Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord Kamervragen statuut leden Europees Parlement

Datum nieuwsfeit: 02-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's Gravenhage

Directie Integratie Europa

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 2 juni 1999
Kenmerk 352/99
Blad /5
Bijlage(n) 1
Betreft Kamervragen over het statuut voor de leden van het Europees Parlement
C.c.

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer, d.d. 17 mei
1999, kenmerk 2989912920, waarbij gevoegd waren de door de leden Van der Hoeven en Van den Akker overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, hebben wij de eer U als bijlage dezes het antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

NR. 2989912920

Vragen van de leden Van der Hoeven en Van den Akker (beiden CDA) over het statuut voor de leden van het Europees Parlement.

Vraag 1

Kunt u bevestigen dat de Raad uiteindelijk geen voorstel betreffende het Europees Statuut heeft ingediend bij het Europees Parlement?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Waarom heeft de Raad het voorstel betreffende het Europees Statuut uiteindelijk niet ingediend bij het Europees Parlement?

Antwoord 2

Artikel 190, lid 5 van het Verdrag van Amsterdam vormt de rechtsbasis voor het voorstel over het statuut voor de leden van het Europees Parlement. Dit artikel stelt dat het Europees Parlement na raadpleging van de Commissie en unanieme instemming van de Raad een statuut, waarin de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van leden staan, bepaalt. Om de besluitvorming over het statuut nog voor de Europese verkiezingen te kunnen afronden hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie al aan het statuut gewerkt vóórdat het Verdrag van Amsterdam in werking was getreden. Het Europees Parlement bereikte eind vorig jaar overeenstemming over de tekst van een statuutvoorstel en stelde de Raad op de hoogte van de resolutie waarin deze tekst was opgenomen. Op basis van deze resolutie bereikte de Raad op 26 april jl. unanieme overeenstemming over een geamendeerd tekstvoorstel.

Toen het Verdrag van Amsterdam op 1 mei jl. in werking was getreden kon de besluitvormingkrachtens artikel 190 lid 5 van het nieuwe Verdrag plaatsvinden. In de week van 3 mei debatteerde het Europees Parlement over de wijzigingen die de Raad in de oorspronkelijke tekst van het Europees Parlement had opgenomen. Tijdens de debatten bleek dat een ruime meerderheid van de leden van het Europees Parlement niet met het door de Raad aanvaarde tekst wilde instemmen. Met name de EVP was unaniem tegen de tekst van de Raad. Het Europees Parlement heeft in een resolutie zijn voorstel van december op 6 mei bekrachtigd en dit formele statuutvoorstel aan de Raad gezonden. In dit licht achtte de Raad het vervolgens niet opportuun om het door de Raad aangepaste tekstvoorstel formeel aan het Europees Parlement voor te leggen.

Vraag 3

Was het niet de bedoeling van het Europees Statuut om te komen tot een gelijke geldige vergoeding voor alle leden van het Europees Parlement? Kunt u bevestigen dat het raadvoorstel uitzonderingen toestond op de gelijke beloning? Hoeveel? Welke landen wilden een additionele nationale belastingheffing invoeren?

Antwoord 3

Ja, het was de bedoeling om een eenvormige rechtspositionele regeling voor alle leden van het Europees Parlement tot stand te brengen. Het Raadsvoorstel kende geen uitzonderingen in het niveau van beloning. Wel werd de mogelijkheid geboden dat lidstaten over de salarissen van de leden van het Europees Parlement een aanvullende belasting zouden kunnen heffen, indien deze landen dat voor 3 mei in een verklaring hadden vastgelegd. Hierdoor zouden leden van het Europees Parlement afkomstig uit landen die een dergelijke verklaring hadden afgelegd een lager nettosalaris ontvangen dan de parlementariërs afkomstig uit landen die deze verklaring niet hadden afgelegd. Hoeveel hun nettosalaris lager zou zijn geworden hangt af van hetbelasting tarief van de betreffende lidstaat. Denemarken, Finland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zweden hebben de genoemde verklaring afgelegd.

Vraag 4

Welke redenen liggen ten grondslag aan het feit dat er in het door de Raad geformuleerde voorstel geen overgangsregeling is opgenomen? Wat is de opstelling van de Nederlandse regering hierbij geweest?

Antwoord 4

In de Raad waren alle lidstaten het over de wenselijkheid eens zo spoedig mogelijk een eenvormige rechtspositionele regeling voor de leden van het Europees Parlement tot stand te brengen. Een overgangsregeling zou daarop een uitzondering vormen. Nederland was ook van oordeel dat een overgangsregeling achterwege kon blijven indien de leden van het Europees Parlement voortaan een goede financiële regeling zouden krijgen.

Vraag 5

Wat heeft de Nederlandse regering gedaan op te bewerkstelligen dat het voorstel Rothley (het voorstel vanuit het EP t.a.v. het Europees Statuut) door de Raad werd aanvaard?

Antwoord 5

Nederland vond dat het oorspronkelijke voorstel van het Europees Parlement (het voorstel van de heer Rothley) een goede basis vormde voor het statuut. Dat nam niet weg dat Nederland ook van meet af aan van oordeel was dat enkele aspecten van het voorstel (pensioenopbouw, forfaitaire onkostenregelingen en de structuur van het voorstel (bijlagen) aangepast zouden moeten worden. Nederland heeft er in bilaterale contacten en in de Raad op aangedrongen dat op basis van het voorstel van het EuropeesParlement gezocht zou worden naar een aanvaardbaar statuut.

Vraag 6

Kunt u bevorderen dat op zo kort mogelijke termijn de raadswerkgroep voor het Statuut bijeengeroepen wordt, teneinde alle lidstaten op één lijn te brengen?

Antwoord 6

Ja, mede op aandringen van Nederland heeft de verantwoordelijke werkgroep van de Raad inmiddels al twee besprekingen gevoerd over de ontstane situatie. De Duitse Permanente Vertegenwoordiger heeft op 12 mei jl. overleg met de Voorzitter van het Europees Parlement gevoerd. Dit overleg heeft vooralsnog niet geleid tot een oplossing. De Raad zal nog deze week een brief aan het Europees Parlement zenden waarin de bereidheid van de Raad wordt verwoord om op korte termijn aan een toenadering van standpunten te werken.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie