Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

SER kritisch over onderdelen SUWI-nota kabinet

Datum nieuwsfeit: 10-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
SER

10 juni 1999

SER in ontwerpadvies kritisch over onderdelen SUWI-nota kabinet

In grote lijnen onderschrijft de SER de doelstellingen van het kabinet, zoals verwoord in de nota Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (SUWI). Deze doelstellingen hebben betrekking op verbetering van de klantgerichtheid, het bevorderen van de reïntegratie en de versterking van effectiviteit en efficiency. Desondanks zijn er grote twijfels over de wijze waarop het kabinet deze doelstellingen wil bereiken. Deze twijfel betreft vooral de positionering van de claimbeoordeling, de positie en het takenpakket van de Centra voor Werk en Inkomen (CWI's), de positie en samenstelling van het Landelijk Instituut Werk en Inkomen (LIWI) en, ten slotte, het opdrachtgeverschap met betrekking tot de uitvoering van de werknemersverzekeringen.

Dat staat in een ontwerpadvies(1) Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI) dat namens de Commissie Sociale Zekerheid is opgesteld door een werkgroep onder voorzitterschap van prof.dr. A.H.J. Kolnaar. Het ontwerpadvies is een vervolg op het SER-advies van 1998 over de organisatie van de sociale verzekeringen(2) en reageert nu op de zogeheten SUWI-nota van het kabinet. Het zal worden besproken tijdens de raadsvergadering van vrijdag 18 juni aanstaande.

Claimbeoordeling privaat uitvoeren
De werkgroep constateert dat het kabinet grotendeels vasthoudt aan de eerder in 1998 geschetste verdeling tussen publieke en private taken en verantwoordelijkheden. Het kabinetsvoorstel houdt onder andere in dat de claimbeoordeling wordt verricht door publieke Centra voor Werk en Inkomen (CWI). Onder claimbeoordeling valt de beslissing omtrent de verwijtbaarheid van het ontstaan en het voortduren van werkloosheid in het kader van de WW, de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO en de beoordeling van de afstand van de werkzoekende tot de arbeidsmarkt (fase-indeling).

De werkgroep stelt vast dat deze opzet leidt tot een loskoppeling van de claimbeoordeling van de uitkeringsverzorging en reïntegratie-activiteiten. Dit veroorzaakt een knip in de gevalsbehandeling en heeft tot gevolg dat het totale uitkeringsproces over meerdere instanties en partijen wordt verdeeld. Daarmee ontstaat onduidelijkheid over verantwoordelijkheden en bevoegdheden en wordt een potentiële bron van competentiegeschillen ingebouwd. Bovendien belemmert dit een eenduidige regievoering en het nemen van verantwoordelijkheid voor een snelle reïntegratie.

In zijn advies van 1998 heeft de SER ervoor gepleit dat de claimbeoordeling voor de werknemersverzekeringen door geprivatiseerde uitvoeringsinstellingen (uvi's) wordt uitgevoerd, op voorwaarde dat dit gebeurt in een juridisch afgezonderde, niet op winst gerichte eenheid van de holding die gebonden is aan publiekrechtelijke regels, inclusief de bijbehorende publiekrechtelijke rechtsbescherming.

Alternatief model
De commissie beveelt het kabinet aan de SUWI-voorstellen te heroverwegen en daarbij gebruik te maken van het door de Stichting van de Arbeid en het Lisv ontwikkelde alternatief model. In dit model worden de WAO-keuringen door de uvi's verricht en krijgt het CWI een toetsende rol. De uvi's stellen de medische beperkingen van de verzekerde feitelijk vast, evenals de mate van arbeidsongeschiktheid. Dit wordt vervolgens getoetst door het CWI (op basis van onder meer steekproefcontroles door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen in dienst van het CWI). Daarnaast vinden systeembeoordelingen plaats (door certificering van keuringsprocessen) en wordt intercollegiale toetsing voorgeschreven.

In het ontwerpadvies wordt vastgesteld dat het kabinet in de SUWI-nota kiest voor een door de overheid uitgevoerde claimbeoordeling onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van een publiek orgaan waarin onder meer de sociale partners zijn vertegenwoordigd.

De commissie is van oordeel dat de keuze van het kabinet voor uitvoering van de claimbeoordeling door publieke CWI-functionarissen (met andere woorden: uitvoering binnen het publieke domein) als consequentie dient te hebben dat niet het Landelijk Instituut voor Werk en Inkomen (LIWI,waarin ook sociale partners zijn vertegenwoordigd) maar de minister van SZW zelf de uitvoering beleidsmatig dient aan te sturen.

CWI's geen meerwaarde
De werkgroep betwijfelt of de CWI's, zoals nader ingevuld en vormgegeven in de kabinetsvoorstellen, een meerwaarde zullen hebben.

Voor werkgevers lijkt het CWI - zoals voorgesteld in de SUWI-nota - onvoldoende slagkracht te hebben om een aantrekkelijk en samenhangend pakket aan dienstverlening te kunnen bieden. Liever ziet de werkgroep een voor werkgevers effectieve bemiddeling die is gebaseerd op de huidige basisdienstverlening van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Daarvan dienen ook het acquireren en registreren van vacatures, de voorselectie en de nazorg onderdeel uit te maken. Ook betwijfelt de werkgroep de haalbaarheid en zin van een nationale vacaturebank.

Ten aanzien van werkzoekenden en uitkeringsgerechtigden constateert de werkgroep dat de voorgestelde uitvoeringsstructuur in veel gevallen leidt tot extra contactmomenten en -organisaties, inclusief de daarbij horende dossieroverdrachten en systeemovergangen.

De werkgroep pleit er in het ontwerpadvies dan ook voor om de uitvoeringsstructuur meer in lijn te brengen met het proces Samenwerking Werk en Inkomen (SWI) dat in 1995 is gestart. De benadering van SWI als samenwerking tussen zelfstandige partijen (gemeenten, uvi's en arbeidsbureau's) is in de SUWI-nota vervangen door landelijk aangestuurde, zelfstandige CWI's. Gezien het stadium waarin de SWI-samenwerkingsexperimenten zich bevinden, vindt de werkgroep het echter te vroeg om nu de nadere invulling van de CWI's definitief vast te leggen. Pas over enige jaren zou uit de functionerende regionale SWI-benaderingen de best practice kunnen worden gekozen die dan landelijk zoveel als mogelijk gestandaardiseerd en herkenbaar kan worden ingevoerd. Dit biedt de meeste garantie voor klantvriendelijkheid, een samenhangend sectoraal en regionaal arbeidsmarktbeleid en een efficiënte samenwerking tussen de verschillende partijen.

De werkgroep stelt bovendien voor dat bij de nadere invulling van de CWI's afdoende aandacht wordt besteed aan een samenhangend (regionaal) beleidskader. Het gaat daarbij om het creëren van een orgaan dat in staat is de vraag- en de aanbodzijde van de arbeidsmarkt effectief bij elkaar te brengen.

Landelijk Instituut Werk en Inkomen (LIWI)
De door het kabinet beoogde samenvoeging van het Lisv en het CBA tot het LIWI waardeert de werkgroep op zichzelf genomen positief. Deze samenvoeging geeft ook op het hoogste bestuurlijke niveau uiting aan de integratie van uiteenlopende beleidsterreinen.

De SUWI-nota biedt echter geen eenduidige omschrijving van de functionele eindverantwoordelijkheid van het LIWI, noch van de politieke verantwoordelijkheid van de minister van SZW en ook niet van de verhouding daartussen. Het komt de werkgroep evenwel voor dat de beleidsruimte voor het LIWI-bestuur te beperkt zal zijn om een breed en samenhangend arbeidsmarktbeleid te kunnen voeren. De werkgroep vindt het daarom wenselijk dat het LIWI wel een reële bestuurlijke verantwoordelijkheid krijgt met als een van de kerntaken het bepalen van een breed, samenhangend en sectoraal arbeidsmarktbeleid. Het LIWI moet dan ook de ruimte hebben om de daarbij behorende budgetten gericht te kunnen inzetten.

Ten slotte pleit de werkgroep voor een tripartiete opzet (sociale partners en gemeenten met een onafhankelijk voorzitter) van het LIWI-bestuur, gelet op de verantwoordelijkheden die in het LIWI samenkomen.

Regionale overlegplatforms met bevoegdheden
Volgens de werkgroep komt de grote betekenis van een samenhangend (regionaal) beleidskader, mede gericht op sectoraal arbeidsmarktbeleid, in de SUWI-nota onvoldoende tot uitdrukking. De activiteiten van CWI's zijn in de voorstellen van het kabinet primair gericht op een individuele dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers.

In beginsel staat de werkgroep positief tegenover de instelling van regionale overlegplatforms. Opdat deze daadwerkelijk een rol kunnen spelen als schakel tussen landelijk, sectoraal en regionaal beleid, zouden zij echter formele bevoegdheden moeten krijgen, met name inzake de regionale middelencoördinatie. Alleen zo kunnen de platforms naar verwachting adequaat bijdragen tot zowel de landelijk beleidscoördinerende rol van het LIWI, als tot de vertaling van het door het LIWI geformuleerde beleidskader naar het regionale niveau. Om de relatie tussen het landelijke en sectorale beleid verder te versterken bepleit de raad dat de regionale overlegplatforms worden ingesteld door het LIWI; het kabinetsvoorstel dat het initiatief hiertoe bij gemeenten legt, wijst de werkgroep hiermee af.

Ter voorkoming van versnippering van het arbeidsmarktbeleid verdient het verder aanbeveling de platforms te vestigen op het niveau van de door het kabinet voorgestelde CWI-plus-kantoren. De werkgroep stelt voor de platforms samen te stellen uit vertegenwoordigers van de regionale overheid en sociale partners.

Opdrachtgeverschap
De SUWI-nota bevat verschillende voorstellen gericht op een vergroting van de marktwerking op het terrein van werk en inkomen. Met het kabinet onderschrijft de werkgroep de stelling dat marktwerking als middel kan bijdragen tot een doelmatiger en doeltreffender uitvoering.

De werkgroep constateert met instemming dat het kabinet kiest voor een overgang van het huidige centrale opdrachtgeverschap naar een decentraal bipartiete samengesteld opdrachtgeverschap, waarvan de ondergrens vooralsnog ligt bij (groepen van) werkgevers met meer dan 100 werknemers. Ieder schaalniveau daarboven (sectoren, CAO-niveau, bedrijfstakken) is ook mogelijk. Aangaande de (gefaseerde) invoering van het opdrachtgeverschap, meent de werkgroep dat hiermee op korte termijn ervaring kan worden opgedaan. Hij verwijst hierbij naar de opvatting van het Lisv dat het takenpakket van het opdrachtgeverschap het wenselijk maakt dat - eventueel op beperkte schaal - vóór 1 januari 2002 wordt geëxperimenteerd met vormen van decentraal opdrachtgeverschap, vooral wat de reïntegratietaak betreft. Dat decentrale opdrachtgeverschap moet dan wel voldoende ingekleed worden, bijvoorbeeld met een modelcontract voor de onderhandelende partijen.

Noot voor redacties

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie