvoor een belastingverdrag ontbreekt. Met de overige lidstaten heeft Nederland bilaterale belastingverdragen gesloten waarin bronheffingen voor interest en royalty.s veelal zijn afgeschaft dan wel substantieel verlaagd.
Aangezien het document voor de vergadering nog niet is binnengekomen, zal de definitieve Nederlandse inzet voor deze vergadering nog nader moeten worden vastgesteld.

Arbitrageverdrag
Dit agendapunt wordt eventueel een a-punt. Sinds de principebeslissing van de Ecofin van 19 mei 1998 om het Arbitrageverdrag (Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen van 23 juli 1990) voor een periode van 5 jaar te verlengen, is gezocht naar een instrument waarmee deze verlenging (juridisch) kan worden geëffectueerd. De Nederlandse inzet gericht geweest op de totstandkoming van een protocol bij het Arbitrageverdrag. Door middel van het sluiten van een protocol passen de lidstaten het bestaande verdrag aan door een automatische verlengingsmogelijkheid op te nemen in het Verdrag.

Belasting op energieproducten (COM(97) 30 final) Aan de Raad wordt een compromisvoorstel van het Voorzitterschap voorgelegd inzake uitgangspunten voor een communautaire heffing op energieproducten die door de Groep Financiële Vraagstukken verder moeten worden uitgewerkt. Het voorstel is gebaseerd op de mandaten die eerder door de Europese Raad en Ecofin zijn vastgesteld. Het Europees Parlement is inmiddels over het richtlijnvoorstel van de Commissie geraadpleegd. Het voorstel van het Voorzitterschap voorziet voor thans niet aan geharmoniseerde minimumtarieven onderworpen producten de invoering van nader te bepalen minimumtarieven (aardgas, elektriciteit), dan wel voorlopig van nultarieven (kolen, bruinkool; turf blijft buiten het werkingsgebied). Voorts gelden vrijstellings- en differentiatiemogelijkheden (aardgas als motor- of verwarmingsbrandstof, kernenergie, energie uit waterkracht). Voor energieproducten waarvoor reeds minimumtarieven gelden wordt uitgegaan van nader te bepalen verhogingen. Voorts worden ook hier mogelijkheden voor vrijstellingen en afwijkingen voorzien (diesel in commercieel wegverkeer, verwarmingsbrandstof). Voorts bevat het voorstel voorzieningen voor overgangsperioden, energie-intensieve bedrijven en wordt het belang benadrukt van een duidelijke verhouding met het staatssteunregime. Nederland is voorstander van de totstandkoming van een in Europees verband geharmoniseerde heffing op energieproducten, die een wezenlijke verbreding en verhoging waarborgt. Nederland onderkent overigens dat in dit dossier alleen vooruitgang is te boeken door tegemoet te komen aan die lidstaten die vrezen voor de vooral economische effecten van een dergelijke heffing. Een compromisoplossing dient evenwel een voldoende ambitieniveau te hebben. In dat licht is het standpunt ten aanzien van het Voorzitterschapscompromis terughoudend.

Tabaksaccijnzen (COM(98) 320 final)
De Raad wordt verzocht in te stemmen met een richtlijnvoorstel ter wijziging van de structuurrichtlijn en tariefrichtlijn inzake de accijns op tabaksproducten. Het richtlijnvoorstel is door de Commissie is ingediend tezamen met een evaluatie over de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksproducten. Het Europees Parlement is inmiddels geraadpleegd.
Het voorstel bevat geen wezenlijke aanpassingen van het huidige accijnsregime. In eerste instantie betreft het voorstel enkele bepalingen inzake tarieven:

- een flexibelere toepassing van minimumpercentages in geval van prijs- en btw-verhogingen, door als toetsmoment te kunnen nemen de aanvang van het tweede jaar volgend op de verhoging;
- het introduceren van de mogelijkheid tot vaststelling van een specifiek minimumtarief voor sigaren, cigarillo.s en rooktabak indien het tarief (mede) is gebaseerd op een ad valorem recht, alsmede aanpassing aan de inflatie van de specifieke minimumtarieven voor deze producten;
Daarnaast regelt het voorstel de toekomstige evaluatieperiode van de accijnsstructuur en -tarieven. De te gebruiken periode is nog in discussie (2, 3, 4 of 5 jaar). Naast deze voornamelijk technische wijzigingen voorziet de voorliggende tekst in de verlenging van enkele bestaande afwijkingen (lagere tarieven voor tabaksproducten in Corsica, voor sigaretten in Zweden en voor tabaksrolletjes in Duitsland). Nederland kan instemmen met het richtlijnvoorstel. Voor Nederland heeft het voorstel geen directe verplichte gevolgen. Ten aanzien van de evaluatieperiode staat Nederland open. Naar verwachting zal de richtlijn kunnen worden aangenomen.

BTW op telecomdiensten (COM (97) 4 def.)
Het voorzitterschap heeft een compromisvoorstel ingediend, dat afwijkt van het oorspronkelijke richtlijnvoorstel van de Commissie. Het voorstel betreft de bepaling van de plaats van dienst van telecomdiensten en de daarbij behorende verlegging van de belastingplicht naar de afnemende ondernemer, en dient ter vervanging van de derogatiebeschikking van de Ecofin-Raad die afloopt op 31 december 1999 en waarop de nationale wet- en regelgeving thans is gebaseerd. Het geagendeerde voorstel betreft in feite een voortzetting van deze derogatiebeschikking. Alle lidstaten hebben zich positief uitgesproken over het voorstel - unanimiteit is vereist - en ook de Commissie heeft zich niet tegen het voorstel verzet. Het Europees Parlement heeft een advies uitgebracht over het oorspronkelijke voorstel van de Commissie. Met het voorstel wordt bewerkstelligd dat telecomdiensten die worden verricht aan niet-EU-afnemers en aan belastingplichtige EU-afnemers belast worden daar waar de ontvanger van de telecomdienst is gevestigd, woont of zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft. Bij zakelijk telecomverkeer wordt de heffing voorts verlegd naar de EU-afnemer. Telecomverkeer naar derde landen wordt niet belast met BTW en voor alle andere gevallen van telecomverkeer binnen de EU - zoals bijvoorbeeld particulier telecomverkeer en telecomverkeer vanuit telefooncellen - geldt het BTW-tarief van het land van de aanbieder. Bij particulier telecomverkeer door niet-EU-aanbieders geldt het tarief van de lidstaat van de EU-particulier en moet de aanbieder zich daar laten registreren (tenzij deze reeds beschikt over een vaste inrichting in de EU). Nederland is voorstander van het voorstel en dus van de voortzetting van de regeling zoals deze was vorm gegeven in de derogatiebeschikking. De huidige regelgeving met betrekking tot BTW-heffing op telecomdiensten werkt naar tevredenheid. Spoedige afronding van dit dossier is zeer gewenst zodat snel de regels vastliggen die gelden met ingang van 1 januari 2000. Dit om terugval in de (oude) situatie van vóór de derogatie-beschikking te voorkomen waardoor telecomdiensten weer belast zouden worden in het land waar de telecomaanbieder woont of is gevestigd. EU-aanbieders zouden dan weer worden benadeeld ten opzichte van aanbieders uit derde-landen.

BTW op arbeidsintensieve diensten (COM (1999) 62 def.) Het voorstel tot wijziging van de zesde BTW-richtlijn houdt in dat de lidstaten op verzoek kunnen worden gemachtigd een experiment uit te voeren door op bepaalde arbeidsintensieve diensten voor een proefperiode van drie jaar (2000-2002) het verlaagde BTW-tarief toe te passen. Doel van het experiment is het bevorderen van de werkgelegenheid. Eerst moet - met unanimiteit - de beginselmogelijkheid voor het experiment worden gecreëerd. Na aanvaarding van het richtlijnvoorstel kunnen de lidstaten vervolgens hun verzoeken indienen. Het richtlijnvoorstel gaat er van uit dat dit voor 1 september 1999 moet geschieden. Naar aanleiding van de verzoeken van de lidstaten stelt de Commissie vervolgens een pakket op met daarin vermeld de lidstaten die aan het experiment willen meedoen en de branches waarvoor die lidstaten individueel willen deelnemen. Over dit pakket moet opnieuw met unanimiteit worden besloten. Het richtlijnvoorstel staat voor deze Ecofin Raad voor het eerst geagendeerd, mogelijk om te zien of tijdens een ambtelijke werkgroep van de Raad geconstateerde scepsis bij enkele lidstaten kan worden weggenomen. Het Europees Parlement, dat over het richtlijnvoorstel moet worden geraadpleegd, heeft nog geen advies uitgebracht. Nederland is steeds een warm pleitbezorger geweest van de mogelijkheid, ter bevordering van de werkgelegenheid, bepaalde arbeidsintensieve diensten onder het verlaagde BTW-tarief te kunnen brengen, en staat dan ook positief tegenover het richtlijnvoorstel. Gezien het krappe tijdpad is snelle besluitvorming door de Ecofin Raad gewenst.

Belastingvrije verkopen
In november 1991 werd besloten tot beëindiging van de belastingvrije verkopen voor reizigers in het intra-EU-verkeer. Aanleiding daartoe was de inwerkingtreding van de interne markt met daaraan gekoppeld de afschaffing van de fiscale binnengrenzen per 1 januari 1993. Vanwege de problematiek van de sociale gevolgen is destijds besloten tot een ruime overgangsperiode en wel tot 1 juli 1999. Deze overgangsperiode was zo ruim gekozen om het betrokken bedrijfsleven de gelegenheid te geven zich geleidelijk op de nieuwe situatie voor te bereiden. Ondanks het aandringen van diverse lidstaten houdt de Commissie vast aan het besluit uit 1991. De Commissie heeft onderzoek laten doen naar de gevolgen voor de werkgelegenheid. Daaruit blijkt dat de effecten op de werkgelegenheid geen aanleiding vormen tot uitstel van de afschaffing. Een eventueel banenverlies zal slechts tijdelijk zijn en beperkt tot bepaalde regio.s en sectoren. In haar rapport beschouwt de Commissie drie alternatieven: beperkte verlenging in de tijd van de huidige mogelijkheden, een verlenging beperkt in tijd en tot enkele sectoren zoals veerbootverkeer, een fasegewijs verlopende invoering van accijnzen en directe invoering van BTW. Die alternatieven geven echter problemen door het voortduren van handelsdistorsies, van rechtsonzekerheid en in de handhaving; de Commissie wijst ze af. Nederland steunt de Commissie in het besluit om geen uitstel te verlenen voor de afschaffing van de belastingvrije verkopen in het intracommunautaire reizigersverkeer. De Nederlandse inzet is er op gericht te komen tot een goed werkbare uitvoeringspraktijk.


3. Efficiënt Financieel Management / Bestrijding van Fraude

Oprichting Europees bureau voor fraude-onderzoek Op 4 december 1998 diende de Commissie - naar aanleiding van een verslag van de Europese Rekenkamer uit juni 1998 (speciaal verslag nr. 8/98, PB van 22 juli 1998, nr. C 230, blz. 1-44) en een resolutie van het Europees Parlement uit oktober 1998 (PB van 26 oktober 1998, nr. C 328, blz. 95-97; zie ook doc. A4-0297/98) - een voorstel in om te komen tot de oprichting van een nieuw, onafhankelijk Europees fraudebureau (PB van 26 januari 1999, nr. C 21, blz. 10-15). De huidige fraudebestrijdings-eenheid van de Commissie (UCLAF: Unité de Coordination de la Lutte Anti-Fraude) is bevoegd tot on-derzoek van fraudegevallen binnen de lidstaten (extern onder-zoek) en binnen de Commissie (intern onderzoek). UCLAF kan evenwel géén onderzoek doen bij de andere instellingen van de EU. Het nieuwe bureau (OLAF: Office européen de la Lutte Anti-Fraude) moet wel on-derzoek kunnen doen bij alle Europese instellingen en organen.

Het Commissie-voorstel van 4 december 1998 voorzag in de oprichting van een onafhankelijk, van de Commissie losstaand communautair orgaan met rechts-persoonlijkheid. Dit voorstel kreeg echter on-voldoende steun van het Euro-pees Parlement en de Raad. Na overleg met het Europees Parlement en de Commissie stelde de Ecofin-Raad daarom op 15 maart 1999 conclusies vast (zie Kamerstukken II, 21 501-07, nr. 246) waarin werd aangege-ven hoe een versterking van de frau-de-bestrijding dan wel tot stand moest komen. Kern van de Ecofin-conclusies was dat er géén fraudebureau buiten de Commissie zou moeten komen, maar een ver-sterkt bureau binnen de Commissie. Dit bureau zou dan moeten worden belast met zowel intern on-derzoek bij alle Europese instellingen en organen als met extern onderzoek in de lidstaten (zoals UCLAF dat nu kan). Deze Ecofin-conclusies vormden het uitgangs-punt voor het herziene voorstel dat de Commissie kort na de Ecofin-vergadering van 15 maart 1999 uitbracht (doc. SN 2383/99). Dit nieuwe voorstel is vervolgens in Raadskader besproken, waarbij opnieuw nauw overleg is gevoerd met het Europees Parlement en de Commissie. De Ecofin-Raad wordt nu gevraagd zijn goedkeuring aan de voorliggende teksten te hechten, zo-dat OLAF op 1 juni 1999 zijn werkzaamheden kan aanvangen.

De taken en bevoegdheden van het bureau worden geregeld in een verordening van de Raad en het Europees Parlement. De Ecofin-Raad zal deze verordening aannemen. Rechtsbasis voor deze veror-dening is art. 280 van het EG-Verdrag (zoals gewijzigd en hernummerd bij het Verdrag van Amster-dam). Voor de aanneming van besluiten op grondslag van art. 280 moet het Europees Parlement wor-den betrokken volgens de procedure van art. 251 EG-Verdrag (codecisie) en moet voorts de Europese Rekenkamer worden geraadpleegd. Het Europees Parlement heeft inmiddels zijn instemming met voorliggende verordening laten blijken.

Voor de oprichting van OLAF is verder aanpassing nodig van het Europees ambtenarenstatuut (dit is nodig om te voorkomen dat een ambtenaar met een beroep op zijn statuut informatieverstrek-king aan OLAF kan weige-ren). Omdat aanpassing van het ambtenarenstatuut een tijdrovende zaak is, hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in af-wachting daarvan een interinstitutioneel ak-koord opgesteld. De voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zullen dit ak-koord in de middag van 25 mei 1999 ondertekenen. In het interinstitutioneel akkoord is onder meer aangegeven dat elke Eu-ro-pese instelling en orgaan een afzonderlijk intern besluit zal nemen om aan te geven onder welke voorwaarden en modaliteiten deze instelling of orgaan met OLAF zal samenwer-ken en hoe de informatie-uitwisseling zal verlopen. Bij het interinstitutioneel akkoord is daartoe een modelbesluit gevoegd. De Raad zal als eerste een dergelijk intern besluit nemen. De Ecofin-Raad zal het interne besluit van de Raad op 25 mei 1999 vaststellen. In het interinstitutioneel akkoord worden de andere instellingen en alle communautaire organen opgeroepen eveneens een dergelijk intern besluit te nemen om zich daardoor bij het interinstitutioneel akkoord aan te sluiten.
De leiding van OLAF komt te liggen bij een onafhankelijke directeur. Deze mag van niemand instruc-ties ontvangen. Hij zal worden benoemd door de Commissie op advies van een comité van toe-zicht, waarvan de leden worden benoemd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. De Ecofin-Raad zal de leden van het comité van toezicht in overleg met het Europees Parlement en de Commissie op 25 mei 1999 aanwijzen.
De werkzaamheden van OLAF zullen na drie jaar worden geëvalueerd. Nederlands aandachtspunt daarbij is allereerst dat in de uitvoering van de onderzoeken steeds een goed onderscheid wordt gemaakt tussen administratieve en strafrechtelijke bevoegdheden. Voorts is van belang dat de onafhankelijkheid van de directeur van OLAF zo veel mogelijk gewaarborgd blijft, terwijl tegelijkertijd sprake is van een voldoende mate van controle op de activiteiten van OLAF.

SEM 2000: voortgangsverslag
Het betreft hier het door de Commissarissen Liikanen en Gradin opgestelde vijfde halfjaarlijkse voort-gangsverslag over de werkzaamheden van de door hen voorgezeten SEM-groep (SEM: Sound and Efficient Financial Management 2000). Met de SEM-groep van persoonlijke vertegenwoordigers be-spreekt de Commissie voorstellen voor verbetering van het communautaire financiële beheer en de controle daarop. Deze SEM-groep werd begin 1996 ingesteld in het kader van de derde fase van het SEM 2000-initiatief. Het Europese Parlement is formeel niet betrokken bij de SEM-groep. Op uitnodi-ging van de Commissie woont een vertegenwoordiger van het Europees Parlement (alsmede een vertegenwoordiger van de Europese Rekenkamer vaak wel (een deel van) de SEM-vergaderingen bij.
In het vijfde voortgangsverslag (SEM 2000/3 (1999) doc. 9 van 5 mei 1999) wordt onder meer stilge-staan bij de onderwerpen die de groep van per-soonlijke vertegenwoordigers besprak op haar bijeen-komst van 20 april 1999. Eén van deze onderwer-pen is het binnen Agenda 2000 bereikte resultaat op het gebied van beheer en controle van structuur-fondsgelden. Aansluitend bij eerdere conclusies van de SEM-groep, is in de nieuwe structuurfondsver-ordeningen onder meer de rol van toezicht, evaluatie en controle versterkt. Ook is - in lijn met de SEM-besprekingen - tijdens de Agenda 2000-on-derhande-lingen overeenstemming bereikt over door de Commissie aan de lidstaten op te leggen financiële correcties, waaronder bij systemati-sche tekortkomingen zo nodig ook forfaitaire kortingen. Voorts bepalen de nieuwe structuurfondsveror-deningen dat er bij de einddeclaratie van een pro-gram-ma een verklaring door de lidstaat dient te wor-den overgelegd en dat betalingsverplichtingen waarvoor binnen twee jaar geen voorschot is betaald of een be-talingsaanvraag is ingediend door de Commissie ambtshalve zullen worden geannu-leerd (automatisch de-committeren).

Woordvoerder: F.F.M. Kemperman
Tel.nr.: 070 - 342 8236

18 mei 99 10:50

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie