Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage D66-fractie Bijlmerramp plenaire vergadering

Datum nieuwsfeit: 02-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
D66 Nieuws

Alleen gesproken tekst geldt

Bijlmerramp Plenaire vergadering met kabinet 1 en 2 juni 1999

Bijdrage D66-fractie, mr. J. van Walsem

Het rapport van de enquêtecommissie is naast waarheidsvinding en onrust over de lading bij de Bijlmerbewoners wegnemen ook bedoeld om lessen te leren voor de toekomst.

Deze onrust kan nu worden weggenomen, de lading is nu immers bekend. De gezondheidsklachten blijven om aandacht vragen. Er is dan nu ook aanleiding om voor de Bijlmerbewoners en andere betrokkenen een grootschalig lichamelijk onderzoek te doen plaatsvinden.

De belangrijkste vraag die ons gesteld wordt, is naar de mening van de D66-fractie hoe regering en parlement zo goed mogelijk de gevolgen van een ramp kunnen bestrijden en met name ook de gevolgen op de lange(re) termijn. Welke rol moet de overheid hierin spelen?

Het grootste leermoment van deze ramp moet zijn, dat is gebleken dat de afhandeling van deze ramp ertoe heeft geleid dat de burger een verminderd vertrouwen in de overheid lijkt te hebben gekregen. Voor wat betreft de lessen voor de toekomst geven de aanbevelingen van het enquêterapport een goede houvast. Wij steunen in hoofdzaak deze aanbevelingen. Ik kom op een paar daarvan later nog terug.

De rol van de overheid is van groot belang voor het goed functioneren van de samenleving. Burgers moeten vertrouwen kunnen hebben in de overheid en daar lijkt de Bijlmerramp een bres ingeslagen te hebben.

Natuurlijk kan een overheid nooit helemaal perfect zijn. Er worden fouten gemaakt, dat is onvermijdelijk. Maar het gaat erom daaruit te leren en te bezien hoe deze fouten moeten worden beschouwd in het licht van de ministeriële verantwoordelijkheid. Daarbij gaat het niet alleen over verwijtbaarheid, maar ook moet beoordeeld worden of de verantwoordelijke ministers voldoende vertrouwen van het parlement behouden en of zij in staat geacht mogen worden om verbeteringen aan te kunnen brengen.

Hoewel wij geen indicatie hebben dat er sprake is geweest van bewuste misleiding, heeft de D66-fractie wel vragen te stellen aan ministers, mede met het oog op de vier "os" in het rapport.

Laten we aan de hand van de gebeurtenissen, zoals beschreven in het rapport, de zaken langs gaan.

In de eerste plaats: wat is er in 1992 direct na de ramp fout gegaan? Ik heb hier vier vragen over aan de regering.

1. Hulpverleners droegen ten tijde van de ramp en daarna geen beschermende kleding. Wij vinden dat toch raar. Kan de regering uitleggen waarom niet?

2. De RIVM-milieumeetwagen is niet ingezet. Deze wagen was destijds wel beschikbaar, maar kan de regering verklaren waarom deze niet is ingezet?

3. Het versneld bergen van de vliegtuigresten en puin op verschillende plaatsen, waardoor het zoeken naar de cockpit-voice-recorder bemoeilijkt is, evenals het zoeken naar uranium. Hoe kijkt de regering hier nu tegenaan?

4. Het ministerie van WVC heeft geen epidemiologisch onderzoek ingesteld direct na de ramp, waarom niet vraagt de D66-fractie zich af (VWS).

De D66-fractie concludeert verder twee zaken die echt fout zijn gegaan. Namelijk het feit dat er door de regering niet gemeld is dat er zich in de staart van het toestel uranium bevond en het vervolgens niet communiceren over eventuele risicos van uranium. Het tweede punt is het "onder de pet houden" van informatie over de lading door ambtenaren (Verkeersleiding, RLD, VROM). Hoe kwalificeert de regering deze constateringen?

De lading

De grote vraag is waarom de enquêtecommissie er wel in slaagde om binnen zes maanden de totale lading boven tafel te krijgen en de minister van Verkeer en Waterstaat in zes jaar niet.

Wat vindt de minister van V&W van de bewering van de voorzitter van de enquêtecommissie dat als het departement dezelfde methode gevolgd had als de commissie, en ik citeer "met een zeer enthousiaste en jonge staf. Volharden, volharden en niet toegeven. Mensen onder druk zetten." dan had de minister de vrachtbrieven ook achterhaald. Met andere woorden had de regering naar eigen oordeel er harder aan moeten trekken? Graag een reactie van de regering op de woorden van de voorzitter van commissie.

De fractie heeft zeer gemengde gevoelens over de medewerking of niet-medewerking van Israël. Is onze stelling juist dat als Israël direct (vanaf 1992) loyaal had meegewerkt de lading allang "boven water" was geweest? Hoe kijkt de regering hier tegenaan?

De commissie somt verschillende os op van de voormalige ministers van Verkeer en Waterstaat. Zoals ik vorige week al heb aangegeven vinden wij niet elke o even relevant, maar over enkele heeft onze fractie echt behoefte aan een toelichting van de regering. In het bijzonder denken wij hierbij aan de onvolledige dan wel foutieve informatie van minister Maij-Weggen waarbij zij geen melding maakte over het uranium. En dat de ECD de lading niet vooraf heeft gecontroleerd maar achteraf. Graag een nadere uiteenzetting.

Verder hebben wij vragen over de RVI-rapporten (de concept- en definitieve versie). De conceptversie bevatte conclusies die de enquêtecommissie als alarmerend beschouwt, maar die niet in de eindversie terug te vinden zijn. Wie heeft de conclusies uit het RVI-rapport geschrapt en was de minister hiervan op de hoogte? Hoe oordeelt de minister over de geschrapte conclusies? Vindt zij dat zij de Kamer adequaat heeft ingelicht hierover?

Volksgezondheid

De commissie heeft literatuur ingebracht betreffende de gevolgen van rampen op de gezondheid van mensen. Voor een groot deel was deze literatuur al verschenen voor 1992. Men stelt hierin dat de negatieve effecten op de gezondheidsklachten na een ramp verminderd kunnen worden door een actieve, open communicatie met betrokkenen bij de ramp.

De fractie van D66 denkt dat het van belang is om te weten of de meest betrokken ministeries bij de Bijlmerramp van deze literatuur en stelling op de hoogte waren. In de eerste plaats of deze literatuur bekend is bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, de eerstverantwoordelijke voor de organisatie van de rampenbestrijding. Ook of de literatuur bekend is bij de GG&GD en bij het ministerie van VWS? Wat had volgens het kabinet bij bekendheid met deze literatuur anders moeten gebeuren? Had de bekendheid met de literatuur al in 1992 al tot andere reacties en handelen van de overheid moeten leiden? En zo ja, welke dan? Graag ontvangen wij hierop een reactie van het kabinet.

Vervolgens kom ik op twee belangrijke punten ten aanzien van de volksgezondheid waarover in het debat met de commissie uitgebreid is gedebatteerd. Ten eerste het

verwijt dat door traagheid en onderschatting bij de landelijke en lokale overheden de aard en omvang van de gezondheidsklachten is toegenomen. Dit bleek overigens zelfs voor de commissie in laatste instantie niet houdbaar. De voorzitter van de commissie zwakte dit in zijn tweede termijn af door te zeggen en ik citeer "dat de causaliteit inderdaad voor 100% niet bewezen is, maar dat de causaliteit wel voorspelbaar en te verwachten is". Dit is belangrijk, maar wij zouden het toch wenselijk vinden om de mening de betrokken ministers en de minister-president te horen op deze stelling.

Strijdpunt tussen de minister en de enquêtecommissie blijft waarom de minister van volksgezondheid tot januari 1999 geen groot lichamelijk onderzoek heeft laten verrichten in de Bijlmer. Ik wil nadrukkelijk vragen welke factoren hebben meegewogen om dit lichamelijk onderzoek niet eerder te doen uitvoeren?

Het tweede punt: het functioneren van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. De Inspectie wordt door de commissie verweten met onvoldoende gevoel voor maatschappelijke en medische verantwoordelijkheid haar taak te hebben uitgeoefend. Dat zijn zware woorden. Zo zwaar dat alleen zware argumenten die alleen kunnen onderbouwen. Eerder heeft mijn fractie al aangegeven deze argumenten niet te kunnen vinden. Dat wil niet zeggen dat de Inspectie zonder fouten heeft gehandeld. Uit de schriftelijke antwoorden blijkt dat de minister meent dat er inhoudelijk niets op de IGZ is af te dingen. Wij zien geen reden om dit te betwijfelen. D66 zet wel de nodige vraagtekens bij de communicatie en organisatie door de Inspectie. Zowel naar externe instanties zoals het AMC als naar de minister zelf. Met name in de periode van december 1998 tot maart 1999, waar de Inspectie naar het lijkt niet goed is omgegaan met de interne informatievoorziening rond de auto-immuunziekten. Graag ontvangen wij een nadere toelichting hoe dat is gegaan en hoe de minister daar zelf naar kijkt. Uit de reactie van de minister op het Algemene Rekenkamerrapport over de Inspectie bleek dat de minister maatregelen zou treffen. Welke maatregelen heeft zij inmiddels getroffen, mede gelet op wat de afgelopen maanden is voorgevallen?

Er is verwarring ontstaan over de vraag of het aantal auto-immuunziektegevallen nu wel of niet significant zou afwijken in de Bijlmer; de gebruikte schaalgrootte noemde de voorzitter van de enquêtecommissie een statistische truc. Kan de minister haar mening hierover geven?

De coördinatie binnen de rijksoverheid

De enquêtecommissie doet ook aanbevelingen over de coördinatie bij rampen. Daar zijn wij het mee eens. De vraag is hoe het in het verleden is gegaan. Wij menen met de commissie dat de coördinatie beter had gekund. Wij hebben het gevoel dat hier aan een probleem is geraakt waar de overheid al decennia aan lijdt. Coördinatie van overheidsbeleid is geen sterke traditie binnen de Nederlandse rijksoverheid. De commissie legt een grote verantwoordelijkheid hiervoor bij de minister-president. Ik zou dat enigszins willen relativeren. De betrokken ministeries zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk hiervoor. Ik vraag mij wel af of de minister-president zich niet eerder met deze problematiek had kunneen bemoeien gezien de onrust die ontstond. Ik zou niet willen spreken over "behoren" maar over kunnen. De fractie van D66 kan zich voorstellen dat los van de bevoegdheid van de minister-president om de Bijlmer op de agenda van de ministerraad te zetten, hij wellicht de betrokken ministers van Verkeer en Waterstaat en Volksgezondheid om de tafel had gevraagd om een en ander te bespreken. Hoe kijkt de minister-president hier tegenaan?

Dan nog één punt. In het debat met de commissie is het ook al aan de orde gekomen: het verschil tussen de woorden van de minister-president en de brieven van de fractievoorzitters over het aan de orde stellen van de Bijlmer. Ik citeer hierbij de voorzitter van de commissie in het Eindhovens Dagblad van 23 april jl.: "Ik was stomverbaasd dat een minister-president zo makkelijk probeerde weg te komen. Toen hij zei dat hij nooit formeel of informeel was benaderd, was mijn eerste reactie: dat kan toch niet." En het artikel gaat verder: "De fractievoorzitters zeggen wat zij gedaan hebben, de premier zegt dit. Is dat niet de hele waarheid? Is dat onwaarheid? Is dat liegen? Is dat meineed? Ik wil dat niet zeggen en ik kan dat ook niet." Dit kan niet in de lucht blijven hangen. Graag ontvang ik van de minister-president een reactie op dit toch ernstige verwijt van de commissievoorzitter.

De aanbevelingen

Zonder uitputtend te willen zijn, noem ik enkele zeer aansprekende aanbevelingen. Zoals de aanbeveling betreffende het luchtvaartongevallenonderzoek en het draaiboek dat voor handen moet zijn, waarin werkzaamheden, coördinatie, taken en bevoegdheden van onderzoekers eenduidig beschreven moeten zijn en die betreffende de aandacht voor eventuele maatschappelijke effecten.

Ook is van belang om direct duidelijkheid te hebben over het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht ten behoeve van rampbestrijders en dit moet internationaal geregeld worden. Het opzetten van een internationale regeling die de beschikbaarheid en toegankelijkheid van ladingspapieren vergemakkelijkt juichen wij toe. Evenals de aanbeveling waarin staat dat als de rampverklaring wordt ingetrokken, duidelijk moet zijn hoe de afhandeling en coördinatie verder worden geregeld. De aanbeveling tot het doen van lichamelijk onderzoek onder Bijlmerbewoners en hulpverleners is reeds in gang gezet. Hier zijn wij het mee eens.

Met één aanbeveling zijn wij het slechts ten dele eens, namelijk nummer 9. Wij zijn het niet eens met de tweede zin, waarin staat dat "hoe futiel een kwestie voor gezagsdragers ook mag lijken, dat het negeren daarvan een gebrek aan maatschappelijk invoelingsvermogen is". Men kan van een overheid niet verwachten, dat zij aan elke kwestie hoe futiel ook aandacht besteedt. De commissie gaat er kennelijk van uit dat "vadertje staat" alles tot in de puntjes regelt, dat is een fictie en dat beeld moeten we dus ook niet scheppen, want dat werkt misleidend.

De aanbeveling over "het onder de pet houden" van relevante informatie door ambtenaren wordt door ons overgenomen. Het lijkt er op dat binnen de departementen en aanpalende ZBOs de communicatiekanalen verstopt zijn. Daar moet snel iets aan gebeuren ter verbetering. Heeft de regering hiertoe inmiddels al ideeën ontwikkeld of de eerste stappen gezet?

Tenslotte steunt de D66-fractie ook de aanbeveling waarmee de Tweede Kamer de mogelijkheid krijgt om contacten te leggen met ambtenaren voor het verkrijgen van informatie enzovoorts.

Mogen wij de regering vragen om met een plan van aanpak te komen om deze aanbevelingen te implementeren?

Tenslotte:

Het enquêterapport is niet alleen van belang voor het boven water halen van de feiten en voor het wegnemen van de onrust bij de Bijlmerbewoners, maar ook en heel belangrijk - om lessen te leren voor de toekomst, opdat wij het bij een eventuele volgende ramp het beter doen. Dat was met name de opdracht van de commissie en daarin is zij geslaagd.

Voor het politieke oordeel over hoe het gegaan is, zullen wij eerst de beantwoording van de regering afwachten.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie