Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord Financien op vragen m.b.t. 'aanmerkelijk belang'

Datum nieuwsfeit: 11-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Antwoord op vragen mbt het aanmerkelijk belang



Besluit van 11 juni 1999, nr. DB99/1272M

De plv. directeur-generaal der Belastingen heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.


1. Inleiding

Sinds mijn vorige besluit waarin een aantal vragen is beantwoord op het gebied van het aanmerkelijk belang (besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101, punt 12), zijn mij wederom vragen voorgelegd. De daarop gegeven antwoorden treft u hieronder aan. De antwoorden op C.3 en G.2 bevatten goedkeuringen.


2. Overzicht van de vragen en antwoorden

A. Aanwezigheid aanmerkelijk belang

A.1 Opties op nieuw uit te geven aandelen.

A.2 Het begrip "schuldvordering" in artikel 20a, vijfde lid, van de Wet.

A.3 Middellijk belang.

A.4 Geregistreerd partnerschap.

B. Reguliere voordelen

B.1 Rente op lening i.v.m. bedrijfsovername.

B.2 Vestiging tijdelijk recht van vruchtgebruik krachtens testament.

C. Vervreemdingsvoordelen en verkrijgingsprijs

C.1 Uitoefening van een gedeelte van opties op aandelen.

C.2 Verkrijgingsprijs vordering.

C.3 Verkrijgingsprijs aandelen in buitenlandse vennootschap bij remigratie binnen 10 jaar.

C.4 Omvorming van gewone aandelen in preferente aandelen en verlettering van aandelen.

C.5 Aandelenruil zonder soortgelijke aandelen.

C.6 Aandelenruil. Niet-vervreemdingsbeding en non-liquidatiebeding.

C.7 Aandelenruil. Onzakelijke ruilverhouding. Claimverlies.

C.8 Aandelenruil. Stemrechtcriterium.

D. Huwelijk

D.1 Vervreemding aan echtgenoot.

D.2 Buiten gemeenschap van goederen gehuwd. Echtscheiding. Verdeling aandelenbezit.

D.3 Algehele gemeenschap van goederen. Huwelijkse voorwaarden. Verdeling aandelenbezit. Rente op overbedelingsschuld.

E. Overlijden

E.1 Overlijden binnen 10 jaar na emigratie.

F. Overgangsrecht verkrijgingsprijs

F.1 Aflopend aanmerkelijk belang en overlijden.

F.2 Toepassing van oude overgangsregeling van artikel 79 van de Wet (oud).

F.3 Verkrijgingsprijs van een vordering waarop vóór 4 juni 1996 is afgelost.

G. Buitenlands belastingplichtigen

G.1 Rente op schuldvordering.

G.2 Financieringsrente buitenlands belastingplichtigen

G.3 Belastingverdrag. Aftrekbare kosten terzake van reguliere voordelen.

G.4 Belastingverdrag. Fictieve rente. Kostenaftrek vennootschap.

G.5 Belastingverdrag. Reeds lang geëmigreerde
aanmerkelijkbelanghouder. Liquidatieuitkering.

H. Diverse onderwerpen

H.1 Rentevrijstelling. Betaalde rente i.v.m.
aanmerkelijkbelangaandelen. Salderingsregeling.

H.2 Vermogensbelasting. Belastinglatentie. Zogenoemde artikel 29a-Vennootschap.


3. Vragen en antwoorden aanmerkelijk belang

A. Aanwezigheid aanmerkelijk belang

A.1 Opties op nieuw uit te geven aandelen.

De heer F bezit opties op nog uit te geven aandelen BV X met een nominale waarde van in totaal 2.000. Het geplaatste kapitaal van BV X bedraagt 40.000. Heeft hij een aanmerkelijk belang?

Op grond van artikel 20a, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) is voor het antwoord op deze vraag beslissend de omvang van het geplaatste kapitaal van BV X ten tijde van de optieverlening. Aangezien belanghebbende rechten heeft om tot een omvang van vijf procent van het geplaatste kapitaal aandelen BV X te verwerven, heeft hij een aanmerkelijk belang. Het is niet van belang dat het opties betreft op nieuw uit te geven aandelen. Indien de opties worden uitgeoefend heeft hij nog maar een belang van 4,76% waardoor hij niet langer een aanmerkelijk belang in de desbetreffende BV heeft. De 4,76% aandelen worden daardoor geacht te zijn vervreemd op grond van artikel 20a, zesde lid, onderdeel h, van de Wet. In onderdeel C.1 wordt nader ingegaan op de fiscale gevolgen van uitoefening van een optie.

A.2 Het begrip "schuldvordering" in artikel 20a, vijfde lid, van de Wet.

Zoon X heeft een lijfrente bedongen van de BV waarvan zijn vader enig aandeelhouder is. Wordt de lijfrente beschouwd als een "schuldvordering" die ingevolge artikel 20a, vijfde lid, van de Wet ten aanzien van de zoon geacht wordt te behoren tot een aanmerkelijk belang? Hoe luidt het antwoord indien hij pensioenrechten heeft van de BV of als hij als werknemer van de BV recht heeft op een reiskostenvergoeding?

De lijfrente, de pensioenrechten en in beginsel ook het recht op een reiskostenvergoeding zijn niet als een schuldvordering in de zin van artikel 20a, vijfde lid, van de Wet aan te merken. Dit wordt anders indien bijvoorbeeld de uitbetaling van de reiskostenvergoeding ongebruikelijk lang wordt uitgesteld waardoor in feite een omzetting in een normale schuldvordering heeft plaatsgevonden. In een dergelijk geval is de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing.

A.3 Middellijk belang.

Belanghebbende heeft middellijk, via zijn holding, 4% van de aandelen in een werkmaatschappij. Vaststaat dat hij werkzaam is voor deze werkmaatschappij maar daarvan geen salaris ontvangt. Zijn zoon heeft op grond van artikel 20a, derde lid, van de Wet een aanmerkelijk belang in de werkmaatschappij. Is belanghebbende op grond van artikel 20a, vijfde lid, van de Wet aanmerkelijkbelanghouder zodat de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing vindt?

Nee, belanghebbende is geen aanmerkelijkbelanghouder omdat in artikel 20a, vijfde lid, van de Wet, anders dan in artikel 20a, derde lid, van de Wet, de term "middellijk" niet voorkomt. Artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 is derhalve niet van toepassing.

A.4 Geregistreerd partnerschap.

De heer Q heeft 4% van de aandelen in BV Y. Zijn dochter en haar partner Y hebben zich als partners laten registreren in de zin van titel 5A van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (het geregistreerde partnerschap). Y heeft 96% van de aandelen in BV Y. Is Q aanmerkelijkbelanghouder op grond van artikel 20a, vijfde lid, van de Wet?

Ja, de aandelen van de heer Q worden geacht te behoren tot een aanmerkelijk belang omdat zijn aanverwant in de rechte lijn Y een aanmerkelijk belang heeft in BV Y. Sinds 1 januari 1998 ontstaat aanverwantschap niet alleen door huwelijk maar ook door geregistreerd partnerschap (artikel 1:3 van het Burgerlijk Wetboek). Indien de dochter en Y ongehuwd en niet-geregistreerd zouden samenwonen, zou Q geen aanmerkelijkbelanghouder zijn. (Zie ook het antwoord op vraag A.1 uit het besluit van 29 september 1997, nr. DB 97/2742M, V-N 1997, blz. 4101, punt 12)

B. Reguliere voordelen

B.1 Rente op lening i.v.m. bedrijfsovername.

Belanghebbende bezit 100% van de aandelen in H BV (gestort kapitaal 40.000) welke vennootschap beschikt over overtollige liquide winstreserves tot een bedrag van 400.000. H BV bezit 50% van de aandelen van Werk BV. Q bezit de overige aandelen van Werk BV. Belanghebbende koopt in privé voor 450.000 de aandelen van Q. Hij leent 300.000 van de koopsom van H BV. Het restant leent hij van een bank. Worden de rentebetalingen op de leningen aangemerkt als op reguliere voordelen drukkende aftrekbare kosten, zodat zij (in beginsel) in aanmerking worden genomen tegen het tarief van 25%? Of is ingevolge artikel 3d Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna:URIB) sprake van persoonlijke verplichtingen welke tegen het tabeltarief in aanmerking worden genomen?

De rentebetalingen aan H BV worden aangemerkt als op reguliere voordelen drukkende aftrekbare kosten. Voorzover van H BV wordt geleend, is niet voldaan aan de in artikel 3d, tweede lid, onderdeel a, URIB gestelde voorwaarde dat de aankoop niet kan worden gefinancierd uit voor directe belegging beschikbare gelden. De winstreserves in H BV zijn immers direct uitkeerbaar, zodat kan worden gesproken van voor directe belegging beschikbare gelden. De rentebetalingen aan de bank worden aangemerkt als tegen het tabeltarief aftrekbare persoonlijke verplichtingen, mits aan de overige in artikel 3d URIB gestelde voorwaarden wordt voldaan.

B.2 Vestiging tijdelijk recht van vruchtgebruik krachtens testament.

Is sprake van een belastbaar regulier voordeel indien krachtens testament een tijdelijk recht van vruchtgebruik wordt gevestigd op aanmerkelijkbelangaandelen tegen inbreng van de waarde? Wat is de invloed van de de vrijstelling van artikel 25, zestiende lid, onderdeel a, van de Wet?

Er is in bovenvermelde situatie sprake van een tegen het tarief van 25% belastbaar regulier voordeel op grond van artikel 20b, eerste lid, onderdeel e, van de Wet. Artikel 25, zestiende lid, onderdeel a, van de Wet is niet van toepassing, ook niet na de verruiming van dat artikel per 14 november 1997. In artikel 20b, eerste lid, onderdeel e, van de Wet is uitdrukkelijk bepaald dat artikel 25, zeventiende lid, van de Wet wel geldt voor de berekening van het te belasten reguliere voordeel.

C. Vervreemdingsvoordelen en verkrijgingsprijs

C.1 Uitoefening van een gedeelte van opties op aandelen.

De heer Z bezit opties op 5% van het geplaatste kapitaal. Hij heeft een aanmerkelijk belang. Hij oefent op een bepaald moment de opties uit voorzover zij betrekking hebben op 2% van het geplaatste kapitaal. Wat zijn de fiscale gevolgen?

Na het uitoefenen van de opties bezit Z 2% van de aandelen en heeft hij nog opties op 3% van het geplaatste kapitaal. Er is daardoor niet langer sprake van een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 20a, derde lid, van de Wet. De 2% aandelen en de opties op 3% van het geplaatste kapitaal worden geacht te zijn vervreemd op grond van artikel 20a, zesde lid, onderdeel h, van de Wet.

Indien Z een verzoek doet zoals bedoeld in artikel 20e, eerste lid, van de Wet wordt dit vervreemdingsvoordeel niet in aanmerking genomen. De aandelen en opties worden dan op grond van artikel 20e, tweede lid, van de Wet voor wat betreft vervreemdingsvoordelen geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren. De verkrijgingsprijs van de uitgeoefende opties wordt gerekend tot de verkrijgingsprijs van de 2% verworven aandelen (artikel 20c, tiende lid, van de Wet).

C.2 Verkrijgingsprijs vordering.

Mevrouw A heeft een vordering op haar BV van 800.000 met een verkrijgingsprijs van

240.000. Wat zijn de gevolgen voor de verkrijgingsprijs indien zij in 1999 opnieuw een bedrag van 200.000 leent aan haar BV?

Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de kwalificatie van het in 1999 uitgeleende bedrag. Is sprake van een nieuwe lening naast de bestaande vordering dan verandert de verkrijgingsprijs van die bestaande vordering niet en heeft de nieuwe vordering een verkrijgingsprijs welke gelijk is aan het uitgeleende bedrag, in casu 200.000. Indien echter het bedrag van 200.000 wordt bijgeboekt bij de oude schuldverbintenis dan zal de volledige schuldverbintenis als één geheel moeten worden beschouwd. De lening bedraagt dan 1.000.000 terwijl de verkrijgingsprijs

440.000 (240.000 + 200.000) is.

C.3 Verkrijgingsprijs aandelen in buitenlandse vennootschap bij remigratie binnen 10 jaar.

De heer C is in 1994 geëmigreerd. Hij heeft in het buitenland een aldaar gevestigde vennootschap naar buitenlands recht opgericht. De verkrijgingsprijs van de aandelen in die vennootschap bedraagt - omgerekend - 50.000. In 1999 vestigt hij zich metterwoon in Nederland. De waarde van de aandelen is dan 175.000. Op welk bedrag wordt de verkrijgingsprijs gesteld bij het (hernieuwde) begin van de Nederlandse belastingplicht?

Op grond van artikel 20c, zevende lid, tweede volzin, van de Wet dient de verkrijgingsprijs te worden gesteld op de historische verkrijgingsprijs, in dit geval 50.000. In bepaalde situaties acht ik dit een onbevredigend resultaat. Onder de hierna opgenomen voorwaarden keur ik goed dat de verkrijgingsprijs wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van het aanmerkelijkbelangpakket op het moment van immigratie (in casu 175.000). De voorwaarden luiden:


1. Nederland heeft nimmer een fiscale claim gehad op de vennootschap of op (koopopties op) de aandelen in, winstbewijzen van, schuldvorderingen op de vennootschap;


2. De desbetreffende vennootschap heeft geen banden met Nederland (gehad). Zo zal de vennootschap (onmiddellijk of middellijk) geen Nederlandse deelneming mogen hebben, geen Nederlandse vaste inrichting of Nederlandse vermogensbestanddelen. Een eventuele handelsrelatie met Nederland wordt hier niet bedoeld.

De inspecteur toetst of aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan.

Overigens merk ik op dat op de hierboven beschreven wijze eveneens de verkrijgingsprijs van de aandelen van een in het buitenland woonachtige aandeelhouder kan worden vastgesteld in het geval de in het buitenland gevestigde vennootschap haar zetel verplaatst naar Nederland.

C.4 Omvorming van gewone aandelen in preferente aandelen en verlettering van aandelen.

Onder welke omstandigheden wordt de omvorming van gewone aandelen in preferente aandelen en de verlettering van aandelen niet als een vervreemding aangemerkt?

In onderdeel C.5 van mijn besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101, punt 12, is een antwoord gegeven op een vraag naar de gevolgen van wijziging van een gedeelte van de gewone aandelen in preferente aandelen. Nadien zijn nogmaals gedetailleerdere vragen gesteld over de gevolgen van de wijziging van gewone aandelen in preferente aandelen, waarbij tevens de verlettering van aandelen aan de orde kwam. Twee casus die mij in dit verband zijn voorgelegd zijn hierna opgenomen.

In zijn algemeenheid geldt dat indien (een gedeelte van) de aandelen in een vennootschap bij statutenwijziging worden omgevormd tot preferente aandelen of een verlettering van aandelen plaatsvindt, een vervreemding wordt aangenomen indien de economische betekenis van de aandelen vóór de statutenwijziging (hierna: ongewijzigde aandelen) niet overeenkomt met de economische betekenis van de aandelen na de statutenwijziging (hierna: gewijzigde aandelen). Er dient dan sprake te zijn van een zodanige verandering van financiële rechten dat de gewijzigde aandelen niet met de ongewijzigde aandelen kunnen worden vereenzelvigd (vgl. Gerechtshof Arnhem, 30 oktober 1989, BNB 1991/99). Omgekeerd geldt dus dat normaal gesproken geen sprake is van een vervreemding indien:

* De aan de aandelen verbonden - en bij verkoop, liquidatie of uitkering van winst te realiseren - aanspraken op het vermogen van de vennootschap (gestort kapitaal, zichtbare reserves, stille reserves en goodwill) na de statutenwijziging volledig worden behouden;

* De aandelen na de statutenwijziging recht geven op een - in verhouding tot de andere aandelen - zakelijke aanspraak op in de toekomst door de vennootschap te behalen winsten. Ik wijs er op dat het bij de beoordeling daarvan aanbeveling verdient het rendement dat op eventueel (nieuw) uit te geven aandelen zal worden behaald in de beschouwing te betrekken.

Of sprake is van een vereenzelviging van de ongewijzigde aandelen met de gewijzigde aandelen wordt beoordeeld vanuit de aandelen, niet vanuit de aandeelhouder. Dit betekent dat ook sprake kan zijn van een vervreemding indien één persoon alle aandelen van de desbetreffende vennootschap bezit, en door de omvorming van een gedeelte van zijn aandelenpakket in preferente aandelen (of door een verlettering van aandelen) een verschuiving optreedt van financiële rechten van de ene soort aandelen naar de andere soort aandelen. Dat is vergelijkbaar met een inkoop om niet van een gedeelte van het aandelenpakket van de enige aandeelhouder. Op een dergelijke situatie wordt gedoeld in punt C.5 van het voormelde besluit van 29 september 1997.

Indien de gewijzigde aandelen niet te vereenzelvigen zijn met de ongewijzigde aandelen, wordt het vervreemdingsvoordeel vastgesteld op de overdrachtsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs van de aandelen. Op grond van artikel 20c, vierde lid, van de Wet wordt de overdrachtsprijs gesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment van de statutenwijziging.

Blijkens de laatste volzin van artikel 20c, vierde lid, van de Wet, is het niet relevant of de aandeelhouder zijn belang in de vennootschap (vooralsnog) volledig heeft behouden. Ook ingeval rechten verschuiven van de ene soort aandelen naar de andere soort aandelen, wordt deze bepaling toegepast. Eenzelfde situatie doet zich voor als een gedeelte van de aandelen van een enig aandeelhouder om niet wordt ingekocht. Ingevolge het arrest van 21 september 1988, BNB 1988/308, bleef artikel 39, vijfde lid, van de Wet (oud) onder toepassing van het oude aanmerkelijkbelangregime wel buiten toepassing, ingeval geen rechten verschoven naar een andere aandeelhouder. De toevoeging van de laatste volzin aan artikel 20c, vierde lid, van de Wet heeft derhalve tot gevolg dat de omvorming van gewone aandelen in preferente aandelen en de verlettering van aandelen sinds 1 januari 1997 vaker tot belastingheffing leiden, dan onder de toepassing van het oude aanmerkelijkbelangregime.

Casus 1. Wijziging gewone aandelen in preferente aandelen

De heer X is enig aandeelhouder van X BV. In het kader van bedrijfsopvolging door zijn zoon, wordt besloten de aandelen van de heer X te wijzigen in cumulatief preferente aandelen en bij de zoon nieuwe gewone aandelen te plaatsen. De daarbij gekozen vormgeving, die hieronder is opgenomen, is naar mijn mening zodanig dat géén sprake is van vervreemding.


a. De gewone aandelen worden bij statutenwijziging omgevormd tot cumulatief preferente aandelen.


b. De vóór de statutenwijziging aan de om te zetten gewone aandelen verbonden zichtbare winstreserves en agioreserves worden volledig toegerekend aan deze (in preferente aandelen gewijzigde) aandelen. Hetzelfde geschiedt met de stille reserves en goodwill. Hiertoe zijn - voor zoveel mogelijk - in de jaarrekening en in de statuten afzonderlijke reserves gecreëerd.


c. De preferente aandelen geven recht op een - eventueel in overleg met de inspecteur te bepalen - zakelijke vergoeding voor het ter beschikking stellen van vermogen aan de vennootschap (primair dividend). Het primaire dividend wordt, in het verlengde van het vorige punt, berekend over het nominale kapitaal van de preferente aandelen en de aan deze aandelen verbonden zichtbare en onzichtbare reserves (inclusief goodwill). Indien de winst in enig jaar niet voldoende is voor het uitkeren van het primaire dividend, bestaat er in de volgende jaren in zoverre recht op een aanvullend primair dividend. De na de toekenning van het primaire dividend resterende winst wordt toegerekend aan de gewone aandelen.


d. Indien in enig jaar na de statutenwijziging in plaats van een dividenduitkering een bijschrijving plaatsvindt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, bestaat in de daarop volgende jaren ook recht op het vastgestelde percentage primair dividend over deze bijschrijving.


e. Indien in enig jaar een verlies wordt afgeboekt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, wordt, als in een later jaar winst wordt gemaakt, een bedrag bijgeschreven op deze winstreserverekening dat overeenkomt met het bedrag dat ter dekking van de verliezen was afgeschreven.


f. Bij liquidatie van de vennootschap worden de aan de preferente aandelen verbonden winstreserves uitgekeerd aan de houder van de preferente aandelen. Het gevolg is dat de direct vóór de statutenwijziging aan de oude aandelen verbonden zichtbare en onzichtbare reserves (inclusief goodwill) uiteindelijk op de preferente aandelen zijn uitgekeerd, tenzij deze winstreserves door verliezen definitief teniet zijn gegaan.

Casus 2. Verlettering van aandelen

De heer W is enig aandeelhouder van W BV. In het kader van een bedrijfsopvolging door zijn zoon worden de aandelen van de heer W gewijzigd in aandelen A en worden bij zijn zoon aandelen B geplaatst. In de statuten wordt met betrekking tot de winstverdeling bepaald dat de aandeelhouders eerst recht hebben op een primair dividend over het aan de vennootschap ter beschikking gestelde vermogen en dat de overwinst verdeeld wordt naar evenredigheid van het nominale kapitaal van de aandelen. In afwijking van de hiervóór opgenomen casus houden de aandelen A van de vader dus ook recht op een deel van de overwinst. De wijze waarop dit gestalte heeft gekregen (zie hierna) is zodanig dat géén sprake is van vervreemding van aandelen door de heer W.


a. De gewone aandelen worden verletterd in aandelen A en er worden nieuwe aandelen B geëmitteerd.


b. De vóór de statutenwijziging aan de gewone aandelen verbonden zichtbare winstreserves en agioreserves worden volledig toegerekend aan de aandelen A. Hetzelfde geschiedt met de stille reserves en goodwill. Hiertoe zijn - voor zoveel mogelijk - in de jaarrekening en in de statuten afzonderlijke reserves gecreëerd.


c. De aandelen A en B geven recht op een - eventueel in overleg met de inspecteur te bepalen - zakelijke vergoeding voor het ter beschikking stellen van vermogen aan de vennootschap (primair dividend). Het primaire dividend wordt, in het verlengde van het vorige punt, berekend over de nominale waarde van de aandelen A en B en het bedrag van de aan die aandelen verbonden zichtbare reserves. De aandelen A geven tevens recht op primair dividend berekend over de ten tijde van de verlettering aan deze aandelen verbonden stille reserves en goodwill voorzover deze nog niet op de aandelen zijn uitgekeerd of door verliezen verloren zijn gegaan. Indien de winst in enig jaar niet voldoende is voor het uitkeren van het primaire dividend, bestaat er in de volgende jaren in zoverre recht op een aanvullend primair dividend.


d. De na de toekenning van het primaire dividend op de aandelen A en B resterende winst wordt in verhouding tot het nominale kapitaal aan de aandelen A en de aandelen B toegerekend.


e. Indien in enig jaar na de statutenwijziging in plaats van een primaire dividenduitkering een bijschrijving plaatsvindt op de aan de aandelen A en B verbonden winstreserverekeningen, bestaat in de daarop volgende jaren ook recht op het vastgestelde percentage primaire dividend over deze bijschrijvingen.


f. Indien in enig jaar een verlies wordt afgeboekt op een winstreserverekening, wordt, als in een later jaar winst wordt gemaakt, een bedrag bijgeschreven op deze winstreserverekening dat overeenkomt met het bedrag dat ter dekking van de verliezen was afgeschreven.

g. Bij liquidatie van de vennootschap worden de aan de aandelen A verbonden winstreserves uitgekeerd aan de houders van de aandelen A. Het gevolg is dat de direct vóór de statutenwijziging aan de aandelen van de heer W verbonden winstreserves uiteindelijk op de aandelen A zijn uitgekeerd, tenzij deze winstreserves door verliezen definitief teniet zijn gegaan.

Overigens merk ik op dat de hierboven getrokken conclusie dat geen sprake is van vervreemding onder dezelfde omstandigheden als bij beide casus ook van toepassing is in de situatie dat geen nieuwe aandeelhouders toetreden. Hetzelfde geldt indien de aandelen van een vennootschap in het bezit zijn van meer personen en deze gezamenlijke aandeelhouders hun gewone aandelen willen wijzigen in letteraandelen.

C.5 Aandelenruil zonder soortgelijke aandelen.

Vader heeft alle aandelen van BV X. Zoon is enig aandeelhouder van BV Z. Vader ruilt zijn - gewone - aandelen in BV X tegen nieuw uit te geven preferente aandelen in BV Z. Is er sprake van een te faciliëren aandelenruil (aandelenfusie) in de zin van artikel 14b van de Wet ?

In beginsel kan - mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 14b van de Wet met inachtneming van het besluit van 7 mei 1998, nr. DB98/720M, V-N 1998/26.6, blz.2263 - een ruil van gewone aandelen tegen uitreiking van soortaandelen worden aangemerkt als een gefacilieerde aandelenfusie. Indien een directe omvorming van gewone aandelen in soortaandelen (dus zonder het door middel van een aandelenruil tussenplaatsen van een houdstermaatschappij) zou kwalificeren als een belaste vervreemding, kan bij de aandelenruil sprake zijn van belastingontwijking als bedoeld in de Fusierichtlijn. Ten aanzien van de vraag of een dergelijke omvorming kwalificeert als een vervreemding verwijs ik naar het hierboven opgenomen antwoord op de als C4 genummerde vraag. Van belastingontwijking zal naar mijn mening sprake zijn ingeval uitstel van de heffing over bijvoorbeeld de bij de omvorming te realiseren winst uit aanmerkelijk belang het hoofddoel of een der hoofddoelen van de aandelenruil is. Een en ander staat ter beoordeling van de competente inspecteur.

C.6 Aandelenruil. Niet-vervreemdingsbeding en non-liquidatiebeding.

H houdt alle aandelen in de naar Antilliaans recht opgerichte holding H NV. H NV is gevestigd in Nederland. H heeft G BV opgericht. Tegen uitreiking van aandelen G BV stort hij de aandelen in H NV. Er wordt in overeenstemming met de werkelijke intentie verklaard dat de aandelen in H NV gedurende ten minste drie jaren niet zullen worden vervreemd en dat H NV gedurende die periode niet zal worden geliquideerd (met sanctiebepaling). Mag de inspecteur er van uitgaan dat de aandelenruil niet als één van de hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft, zoals bedoeld in het besluit van 7 mei 1998, nr. DB98/720M, V-N 1998/26.6, blz.2263?

In zijn algemeenheid geldt dat voorzover het de hiervoor genoemde elementen vervreemding en liquidatie betreft, de inspecteur er bij een dergelijke verklaring van uit mag gaan dat de aandelenruil niet als één van de hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft (vgl. Hof van Justitie EG, BNB 1998/32c*). Dat kan nog anders zijn als de aandelenruil bijvoorbeeld als doel heeft met toepassing van de deelnemingsvrijstelling aanzienlijke dividenden uit te keren aan de kapitaalbehoeftige vennootschap G BV; zonder aandelenruil zou dat immers door middel van een bij H belastbare dividenduitkering gevolgd door een kapitaalstorting in G BV geschieden.

C.7 Aandelenruil. Onzakelijke ruilverhouding. Claimverlies.

De heer en mevrouw X zijn buiten gemeenschap van goederen gehuwd. Beiden hebben 50% van de aandelen in X BV. X BV heeft een negatief vermogen van 100.000, bestaande uit een schuld aan een derde. De heer X heeft daarnaast alle aandelen in B BV; de waarde hiervan is 500.000. X BV geeft voor 40.000 nieuwe aandelen uit aan de heer X waarop hij zijn aandelen B BV stort. Is sprake van een te faciliëren aandelenfusie?

In casu is geen sprake van een zakelijke ruilverhouding. De waarde van de verkregen aandelen X BV is lager dan de waarde van de vervreemde aandelen. In de lijn van het arrest van de Hoge Raad van 25 augustus 1993, BNB 1994/32c*, is derhalve geen sprake van een te faciliëren aandelenfusie aangezien door het negatieve vermogen van X BV de toekomstige heffing niet is verzekerd. Daarnaast is het mogelijk dat de inspecteur aannemelijk maakt dat de aandelenruil als één van de hoofddoelen belastingontwijking heeft als gevolg waarvan er evenzeer geen sprake is van een te faciliëren aandelenfusie (vgl. mijn besluit van 7 mei 1998, nr. DB98/720M, V-N 1998/26.6, blz.2263). Mede in samenhang met de onzakelijke ruilverhouding is sprake van een vervreemding door de heer X van een gedeelte van de aandelen in B BV als gevolg waarvan zijn echtgenote een middellijk belang in B BV verkrijgt. Bij een rechtstreekse vervreemding aan zijn echtgenote zou de heer X belasting zijn verschuldigd (zie ook D.1); de faciliteit van de aandelenfusie is niet bedoeld om de belasting in verband met dergelijke overdrachten door middel van een aandelenruil uit te stellen.

C.8 Aandelenruil. Stemrechtcriterium.

A en B hebben ieder 50% van de aandelen in C BV. Daarnaast houden A en B ieder alle aandelen in een persoonlijke houdstermaatschappij (A BV en B BV). A en B willen ieder hun 50% belang in C BV ruilen tegen aandelen in hun persoonlijke houdstermaatschappij. Is sprake van een te faciliëren aandelenruil als bedoeld in artikel 14b in verbinding met artikel 20f van de Wet?

Eén van de voorwaarden voor een aandelenfusie als bedoeld in artikel 14b van de Wet is dat de verkrijgende vennootschap als gevolg van de aandelenruil een zodanig bezit aan aandelen in een andere vennootschap verwerft dat zij daarin meer dan de helft van de stemrechten kan uitoefenen. In het onderhavige geval, waarin de persoonlijke houdstermaatschappijen slechts 50% van de stemrechten verkrijgen, wordt daaraan niet voldaan.

Bij een zogenoemde driehoeksfusie wordt evenmin voldaan aan de voorwaarden van artikel 14b van de Wet. Indien A BV en B BV een gezamenlijke houdstermaatschappij D BV oprichten en D BV tegen uitreiking van aandelen aan A BV en B BV de aandelen van C BV verwerft, gevolgd door uitreiking van aandelen A BV en B BV aan A en B, is er immers geen sprake van een directe ruil.

Worden de twee 50% pakketten van A en B in C BV vervreemd aan een gezamenlijke houdstermaatschappij van A en B die als gevolg van deze samenhangende transacties 100% van de aandelen verkrijgt, dan is wel sprake van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 14b van de Wet mits ook aan de overige voorwaarden van dat artikel is voldaan met inachtneming van het besluit van 7 mei 1998 (nr. DB98/720M, V-N 1998/26.6, blz.2263).

D. Huwelijk

D.1 Vervreemding aan echtgenoot.

Belanghebbende bezit alle aandelen in een BV. Hij draagt de helft van zijn aandelen over aan zijn echtgenoot. Wat zijn de fiscale gevolgen voor de aanmerkelijkbelangregeling?

Indien belanghebbende in gemeenschap van goederen is gehuwd, heeft een dergelijke overdracht geen gevolgen voor de
aanmerkelijkbelangregeling. Door de huwelijksgemeenschap blijft het belang bij de aandelen uiteindelijk ongewijzigd.

Indien de aandeelhouder op huwelijkse voorwaarden is gehuwd, zal, afhankelijk van de inhoud van die voorwaarden, in beginsel sprake zijn van een vervreemding in de zin van artikel 20a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet. Aangezien er geen sprake is van een verkrijging krachtens huwelijksvermogensrecht is doorschuiving op de voet van artikel 20a, zevende lid, van de Wet niet mogelijk en moet worden afgerekend. Indien de koopsom wordt schuldig gebleven, kan eventueel wel uitstel van betaling worden verleend op de voet van artikel 25, zevende lid, van de Invorderingswet 1990.

D.2 Buiten gemeenschap van goederen gehuwd. Echtscheiding. Verdeling aandelenbezit.

De heer en mevrouw L. zijn buiten gemeenschap van goederen gehuwd. Het onverteerde inkomen wordt jaarlijks gedeeld. Tijdens het huwelijk verwerven zij ieder 50% van de aandelen in een BV. Bij echtscheiding worden de aandelen alle toegescheiden aan mevrouw L.


a. Kan de toescheiding van de aandelen op grond van artikel 20a, zevende lid, van de Wet geruisloos plaatsvinden? b. Hoe luidt het antwoord als er sprake is van een finaal verrekeningsbeding? c. Hoe luidt het antwoord op a. indien in afwijking van de huwelijkse voorwaarden het onverteerde inkomen niet jaarlijks is verdeeld?

Ad a. Nee, de toescheiding van de aandelen aan mevrouw L. is een vervreemding door de heer L. Artikel 20a, zevende lid, van de Wet is niet van toepassing. Civielrechtelijke jurisprudentie, b.v. HR 7 april 1995, NJ 1996, 486, leidt niet tot een andere uitkomst. In die jurisprudentie heeft de Hoge Raad slechts beslissingen gegeven voor situaties waarin de jaarlijkse besparingen - in afwijking van de huwelijkse voorwaarden - niet waren verdeeld. Dat is hier niet aan de orde. Dat betekent dat er ten aanzien van de toescheiding van de aandelen aan mevrouw L geen sprake is van een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of van verdeling van de huwelijksgemeenschap, zoals is vereist in artikel 20a, zevende lid, van de Wet.

Ad b. Er bestaat slechts een vorderingsrecht op de waardevermeerdering. Ook bij een finaal verrekeningsbeding is artikel 20a, zevende lid, van de Wet niet van toepassing.

Ad c. Als in afwijking van de huwelijkse voorwaarden het onverteerde inkomen niet jaarlijks is verdeeld, geldt het volgende voor de toescheiding van de aandelen ter uitvoering van het verrekeningsbeding. Op grond van de bovenbedoelde civielrechtelijke jurisprudentie is artikel 20a, zevende lid, van de Wet dan uitsluitend van toepassing op de tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen die zijn aangeschaft uit het niet verdeelde onverteerde inkomen.

D.3 Algehele gemeenschap van goederen. Huwelijkse voorwaarden. Verdeling aandelenbezit. Rente op overbedelingsschuld.

De heer en mevrouw D zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Staande het huwelijk maken zij huwelijkse voorwaarden waarbij alle aandelen in BV Q aan de heer D worden toegedeeld. Er ontstaat daardoor een schuld wegens overbedeling aan mevrouw D. Is de jaarlijks betaalde rente tegen tabeltarief aftrekbaar op grond van artikel 20b, derde lid, van de Wet in verbinding met artikel 3d URIB?

Ja, aangezien het hier een verdeling van een huwelijksgemeenschap betreft, is de rente als aftrekpost begrepen onder de persoonlijke verplichtingen. De rente is derhalve tegen tabeltarief aftrekbaar mits ook aan de overige voorwaarden van artikel 3d URIB wordt voldaan. Voor de volledigheid vermeld ik nog dat de hierboven bedoelde renteaftrek weliswaar als persoonlijke verplichting wordt behandeld maar niet valt onder de aftrekbeperking van consumptieve rente. Overigens is de door mevrouw D ontvangen rente tegen het tabeltarief belastbaar. Ten slotte merk ik nog op dat artikel 20b, tweede lid, van de Wet niet van toepassing kan zijn als gevolg van het feit dat de rente niet schuldig wordt gebleven zoals bedoeld in dat lid.

E. Overlijden

E.1 Overlijden binnen 10 jaar na emigratie.

Belanghebbende heeft een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde BV. Hij is na 1 januari 1997 geëmigreerd zodat er ingevolge artikel 20a, zesde lid, onderdeel i, van de Wet sprake was van een - fictieve - vervreemding. Er is in het jaar van emigratie een bedrag aan aanmerkelijkbelangwinst - ter grootte van het verschil tussen de waarde in het economische verkeer ten tijde van de emigratie en de verkrijgingsprijs - in het belastbare inkomen begrepen. Op basis van artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990 is echter volstaan met een zogenoemde conserverende aanslag. Een dergelijke conserverende aanslag wordt in principe na 10 jaar kwijtgescholden. Belastingplichtige overlijdt binnen de 10-jaarsperiode


1. Onder welke voorwaarden kunnen de erven het uitstel van betaling verlengen en wat zijn de gevolgen indien vervolgens de 10-jaarsperiode eindigt?


2. Wat is de verkrijgingsprijs van de aandelen voor de erven en kunnen de erven een beroep doen op de doorschuiffaciliteit van artikel 20d van de Wet?

ad 1. Voortzetting van het uitstel van betaling van (een evenredig deel van) de conserverende aanslag zal ingevolge artikel 2, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 onder voorwaarden worden toegestaan. In ieder geval zullen als voorwaarden worden gesteld dat de erven ermee instemmen dat het uitstel van betaling wordt beëindigd in dezelfde omstandigheden als in de situatie dat de aandelen nog tot het vermogen van de erflater zouden behoren en dat voldoende zekerheid wordt gesteld. Indien zich binnen 10 jaren na emigratie van de erflater geen omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdelen a of b, van de Invorderingswet 1990 volgt op normale wijze kwijtschelding van de (resterende) conserverende aanslag.

ad 2. Ingevolge artikel 20a, zesde lid, onderdeel f, van de Wet wordt een overgang krachtens erfrecht aangemerkt als een - fictieve - vervreemding. Het vervreemdingsvoordeel bestaat uit het verschil tussen de waarde in het economische verkeer op het overlijdensmoment en de verkrijgingsprijs van de erflater. De verkrijgingsprijs is de waarde in het economische verkeer van de aandelen ten tijde van de emigratie omdat bij de erflater bij emigratie vervreemdingsvoordelen in aanmerking zijn genomen (artikel 49, vijfde lid, van de Wet).

Indien de verkrijgende erfgenaam binnenlands belastingplichtig is en de verkregen aandelen geen deel uitmaken van een voor zijn rekening gedreven onderneming, wordt deze fictieve vervreemding teruggenomen door het zevende lid van dit artikel. In die situatie wordt de hiervóór omschreven verkrijgingsprijs van de erflater op grond van artikel 20d, tweede lid, van de Wet doorgeschoven naar de erfgenaam.

Indien de binnenlandse verkrijgers gezamenlijk verzoeken om de toepassing van artikel 20a, zevende lid, van de Wet achterwege te laten dan wordt bij de erflater afgerekend. Als verkrijgingsprijs voor de erfverkrijgers geldt dan de waarde in het economische verkeer ten tijde van het overlijden.

Indien de erfverkrijger niet in Nederland woont, is de toepassing van artikel 20a, zevende lid, van de Wet niet mogelijk. Er moet worden afgerekend bij de erflater waarbij eventueel een beroep kan worden gedaan op uitstel van betaling op de voet van artikel 25, zesde lid, van de Invorderingswet 1990. Dit uitstel wordt in de regel verleend mits voldoende zekerheid wordt gesteld en wordt ingestemd met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden. Uiteraard geldt in die situatie als verkrijgingsprijs voor de erfverkrijger de waarde in het economische verkeer van de aandelen ten tijde van het overlijden van de erflater; dat is de waarde waarover bij de erflater is afgerekend.

F. Overgangsrecht verkrijgingsprijs

F.1 Aflopend aanmerkelijk belang en overlijden.

De heer X bezit een 5%-aandelenpakket dat sinds 1 juli 1995 tot een zogenoemd aflopend aanmerkelijk belang behoort. De heer X overlijdt in mei 1997. Zijn zoon erft het aandelenpakket. Hoe dient de verkrijgingsprijs van de aandelen te worden berekend ingeval de zoon het aandelenpakket vóór 1 juli 2000 vervreemdt?

Door de invoering van het nieuwe aanmerkelijkbelangregime is vanaf 1 januari 1997 niet langer sprake van een aflopend aanmerkelijk belang; de aandelen behoren op grond van artikel 20a, derde lid, van de Wet tot een gewoon aanmerkelijk belang. De verkrijgingsprijs wordt op grond van de hoofdregel van artikel 70c, eerste lid, onderdeel b, van de Wet bepaald op de waarde in het economische verkeer van de aandelen per 1 januari 1997. Dit geldt niet indien de aandelen worden vervreemd vóór het tijdstip waarop volgens de regeling zoals die gold op 31 december 1996 geen aanmerkelijk belang meer aanwezig was ingeval die regeling na 31 december 1996 nog van toepassing zou zijn geweest. In die situatie geldt als verkrijgingsprijs de historische verkrijgingsprijs, vastgesteld op de voet van artikel 70c, eerste lid, onderdeel a, van de Wet.

In casu doet de uitzondering van artikel 70c, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zich niet voor. Onder toepassing van het oude aanmerkelijkbelangregime eindigde een aflopend aanmerkelijk belang bij overlijden. In het voorliggende geval worden de aandelen derhalve pas vervreemd op een tijdstip waarop onder toepassing van het oude aanmerkelijkbelangregime geen sprake meer zou zijn geweest van een (aflopend) aanmerkelijk belang. Dit betekent dat de verkrijgingsprijs van de aandelen moet worden vastgesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen per 1 januari 1997, onafhankelijk van het feit of de zoon de aandelen vóór of na 1 juli 2000 vervreemdt.

F.2 Toepassing van oude overgangsregeling van artikel 79 van de Wet (oud).

Belanghebbende heeft een zogenoemd soort-aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 39, derde lid, derde volzin, van de Wet (oud) en artikel 20a, derde lid, tweede volzin, van de Wet. Hij had recht op de overgangsregeling als bedoeld in artikel 79, tweede lid, van de Wet (oud). Dit betekent dat als verkrijgingsprijs gold de waarde in het economische verkeer op 1 januari 1990. Bij de invoering van de wetswijziging per 1 januari 1997 is zowel artikel 39 van de Wet (oud) als artikel 79 van de Wet (oud) komen te vervallen. Heeft belanghebbende in verband daarmee bij een vervreemding na 1 januari 1997 nog recht op de step-up-regeling van artikel 79 van de Wet (oud)?

Uit de parlementaire geschiedenis en doel en strekking van artikel 70c, eerste lid, onderdeel a, van de Wet blijkt dat het niet de bedoeling is dat bij een vervreemding na 1 januari 1997 de toepassing van de step-up-regeling als bedoeld in artikel 79 van de Wet(oud) buiten werking wordt gesteld. De verkrijgingsprijs van het aandelenpakket dient dan ook te worden vastgesteld op de waarde in het economische verkeer per 1 januari 1990.

Wellicht ten overvloede wijs ik er op dat artikel 79 van de Wet (oud) niet van toepassing was als aandelen ten gevolge van een zogenoemde verwatering door middel van preferente aandelen of prioriteitsaandelen geen aanmerkelijk belang vormden.

F.3 Verkrijgingsprijs van een vordering waarop vóór 4 juni 1996 is afgelost.

Belanghebbende heeft in 1995 een vordering op zijn BV van nominaal
1.000.000 verkregen voor 300.000. Vóór 4 juni 1996 heeft de BV 200.000 op deze vordering afgelost. Wat is de verkrijgingsprijs van deze vordering per 4 juni 1996?

De aflossing van de vordering leidt tot een evenredige vermindering van de verkrijgingsprijs. De verkrijgingsprijs per 4 juni 1996 bedraagt derhalve 240.000. Dat is als volgt berekend: 300.000 -/- (200.000/1.000.000 x 300.000).

G. Buitenlands belastingplichtigen

G.1 Rente op schuldvordering.

De buitenlands belastingplichtige heer X heeft een vordering op een in Nederland gevestigde BV. Zijn zoon bezit 100% van de aandelen in die BV. De vordering wordt op grond van artikel 48, vierde lid, van de Wet in verbinding met artikel 20a, vijfde lid, van de Wet bij de heer X tot een aanmerkelijk belang gerekend. Wordt de heer X op grond van artikel 49, eerste lid, onderdeel c, 4°, van de Wet belast voor de zuivere inkomsten uit de schuldvordering?

Op grond van artikel 49, eerste lid, onderdeel c, 4°, van de Wet worden de zuivere inkomsten uit een schuldvordering ten laste van een in Nederland gevestigde kapitaalvennootschap tot het binnenlandse onzuivere inkomen van een buitenlands belastingplichtige gerekend indien de genieter een aanmerkelijk belang heeft in de zin van artikel 20a van de Wet. Hieronder worden gerekend zowel degene die een aanmerkelijk belang bezit in de zin van artikel 20a, derde lid, van de Wet als degene die een aanmerkelijk belang bezit in de zin van artikel 20a, vijfde lid, van de Wet.

G.2 Financieringsrente buitenlands belastingplichtigen.

Mevrouw D is woonachtig in het buitenland. Zij heeft aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap gekocht die voor haar een aanmerkelijk belang vormen. Mw. D is voor de aanschaf een lening aangegaan. Is de rente die zij is verschuldigd op die lening tegen het tabeltarief aftrekbaar?

In artikel 20b, derde lid, van de Wet is bepaald dat onder omstandigheden de rente terzake van een financieringsschuld aftrekbaar is als een aftrekpost begrepen onder de persoonlijke verplichtingen. De rente wordt dan in aanmerking genomen tegen het tabeltarief in plaats van tegen het aanmerkelijkbelangtarief. Achtergrond van deze regeling is te bewerkstelligen dat in geval van een reële bedrijfsovername de rente aftrekbaar zal zijn tegen het tabeltarief. Mw. D heeft als buitenlands belastingplichtige geen recht op aftrek van rente als persoonlijke verplichting (artikel 48 van de Wet). De toepassing van artikel 20b, derde lid, van de Wet zou daarmee tot gevolg hebben dat voor haar de rente in het geheel niet aftrekbaar is. Dat gevolg is niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Derhalve keur ik voor zoveel nodig het volgende goed. Indien in bovenbedoelde situaties wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 20b, derde lid, van de Wet in verbinding met artikel 3d van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990, kan de financieringsrente
- in afwijking van artikel 48 van de Wet - als persoonlijke verplichting in aftrek worden gebracht.

G.3 Belastingverdrag. Aftrekbare kosten terzake van reguliere voordelen.

De heer B woont in België en bezit alle aandelen in de in Nederland gevestigde BV X. Hij heeft de aandelen met vreemd vermogen gefinancierd en betaalt jaarlijks een rente van 15.000. De lening voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 3d URIB. B ontvangt in 1998, naast een salaris, een dividend van 45.000. Wat is het bedrag van de in Nederland verschuldigde belasting?

Op grond van artikel 20a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet is sprake van een regulier voordeel van 30.000 (45.000 - 15.000). Dit voordeel wordt op grond van artikel 57a, tweede lid, van de Wet belast tegen een tarief van 25%. Nederland is naar nationaal recht derhalve bevoegd een bedrag van 7.500 (25% van 30.000) te heffen. Op grond van artikel 10, paragraaf 2, van het verdrag met België is Nederland echter slechts bevoegd maximaal 15% van het brutobedrag van de dividenduitkering te heffen. Het heffingsrecht van Nederland is in casu derhalve beperkt tot een bedrag van 6.750 (15% van 45.000).

G.4 Belastingverdrag. Fictieve rente. Kostenaftrek vennootschap.

Mevrouw V. woont in België. Zij heeft een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde BV N. Naast een aandelenpakket heeft zij tevens een (renteloze) schuldvordering op BV N. Op grond van het bepaalde in artikel 48, vierde lid, van de Wet in verbinding met artikel 24, vierde lid, van de Wet wordt bij haar als inkomsten in aanmerking genomen een rentebedrag dat in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen. Heeft Nederland onder het verdrag met België een heffingsrecht? Zo ja, hoe dient in dat geval artikel 10, onderdeel f, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 te worden toegepast?

Ad a. In het verdrag met België is in de interestbepaling het heffingsrecht tussen Nederland en België verdeeld. Het begrip interest, zoals dit voorkomt in de verdragsbepalingen die overeenkomen met artikel 11 van het Nederlandse standaardverdrag en het OESO-modelverdrag, heeft een ruime strekking. Het verdrag met België bevat een specifieke protocolbepaling (onderdeel VI) waarin het begrip betaald uit artikel 11 op een vergelijkbaar ruime wijze wordt gedefinieerd. Deze ruime strekking omvat ook de fictieve rente. Onder het verdrag met België kan Nederland dus heffen over de fictieve interest van mevrouw V. Het tarief wordt op grond van artikel 11, paragraaf 2, van het verdrag gelimiteerd tot 10%.

Ad b. In artikel 10, onderdeel f, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is geregeld dat bij het bepalen van de winst (onder meer) niet in aftrek komt het rentebedrag als omschreven in artikel 24, vierde lid, van de Wet. Dat lijdt uitzondering indien de vennootschap aannemelijk maakt dat over het rentebedrag inkomstenbelasting of een belasting wordt geheven die naar Nederlandse maatstaven redelijk is. In casu is de Belgische heffing nihil en de Nederlandse heffing 10%, zodat de totale heffing 10% bedraagt. Daarvan kan niet worden gezegd dat zij naar Nederlandse maatstaven redelijk is; BV N kan geen kosten aftrekken.

G.5 Belastingverdrag. Reeds lang geëmigreerde
aanmerkelijkbelanghouder. Liquidatieuitkering.

De heer G. is meer dan vijf jaren geleden geëmigreerd naar België. Hij heeft een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde BV. Op grond van het verdrag mag Nederland slechts gedurende vijf jaren na emigratie heffen op voordelen die uit vervreemding van aandelen worden verkregen. Wordt de heer G in de Nederlandse heffing betrokken terzake van de door deze BV betaalbaar gestelde liquidatieuitkering?

Sinds 1997 wordt het betaalbaar stellen van een liquidatieuitkering op grond van artikel 20a, zesde lid, onderdeel c, van de Wet gekwalificeerd als een vervreemding van aandelen. Voor de verdragskwalificatie van liquidatieuitkeringen geldt evenwel hetgeen daarover is opgemerkt in de notitie "Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht" (V-N 1998/22.3, blz.1951). Dat betekent dat onder de door Nederland gesloten belastingverdragen liquidatieuitkeringen - ook na 1 januari 1997 - worden gekwalificeerd als dividend. Dat brengt mee dat het dividendartikel en niet het vermogenswinstartikel op de liquidatieuitkering van toepassing is. In verdragsrelaties kan Nederland zijn nationale heffingsrechten over liquidatieuitkeringen voor een meer dan vijf jaar geleden uit Nederland geëmigreerde aanmerkelijkbelanghouder effectueren, zij het dat de nationale heffingsrechten zijn beperkt tot het van toepassing zijnde verdragstarief voor dividenden. De heffingsgrondslag wordt bepaald naar Nederlandse nationale maatstaven, zijnde het brutodividend dat bestaat uit hetgeen bij liquidatie wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal.

H Diverse onderwerpen

H.1 Rentevrijstelling. Betaalde rente i.v.m.
aanmerkelijkbelangaandelen. Salderingsregeling.

Belanghebbende gaat een geldlening aan waarmee hij een pakket aandelen koopt dat een aanmerkelijk belang vormt. Dient de rente op deze geldlening te worden meegenomen in de salderingsregeling van de rentevrijstelling (artikel 42b, tweede lid, onderdeel d, van de Wet)?

Ja, in artikel 42b, tweede lid, onderdeel d, van de Wet is bepaald dat renten van schulden - kosten van geldlening daaronder begrepen - die als aftrekbare kosten (in casu als bedoeld in artikel 20a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet) in mindering zijn gebracht op de reguliere voordelen of als een aftrekpost begrepen onder de persoonlijke verplichtingen (mits wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3d URIB) in aanmerking zijn genomen, in mindering komen op de rentevrijstelling.

H.2 Vermogensbelasting. Belastinglatentie. Zogenoemde artikel 29a-Vennootschap.

De heer H heeft een aanmerkelijk belang in een vennootschap als bedoeld in artikel 29a van de Wet. Op grond van artikel 57a, derde lid, van de Wet worden de reguliere en vervreemdingsvoordelen tegen het tabeltarief belast. Wat is de belastinglatentie voor de toepassing van de vermogensbelasting?

In artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, van de Wet op de Vermogensbelasting 1964 is - voorzover hier van belang - bepaald dat als schuld voor de vermogensbelasting mag worden opgenomen 6,25% van het bedrag waarmee de waarde van de aandelen de verkrijgingsprijs overtreft. Ik heb geen aanleiding gevonden hiervan af te wijken in het onderhavige geval, waarin de voordelen worden belast tegen het tabeltarief. Een zekere ruwheid is inherent aan een forfaitaire regeling.

.

.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie