Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Nederlandsche Bank over monetair beleid eurogebied

Datum nieuwsfeit: 26-05-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

De Nederlandsche Bank NV
Afdeling Externe betrekkingen en voorlichting

Het gemeenschappelijke monetaire beleid in het eurogebied

Toespraak door dr. A.H.E.M. Wellink, president van de Nederlandsche Bank, ter gelegenheid van een bijeenkomst van de Vaste Commissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 26 mei 1999 in Den Haag.

Inleiding
Met veel genoegen ben ik vandaag in uw midden om - zoals de Bankwet 1998 zegt - gehoord te worden over de taken en werkzaamheden van de Nederlandsche Bank ter verwezenlijking van het handhaven van prijsstabiliteit, de doelstelling die Bank ter uitvoering van het Verdrag van Maastricht heeft gekregen. Voorafgaand aan uw vragen zou ik graag een paar inleidende woorden willen spreken. Zoals u weet vormen de nationale centrale banken, de ncb's, van de 11 landen van het eurogebied en de Europese Centrale Bank, de ECB, tezamen het zogenoemde Europees Stelsel van Centrale Banken. Dat Stelsel voert vanaf 1 januari jongstleden het monetaire beleid in het eurogebied. Vandaar dat ik mij als vertegenwoordiger van het Stelsel nu rechtstreeks tot u richt, zonder tussenkomst van de Minister van Financiën. Het monetaire beleid is nu een `echte' Europese zaak geworden.

Taak en plaats van de Bank in Nederland als onderdeel van het Stelsel De invalshoek bij de beraadslagingen in `Frankfurt' is steeds het eurogebied. Iedere bankpresident is verplicht als lid van de Raad van Bestuur van de ECB te handelen zonder instructies te vragen of te aanvaarden van anderen, al hebben we natuurlijk een nationaal apparaat beschikbaar en nodig om ons op de discussies in Frankfurt te prepareren. De Nederlandsche Bank is net als de overige ncb's nauw betrokken bij de uitvoering van het uitgezette beleid, hetgeen voortvloeit uit het decentrale model waartoe in het Verdrag is besloten. Dit is in de geest van het eveneens in het Verdrag vastgelegde subsidiariteitsbeginsel. Het beleid van de ECB wordt voorbereid in verschillende comités, waarin alle ncb's zitting hebben. Zodoende wordt de in het Stelsel aanwezige kennis optimaal benut en is de invloed van kleinere centrale banken in Europa op het monetaire beleid sterker geworden dan voorheen, toen in veel gevallen kon worden volstaan met het volgen van het beleid van de Bundesbank. De Bank opereert thans vanuit een EMU-brede invalshoek en is van hoedster van de gulden mede-hoedster van de euro geworden.

Naast het monetaire werk - dat er eerder meer dan minder op is geworden - vervult de Bank in het kader van het Stelsel nog verschillende andere taken. Het gaat dan om zaken als het aanhouden en beheren van reserves, het verrichten van valutamarktoperaties, het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer, alsmede het verzorgen van de omloop van bankbiljetten, het verzamelen van statistieken en het bijdragen aan een goede beleidsuitvoering inzake het bedrijfseconomische toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel. Daarnaast laat het Verdrag ruimte voor `eigen taken' die in de Bankwet 1998 zijn geregeld. Het uitoefenen van het toezicht op financiële instellingen is hiervan een belangrijk voorbeeld. Om u een gevoel te geven van de orde van grootte, het directe personeelsbeslag ten behoeve van de monetaire beleidsvoorbereiding (de macro-economische afdeling, de onderzoeksafdeling en de afdeling financiële markten, inclusief ondersteuning) bedroeg aan het einde van 1998 136 formatieplaatsen. Voor de overige werkzaamheden waren eind 1998 1475 plaatsen ingeruimd. In procenten van de totale formatie wordt aldus zo'n 9% ingezet voor het monetaire beleid. Ten opzichte van de andere centrale banken in Europa is de Bank vrij klein: bij de Bank werkt ongeveer 2½% van het personeelsbestand van de centrale banken tezamen, terwijl onze deelname in het kapitaal van de ECB - gebaseerd op de omvang van onze bevolking en het bbp - ruim 4% bedraagt. Overigens kleven aan dit soort vergelijkingen veel haken en ogen vanwege de ongelijksoortigheid van taken, werkwijzen en financiële structuren. Juist doordat er allerlei samenhangen tussen de taakgebieden van de Bank bestaan - zowel vakinhoudelijk alsook operationeel - treden er synergie-effecten op, waardoor de Bank efficiënt en effectief kan opereren.

Transparantie van het Stelsel en het gemeenschappelijke monetaire beleid is een groot goed. Het Verdrag staat niet toe de notulen van de ECB-Raad openbaar te maken, maar dit wordt ondervangen doordat de president van de ECB in elk geval maandelijks, onmiddellijk na afloop van elke eerste vergadering van de Raad van Bestuur, een persconferentie houdt. Hij geeft hier een uitgebreide toelichting op het beleid, die tevens in de vorm van een perscommuniqué wordt gepubliceerd. De Bank fungeert als de schakel tussen `Frankfurt' en `Den Haag'. In dat kader past dit bezoek alsmede de bezoeken die uw commissie aan de Bank brengt. De Bank geeft als onderdeel van het Stelsel en als onafhankelijke beleidsadviseur haar adviezen en opvattingen over het financieel-economisch reilen en zeilen van de BV Nederland. Dit gebeurt zoals u van ons gewend bent via speeches, het vandaag verschenen Jaarverslag, Kwartaalberichten, onderzoeksrapporten etc., maar ook via deelname in de SER, de REA, de CEC en via de intensieve dialoog met de Minister van Financiën.

De Bank is tevens een belangrijke speler in internationale gremia zoals de EU, de OESO, het IMF en de G10, waarin meer en meer de systeemkant van het internationale stelsel aan de orde komt. Het is in het algemeen zo dat alleen landen lid van deze organisaties kunnen zijn. Totdat in Europa sprake is van verdergaande politieke integratie zal het in deze gremia blijven gaan om nationale vertegenwoordigingen. De ECB kan de vertegenwoordiging van de ncb's niet zonder meer overnemen, omdat zij bij belangrijke onderwerpen, zoals het toezicht op financiële instellingen en de stabiliteit van het internationale financiële stelsel, volgens het Verdrag geen zelfstandige, eigen verantwoordelijkheid heeft.

Monetaire beleidsstrategie ESCB
Laat ik overstappen op de monetaire beleidsstrategie van het Stelsel. Bij het vormgeven van deze strategie is getracht een zo helder en transparant mogelijk kader te scheppen, zodat het publiek een zinvol oordeel kan vellen over de prestaties van het Stelsel. De strategie vormt immers een communicatiemiddel richting het publiek. Inhoudelijk is er eigenlijk niet zoveel nieuws onder de zon: de strategie van het Stelsel is min of meer een formalisering van het door de Bundesbank in de praktijk gevoerde monetaire beleid, rekening houdend met voor het eurogebied specifieke omstandigheden. Het primaire doel is het handhaven van prijsstabiliteit - gedefinieerd als een jaarlijkse stijging van de geharmoniseerde consumentenprijsindex voor het eurogebied van minder dan 2% - op de middellange termijn. Onverminderd deze doelstelling dient het Stelsel het algemene economische beleid in de EU te ondersteunen. Dit is enerzijds een vanzelfsprekendheid, anderzijds een formulering die al gauw tot misverstanden aanleiding geeft. De ervaring leert dat via het geloofwaardig en duurzaam handhaven van prijsstabiliteit de best mogelijke bijdrage aan economische groei en werkgelegenheid wordt geleverd. Wat belangrijker is: dit inzicht is breed verankerd in de Nederlandse maatschappij.

De monetaire beleidsstrategie is gebouwd op twee pijlers. Alleerst is een vooraanstaande rol toebedeeld aan de geldhoeveelheid, tot uitdrukking gebracht in een referentiewaarde voor de groei van een ruim monetair aggregaat. Deze referentiewaarde is op 4½% per jaar gesteld. Dit betekent niet dat het Stelsel mechanisch de rente zal aanpassen wanneer de feitelijke geldgroei afwijkt van de referentiewaarde. Langdurige afwijkingen kunnen onder normale omstandigheden wél duiden op risico's voor prijsstabiliteit. In de tweede plaats worden ook andere indicatoren, zoals de reële economische bedrijvigheid, de loonontwikkeling en het consumenten- en producentenvertrouwen in ogenschouw genomen. Zodoende vindt een breed gebaseerde beoordeling plaats van de vooruitzichten van de prijsontwikkelingen en de daarbij behorende risico's.

De wisselkoers van de euro is ook een indicator voor het monetaire beleid. Het Stelsel heeft echter geen wisselkoersdoelstelling; in de huidige omstandigheden is de eurokoers een resultante van het algemeen economische beleid en ontwikkelingen - zowel binnen als buiten het eurogebied - alsmede van het oordeel van de marktpartijen. Het Verdrag bepaalt verder dat het Stelsel en de Ecofin-Raad een gedeelde verantwoordelijkheid hebben op het terrein van het wisselkoersbeleid. Het Verdrag legt de verantwoordelijkheid voor het aangaan van formele wisselkoersarrangementen tussen de euro en niet-eurovaluta's bij de Ecofin-Raad. De kans op zulke arrangementen moet voor de toekomst als laag worden ingeschat. Ook kan de Raad in uitzonderlijke omstandigheden algemene oriëntaties voor het Stelsel uitvaardigen, maar deze oriëntaties moeten het hoofddoel van prijsstabiliteit onverlet laten. De verantwoordelijkheid voor interventies ligt daarentegen weer geheel bij het Stelsel. Het antwoord op de vraag wie de Amerikaanse autoriteiten moeten bellen als zij willen spreken over gemeenschappelijke interventies is duidelijk: Duisenberg. Wat doelzones voor de wisselkoers betreft geldt dat deze - ondanks recente pogingen om deze discussie nieuw leven in te blazen - niet wenselijk zijn, omdat de doelstelling van prijsstabiliteit er door in gevaar kan komen en daarmee de geloofwaardigheid van de ECB wordt aangetast. Daarnaast is een systeem van doelzones in een wereld met geliberaliseerd kapitaalverkeer niet te garanderen.

Gemeenschappelijk monetair beleid in de praktijk Hoe heeft deze strategie in de praktijk uitgepakt tot nu toe? Een voorproefje van het gemeenschappelijke monetaire beleid vond begin december 1998 plaats toen de centrale banken van de eurolanden gezamenlijk besloten de rente te verlagen tot 3%. Deze beslissing stoelde op de lage feitelijke en verwachte inflatie en een wat afzwakkende conjunctuur in het eurogebied. Ruim vier maanden was deze monetaire beleidskoers passend. Tegen de achtergrond van een zwakke inflatoire druk in het eurogebied verlaagde op 8 april jongstleden het Stelsel de rente met een half procentpunt tot 2½%. De geldgroei bewoog zich dicht bij de referentiewaarde en gaf derhalve geen teken van op handen zijnde inflatoire druk. De externe omgeving leek zich licht te verbeteren, waarbij de dollar een verdere appreciatie vertoonde. Tegelijkertijd wezen nieuwe berichten erop dat het eurogebied langer dan verwacht nodig zou hebben om te herstellen van de vertraging die eind 1998 begon. Dit beeld werd weerspiegeld in de neerwaartse herzieningen door internationale organisaties van de groei-prognoses voor het eurogebied in 1999 en 2000. Er kon derhalve worden gesproken van een enigszins neerwaartse druk op de inflatie door de economische situatie. Daar kwam bij dat een significante verlaging van de rente met een half procentpunt de onzekerheid omtrent de economische vooruitzichten kan helpen afnemen, waarmee vooral het vertrouwen van de producenten in de economie kan herstellen. Ook na de renteverlaging, en dus vandaag de dag, blijven de vooruitzichten voor prijsstabiliteit in het eurogebied gunstig.

Structurele hervormingen
Hierbij aansluitend is het uiteraard zo dat het centrale monetaire beleid alléén niet alle doelstellingen van economische politiek kan bereiken. Anders gezegd, het is van groot belang dat er ook goed nationaal beleid wordt gevoerd. Het fundamentele probleem van de werkloosheid in het eurogebied - met zo'n 10% ruim 2 keer zo hoog als in de Verenigde Staten - is via monetair beleid of wisselkoersbeleid niet op te lossen. Bedenk in dit verband dat de korte rente zowel nominaal als reëel aanzienlijk lager is dan vorig jaar, terwijl ook de lange rente historisch en in vergelijking met andere landen op een zeer laag niveau ligt. De kredietverlening in het eurogebied aan de particuliere sector groeit met bijna 10% op jaarbasis zeer sterk en illustreert het gunstige financieringsklimaat. Van een nog lagere rente mag weinig heil worden verwacht, omdat liquide middelen al in voldoende mate aanwezig zijn. In Japan bijvoorbeeld `kost geld bijna niets', maar blijft de recessie voortduren, een situatie die ook wel met liquiditeitsval wordt aangeduid. Van zo'n situatie is in het eurogebied geen sprake, maar duidelijk is wel dat alleen structurele hervormingen van de Europese economieën, met name de arbeidsmarkten, de aangewezen weg vormen om de hoge werkloosheid aan te pakken. Wat dat betreft heeft Nederland het in het afgelopen decennium relatief goed gedaan. Vanaf 1983 vormde Nederland immers de facto een monetaire unie met Duitsland, maar is de werkgelegenheids-ontwikkeling in ons land aanzienlijk gunstiger geweest. Naast de consequent volgehouden koers van loonmatiging hebben de flexibilisering van de arbeidsmarkt en meer recent productmarkten, en het activerender maken van de sociale zekerheid hierbij een belangrijke rol gespeeld.

Begrotingsbeleid
Verstandig beleid is ook nodig ten aanzien van de overheidsbegroting, de achilleshiel van de EMU. Te expansief beleid kan leiden tot een opwaartse rente- en inflatiedruk en belast daarmee het monetaire beleid. Vooral van belang is dat bij een te ruim beleid het vertrouwen wordt ondergraven, hetgeen zijn weerslag heeft op het eurogebied via hogere risicopremies in de rente. Zoals bekend is de budgettaire soevereiniteit niet overgedragen naar het Europese niveau, maar blijven de nationale regeringen verantwoordelijk voor hun begrotingsbeleid. Zo'n overdracht van budgettaire bevoegdheden is alleen voorstelbaar bij veel verdergaande politieke integratie van Europa. Dat is voorlopig niet aan de orde. Het is verder van belang dat er tussen de budgettaire en de monetaire autoriteiten een goede dialoog plaatsvindt, maar van ex ante coördinatie kan geen sprake zijn. Dat zou de onafhankelijkheid van het Stelsel ondermijnen; beide hebben hun eigen, gescheiden verantwoordelijkheden. Het pact voor stabiliteit en groei is hét richtsnoer voor het begrotingsbeleid en bepaalt dat de begroting dichtbij evenwicht of in overschot moet worden gebracht op de middellange termijn. Er is dan voldoende marge om bij slecht economisch weer niet meteen te hoeven bezuinigen waardoor de economische ontwikkeling nog verder zou kunnen verslechteren. Bovendien kunnen de schuldquotes versneld afnemen en de kosten voor de vergrijzing beter worden beheerst als de begroting voldoet aan de eisen van het pact. Nu bewegen we ons in Europa nog zodanig langs de rand dat zelfs het weer oplopen van schuldquotes, en daarmee de noodzaak tot het opstarten van de
buitensporige-tekortenprocedure, niet denkbeeldig is. Iets verder vooruitkijkend is ook de voorziene uitkomst voor het overheidstekort van het eurogebied in 2002 van ½% bbp nog niet bevredigend.

Laat ik ter afsluiting kort ingaan op de implicaties voor Nederland. Lange tijd waren de betalingsbalans en de wisselkoers belangrijke indicatoren voor het macro-economische beleid, maar thans werken deze traditionele signalen niet meer. Er is wel een nieuw signaal voor in de plaats gekomen, namelijk de afwijking van de gemiddelde prijsontwikkeling in het eurogebeid. Een aanhoudend hogere binnenlandse inflatie ten opzichte van het eurogebied is schadelijk, omdat deze onder andere zal leiden tot verslechtering van de concurrentiepositie, waardoor uiteindelijk de werkloosheid zal oplopen. In Nederland - net als in enkele andere EMU-landen - bevindt de prijsontwikkeling zich al enkele maanden aan de bovengrens van prijsstabiliteit. Naast de arbeidskosten spelen de gereguleerde prijzen hierbij een belangrijke rol. Het gemeenschappelijke monetaire beleid is dus voor Nederland aan de ruime kant, wat ook mede tot uitdrukking komt in de zeer forse stijging van de beurskoersen en de huizenprijzen in de afgelopen jaren. Onder deze omstandigheden - maar ook gezien het tot 1,7% bbp oplopende overheidstekort in 1999 - is budgettaire terughoudendheid gepast door onverkort vast te houden aan de uitgavenkaders.

Graag ben ik nu bereid uw vragen te beantwoorden.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie