Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Nota Klimaatbeleid: Reductie 25 Megaton CO2-equivalenten

Datum nieuwsfeit: 09-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE VROM

www.minvrom.nl

MIN VROM: Uitvoeringsnota Klimaatbeleid

PERSBERICHT VROM, no. 29 d.d. 9-6-99
Embargo tot 9 juni 1999, 17.00 uur

trefwoord Klimaat

Dit is een gezamenlijk persbericht van de ministeries van VROM, EZ, V&W, LNV en Financiën.

Uitvoeringsnota Klimaatbeleid:
70% van de 25 Megaton binnenlandse broeikasmaatregelen via CO2-reductie

Nederland gaat in het komende decennium een reductie van 25 Megaton CO2-equivalenten via in het binnenland te nemen maatregelen realiseren. Circa 70% van de maatregelen heeft betrekking op CO2-emissies en de overige 30 % betreffen de overige broeikasgassen. Bij de keuze van de maatregelen die in het zogenaamde basispakket zijn opgenomen, zijn kosteneffectiviteit en een evenwichtige spreiding over de doelgroepen als criteria gehanteerd. Naast het basispakket is er een reservepakket voor het geval het basispakket ontoereikend blijkt om het doel te bereiken, en een vernieuwingspakket waarin veelbelovende technieken en instrumenten zijn opgenomen. Een besluit om eventueel te putten uit de maatregelen van het reservepakket wordt genomen op ijkmomenten in 2002 en 2005. De verhoudingsgewijs grootste reducties uit het basispakket zullen door de sectoren industrie, energieproductie en door de huishoudens moeten worden opgebracht. Daarna volgen de cluster handel, diensten en overheid, de sector verkeer en vervoer en de doelgroep landbouw.

Dat blijkt uit de 'Uitvoeringsnota Klimaatbeleid, de binnenlandse maatregelen' die minister Pronk (VROM), mede namens zijn collegae van Economische Zaken, van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Financiën op woensdag 9 juni heeft gepresenteerd.

Nederland heeft zich internationaal verplicht (Kyoto-Protocol en Europese afspraken) tot een emissiereductie van 6% in 2008-2010 ten opzichte van 19
90-1995. Voor Nederland betekent dit in totaal een reductie van 50 Megaton CO2-equivalenten (CO2-eq). In overeenstemming met de afspraken op Europees niveau mag Nederland dit gelijktijdig 50% via binnenlandse en 50% via de Kyoto-mechanismen met projecten in het buitenland bereiken. De voorgenomen aanpak stemt overeen met het regeeraccoord van Paars II. De betrokken ministers hebben de afgelopen periode overleg gevoerd met vertegenwoordigers van de doelgroepen over de in aanmerking komende maatregelen.

50 Mton CO2-eq

Als uitgangspunt voor de berekening van de emissiereductie hanteert de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid het zogenaamde Global Competition (GC) scenario. In dit scenario wordt uitgegaan van 3,3% economische groei en van het tot nu toe gevoerde klimaatbeleid. Dit vertaalt zich in een emissieniveau van 256 Mton CO2-eq in 2010. De afspraken van Kyoto betekenen voor Nederland dat 6% reductie moet worden gerealiseerd ten opzichte van het basisjaar 1990. De emissie in het basisjaar was 219 Mton, 6%-reductie komt overeen met een emissie van 206 Mton. Deze getallen leiden ertoe dat Nederland een reductie van 50 Mton CO2-eq in 2010 moet bereiken. In de praktijk betekent dit dat Nederland tov de situatie in 2010 bij ongewijzigd beleid een kleine 20% emissiereductie moet realiseren om aan zijn internationale verplichtingen te kunnen voldoen.

Trendbreuk
Als de emissiereductie van alle broeikasgassen (25 Mton CO2-eq) wordt bekeken, is sprake van een trendbreuk. Voor koolstofdioxide, dat als het belangrijkste broeikasgas moet worden beschouwd, is sprake van een trendombuiging. Het kabinet heeft bij haar keuze voor de maatregelen dan ook uitdrukkelijk gekozen voor een 70% - 30% verhouding van respectievelijk CO2 en overige broeikasgassen methaan, (CH4), lachgas (NO2), en de fluorverbindingen HFK, PFK, en SF6. Het reductiepotentieel van de laatst genoemde groep is weliswaar aanzienlijk en relatief goedkoop. Maar door daar op te focussen wordt de noodzakelijke en uiteindelijk beoogde trendbreuk in de CO2-uitstoot te ver naar de toekomst geschoven. Bij een dergelijk handelen zou, in de visie van het kabinet, voorbij worden gegaan aan de ernst van de problematiek van klimaatverandering.

Kosteneffectief
Een belangrijk criterium voor het samenstellen van het basispakket is de kosteneffectiviteit, de betaalbaarheid van de maatregelen. Klimaatbeleid mag de samenleving niet meer gaan kosten dan noodzakelijk is. Het vorig jaar door het RIVM en ECN geschreven Optiedocument bevat een overzicht van (zonder voorselectie) denkbare maatregelen waaruit een keuze moet worden gemaakt. Bij het kiezen van die maatregelen is rekening gehouden met de kosten per maatregel voor de samenleving als geheel. Bij de vaststelling wogen tevens de financiële gevolgen van maatregelen mee, op grond waarvan burgers of bedrijven een keuze zouden maken uit de verschillende maatregelen. In bepaalde gevallen zal de overheid een maatregel fiscaal of via subsidiëring stimuleren.

Spreiding
Naast trendbreuk en betaalbaarheid is spreiding over de doelgroepen een belangrijk criterium voor het kiezen van maatregelen. De reductie-bijdrage van de sectoren zien er als volgt uit:

Sector emissie in 2010 reductie-bijdrage in Megaton (Mt) in 2010 in Mt en als %
Energiebedrijven 61 8 13,1 %

Industrie (+ raffinaderijen) 89 10 11,2 %

Huishoudens 23 2,3 10 % Handel, diensten, overheid 12 1 8,3 %

Verkeer en vervoer 40 3 7,4 %.

Tuinbouw 28 2 7,1 %

(Overig 7 - - )

Basispakket
Het basispakket bevat een groot aantal maatregelen die in Nederland tot stand moeten worden gebracht waarmee het doel van 6% emissiereductie moet worden bereikt. Hierna volgt, per doelgroep, een beschrijving van de nieuwe maatregelen en hun bijdrage aan de reductie.

Energiebedrijven
Kolencentrales - 6 Mton/jaar Het kabinet wil met de eigenaren van de kolencentrales een (vrijwillige) afspraak maken opdat de gemiddelde CO2-emissie van een kolencentrale per geproduceerde kWh vanaf 2008 op het niveau van aardgasstoken komt te liggen.
Duurzame energie - 2 Mton Voor 2020 heeft de overheid een doelstelling van 10% duurzame energie. Om de bijdrage van duurzame energie aan de Kyoto-verplichting concreet te maken, is besloten voor 2010 als tussendoel 5% aan te houden. In het Energierapport (najaar 1999) zal worden aangegeven welke instrumenten daarvoor nodig zijn. Zekerstelling warmtebenutting bij nieuw elektrisch vermogen Door het benchmark-convenant en de nieuwe meerjarenafspraken met de industrie blijft toepassing van warmtekrachtkoppeling een belangrijke besparingsmogelijkheid. Bedrijven, die hier niet aan deelnemen, krijgen bij de aanvraag van een milieuvergunning, te maken met het uitgangspunt van het kabinet dat warmtebenutting bij elektriciteitsopwekking wordt beschouwd als stand der techniek.

Industrie
Energiebesparing - 2,3 Mton CO2-eq Via energiezuinig productontwerp, industriële ketensamenwerking, duurzame energie, externe logistiek en duurzame bedrijventerreinen, deelname aan het benchmark-convenant, energievoorschriften in de milieuvergunning, door verhoging van het budget van de energie-investeringsaftrek en door middel van extra budget voor het ondersteunen van projecten waarbij restwarmte wordt benut.
PFK-reductie bij aluminiumindustrie - 1,2 Mton CO2-eq Relatief eenvoudige procesaanpassingen kunnen voorkomen dat PFK-emissies ontstaan bij de productie van primair aluminium. HFK-reductie bij chemie - 2,5 Mton CO2-eq Bij de Nederlandse producent van HCFK.s is recent een naverbrander geïnstalleerd waardoor eind 1999 de HFK-emissie van deze installatie met 90% zal zijn gereduceerd.
Reducties van HFK.s en PFK.s - 4 Mton CO2-eq Reducties van HFK.s en PFK.s die (H)CFK.s en halonen vervangen, bij toepassingen in o.a. schuimen, blusmiddelen, koeling en warmtepompen, medische toepassingen, isolatie, koelinstallaties, en gebruik als reinigings- en oplosmiddel.

Huishoudens
Energieprestatie advies - 2 Mton CO2 De overheidsinspanningen gaan zich behalve op de nieuwbouw nu ook richten op de bestaande woningen mede via het EnergiePrestatieAdvies (EPA). Consumenten die maatregelen treffen komen in aanmerking voor een energiepremie die beschikbaar wordt gesteld uit de opbrengst van de energieheffing. In 2002 wordt bezien wat het effect van deze vrijwillige aanpak is. Valt het tegen, dan zullen maatregelen met een verplichtend karakter zoals verplicht keuren of het bereiken van een prestatiegraad worden overwogen. Energiezuinige apparaten - 0,3 Mton Uit de opbrengst van de energieheffing wordt een energiepremie beschikbaar gesteld waarmee de aanschaf van de meest energie-efficiënte toestellen wordt beloond. Deze premie komt beschikbaar voor huishoudelijke apparaten met een A-label (dat garant staat voor het zuinigste in hun soort). Bevordering groene energie Over het gebruik van energie opgewekt uit hernieuwbare bronnen hoeft geen energieheffing te worden betaald. Door de, als gevolg van het regeeraccoord, verhoging van de energieheffing wordt het prijsverschil tussen Groene Energie en gewone steeds kleiner. Deze maatregelen dragen eraan bij dat het overeengekomen tussendoel van 5% duurzame energie in 2010 kan worden gerealiseerd. Communicatie Verandering van gedrag kan een aanzienlijk effect hebben op het directe (bijvoorbeeld verwarming) en indirecte energiegebruik (in produkten en diensten) binnen huishoudens. In het .Perspectief-project. is aangetoond dat er aantrekkelijke en ruime mogelijkheden zijn voor een energie-zuinige leefstijl. Er is een extra bedrag van fl 15 miljoen beschikbaar gesteld voor op communicatie gerichte activiteiten.

Handel, Diensten, Overheid
Energieprestatie advies - 1 Mton De inspanningen gaan zich behalve op de nieuwbouw nu ook richten op de bestaande utiliteitsbouw via het EnergiePrestatieAdvies. Analoog aan de aanpak bij woningbouw komen diegenen die maatregelen willen treffen in aanmerking voor een energiepremie die beschikbaar wordt gesteld uit de opbrengst van de energieheffing. Ook hier wordt bezien wat de effecten tot 2002 zijn op basis van vrijwilligheid. Valt de verwachting tegen, dan behoren vormen van verplichting, ook voor bestaande utiliteitsbouw, tot de mogelijkheden. (verplicht laten keuren, en prestatiegraad). Verplichtstelling rendabele maatregelen ¾ In 1998 zijn de eerste herziene Algemene Maatregelen van Bestuur (Wet Milieubeheer) voor een aantal sectoren in werking getreden. De bedrijven die onder deze besluiten vallen, moeten tonen welke energiebesparende maatregelen zij hebben getroffen. Rendabele maatregelen moeten worden getroffen en het bevoegd gezag kan (met een nadere eis) rendabele maatregelen opleggen. De overheid acht maatregelen rendabel als het rendement tenminste 15% bedraagt (in de praktijk zal worden uitgegaan van een terugverdientijd tot en met 5 jaar).
Bevordering groene energie Conform de situatie bij de huishoudens.

Verkeer en vervoer
Zuiniger auto.s via Europese afspraken - 0 tot 0,4 Mton CO2 In 1998 zijn de Europese Commissie en de Europese autofabrikanten overeengekomen (convenant) dat alle in 2008 nieuw verkochte auto.s per kilometer 25% minder CO2 uitstoten vergeleken met 1995. Fiscale beloning zuinige personenauto.s - 0,6 Mton CO2 Binnen twee jaar heeft elke nieuwe auto een etiket waaruit is af te leiden hoe zuinig de auto is vergeleken met in grootte vergelijkbare auto.s. Daarnaast zal de verkoop van bedoelde zuinige auto.s gestimuleerd worden via een differentiatie van de Belasting Personenauto.s en Motorrijwielen (BPM). Zuinige auto.s gaan minder betalen, en bij auto.s die tegenovergesteld scoren zal de BPM verhoogd worden. Rekeningrijden - 0,2 Mton CO2 Rekeningrijden is primair een maatregel ten gunste van de mobiliteit, maar heeft als neveneffect energiebesparing.
Belasting ter beperking van personenverkeer - 0,1 tot 0,3 Mton CO2 De belastingaftrek voor woon-werkverkeer per eigen vervoer wordt afgeschaft en het aftrekforfait voor reiskosten per openbaar vervoer wordt met 35% verlaagd. Daarnaast wordt de bijtelling wegens het gebruik van de auto van de zaak voor privédoeleinden variabel gemaakt.
Handhaving snelheidslimieten 0,3 Mton CO2 Op alle snelwegen, vooral in de Randstad, wordt de pakkans bij het niet naleven van de voorgeschreven snelheden vergroot.
In-car instrumenten 0,5 Mton CO2 Het installeren van instrumenten die bijdragen aan een energiezuinig rijgedrag wordt gestimuleerd door de waarde ervan buiten de grondslag van de aanschafbelasting BPM te houden. Gelijktijdig worden met de brancheorganisaties afspraken gemaakt over het standaard inbouwen van deze technieken in nieuwe auto.s.
Verhoging bandenspanning - 0,3 Mton CO2 Door eenvoudig met goed of gemiddeld hogere opgepompte banden te rijden, neemt het brandstofverbruik af. Dit zal worden gestimuleerd via voorlichting aan de automobilist en door middel van afspraken met de branche. Speciale projecten - 0,2 tot 0,3 Mton CO2 Uit het budget voor de intensivering van het klimaatbeleid stelt het kabinet 70 miljoen gulden ter beschikking van verkeers- en vervoersprojecten zoals het Stimuleringsprogramma Logistieke Efficiency Goederenvervoer en het programma voor zuinig rijden: 'Het Nieuwe Rijden'. NO2-emissie van katalysator - 0,5 Mton CO2-eq De NO2-emissie van het verkeer is sinds de invoering van de geregelde driewegkatalysator verdubbeld. Om deze ontwikkeling het hoofd te bieden wordt onderzoek verricht dat binnen enkele jaren tot een resultaat moet leiden dat voor 2006 technisch uitvoerbaar is.

Landbouw
Glastuinbouw - 2 Mton CO2
De bijdrage van de landbouwsector aan het klimaatbeleid verloopt voor een belangrijk deel via de uitvoering van het milieuconvenant met de glastuinbouw. Het gaat hier om energiebesparende technieken, nieuwbouw van energiezuinige kassen, levering van restwarmte en om CO2-bemesting.

Reserve- en Vernieuwingspakket
De Uitvoeringsnota Klimaatbeleid bevat drie maatregelpakketten. Twee daarvan moeten de verplichte 25 Mton CO-eq emissiereductie zeker stellen. Dit zijn het basispakket en een reservepakket. Indien de maatregelen uit het basispakket minder resultaat opleveren, zal een keuze kunnen worden gemaakt uit de maatregelen die in het reservepakket staan. Een dergelijke beslissing kan genomen worden aan de hand van de tussenevaluaties in 2002 en 2005; de ijkmomenten.

Het reservepakket bestaat uit een verhoging van de energieheffing (REB), accijnsverhoging voor motorbrandstoffen, en uit de ondergrondse opslag van CO2 afkomstig van grote industriële bronnen. Het reservepakket bevat daarnaast één maatregel bij de overige-broeikasgassen: emissiereductie van NO2 in de chemische industrie. De daarvoor benodigde techniek moet nog worden ontwikkeld. Lukt dat dan zal deze maatregel ook moeten worden uitgevoerd.

Het vernieuwingspakket richt zich vooral op de lange termijn. Het behelst het stimuleren van de ontwikkeling van technologie en instrumenten die de overheid kan inzetten om op langere termijn tot een trendbreuk te komen. De technische kant van dit pakket richt zich vooral op nieuwe .klimaatneutrale. energiedragers die in hun levenscyclus vrijwel geen broeikasgassen veroorzaken. Bij instrumentele vernieuwing gaat het om het verkennen van de mogelijkheden voor verhandelbare emissie- en reductierechten.

Kyoto-mechanismen
In Kyoto en daarna in Europees verband is afgesproken dat de andere 50% van de emissiereductie mag plaatsvinden via projecten in, en handel met het buitenland via de zogenaamde Kyoto of flexibele mechanismen. De mogelijkheden van en de voorwaarden waaronder deze mechanismen mogen worden toegepast, moeten nog worden uitgewerkt door de ondertekenaars van het Kyoto-protocol. Na de 5e Conferentie van Partijen aan het einde van dit jaar in Bonn zal meer duidelijkheid kunnen worden gegeven.
De drie mechanismen zijn Joint Implementation (JI), Clean Development Mechanism (CDM) en Emission Trading (ET). Alledrie bieden de mogelijkheid dat landen gedeelten van hun reductieverplichtingen in het buitenland realiseren. JI en CDM zijn er op gericht om emissiereducties daar te laten plaatsvinden waar het tegen de laagste kosten mogelijk is. De handel in emissies (ET) is, in tegenstelling tot de andere twee mechanismen niet per definitie aan een project gebonden, maar kan door een land als geheel worden gekocht of verkocht. JI en ET mag alleen tussen de Annex 1 landen van het Kyoto-protocol (OESO + landen in Centraal en Oost Europa). De resultaten van CDM projecten in ontwikkelingslanden kunnen vanaf 2000 worden opgespaard. Bij JI en ET geldt dat de resultaten in de periode tot 2008 niet mee mogen worden geteld.

Klimaatverandering
Tegen het einde van de jaren tachtig tekenden zich de eerste contouren van een eventueel broeikaseffect af. De essentie van het probleem van klimaatverandering is dat door menselijk handelen de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer toeneemt, waardoor de temperatuur op aarde stijgt. Vooral de relatieve snelheid waarmee dit gebeurt, brengt aanzienlijke risico.s met zich mee zoals stijging van de zeespiegel, overstromingen van rivieren, en bijvoorbeeld de verstoringen van de mondiale water- en voedselvoorziening.

Persvoorlichting

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Joost Kehrer Buiten kantooruren is de dienstdoende
070 339 3970 ambtenaar door tussenkomst van de Centrale
meldkamer bereikbaar, 070 339 39 39

Ministerie van Economische Zaken
Marjolein Wester
070 379 6464

Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Ben Wouters
070 351 7119

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Angelique Jurrius
070 378 4024

Ministerie van Financiën
Peter Lamers
070 342 8403

Meer informatie over de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid, hoofdlijnen en
informatiebladen per sector, vindt u ook op het internet http//:www.minvrom.nl

09 jun 99 17:00

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie