Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Europese Raad Arbeid en Sociale Zaken 25-05-1999

Datum nieuwsfeit: 25-05-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

2182. Council - LABOUR AND SOCIAL AFFAIRS

Press Release: Brussels (25-05-1999) - Nr. 8439/99 (Presse 164)


2182e zitting van de Raad


- ARBEID EN SOCIALE ZAKEN -

Brussel, 25 mei 1999

Voorzitter: de heer Walter RIESTER, Minister van Arbeid en Sociale Zaken van de Bondsrepubliek Duitsland

Voor verdere informatie gelieve te bellen: 285.60.83 of 285.68.08

RICHTLIJN BETREFFENDE DE ROL VAN WERKNEMERS IN DE EUROPESE VENNOOTSCHAP (SOCIETAS EUROPAEA - SE)

De Raad heeft zich eens te meer gebogen over de rol van de werknemers in de Europese Vennootschap. Het voorzitterschap presenteerde een algemeen compromis, dat zowel deze ontwerp-richtlijn als de relevante bepalingen van de ontwerp-verordening betreffende het statuut van de Europese Vennootschap omvat. Het compromis werd gesteund door 14 delegaties. Enkel de Spaanse delegatie handhaafde haar voorbehoud bij een sleutelelement van de tekst en kon derhalve het algemeen compromisvoorstel niet aanvaarden. Volgens het juridisch advies, dat door alle delegaties wordt aanvaard, is voor de aanneming van de richtlijn en de verordening unanimiteit vereist.

De Spaanse delegatie verklaarde dat zij belang blijft hechten aan de Europese Vennootschap, maar herhaalde haar principiële standpunt ten aanzien van de voorgestelde medezeggenschapsregeling voor een nieuwe SE. Alle overige delegaties verzochten Spanje met klem zijn standpunt te herzien opdat de tekst betreffende de Europese Vennootschap eindelijk kan worden aangenomen. Er werd van diverse kanten op gewezen dat de onderhandelingsruimte zo goed als uitgeput is en dat na nagenoeg 30 jaar besprekingen nu een besluit moet worden genomen.

De voorzitter concludeerde zeer tot zijn spijt dat de Raad eens te meer niet in staat was een besluit te nemen over deze aangelegenheid. Hij verklaarde dat de burgers van Europa op die manier een paar weken vóór de verkiezingen voor het Europees Parlement een onnodig negatief signaal krijgen. Het Duitse voorzitterschap zal de bespreking van dit dossier opschorten totdat de ene delegatie die de uitgebalanceerde compromisoplossing nog niet heeft aanvaard, een duidelijke indicatie heeft gegeven. De voorzitter verklaarde tevens dat het voorzitterschap de situatie onder de aandacht van de Europese Raad in Keulen zal brengen, aangezien de Europese Raad de Raad herhaaldelijk heeft verzocht overeenstemming te bereiken over de Europese Vennootschap.

De voorgestelde richtlijn heeft ten doel het kader vast te stellen voor de rol van de werknemers in vennootschappen die zijn opgericht en zaken doen volgens de regelgeving die met het statuut van de Europese Vennootschap zou worden gecreëerd. Het voorstel voor dat statuut - in de vorm van een communautaire verordening in het kader van de interne markt - is bedoeld om bedrijven in staat

te stellen in heel Europa efficiënter te werken. De richtlijn en de verordening zijn nauw met elkaar verweven en vormen samen de rechtsinstrumenten die nodig zijn voor de oprichting van deze nieuwe vorm van vennootschap.

De bepalingen van de ontwerp-richtlijn betreffende informatie en raadpleging van werknemers in het kader van een SE zullen grotendeels overeenstemmen met die van de in 1994 aangenomen richtlijn betreffende de Europese ondernemingsraad. Wat de voorwaarden en procedures voor de mogelijke invoering van medezeggenschap van de werknemers in de SE betreft, deze zou volgens het compromisvoorstel van het voorzitterschap gerealiseerd kunnen worden door middel van hetzij een akkoord tussen de directie en de werknemersvertegenwoordigers, hetzij toepassing van de zogenaamde referentievoorschriften indien er geen akkoord is gesloten. Indien een groot deel van de werknemers medezeggenschaprechten had voordat de SE werd opgericht, zouden die rechten alleen kunnen worden beperkt of afgeschaft met instemming van een gekwalificeerde meerderheid van de werknemersvertegenwoordigers, zulks teneinde die rechten te beschermen. Inzake de toepassing van de voorwaarde van gekwalificeerde meerderheid zouden voor de diverse oprichtingsvormen van de Europese Vennootschap verschillende drempelwaarden gelden.

"De rol van de werknemers" is de algemene uitdrukking voor het recht van de werknemers om door de werkgever te worden geïnformeerd en geraadpleegd en, in voorkomend geval, om deel te nemen aan de besluitvorming in de organen van de vennootschap.

Het oorspronkelijke voorstel betreffende de Europese Vennootschap gaat terug tot 1970. In 1989 en 1991 heeft de Commissie nieuwe voorstellen voor een verordening betreffende het statuut van de Europese Vennootschap ingediend, aangevuld met een voorstel voor een richtlijn betreffende de rol van de werknemers.

Het voorstel behelst een geheel van nieuwe regels tot vaststelling van regelingen met betrekking tot de rol van werknemers in elke SE. Het is de bedoeling dat er voorrang wordt gegeven aan vrije onderhandelingen tussen de leidinggevende of de bestuursorganen van de deelnemende vennootschappen en de vertegenwoordigers van de werknemers.

Daartoe wordt in het compromis van het voorzitterschap voorzien in een bijzondere onderhandelingsgroep (BOG), waarin de werknemers van de deelnemende vennootschappen en de betrokken dochterondernemingen en vestigingen op grond van geografische en evenredigheidscriteria vertegenwoordigd zijn. De BOG heeft tot taak een schriftelijke overeenkomst te sluiten met de bevoegde organen van de deelnemende vennootschappen over de regelingen met betrekking tot de rol van werknemers in de SE.

Ingeval de onderhandelingen mislukken en de bevoegde organen de oprichting van een SE wensen voort te zetten, zijn de referentievoorschriften betreffende de rol van de werknemers die vastgesteld zijn bij de wetgeving van de lidstaat waar de SE haar statutaire zetel heeft van toepassing.

In de bijlage van de richtlijn is een geheel van regels vastgesteld waarnaar de nationale wetgevingen zich moeten richten bij de vaststelling van de referentievoorschriften betreffende de samenstelling van het orgaan dat de werknemers vertegenwoordigt en betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers.

De referentievoorschriften betreffende werknemersmedezeggenschap worden opgenomen in de verordening betreffende het statuut van de SE.

ORGANISATIE VAN DE ARBEIDSTIJD


- UITBREIDING VAN DE COMMUNAUTAIRE MINIMUMVOORSCHRIFTEN TOT VAN RICHTLIJN 93/104/EG UITGESLOTEN SECTOREN EN ACTIVITEITEN


- SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN VOOR ZEEVARENDEN

De Raad heeft een unaniem politiek akkoord bereikt over een groot deel van de wetgevingsvoorstellen van de Commissie om de arbeidstijdenrichtlijn van 1993 uit te breiden tot de uitgesloten sectoren.

Met name werd overeenstemming bereikt over:


- het ontwerp van een gemeenschappelijk standpunt betreffende het voorstel voor een horizontale richtlijn tot wijziging van Richtlijn 93/104/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd om de van deze richtlijn uitgesloten sectoren en activiteiten te bestrijken;
- het voorstel voor een richtlijn inzake de overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, gesloten door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST), en

- het ontwerp van een gemeenschappelijk standpunt betreffende het voorstel voor een richtlijn betreffende de handhaving van de werktijden van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Gemeenschap aandoen.

Een ander richtlijnvoorstel, inzake de organisatie van de arbeidstijd van rijdend personeel in het wegvervoer en van zelfstandige chauffeurs, is voorgelegd aan de ministers van Vervoer van de EU, die het op hun volgende vergadering in juni zullen bespreken.

De gemeenschappelijke standpunten van de Raad inzake de "horizontale" richtlijn en inzake de richtlijn betreffende de handhaving van de werktijden van zeevarenden aan boord van schepen die de havens in de Gemeenschap aandoen, zullen tijdens een volgende zitting van de Raad, zo mogelijk vóór eind juni, formeel worden aangenomen. De beide gemeenschappelijke standpunten zullen dan aan het Europees Parlement worden toegezonden overeenkomstig de medebeslissingsprocedure, die nu ook voor de sociale wetgeving in de EU van toepassing is. De richtlijn inzake de overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden zal zonder verder debat in juni worden aangenomen.

Hoofddoel van de EU-arbeidstijdenwetgeving is de bescherming van werknemers tegen nadelige gevolgen voor hun gezondheid en veiligheid, veroorzaakt door extreem lange werktijden, onvoldoende rusttijden of een verstoord arbeidsritme. Richtlijn 93/104/EG voorziet met name in:


- een minimale dagelijkse rustperiode van 11 aaneengesloten uren per dag;


- een pauze wanneer de werkdag langer is dan 6 uur;


- een minimale rusttijd van een dag per week;


- een maximale werkweek van gemiddeld 48 uur, met inbegrip van overwerk;


- 4 weken jaarlijkse vakantie;


- de beperking van de arbeidstijd van nachtarbeiders tot een gemiddelde van 8 uur per 24 uur.

Weg-, lucht-, zee- en spoorwegvervoer, de binnenvaart, de zeevisserij, andere activiteiten op zee (op booreilanden, bijvoorbeeld), en de werkzaamheden van artsen in opleiding zijn momenteel uitgesloten van de werkingssfeer van Richtlijn 93/104/EG.

Deze sectoren werden oorspronkelijk van de werkingssfeer van de richtlijn uitgesloten omdat zij, gezien de materiële omstandigheden die er heersen, niet pasten in de bepalingen van de richtlijn betreffende de verdeling van arbeidstijden en rustperioden. De generieke uitsluiting van hele sectoren heeft echter tot gevolg gehad dat niet-mobiele werknemers (met andere woorden werknemers die onder normale omstandigheden werken) de bescherming van de richtlijn ook niet genieten (het cockpitpersoneel of het treinpersoneel vormt bijvoorbeeld slechts een minderheid van de werknemers in het lucht- of spoorwegvervoer).

Wijzigingen van de Richtlijn van 1993

In de ontwerp-richtlijn waarover de Raad heden overeenstemming heeft bereikt wordt erkend dat de gezondheid en de veiligheid van werknemers op de werkplek dient te worden beschermd, niet omdat zij in een bepaalde sector werken of een bepaalde activiteit uitvoeren, maar omdat zij werknemers zijn. De ontwerp-wijzigingsrichtlijn breidt alle belangrijke bepalingen van de bestaande richtlijn uit tot niet-mobiele werknemers in de vervoerssector en de zeevisserij, maar houdt rekening met de specifieke werkomstandigheden van mobiele werknemers in de uitgesloten sectoren en activiteiten. Er wordt ook rekening gehouden met de specifieke aard van de werkzaamheden op zee (waar om diverse redenen niet eenvoudigweg de 48-uren werkweek als "referentieperiode" kan gelden) en de werkzaamheden van artsen in opleiding.

Voorts worden door de gewijzigde richtlijn de bestaande bepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie en de medische keuring voor nachtarbeid en arbeid in ploegendienst uitgebreid tot mobiele werknemers in de uitgesloten sectoren en activiteiten. Wat de vissers betreft, hebben de specifieke omstandigheden in hun activiteit de Raad ertoe gebracht in te stemmen met sectorspecifieke bepalingen die geïnspireerd zijn op de overeenkomst van de sociale partners betreffende zeevarenden. In deze bepalingen zal rekening worden gehouden met de noodzaak om door te gaan met vissen wanneer er vis is, zonder dat de gezondheid en de veiligheid van vissers in het gedrang komen.

De "horizontale" richtlijn zou dan nog steeds niet van toepassing zijn op zeevarenden. Zij zullen onder een specifieke richtlijn vallen (zie hierna).

Met betrekking tot de maximale wekelijkse arbeidstijd van artsen in opleiding, die voor een aantal lidstaten bijzondere problemen opleverde, heeft de Raad overeenstemming bereikt over een overgangsperiode van 9 jaar (vanaf het einde van de uitvoeringstermijn) vóór de 48-urengrens van toepassing is. De overgangsperiode wordt ingedeeld in drie fasen waarin de werkweek geleidelijk wordt verkort: 60 uur gedurende de eerste drie jaar, 56 uur voor de volgende drie jaar en 53 uur voor de resterende drie jaar. De lidstaten die ermee begaan zijn dat voldoende artsen worden opgeleid, achten deze overgangsperiode nodig om de richtlijn te kunnen uitvoeren.

Specifieke normen die in andere communautaire instrumenten zijn vastgesteld voor bijvoorbeeld de rusttijden, de arbeidstijd, de jaarlijkse vakantie en de nachtarbeid van bepaalde categorieën van werknemers, blijven prevaleren boven de bepalingen van de arbeidstijdenrichtlijn.

Voorts is in het licht van de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie de bepaling uit de richtlijn van 1993 dat de minimumrusttijd in beginsel de zondag omvat, geschrapt.

Gezien de moeilijkheden die bij de uitvoering van een zo complexe richtlijn rijzen - hetgeen is gebleken uit de ervaring met de richtlijn van 1993 - heeft de Raad gekozen voor een uitvoeringstermijn van vier jaar.

Specifieke bepalingen voor zeevarenden

De overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden is op 30 september 1998 gesloten door de Associatie van Reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de Bonden voor het Vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST). Zoals vorige overeenkomsten die door de sociale partners zijn gesloten in het kader van de Overeenkomst betreffende de sociale politiek (die bij het Verdrag van Amsterdam is opgenomen in de artikelen 136 tot en met 139 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap), bevat deze overeenkomst een verzoek om de Overeenkomst door een besluit van de Raad op voorstel van de Commissie uit te voeren.

Overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag (die de communautaire instellingen verbieden de inhoud van de overeenkomst te wijzigen) zal de richtlijn enkel de lidstaten ertoe verplichten de overeenkomst uit te voeren (hoewel de lidstaten gunstiger bepalingen kunnen handhaven of invoeren). In dit geval is de uiterlijke omzettingsdatum 30 juni 2002.

De overeenkomst sluit aan bij de bepalingen van IAO- (Internationale Arbeidsorganisatie) Verdrag nr. 180 betreffende de werktijden van zeevarenden van 1996. De overeenkomst voorziet in een maximumarbeidstijd (14 uur in elke periode van 24 uur en 72 uur in elke periode van zeven dagen) of een minimumrusttijd (10 uur in elke periode van 24 uur en 77 uur in elke periode van zeven dagen).

Tevens werd een politiek akkoord bereikt over de richtlijn betreffende de handhaving van de werktijden van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Gemeenschap aandoen. De richtlijn is een aanvulling van de overeenkomst die door de sociale partners van de Europese scheepvaartindustrie is gesloten. Zij heeft tot doel eerlijke voorwaarden te scheppen (zowel wat de veiligheidsaspecten als wat de mededinging betreft) voor alle schepen, met inbegrip van schepen die onder de vlag van een derde land varen wanneer zij de communautaire wateren aandoen.

Terwijl de op de overeenkomst van de sociale partners gebaseerde richtlijn enkel van toepassing zal zijn op zeeschepen die op het grondgebied van een lidstaat geregistreerd staan, zal de tweede richtlijn die bepalingen van de eerste welke uit het ILO-verdrag zijn overgenomen, toepassen op elk schip dat een haven van de Gemeenschap aandoet, ongeacht onder welke vlag het vaart. Krachtens deze richtlijn zullen nationale overheden met het oog op de veiligheid en om concurrentievervalsing tegen te gaan, onderzoeken of aan de richtlijn is voldaan. De basis voor de vaststelling of een schip aan de normen voldoet, zullen een verplicht organisatieschema van de werkzaamheden aan boord en de verplichte registratie van de werk- of rusttijden van de zeevarenden zijn.

GEZONDHEID EN VEILIGHEID VAN WERKNEMERS

De Raad heeft een korte bespreking gewijd aan twee voorstellen inzake de gezondheid en veiligheid van werknemers op het werk.


- BLOOTSTELLING VAN WERKNEMERS AAN DE RISICO'S VAN FYSISCHE AGENTIA

Voortgangsrapport

De Raad heeft nota genomen van de stand van de bespreking van het voorstel van de richtlijn betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia.

De Commissie heeft dit voorstel oorspronkelijk in 1993 ingediend. Het belangrijkste kenmerk van het voorstel was dat in hetzelfde instrument vier soorten fysische agentia (lawaai, mechanische trillingen, optische straling en elektromagnetische velden en golven) die de gezondheid en de veiligheid van de werknemers die eraan blootgesteld zijn kunnen schaden, behandeld worden.

Het bleek al snel dat enkele delegaties van mening waren dat door de verschillen tussen de fysische agentia, met name wat hun aard en effecten, de huidige kennis en de controlemogelijkheden betreft, één enkel instrument niet erg voor de hand lag en dat aparte teksten te prefereren waren.

Aangezien er sinds 1993 niet meer aan de tekst is gewerkt heeft het Duitse voorzitterschap, na overleg met de delegaties en de Commissiediensten, in januari 1999 een herziene tekst van het voorstel voorgelegd. De algemene aanpak van het voorzitterschap houdt in dat men zich concentreert op het enige element (trillingen) waarover op korte termijn overeenstemming zou kunnen worden bereikt.

Met name werd er voor trillingen gekozen, omdat op dat gebied geen communautaire regelgeving bestaat en omdat aangetoond is dat er een verband bestaat tussen trillingen en bepaalde beroepsziekten, zoals de ziekte van Raynaud. Het is niet de bedoeling van het voorzitterschap om de drie overblijvende onderdelen van het Commissievoorstel (lawaai, optische straling en elektromagnetische velden en golven) terzijde te schuiven, maar het is duidelijk dat de wetenschappelijke kennis dienaangaande minder ver gevorderd is dan voor trillingen.

Hoewel duidelijk is dat er nog veel technische kwesties moeten worden opgelost, zegde een meerderheid van de delegaties voor de aanpak van het voorzitterschap om voor elk van de fysische agentia een aparte tekst op te nemen brede steun toe.

Dit voorstel wordt op het niveau van de deskundigen verder besproken.


- MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE VERBETERING VAN DE GEZONDHEIDSBESCHERMING EN DE VEILIGHEID VAN DE WERKNEMERS DIE DOOR EXPLOSIEVE ATMOSFEREN GEVAAR KUNNEN LOPEN

Informatie van het voorzitterschap

De Raad heeft op 22 december 1998 zijn gemeenschappelijk standpunt inzake dit richtlijnvoorstel aangenomen. Aangezien het Europees Parlement de tweede lezing pas in mei van dit jaar heeft afgesloten en acht amendementen heeft aangenomen, is dit het eerste "sociale-zaken"-voorstel

waarvoor ingevolge de op 1 mei in werking getreden verdragswijzigingen, de medebeslissingsprocedure van toepassing is.

De voorzitter wenste tijdens de huidige zitting slechts de aandacht van zijn collega's te vestigen op de gevolgen van deze gewijzigde procedure, namelijk dat bemiddeling vereist is wanneer de Raad niet alle amendementen van het Europees Parlement kan aanvaarden.

EUROPEES WERKGELEGENHEIDSPACT


- VOORBEREIDING VAN DE GECOMBINEERDE ZITTING (ECOFIN/ARBEID EN SOCIALE ZAKEN)

Ter voorbereiding van de gecombineerde zitting van de Raad Ecofin en de Raad Arbeid en Sociale Zaken op dezelfde dag, wijdde de Raad een bespreking aan de laatste ontwerp-tekst van het werkgelegenheidspact die door het voorzitterschap was opgesteld na de informele bijeenkomst van het Comité voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt op 6 en 7 mei en de Ecofin-zitting van 10 mei.

Tevens heeft de Raad:


- een politiek akkoord bereikt over de resolutie betreffende gelijke kansen op werk voor mensen met een handicap (zie hierna);
- nota genomen van het memorandum van het voorzitterschap "Jongeren en Europa: onze toekomst";

- nota genomen van de voortgang met betrekking tot de ontwerp-richtlijn inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (zie hierna).

Er wordt aan herinnerd dat het pact 3 hoofddoelstellingen heeft:


- een zo groot mogelijke, elkaar wederzijds versterkende wisselwerking tussen loonontwikkelingen, begrotingsbeleid en monetair beleid;
- de verdere ontwikkeling en nog betere uitvoering van de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie in het kader van het proces van Luxemburg;

- de versterking van de structurele hervormingen in overeenstemming met het proces van Cardiff, teneinde het concurrentievermogen en de werking van de markten voor goederen, diensten en kapitaal te verbeteren.


- RESOLUTIE VAN DE RAAD BETREFFENDE GELIJKE KANSEN OP WERK VOOR MENSEN MET EEN HANDICAP

De Raad heeft een politiek akkoord bereikt over de tekst van deze resolutie die is ingediend als onderdeel van de voorstellen van het voorzitterschap betreffende het Werkgelegenheidspact. De resolutie zal na juridische en taalkundige bijwerking van de tekst definitief worden aangenomen tijdens een volgende zitting van de Raad.

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

(1) Overwegende dat het een van de essentiële doelstellingen van de Gemeenschap is een hoog werkgelegenheidsniveau te bevorderen, zoals bepaald in de gecoördineerde Europese werkgelegenheidsstrategie;
(2) Overwegende dat er in Richtsnoer 9 van de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 1999 (PB C 69 van 12.3.1999, blz. 2) wordt op gewezen dat de lidstaten "bijzondere aandacht dienen te besteden aan de behoeften van gehandicapten, etnische minderheden en andere groepen en personen in een achterstandspositie en passende vormen van preventief en actief beleid dienen te ontwikkelen om hun integratie in de arbeidsmarkt te bevorderen";
(3) Overwegende dat de Raad in zijn aanbeveling van 24 juli 1986 (PB L 225 van 12.8.1986, blz. 43) de belangrijkste vraagstukken in verband met de integratie van mensen met een handicap in beroepsopleiding en arbeidsleven heeft genoemd; (4) Overwegende dat het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 9 december 1989 in punt 26 het volgende stelt: "Alle gehandicapten, ongeacht de oorsprong en de aard van hun handicap, dienen in aanmerking te komen voor concrete, aanvullende maatregelen ter bevordering van hun maatschappelijke en beroepsintegratie. Die maatregelen moeten, afgestemd op de capaciteiten van de betrokkenen, met name betrekking hebben op beroepsopleiding, ergonomie, toegankelijkheid, mobiliteit, middelen van vervoer en huisvesting.";
(5) Overwegende dat de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, in hun Resolutie van 20 december 1996 betreffende gelijke kansen voor mensen met een handicap (PB C 12 van 13.1.1997, blz. 1) opnieuw hebben verklaard dat zij bij de ontwikkeling van een alomvattend gehandicaptenbeleid uitgaan van het beginsel van gelijke kansen; (6) Overwegende dat de Europese Commissie in een werkdocument van 22 september 1998 met als titel "De arbeidsparticipatie van mensen met een handicap vergroten - een gemeenschappelijke uitdaging", in het licht van de Europese werkgelegenheidsstrategie en de analyse van een aantal kernpunten van de nationale actieplannen voor 1998, de basisbeginselen voor een strategie inzake handicap en werkgelegenheid heeft geformuleerd; dat de Commissie tevens heeft geconcludeerd dat moet worden afgestapt van losstaande initiatieven en een gecoördineerde strategie moet worden ontwikkeld;
(7) Overwegende dat de lidstaten, teneinde mensen met een handicap gelijke kansen te bieden met betrekking tot de toegang tot, het behoud van en het vooruitkomen in werk, in


- Verdrag nr. 159 en Aanbeveling nr. 168 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de beroepsrevalidatie en werkgelegenheid van gehandicapten van 20 juni 1983,


- Aanbeveling nr. R(92) 6 van de Raad van Europa betreffende een samenhangend beleid voor mensen met een handicap van 9 april 1992, en


- de Standaardregels betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten, die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 december 1993 als resolutie zijn aangenomen,

worden opgeroepen programma's te ontwikkelen, toetsen en herzien om de integratie van mensen met een handicap op verschillende manieren te helpen met name in het arbeidsleven;

(8) Overwegende dat mensen met een handicap ondanks individuele successen en verbeteringen ook nu nog eerder hindernissen en nadelen op hun weg vinden bij het zoeken en behouden van geschikt werk en het volledig deelnemen aan het economische en sociale leven van hun gemeenschappen,

NEEMT DE VOLGENDE RESOLUTIE AAN:


1. De Raad erkent en waardeert de serieuze maatregelen en plannen van de lidstaten voor de ontwikkeling en uitvoering van vormen van beleid die gericht zijn op de integratie van mensen met een handicap in de arbeidsmarkt, met name in het kader van de Europese strategie voor werkgelegenheid; hij waardeert tevens de nieuwe impuls die de jaarlijkse richtsnoeren voor de werkgelegenheid geven.

2. De Raad benadrukt dat de nationale actieplannen voor de werkgelegenheid een breed steunvlak geven voor de versterking van de genoemde vormen van beleid. De lidstaten worden daarom opgeroepen:

a) in het kader van hun nationale werkgelegenheidsbeleid in samenwerking met de sociale partners en niet-gouvernementele organisaties voor mensen met een handicap vooral het accent te leggen op de bevordering van werkgelegenheid voor mensen met een handicap, en geschikte vormen voor preventief en actief beleid uit te stippelen voor de specifieke bevordering van de integratie van die mensen in de arbeidsmarkt in de particuliere sector, ook wat zelfstandige arbeid betreft, en in de overheidssector, b) de bestaande en toekomstige mogelijkheden van de Europese structuurfondsen, in het bijzonder het Europees Sociaal Fonds, en toepasselijke gemeenschapsinitiatieven ten volle te benutten voor de bevordering van gelijke kansen op werk voor mensen met een handicap,
c) en in dat verband speciaal aandacht te schenken aan de mogelijkheden die de ontwikkeling van de informatiemaatschappij biedt voor nieuwe arbeidskansen en ook uitdagingen voor mensen met een handicap.


3. De Raad waardeert het initiatief van de sociale partners op Europees niveau goede praktijken te bepalen en nodigt de sociale partners op alle niveaus uit een grotere rol te spelen bij het scheppen van betere kansen op werk, en in samenwerking met mensen met een handicap veranderingen in de organisatie in het werk overeen te komen.


4. De Raad nodigt mensen met een handicap zelf en hun organisaties uit een bijdrage te leveren voor het scheppen van gelijke kansen op werk door hun ervaringen te delen en uit te wisselen met al degenen die bij de arbeidsmarkt betrokken zijn.


5. De Raad moedigt de instellingen van de Gemeenschap aan gelijke kansen op werk voor mensen met een handicap bij hun eigen diensten te bevorderen door regels te stellen en de mogelijkheden van de bestaande wetgeving en praktijken ten volle te gebruiken.


6. De Raad verzoekt de Commissie met de lidstaten samen te werken, in het bijzonder in het kader van de Europese richtsnoeren voor werkgelegenheid en in overeenstemming met het
demarginalisatiebeginsel, bij het volgen en analyseren van de werkgelegenheidssituatie voor mensen met een handicap op basis van vergelijkbare gegevens en nieuwe strategieën en campagnes op te zetten, rekening houdend met nationale, regionale en lokale verschillen.


7. De Raad bevestigt dat in het kader van een coherent algemeen beleid gelijke kansen op werk voor mensen met een handicap zullen worden bevorderd indien specifieke aandacht wordt geschonken aan de aanwerving en het behoud van werknemers, promotie, opleiding, een levenlang leren en ontwikkeling, en bescherming tegen oneerlijk ontslag en passende steun wordt geboden op gebieden als:
- inrichting van de werkplek, b.v. technische apparatuur met inbegrip van toegang tot nieuwe informatie- en communicatietechnieken,


- toegang tot de werkplek,


- op het werk vereiste kwalificaties en vaardigheden,


- toegang tot beroepsbegeleiding en plaatsingsdiensten.


8. De Raad neemt nota van het voornemen van de Commissie een voorstel te doen voor een rechtsinstrument betreffende gelijke kansen op werk voor mensen met een handicap.

- ARBEID VOOR BEPAALDE TIJD: VOORSTEL VOOR EEN RICHTLIJN BETREFFENDE DE DOOR DE SOCIALE PARTNERS OP EU-NIVEAU GESLOTEN RAAMOVEREENKOMST

De Raad heeft dit voorstel besproken dat door het voorzitterschap wordt gezien als een eerste bijdrage van de sociale partners aan het proces van het pact en dat door alle delegaties positief is onthaald.

Aan de basis van dit voorstel ligt een door de sociale partners gesloten Europese raamovereenkomst. Deze overeenkomst heeft tot doel de toepassing van het non-discriminatiebeginsel voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in vergelijking met werknemers in vaste dienst te garanderen. Een andere doelstelling bestaat erin misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen.

De overeenkomst bevat de algemene beginselen en minimumeisen met betrekking tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, onder erkenning van het feit dat bij de nadere toepassing ervan rekening moet worden gehouden met de specifieke nationale, sectoriële en seizoensituaties. De overeenkomst is van toepassing op alle werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, met uitzondering van degenen die door een uitzendbureau ter beschikking van een inlener worden gesteld.

Er wordt aan herinnerd dat het voorstel (dat op 1 mei 1999 door de Commissie is ingediend) niet formeel kan worden aangenomen vooraleer de termijn van 6 weken tijdens dewelke de nationale parlementen voorstellen voor communautaire wetgeving kunnen behandelen, is verstreken. Dit is het eerste geval waarin het aan het Verdrag van Amsterdam gehechte Protocol betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, wordt toegepast. In dit Protocol wordt met name bepaald dat er een periode van zes weken dient te verstrijken tussen het ogenblik waarop een wetgevingsvoorstel (...) door de Commissie in alle talen (...) beschikbaar wordt gesteld en de datum waarop het met het oog op een besluit (...) op de agenda van de Raad wordt geplaatst.".

____________


/newsroom/press/c/ACF11F.htm

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie