Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

De Vries: Wet flex en zekerheid ingewikkeld, maar werkt

Datum nieuwsfeit: 27-05-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE SZW

www.minszw.nl

SZW: Toespraak minister De Vries

Nr. 99/88
27 mei 1999

Embargo:
27 mei 1999 tot
15.00 uur

De Vries: Wet flex en zekerheid is ingewikkeld, maar werkt wel.

De Wet flexibiliteit en zekerheid mag dan misschien een ingewikkelde wet zijn, het is wel een wet die werkt. Andere Europese landen kijken best wel begerig naar de manier waarop Nederland flexibele arbeid heeft geregeld. Er kan aanleiding zijn om de wet nog te wijzigen, maar het kader van de wet staat recht overeind.
Dit stelt minister de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een toespraak ter gelegenheid van de opening van het nieuwe gebouw van TNO-Arbeid in Hoofddorp. De Vries zegt zich te kunnen voorstellen dat veel werkgevers klagen over extra administratieve rompslomp. Maar voorzover zich knelpunten en problemen voordoen in de uitvoering lijken die tijdelijk en oplosbaar. Volgens De Vries heeft de flexwet het arbeidsrecht wezenlijk veranderd en werken die veranderingen door op de ontwikkeling van de arbeidsverhoudingen op langere termijn.

Toespraak door minister mr. K.G. de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het symposium .Werken in de informatiemaatschappij, een visie op de toekomst. ter gelegenheid van de opening van het nieuwe gebouw van TNO Arbeid in Hoofddorp op 27 mei 1999.

Vooruitlopend op de plechtigheden later deze middag wil ik TNO Arbeid alvast van harte gelukwensen met zijn nieuwe onderkomen, hier op deze centrale locatie in het land.
U bent, als veertiende TNO-instituut, volop bezig uzelf te ontwikkelen tot een breed georiënteerd advies- en onderzoeksinstituut op het terrein van arbeidsmarktvraagstukken. U zit in een moeilijke markt, want de concurrentie is groot. Niet alleen van andere instituten
-zoals Nyfer, het Nederlands Economisch Instituut, de Organisatie van Strategisch Arbeidsmarktonderzoek, de onderzoeksschool AWSB, Research voor Beleid om er maar enkele te noemen- maar ook uit de hoek van organisatie-adviesbureaus, arbodienstverleners en allerlei andere commerciële partijen.
Van de andere kant is het ook duidelijk dat u zich beweegt op een sterk groeiende markt. Want niet alleen de overheid wil steeds meer weten over de effecten van het beleid, ook het bedrijfsleven wordt nadrukkelijker geconfronteerd met vraagstukken over de arbeid. En dan gaat het niet alleen om klassieke zaken als
arbeidsomstandighedenbeleid, maar ook om meer eigentijdse thema.s, zoals reïntegratie van arbeidsgehandicapte werknemers, de organisatie van telewerken of om het combineren van arbeid en zorg in ondernemingen. Dat soort zaken wordt -mede onder invloed van het kabinetsbeleid- steeds meer geïntegreerd in de normale bedrijfsvoering.
Er is dus grote behoefte aan uw kennis van de arbeid en van de arbeidsmarkt. Ik hoop en verwacht dat mijn ministerie daar ook in de toekomst een stevig beroep op kan blijven doen. Evenals overigens op uw gewaardeerde collega.s in de markt, want het zal u duidelijk zijn dat dit kabinet hecht aan gezonde concurrentie in dit land. En dan nu naar het thema van vandaag. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik in te gaan op het onderzoek dat speciaal ten behoeve van deze bijeenkomst wordt gepresenteerd. U hebt in opdracht van ons ministerie onderzocht hoe het staat met de flexibilisering van de arbeid. Daarbij gaat het om flexibilisering in de ruime zin van het woord. Dus niet alleen over de inzet van flexwerkers -dat zijn op- en afroepkrachten, uitzendkrachten en andere tijdelijke werknemers- maar ook over bredere inzetbaarheid van het vaste personeel. Wat is de stand van zaken op deze terreinen? Hoe denken werkgevers en werknemers over flexwerk en bredere inzetbaarheid? En hoe verhoudt zich dat met het beleid dat overheid en sociale partners voeren? Daarover wil ik een aantal opmerkingen maken. En het lijkt me goed om daarbij ook een relatie te leggen met een eerder onderzoek dat TNO samen met Research voor Beleid in Leiden heeft gedaan naar de eerste ervaringen met de Wet flexibiliteit en zekerheid. Dat onderzoek is, zoals u weet, enkele weken geleden naar de Tweede Kamer gestuurd. Maar eerst over het onderzoek van vandaag. Hoewel uw rapport nog niet af is en de uitkomsten dus nog voorlopig zijn, vallen er wel degelijk een aantal trends te signaleren.
De eerste is dat uit het TNO-onderzoek naar voren komt dat de snelle groei van flex-arbeid ten einde loopt. Daarmee wordt het beeld bevestigd dat zich ook in de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek aftekent. Het aandeel van flexwerk in de totale werkgelegenheid lijkt zich te stabiliseren op ruim 10% van de werknemers, vergeleken met circa 7,5% zes jaar geleden. Dit onderzoeksresultaat is belangrijk, maar het komt niet onverwacht. Onder meer de Sociaal-Economische Raad heeft vorig jaar al voorspeld dat de groei van flexwerk op .natuurlijke grenzen. zal stuiten. In de redenering van de SER leidt meer inzet van flexibele arbeidskrachten niet alleen tot grotere flexibiliteit, maar ook tot steeds hogere kosten. Kosten van werving en selectie-, kosten van inwerken, en ook immateriële kosten, zoals de beperkte binding van flexwerkers met het bedrijf.
Afgaande op het onderzoek van TNO lijkt het er op dat steeds meer bedrijven die natuurlijke grenzen nu inderdaad bereiken of zelfs al overschrijden. Slechts één op de tien bedrijven geeft aan het aantal flexwerkers te willen uitbreiden, terwijl 17% het aantal flexwerkers juist wil terugdringen.
De opmars van flexwerk lijkt dus tot staan gekomen. Maar datzelfde kan niet worden gezegd van flexibilisering van de arbeid in het algemeen. Het TNO-onderzoek laat zien dat veel bedrijven onverminderd streven naar meer flexibiliteit van de arbeid. Maar dan op een andere manier. Bedrijven proberen vooral flexibeler te worden door hun vaste personeel breder inzetbaar te maken. Maar liefst 81% van de grote bedrijven zegt daar naar te streven. Een goed voorbeeld is de procesindustrie. Daar wordt flink geïnvesteerd om personeel breder inzetbaar te maken, terwijl tegelijkertijd het aantal flexwerkers wordt ingekrompen.

Werkgevers zoeken de flexibiliteit dus steeds meer bij het eigen vaste personeel. Dat is een ontwikkeling die gezien de toenemende krapte op de arbeidsmarkt goed verklaarbaar is. En het is wat mij betreft ook een wenselijke ontwikkeling. Want bredere inzetbaarheid is niet alleen goed voor het bedrijf, maar is ook in het belang van de werknemer. Brede inzetbaarheid maakt werknemers mobieler en weerbaarder op een arbeidsmarkt die steeds veeleisender wordt.

Uit het onderzoek komen ook enkele punten van zorg naar voren.

Een eerste punt is dat bredere inzetbaarheid niet altijd door de werknemer op prijs wordt gesteld. Weliswaar worden taakverrijking en meer mogelijkheden tot promotie op prijs gesteld, maar als werknemers vaak taken moeten overnemen van collega.s of op andere afdelingen worden ingezet kan ontevredenheid ontstaan. Het lijkt mij dat in deze gevallen de goede balans nog niet is gevonden. Bredere inzetbaarheid kan niet betekenen dat werknemers altijd maar moeten inspringen als er gaten vallen in de organisatie. En omgekeerd is bredere inzetbaarheid meer dan alleen scholen en trainen op kosten van de baas. Het vinden van een goede balans lijkt mij een kwestie van overleg tussen werkgevers en werknemers. Het onderzoek laat zien dat daarin blijkbaar nog het een en ander te verbeteren valt.

Een tweede punt van zorg is dat het TNO constateert dat zich een tweedeling aftekent tussen bedrijven. Bedrijven die eerder maatregelen hebben genomen om de flexibiliteit van de arbeid te vergroten gaan daarmee door, maar bedrijven die vrijwel niets hebben gedaan aan flexibilisering beginnen er vaak ook niet aan. Ik denk dat deze laatste groep bedrijven behoorlijke risico.s loopt. Zij worden niet alleen kwetsbaarder voor veranderingen in de markt, maar lopen ook het risico onaantrekkelijk te worden als werkgever.

Ondanks deze zorgpunten houd ik aan het TNO-onderzoek het gevoel over dat het per saldo de goede kant op gaat. Flexarbeid heeft een belangrijke plaats gekregen op de arbeidsmarkt, maar er is geen reden voor vrees dat flexarbeid op grote schaal reguliere arbeid zal verdringen. De vaste werknemer blijft dominant in onze arbeidsverhoudingen. En verder lijkt investeren in bredere inzetbaarheid nu echt van de grond te komen in veel bedrijven.

Blijft over de vraag naar het welbevinden van de honderdduizenden flexwerkers in ons land. Zoals te verwachten valt zijn de werknemers met flexibele arbeidscontracten gemiddeld genomen minder tevreden dan vaste arbeidskrachten. Dat hoeft niet erg te zijn voorzover flexibele contracten een opstap zijn naar een vaste baan. Vaak is dat het geval.
Maar er is natuurlijk ook een behoorlijke groep mensen die voor langere tijd aangewezen is op werk zonder vast contract. En ik denk dat juist voor deze mensen de Wet flexibiliteit en zekerheid van grote betekenis is.

Ik denk dat ik niet overdrijf als ik zeg dat de Wet flexibiliteit en zekerheid een soort revolutie heeft betekend op onze arbeidsmarkt. Het is een wet die voor het eerst sinds jaren het arbeidsrecht op een aantal wezenlijke punten heeft veranderd. En die veranderingen werken natuurlijk door in de arbeidsverhoudingen.

De gedachte achter de wet is simpel. Geef meer mogelijkheden aan werkgevers om flexibele arbeidskrachten aan te trekken. Maar geef ook meer zekerheden en een betere rechtspositie aan werknemers naarmate de arbeidsrelatie met de werkgever langer duurt.

Ik geef toe: deze simpele gedachte is niet zo eenvoudig af te lezen uit de nieuwe regels. De wet is behoorlijk ingewikkeld. En dat zie je ook terug in de eerste ervaringen met de wet, zoals die onderzocht zijn door TNO Arbeid in samenwerking met Research voor Beleid. Werkgevers en uitzendbureaus vinden de wet vaak ingewikkeld en klagen over extra administratieve rompslomp.
En eerlijk gezegd kan ik, als ik mij verplaats in de werkgever, deze reacties ook wel voorstellen. Jarenlang voer je als werkgever of als uitzendbureau je eigen personeelsbeleid. Je bent gewend bepaalde contracten af te sluiten en je overziet wat dat betekent. En opeens wordt het allemaal anders. Ben je niet meer zeker van de gevolgen als je iemand aanneemt. Misschien zit je er wel aan vast als je een invaller of een uitzendkracht nog een keer inhuurt. Je moet je gaan verdiepen in de nieuwe regels, je moet bekijken wat die betekenen voor je personeelsbeleid en voor de arbeidsverhoudingen in je bedrijf en je moet eventueel de arbeidsorganisatie daarop aanpassen.

Als je dit allemaal in aanmerking neemt, dan vind ik de eerste reacties op de Wet flexibiliteit en zekerheid eigenlijk reuze meevallen. Tegenover de 45.000 mensen die nadeel lijken te ondervinden van de wet staan bijna twee keer zoveel, 80.000 mensen, die voordelen ervaren.
Er zijn wel knelpunten en problemen in de uitvoering, maar die lijken allemaal tijdelijk en oplosbaar. Dat geldt temeer omdat er nog weinig tijd is geweest om gebruik te maken van de mogelijkheden die de wet biedt om in de cao-afspraken op maat te maken.

En tenslotte wil ik wijzen op de betekenis die de wet kan hebben voor de arbeidsverhoudingen op langere termijn. Uitzendwerkgevers vinden dat de Flexwet bijdraagt aan verbetering van het imago en aan verdere professionalisering van het uitzendwerk. En veel werkgevers ervaren het als positief dat de wet een denkproces op gang heeft gebracht. Dat het bijdraagt aan een meer alert en meer bewust personeelsbeleid.

Ik zal de ervaringen met de wet intensief blijven volgen. Er kan aanleiding zijn voor toekomstige wijzigingen, bijvoorbeeld naar aanleiding van het advies van de Commissie Rood die volgend jaar zal adviseren over de inrichting van het ontslagrecht. En ook zullen we alert moeten blijven op de groep mensen die voor langere tijd op flexwerk zijn aangewezen. Hoe ontwikkelt zich hun aantal en worden voor deze mensen de mogelijkheden voor scholing en training optimaal benut? Dat verdient de volle aandacht.

Maar deze overwegingen nemen niet weg dat naar mijn stellige overtuiging het kader van de nieuwe wet recht overeind staat. Dat het ongeveer op deze manier moet. Het is misschien een ingewikkelde wet, maar het is een wet die werkt en die nog beter kan werken als men gewend raakt aan de nieuwe regels.
Andere Europese landen kijken best wel begerig naar de manier waarop Nederland flexibele arbeid heeft geregeld. En dat lijkt mij, in deze politiek onzekere tijden, een hele geruststelling. Dank u voor uw aandacht.


- LET OP EMBARGO -

27 mei 99 15:00

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie