Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak minister peper bij VNG-Congres in Den Bosch

Datum nieuwsfeit: 09-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Toespraak minister peper Bewogen bestuur, bestuur in beweging

VNG-Congres 9 juni 1999 Den Bosch

Veranderingen in de samenleving voltrekken zich - zeker als wij terugblikken - meestal geleidelijk. Maar soms - lijkt het - raken maatschappelijke en politieke processen in een stroomversnelling. Oude gebruiken maken een vermoeide indruk, nieuwe ideeën lijken de wereld te veroveren. Turbulente ontwikkelingen in de maatschappij brengen de bestaande orde aan het wankelen. Bezinning op de maatschappelijke en staatsrechtelijke verhoudingen dringt zich op.

Nederland beleefde zon turbulente periode tussen 1770 en 1820. Het was de tijd waarin de Republiek der Zeven Provinciën de Bataafse republiek werd, de tijd van de Patriotten en - na de Bataafse omwenteling - de Unitarissen. Het was de tijd van grondwetswijzigingen, van de vastlegging van de eenheidsstaat en van het stemrecht voor een - zeer klein - deel van de mannelijke burgers. De moderne tijd diende zich aan, overigens in de gedaante van een constitutionele monarchie.
Er zijn daarna meer turbulente perioden aan te wijzen in onze politieke geschiedenis. Te denken valt aan de periode 1890-1920, de jaren dertig, de jaren vlak na de oorlog en - niet te vergeten
- de jaren zestig.
Ook in onze tijd, op de rand van het nieuwe millennium, lijkt er weer sprake te zijn van een aantal maatschappelijke veranderingen die niet zonder gevolg kunnen blijven. Het zijn veranderingen die niet zo pieken, maar wel diep in onze maatschappij ingrijpen. Veranderingen die - als ik het op bestuurlijk Nederland toespits - onze visie op en onze organisatie van het publieke domein beïnvloeden. Ik noem er een aantal. Verhoudingen tussen burgers, samenleving, politiek en bestuur zijn de afgelopen decennia sterk veranderd. We weten het.
Burgers zijn mondiger en kritischer geworden door een breed gedragen - niet in de laatste plaats - cultureel democratiseringsproces en een proces van individualisering, en door de toenemende mogelijkheden van de informatie-en communicatietechnologieën. De interdependentie, de verstrengeling tussen overheid en samenleving, staat en maatschappij, is toegenomen door de opkomst van de verzorgingsstaat. De omgeving van de overheid wordt steeds anders, steeds complexer. Die veranderingen, die complexiteit vragen om indringende veranderingen in de (aansturing van de) overheid zelf. De overheidsorganisatie wordt - althans formeel - nog steeds gekenmerkt door een bureaucratisch-hiërarchische, verticale organisatievorm. Het model waarover Max Weber het ideaal-typische beeld heeft aangedragen: hiërarchisch, onkreukbaar, loyaal, professioneel, taakgericht. De maatschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen decennia hebben onafwendbaar geleid tot vergruizing van de overheidsorganisatie, tot onttovering en
onthiërarchisering, tot een meer horizontale cultuur van besturen, die beter aansluit bij de veelheid en diversiteit van maatschappelijke partners en actoren. De overheid is - meer dan formeel wordt toegegeven of kan worden toegegeven - onderdeel van het, soms in de mist hangende, poldermodel.
De overheid is op veel terreinen haar specifieke herkenbaarheid kwijtgeraakt. Overzien we het bestuurlijke veld - sommigen zullen zeggen: slagveld - dan zien we, naast de organen van de functionele decentralisatie, een breed geschakeerd veld van ministers en ministeries, ZBOs, geprivatiseerde instellingen en allerlei organen daar omheen en daar tussenin. In dat veld valt het niet mee om verantwoordelijkheid te articuleren, zichtbaar te maken, laat staan om verantwoordelijken aan te wijzen. Bestuurlijke vernieuwing vraagt om transparantie, om nieuwe reflectie op toezichtrelaties en een nieuwe uitwerking van de ministeriële verantwoordelijkheid (vgl. Bijlmerdebat). Tegelijk nemen de maatschappelijke spelers: burgers, bedrijven en instellingen, voor het bereiken van door hen gewenste resultaten vaker hun toevlucht tot de rechter. De democratie komt - met name in haar rol van beslissingsvaardig stelsel - op achterstand, wordt links en rechts gepasseerd. De werkgroep van Kemenade heeft daar vorig jaar in haar rapport over juridisering terecht op gewezen. Wij zeggen bijna allemaal - zeker als het moeilijk wordt, of als we het moeilijk hebben - dat het bestaansrecht van de overheid bestaat uit het waarborgen van de veiligheid van burgers en het (mede) oplossen van maatschappelijke problemen. Dat is een hoge ambitie. Dat willen we - als het puntje bij paaltje komt - ook zo. Maar met de regie en de sturingsproblemen bestaat er binnen de moderne overheid een discrepantie tussen norm en feit. Het vertrouwen van de burger in de overheid wordt sterk bepaald door de vraag of en in welke mate de overheid er in slaagt maatschappelijke problemen op te lossen, c.q. hanteerbaar, leefbaar te maken. Verder speelt voor het vertrouwen van de burgers in de overheid ook een belangrijke rol op welke wijze de overheid maatschappelijke problemen oplost (effectief, efficiënt, rechtvaardig, conform de regels van democratische legitimiteit en rechtstatelijkheid). Communicatie is bij dit alles van zéér groot belang geworden. Het publieke domein, het openbaar bestuur moet - zeg ik wel eens - als een jas om de mensen heen zitten. Als minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ben ik op allerlei manieren direct en indirect betrokken bij de inrichting van het publieke domein. Niet alleen door mijn
verantwoordelijkheid voor de Grondwet en het openbaar bestuur, voor kaderstellende wetgeving op het terrein van ZBOs en het toezicht op de ZBOs, maar zeker ook voor beleidsterreinen als politie en veiligheid, de inrichting van de Rijksdienst en de positie van ambtenaren. Ook gemeenten houden zich in het hart van deze problematiek op.
Mét u houdt mij bezig: kunnen burgers worden ingeschakeld om het publieke domein méér het domein van het publiek te laten zijn? Zeker niet door de politieke besluitvorming buiten het publieke domein te leggen, de politiek te verplaatsen. We hebben naar mijn mening al veel uit handen gegeven, te veel doorgesluisd naar geprivatiseerde diensten, proceduretechnologen en rechters. Daardoor zijn veel mensen het zicht op de overheid kwijtgeraakt. Niet omdat burgers geen belangstelling meer zouden hebben voor het publieke domein, niet omdat ze niet meer geïnteresseerd zouden zijn in politieke besluitvorming en politieke vertegenwoordiging, maar omdat ze door de bomen het bos niet meer zien. Omdat onze besluitvorming wordt gekenmerkt door ondoorzichtigheid en stroperigheid, omdat burgers niet meer weten wie waarvoor verantwoordelijk is, wie ze waarvoor aan kunnen spreken. Een ontwikkeling die op zeer gespannen voet staat de groeiende weerbaarheid van burgers.
Bestuurlijke vernieuwing - ik zei het al - moet het antwoord zijn van de overheid, de politiek op maatschappelijke ontwikkelingen. Afhankelijk van het gewenste, noodzakelijke antwoord, afhankelijk van wat het beste bij de concrete situatie lijkt te passen, kiest de overheid, de politiek daarbij nieuwe instrumenten en arrangementen. Vanuit een hoog abstractieniveau bezien, zijn de gekozen instrumenten en arrangementen vaak een afspiegeling van tendensen in de samenleving. De maatschappelijke tendens tot individualisering en ontzuiling levert bij de overheid een reactie van afstoting en verzelfstandiging op. Op maatschappelijke fragmentatie volgt een gefragmenteerde overheid, op zoek naar burgers, diensten, maatschappelijke organisaties en partners; maatwerk heet dat. Waarom doet de maatschappij dat? Omdat náást fragmentatie, de verstrengeling van staat en maatschappij, de overheid in enigerlei gedaante weer in beeld brengt. Als de nood aan de man is, aanvaarden we geen afstandelijke overheid. Burgers hebben ook op dat vlak vaak een ambivalente houding. Niet te veel overheid, maar ook niet te weinig, zegt men al dan niet calculerend.
Op zichzelf is er in veel gevallen niets in te brengen tegen een verzelfstandigings- en privatiseringsbeleid. Maar dan wel onder een aantal randvoorwaarden. Ik vat ze hier samen onder de noemer heldere keuzes.
Een heldere keuze over de vraag, of men bepaalde taken onder volledige politieke verantwoordelijkheid wil laten uitoefenen, of dat die band moet worden doorgesneden.
In het verlengde daarvan: een heldere keuze over de vraag in hoeverre men nog politieke aansturing van de op afstand staande instelling wil. En waar bestaat die sturing dan uit? En een heldere keuze over de vraag, of men de verzelfstandigde instelling nog tot de overheid wil rekenen of als echte marktpartij wil laten opereren.
Voordat er keuzen worden gemaakt moet er helderheid zijn over de mate van politieke sturing die ná verzelfstandiging of privatisering nog gewenst wordt geacht. En aan die keuzes moet men zich houden, zolang men althans niet tot de conclusie komt dat de verzelfstandiging zo ver uit het zicht is verdwenen, dat er weer nieuwe toezichtsarrangementen in het leven moeten worden geroepen. Duidelijk is dat de overheid zeker niet alles zelf moet doen, niet zou mogen delegeren of uitbesteden. Dat hoeft geen probleem te zijn - ik ken het uit Rotterdam - , mits het doordacht gebeurt. Mits een nader te specificeren regie in handen blijft van de overheid en het politiek bestuur. Dat vraagt om een pro-actieve benadering van de overheid. Een goed voorbeeld van een dergelijke aanpak is het door mijn collega Van Boxtel gecoördineerde grotestedenbeleid. De daadwerkelijke planvorming en uitvoering ligt in handen van de steden en hun maatschappelijke partners; de regie, het toezicht blijft daar waar het thuishoort: bij de verantwoordelijke politieke bestuurders.
Door een dergelijke pro-actieve werkwijze worden mede-overheden, maatschappelijke partners en zeker ook burgers aangesproken op hun eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid.
En die burgers lopen van die verantwoordelijkheid steeds minder weg. Maar zij wensen hun overheid ook aan te spreken op haar prestaties.
Tot wie wenden de burgers zich als ze wat hebben, als ze iets willen weten? Dat hebben we in de politiek en de ten dienste daarvan werkende bureaucratie redelijk ingewikkeld gemaakt. Bij de aanvaarding van het ministerschap, sprak mij vooral het hoofdstuk "kwaliteit van het bestuur" in het regeerakkoord aan. Uitgaande van kwaliteit van het bestuur, d.w.z. dat het bestuur democratisch, rechtstatelijk en slagvaardig moet zijn, bevat dit hoofdstuk een intrigerende agenda voor het openbaar bestuur. Over hoe ik met die agenda omga, heb ik zo snel mogelijk na mijn aantreden duidelijkheid willen geven. Ik verwijs ondermeer naar mijn notas Krachtige gemeenten, de hoofdlijnennotitie Inrichting en functioneren van het binnenlands bestuur, het Beleidsplan Nederlandse Politie, het integriteitsbeleid, de brief naar aanleiding van de motie Zijlstra, die handelt over de ambtelijke status, en de bestuurlijke ophouding.
Naast onderwerpen als het correctief referendum - daar hoef ik nu niet over te spreken, de lijm is nog maar nauwelijks opgedroogd - en juridisering (zéér belangrijk, zie ook het kabinetsstandpunt daarover), wordt in het regeerakkoord terecht een grote plaats ingeruimd voor de vernieuwing van het lokale bestuur. Vernieuwing van het lokaal bestuur is dus veel meer dan het ontwerpen van een nieuw bestuursmodel - hoe belangrijk ook - met bijbehorende herziening van de Gemeentewet. Vóór de vernieuwing uit gaat een analyse van maatschappelijke ontwikkelingen en een heldere bepaling van de positie van de gemeente en de plaats van de burgers in de lokale democratie. En ook moet rekening worden gehouden met de beweeglijkheid van mensen, met haar consequenties voor de relevante schaalniveaus van het bestuur, lokaal, provinciaal, regionaal, nationaal en Europees.
Wij gebruiken het begrip 'gemeente' vooral in de bestuurlijk-juridische betekenis. Maar het verwijst in oorsprong naar wat mensen verenigt. Naar gemeenschappelijke belangen, gemeenschappelijke wensen en omgangsvormen. Die gemeenschap kan het niet stellen zonder bezieling. Van vitaal belang is het onderhouden en de activering van de gemeenschapszin, waarbij mensen die hun gezamenlijke doeleinden nastreven, zich verantwoordelijk weten voor elkaar en zich daar ook naar gedragen. Juist op het lokale niveau - naar het leerstuk zegt (de praktijk is nogal eens anders) het dichtst bij de burgers - liggen er grote kansen voor de 'civil society' in al haar rijke verscheidenheid; op dat terrein leeft veel bij onze burgers: kerkelijk, niet-kerkelijk, oud, jong, communitarians à la Etzioni. Een 'civil society' die natuurlijk veel meer omvat - ook qua schaal - dan de gemeentegrenzen aangeven.
We moeten natuurlijk gemeente en gemeenschap niet aan elkaar gelijkstellen. De gemeenschap is vaak zeer verscheiden, ook in kleine gemeenten; de gemeente is qua structuur eenduidig, en haar verschijningsvorm - ook in de tijd - vaak veelkoppig. In ons land hebben de initiatieven van burgers op lokaal niveau en gemeentelijk activisme aan de wieg gestaan van vele vernieuwingen in onze samenleving, inclusief het openbaar bestuur op landelijk niveau. Heel veel landelijke regel- en wetgeving is aan gemeentegrond ontsproten, en die traditie is al oud. Dat patroon loopt van het ontstaan van woningcorporaties voor de sociale woningbouw naar de sociale en stedelijke vernieuwing. De ervaringen in Midden- en Oost-Europa laten zien hoe moeilijk het is om "good governance" te verwezenlijken, daar waar echte gemeenschapszin gedurende decennia onmogelijk is gemaakt, geatomiseerd en daardoor is verdwenen.
Nu in ons land - gelukkig - de onderlinge samenhang, de gemeenschapszin als feit én norm nog ruimhartig aanwezig is, is het van groot belang de juridisering van ons openbaar bestuur tot hanteerbare proporties terug te brengen. Want juridisering is vooral ook een uitdrukking van het primaat van het individuele belang. Preciezer: de uitdrukking van het individualiseringsproces dat in extreme vorm gelukkig niet in onze culturele traditie past.

Goed, democratisch besturen is immers óók - in de woorden van Niklas Luhman (in zijn Theorie der Verwaltungswissenschaft) reductie van complexiteit, heldere keuzen zichtbaar maken, dat wil zeggen de democratie vooral ook te zien als de articulatie van verantwoordelijkheden.
Politiek verantwoordelijke bestuurders kunnen alleen goed functioneren als zij een zesde zintuig hebben -of ontwikkelen- voor de belangen en behoeften van hun plaatsgenoten. De burgers voelen zich vooral betrokken bij hun lokale bestuur als zij weten dat het bestuur hen serieus neemt, verantwoordelijk handelt en zichtbaar verantwoording aflegt. Als het bestuur doorzichtig is, richting geeft, keuzes voorlegt en, waar nodig, de leiding neemt.
Er bestaat op deze punten - naast alle goede zaken die te noteren vallen - reden tot bezorgdheid over het functioneren van de lokale democratie. De opkomst bij lokale verkiezingen vertoont nog steeds een dalende tendens, vooral in de grote steden. Dat is in mijn opvatting geen teken van tevredenheid, maar een blijk van teleurstelling, machteloosheid of onverschilligheid ten opzichte van de politieke democratie.
Dat is zorgwekkend, want de politieke democratie functioneert alleen goed bij de gratie van het bestaan van macht en tegenmacht in de vorm van een geïnformeerd, betrokken en breed electoraat. Politieke partijen, partijprogrammas en verkiezingscampagnes schieten in hun huidige vorm kennelijk tekort om meer kiezers te interesseren voor de gang naar de lokale stembus. De groei van de ruimtelijke scheiding tussen wonen, werken en vrije tijd, de afstandelijkheid van de gemeentelijke dienstverlening en de onoverzichtelijkheid van de taken van de gemeenten hebben daaraan mogelijk het hunne bijgedragen. Ook het door elkaar lopen van taken en verantwoordelijkheden van gemeenten, provincies en rijk - allerlei gemeenschappelijke regelingen en verzelfstandigde publieke taken daarbij inbegrepen - heeft tot de eerder gesignaleerde onhelderheid bijgedragen. Om de verbinding tussen burger en bestuur te maken, te herstellen, te verdiepen, zijn gelukkig nieuwe paden ingeslagen. Wijkbezoeken, deelgemeenten, spreekuren, stadsgesprekken, websites en raadplegende referenda zijn recente bijdragen aan de verlevendiging van de lokale democratie. Bestuurders en burgers hebben hun weg ook gevonden naar de lokale radio en de lokale televisie.
Maar het is de vraag of deze pogingen, deze instrumenten, voldoende zijn om in de volgende eeuw bij de burgers werkelijke belangstelling te wekken en het lokale bestuur voldoende gezicht te geven. Ons openbaar bestuur op gemeentelijk niveau is immers zo ingericht dat de burgers niet verzekerd zijn van enige directe zeggenschap over de functionaris die zij het beste kennen, de burgemeester. Evenmin hebben ze dat over de samenstelling van het belangrijke college van burgemeester en wethouders, een uitdrukking van een wel erg ver-affe partijendemocratie. De burgers moeten het nog steeds alleen doen met de raad die een grondwettelijk primaat heeft, maar zich in feite door de voorbereiding van de besluitvorming door het college van B en W vaak in een ongemakkelijke positie ziet geplaatst. Achter de constitutionele 'Dichtung' van het formele monisme gaat immers in de praktijk de 'Wahrheit' van een nogal 'reëel bestaand' dualisme schuil. Zon ondoorzichtige constellatie maakt de verantwoordelijkheden zoek, evenals de belangstelling van de burgers.
Bij een fundamentele bezinning op schijn en wezen van de macht op lokaal niveau, moet daarom de werkelijkheid van het dualisme onder ogen worden gezien. En dat in nauwe samenhang met de democratische vormgeving van een directe en daadwerkelijke tegenmacht van de burgers. Die bezinning speelt zich overigens op dit moment in veel Europese landen af. Ik denk aan Duitsland waar over een breed front de rechtstreeks gekozen burgemeester is geïntroduceerd en de buitengewoon inspirerende discussie die in het Verenigd Koninkrijk door de regering-Blair over het gemeentelijk model, in het bijzonder over de bestuursvorm van de Stadsregio Londen (Metropolitan London), is geëntameerd.
Zoals u weet zal de Staatscommissie-Elzinga nog in dit jaar over democratisering en dualisering van het lokaal bestuur adviseren. Daarmee is overigens het probleem niet een tijdje geparkeerd. U kunt niet rustig wachten op het rapport van de Staatscommissie en het komende regeringsstandpunt, dat nu - na de geslaagde lijmpoging - binnen zes maanden kenbaar moet zijn gemaakt. Dat doet u ook gelukkig niet. Ik merk tot mijn genoegen dat op vele plaatsen in gemeenteland de sence of urgency van vernieuwing wordt gevoeld.
Ik zie dat in kringen van burgemeesters, bestuurdersverenigingen, gemeentesecretarissen, en ook binnen VNG en IPO, de discussie in projecten, regiobijeenkomsten en beraadsgroepen wordt gevoerd. Het is van belang dat de discussie niet alleen door politici, beroepsbestuurders en professionals wordt gevoerd, maar dat er echt publiek debat over de toekomst van de gemeentelijke democratie van de grond komt. Bij de voorbereiding van het regeringsstandpunt wil ik naar wegen zoeken om dat te bereiken. Ik roep daarvoor uw medewerking in. Want we zullen in dit geval sneller moeten werken dan in het bestuursakkoord Nieuwe Stijl is afgesproken. Ik zie daar ook naar uit, omdat directere vormen van democratische legitimatie op de staatsrechtelijke agenda van de komende jaren een belangrijke rol zullen spelen. Ik ga hier niet verder op in, maar volsta voorlopig met de opmerking dat een opnieuw doordenken van het beginsel van de volkssoevereiniteit geboden is. Velen zijn vergeten dat Kamerontbinding ná Grondwetswijziging (in eerste lezing) - terstond uitgevoerd - het karakter heeft van een referendum over de Grondwetswijziging. Het zou mij verbazen als we het volgende jaar op het uw congres dit debat niet zouden hernemen. Ik zie daarnaar uit. Een ander onderdeel van mijn portefeuille van groot maatschappelijk gewicht is de openbare orde en veiligheid. Veiligheid is tenslotte een basisvoorwaarde voor samenleven. Alleen in een veilige samenleving kan Nederland zich economisch en sociaal-cultureel optimaal ontwikkelen. De zorg voor veiligheid is dan ook een kerntaak van de overheid.
Onze samenleving is een kwetsbare samenleving. Verschillende factoren hebben ertoe bijgedragen dat onze huidige samenleving soms wordt gekarakteriseerd als een risico-samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan de vele complexe koppelingen op het terrein van informatie- en communicatietechnologie, en de vele ingewikkelde verbanden tussen verschillende technische en sociale systemen. Zeker voor de vitale sectoren - sectoren die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het maatschappelijk leven - geldt dat deze de nodige aandacht behoeven. Burgers willen veilig wonen en zich veilig kunnen verplaatsen, ook in de meer risicovolle, bijvoorbeeld industriële, gedeelten van Nederland. Burgers verlangen een veilige omgeving, zowel bij bedrijven- en industrieterreinen, als bij grote infrastructurele werken als tunnels, luchthavens, hogesnelheidslijnen en dijken, maar ook bij bijvoorbeeld de drinkwater- en energievoorziening. Onze samenleving is ook nog om een andere reden een kwetsbare samenleving. De toenemende vrijheid en mobiliteit maken dat de - in overgrote meerderheid - voor elkaar onbekende burgers zich in het publieke domein ophouden. Het publieke domein is onpersoonlijk. De voorspelbaarheid van elkaars gedrag is afgenomen. Het gevolg is dat de normering van het publieke domein nog meer een zaak van de overheid is geworden. De overheid heeft in toenemende mate het toezicht georganiseerd. Informele sociale controle (burgers onderling) is meer en meer vervangen door formele sociale controle (politie).
Velen constateren een toenemende 'nonchalance ten opzichte van het publieke domein' of 'een verslonzing van de samenleving'. Anderen spreken over een cultuur van afzijdigheid'. Het publieke domein is anoniem geworden, het behoort aan niemand toe, of enkel aan 'de overheid'.
Het is niet alleen door het (zinloze) geweld, waardoor het gevoel groeit dat de veiligheid in en van het publieke domein sterk tekort schiet. Straatroof en de voortdurende overlast van drugsverslaafden in sommige wijken van de grote steden, maar ook vervuiling en graffiti, slecht ingerichte of verloederde openbare ruimte en onveilige infrastructuur maken (delen van) het publieke domein tot een onvoldoende veilige, herbergzame plaats om te vertoeven. Vooral oudere mensen klagen dat zij 's avonds niet meer hun deur durven openen, laat staan over straat durven gaan. De politie wordt daarnaast in toenemende mate - en vaak op een onaanvaardbare wijze - geconfronteerd met burgers die haar gezag niet zonder meer accepteren. Ik ben in bespreking om dit soort gedrag jegens de politie strenger aan te pakken. Horeca-ondernemers worden geconfronteerd met agressieve klanten. De dronken klant die met zachte hand uit het café kon worden verwijderd, heeft te vaak plaats gemaakt voor de bezoeker die onberekenbaar gewelddadig kan worden. En opnieuw, ook weer tegen de politie (Budel).
Zich veilig weten in de privé-sfeer zonder veiligheid in de publieke sfeer - en vice versa - is op den duur niet mogelijk. Veiligheid enkel in de private sfeer, binnen de vier muren van het eigen huis, is slechts schijnveiligheid. Indien we er niet in slagen het publieke domein (weer) het domein van het publiek te maken, zal dat leiden tot eilanden van veiligheid, binnen een onveilig, door burgers in toenemende mate gemeden, publiek domein. Onaanvaardbaar is een situatie waarin burgers die het zich kunnen veroorloven, zich in ommuurde woonwijken verschansen, ontoegankelijk voor wie er - naar het oordeel van door de bewoners aangestelde veiligheidsfunctionarissen - niets te zoeken heeft. Even onaanvaardbaar is een situatie waarin burgers het publieke domein zoveel mogelijk mijden, een situatie waarin zij hun vele en veelsoortige betrekkingen met de - letterlijk - buitenwereld enkel digitaal vorm geven. En voor zover ze wel in persoon de buitenwereld opzoeken, reizen ze zo snel mogelijk per auto - hun private domein op wielen - van de ene beveiligde plaats naar de andere.
Dit scenario van veilige private domeinen temidden van een onveilig publiek domein wijst het kabinet met kracht af. Het publieke domein moet om die reden het domein van het publiek zijn, het domein van de gezamenlijke burgers. De straat is van ons allemaal.
De behoefte aan meer veiligheid is groot. De 'roep om meer' klinkt als het om veiligheid gaat steeds weer: méér politie, méér toezicht op straat, méér cellen, méér rechters, méér bevoegdheden voor politie, méér geld voor rampenbestrijding. Deze kabinetsperiode is daarom een kleine miljard extra vrijgemaakt voor politie en justitie.
In het Beleidsplan Nederlandse Politie hebben collega Korthals en ik aangegeven welke richting wij met de politie op willen en welke inspanningen nodig zijn voor het vergroten van de veiligheid. De politie staat midden in de samenleving: die oriëntatie wordt versterkt door het belang te onderstrepen van gebiedsgebonden werken. Voor de burgers leidt dat tot een herkenbare en bereikbare politie-organisatie. Dat is ook wat de burgers verwachten van de politie: een aanspreekbare en zichtbare politie (24 uur per dag); een adequate dienstverlening en een doelgericht optreden door de politie; een politie die eenheid en gemeenschappelijkheid uitstraalt. De veelbesproken nieuwe politie-cao koppelt verbeterde arbeidsvoorwaarden aan een flexibeler inzet van de politie, uitdrukkelijk ook een eis van het Regeerakkoord. In het Beleidsplan Nederlandse Politie is meer concreet aangegeven wat van de korpsen wordt verwacht. Inzicht in prestaties: daar gaat het om. Indien de prestaties van korpsen doorzichtiger worden, zijn ze beter vergelijkbaar. Daarmee kan zowel de sturing van de korpsen door het bevoegd gezag als de zelfsturing door de korpsen worden verbeterd. Ik hecht zeer aan de decentrale opzet van dit politiebestel, maar deze is alleen duurzaam te handhaven wanneer decentralisatie wordt verbonden met doorzichtigheid (in bedrijfsvoering, prestaties, financiën, e.d.). In een convenant met de korpsen - dat op het punt staat voltooid te worden - worden de afspraken voor de komende jaren vastgelegd en uitgewerkt. Het is niet alleen de politie die een bijdrage moet leveren aan het verbeteren van de veiligheid. Veiligheidsbeleid in het publieke domein is in het verleden te lang gezien als alléén een zaak van de overheid en dan vooral van politie en justitie. In het publieke domein behartigde en beschermde de overheid - politie en justitie - de belangen van de burgers, in een afzijdige cultuur van toegeeflijkheid.
Dat moet anders.
Andere beleidssectoren van de rijksoverheid moeten ook een bijdrage leveren aan het verbeteren van de veiligheid. Daarnaast moeten de gemeenten uiteraard een substantiële bijdrage leveren, omdat veiligheid zich in belangrijke mate afspeelt op lokaal niveau. Heel veel gemeenten hebben - tot mijn genoegen - een lokaal, integraal veiligheidsbeleid.
Bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en (organisaties van) burgers hebben eveneens een taak. Maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven delen met burgers de publieke ruimte. Ook zij kunnen beter functioneren in een veilige omgeving. Daarom hebben zij ook een taak bij het verbeteren van de veiligheid en kunnen dat niet afwentelen op de overheid. Er is een brede beweging in onze samenleving vóór veiligheid, voor versterking van de sociale samenhang (cohesie) en vóór investeringen in de kwaliteit van de samenleving en het samenleven.
In het regeerakkoord heeft het kabinet die ambitie verwoord. Die ambitie heeft vorm gekregen in het gisteren gepresenteerde Integraal Veiligheidsprogramma (IVP).
Het IVP is een programma: het zal de komende jaren moeten worden uitgevoerd en aangevuld.
Voor de VNG en de gemeenten is een belangrijke rol weggelegd in het IVP.
Een derde onderdeel van mijn portefeuille, mijn
verantwoordelijkheid voor de organisatie van de Rijksdienst en de rol en positie van ambtenaren, is ten zeerste met de voorgaande onderwerpen verbonden. Want, als het gaat om het vertrouwen van burgers in de overheid, moeten we niet alleen kijken naar politici en bestuurders , maar zeker ook naar de rol en werkwijze van de ambtenaren.
Er is sprake van een groeiende spanning tussen politieke, wetgevende én uitvoerende macht, o.a. veroorzaakt door professionalisering (en vermaatschappelijking, volgens sommigen zelfs: politisering) van het ambtelijk apparaat, technocratisering van de politiek en de groeiende complexiteit van de overheidsorganisatie.
In deze veranderende context wordt het tijd om een aantal beginselen van het functioneren van de overheid, van het politieke systeem, opnieuw tegen het licht houden. Ik heb daarover vorige week in het kamerdebat over het rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Bijlmerramp de nodige opmerkingen gemaakt. Die ga ik hier niet herhalen. Wél zeg ik dat er een ambitieus programma op de schouders van het kabinet is gelegd, niet in de laatste plaats op die van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Hoe staat het bijvoorbeeld met de ministeriële
verantwoordelijkheid in relatie tot een veelvormige rijksdienst, agentschappen en ZBOs? Hoe dient de relatie tussen bewindspersonen en ambtenaren te worden gedefinieerd? Met andere woorden: niet uitgesloten moet worden dat we moeten afrekenen met ingesleten mechanismen die probleemafwenteling en risicomijding bevorderen. Welke risicos horen bij een moderne overheid, die moet werken mét en in een zeer beweeglijke omgeving van burgers en hun organisaties, van bedrijven en van belangen.
De overheid is geen bedrijf, maar lijkt er vaak wel op, en vaak ook weer niet. De overheid heeft - naar mijn diepe overtuiging - iets heel specifieks, maar was ís dat dan? En als er sprake is van iets specifieks, dan heeft dat bijzonder gevolgen voor de ambtelijke status.
Een belangrijk punt is ook de verandering in en van de ambtelijke organisatie en cultuur. De huidige complexiteit van maatschappelijke vraagstukken brengt met zich mee dat elk ambtelijk handelen, hoe ver ook van de politieke kern verwijderd, politieke repercussies kan opleveren. Iedere ambtenaar, ook zij die bij verzelfstandigde overheidsdiensten werken, moet zich dat realiseren.
Het management moet zorgen dat dat besef aanwezig is en wordt onderhouden, moet medewerkers op essentialia aanspreken en coachen. Juist omdat de politieke verantwoordelijkheid voor overheidshandelingen bij de bewindspersonen ligt, is het van groot belang dat deze bewindspersonen de beschikking hebben over relevante en juiste informatie, kan het zijn: op tijd. Dát debat is ook volop in gemeentelijke kring gaande, ik weet het. Daarbij wil ik voorop stellen dat de meeste ambtelijke medewerkers en diensten goed en soms voorbeeldig werken. Anders zou onze maatschappij niet zo functioneren als zij functioneert. Ik heb u een dwarsdoorsnede gegeven van de belangrijkste probleemvelden die het openbaar bestuur kent. Nu ik hier voor het eerst als minister in uw middag mag zijn, heb ik nog eens willen toelichten op welke terreinen naar mijn overtuiging met veel sense of urgency zaken moeten worden aangepakt.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie