Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoorden kamervragen n.a.v. Voorjaarsnota 1999

Datum nieuwsfeit: 14-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Antwoorden op kamervragen naar aanleiding van de Voorjaarsnota 1999



Directie Begrotingszaken

Inspectie der Rijksfinanciën

Directie Algemene Financiële en Economische Politiek

Directie Financieel-Economische Zaken

Aan:

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

B / 1999 / 245M

14 juni 1999

Onderwerp

Antwoorden op kamervragen naar aanleiding van de Voorjaarsnota 1999

Hierbij doe ik u toekomen de antwoorden op de vragen van de vaste commissie voor Financiën, die zijn gesteld naar aanleiding van de Voorjaarsnota 1999 en de suppletore begrotingswetsvoorstellen Financiën en Nationale Schuld.

DE MINISTER VAN FINANCIEN,

Antwoorden Voorjaarsnota 1999 (26 500)

Vraag 1

Kan nog een keer worden uitgelegd waarom bij de opstelling van het economisch groeiscenario van het Regeerakkoord in 1999 is uitgegaan van 3% economische groei, terwijl uitgegaan zou worden van een behoedzame 2% groei met ¼% per jaar extra vanwege het beleid uit het Regeerakkoord (voornamelijk de 5 miljard lastenverlichting in 2001)? Kan hierbij de relatie worden gelegd met de invloed die de bijstelling van het economisch groeicijfer van de MEV van 3% naar 2% in de CEP nu, op de uitgaven en inkomsten heeft? (blz.1)

Vraag 19

Waarom wordt in de Voorjaarsnota steeds een vergelijking gemaakt met de MEV 1999? De Miljoenennota gaat toch uit van een behoedzaam scenario? (blz.1)

Antwoord op vraag 1 en 19

Op pagina 43 van de Miljoenennota 1999 staat de volgende tekst die voor de beantwoording van de vragen nog steeds actueel is:

«Voor de vaststelling van de uitgavenijklijnen voor de periode 1999-2002 is gebruik gemaakt van dezelfde methodiek als in de afgelopen kabinetsperiode. Het regeerakkoord is gebaseerd op een behoedzaam macro-economisch scenario, hetgeen inclusief de gunstige effecten van het beleid een gemiddelde economische groei van 2¼% over de gehele periode betekent. Voor het aanvangsjaar 1999 wordt gerekend met de meest recente (MEV)-raming van 3% economische groei. De verschillen tussen de macro-economische ontwikkeling in het aanvangsjaar en de jaargemiddelden voor de gehele periode zijn afgeboekt in de jaren 2000-2002, zodat voor elk van deze jaren een groei van 2% resulteert.»

De neerwaartse bijstelling van het groeicijfer voor 1999 werkt door in de belasting- en premieontvangsten. In de Voorjaarsnota (p.6 en 7) is aangegeven dat het gewijzigd macro-economisch beeld leidt tot 2,2 miljard lagere belastingontvangsten en 0,6 miljard lagere premieontvangsten dan bij Miljoenennota 1999 nog werd verwacht. Op de gevolgen voor de uitgaven van het gewijzigd economisch beeld wordt ingegaan in het antwoord op vraag 35 en 112.

Vraag 2

Staat de Voorjaarsnota niet op lossen schroeven als de uitgangspunten met betrekking tot de olieprijs, de dollarkoers en de inflatie anders uitpakken dan verondersteld? (blz. 1)

Vraag 7

Kan het kabinet uitleggen waarom het wat betreft de groei van de economie de pessimistische ramingen van het CPB wel volgt, maar de inflatie positiever beoordeelt dan het CPB? (blz. 1)

Vraag 11

Waarom wordt de consumentenprijsindex veel forser bijgesteld dan de prijsstijging van het BBP? Is dit een bijstelling van het kabinet of het CPB? (blz 1)

Vraag 14

In afwijking van het CPB wordt in de Voorjaarsnota uitgegaan van een 0,33%-punt hogere inflatie en een 0,2% hogere prijsstijging BBP. Kan worden toegelicht waarom men dit heeft gedaan en niet is uitgegaan van de raming van DNB die met 2% daar alweer boven zit? (blz. 1)

Het is steeds duidelijker dat de prijsstijging hoger uitkomt dan het CPB verwacht (zie bijvoorbeeld de ramingen van het CBS en DNB). Deelt de regering dit oordeel? (blz 1)

Vraag 15

Op welke wijze wordt de prijsontwikkeling van het BBP (pBBP) afgeleid uit de consumentenprijsindex? (blz 1).

Antwoord op vraag 2, 7 ,11, 14 en 15

De Voorjaarsnota voorziet in afspraken hoe de handhaving van de uitgavenkaders kan worden verzekerd. Daarnaast is voorzien in een nadere ijking van de besluitvorming op basis van de juni-publicatie van het CPB. De reden is dat tijdens de besluitvorming over de Voorjaarsnota er duidelijke signalen (feitelijke inflatieontwikkeling, dollarkoers en olieprijs) waren dat de prijsontwikkeling in 1999 met meer onzekerheden, met name in opwaartse richting, was omgeven dan normaal. In het licht van deze onzekerheid is het kabinet in de Voorjaarsnota vooralsnog uitgegaan van een 0,33% hogere stijging van de consumentenprijsindex en - rekenend met het gewicht van de consumptie in het BBP - van een prijsontwikkeling BBP die 0,2%-punt hoger ligt dan in het CEP werd voorzien. Ten aanzien van de groei waren er geen signalen dat de onzekerheid groter zou zijn dan normaal.

Vraag 3

Het CPB raamt in het CEP 1999 een groei van de relevante wereldhandel van 1,25%. Ruim 5% minder dan in de MEV 1999. Voor het jaar 2000 wordt in het CEP een groei van de wereldhandel met 5,5% verwacht. Voor zowel 1999 als 2000 wordt de groei van het BBP op 2% geraamd. Volgens het CBS groeide de economie in het eerste kwartaal van dit jaar met 3%. In de Voorjaarsnota neemt het kabinet de ramingen van het CPB voor 1999 over. Ligt het niet in de rede om, gezien het belang van de groei van de wereldhandel voor de Nederlandse economie, voor 2000 een hogere groei van het BBP te verwachten? (blz. 1)

Vraag 4

Uit de recente CBS-cijfers blijkt dat de Nederlandse economie het eerste kwartaal met 3% is gegroeid. Het CPB raamt voor 1999 2% economische groei. Welke groei verwacht de regering voor 1999? (blz. 1)

Vraag 6

Hoe reëel is de bewering dat de economische vooruitzichten sinds de miljoenennota zijn verslechterd, temeer daar het kabinet uitgaat van de meest sombere prognoses? (blz. 1)

Antwoord op vraag 3,4 en 6

Een vergelijking van de groeicijfers over de vier kwartalen van 1998 laten een duidelijke tempering in de loop van de tijd zien. In het eerste kwartaal van 1999 bedroeg volgens het CBS het, voor seizoensinvloeden gecorrigeerde, groeicijfer voor het eerste kwartaal, op jaarbasis, 2½%. Ten tijde van de Miljoenennota 1999 werd, voor het gehele jaar 1999, een groei van 3% voorzien. Zoals de bijlage in het CEP 1999 illustreert, zijn de ramingen noodzakelijkerwijs met onzekerheden omgeven.

De CPB-raming voor 2000 is gebaseerd op de veronderstelling dat de wereldhandel fors aantrekt. De economische groei ontwikkelt zich evenwel stabiel, omdat het CPB een tempering van de consumptiegroei voorziet. Het kabinet zal zich in de Miljoenennota 2000 baseren op de dan meest recente inzcihten, waaronder de MEV 2000. Vraag 5

Heeft de bijstelling van het bruto binnenlands product door het CBS consequenties voor het EMU-tekort, de EMU-schuldquote, de EU-afdrachten en de uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking? (blz. 1)

Vraag 71

Waarom wordt er pas bij de Miljoenennota 2000 inzicht verschaft over het EMU-tekort in 1999 als gevolg van de nieuwe berekeningsmethoden voor de Nationale Rekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek? Kan alvast een indicatie gegeven worden van de orde van grootte waarin de 1,7%, zoals in de Voorjaarsnota genoemd, zal moeten worden bijgesteld volgens de huidige inzichten?

Vraag 105

Waar zal de technische, statistische bijstelling van het bruto binnenlands product door het CBS in verband met wijzigingen in de Nationale Rekeningen haar weerslag vinden?

Antwoord op de vragen 5, 71 en 105

Vanwege Europese voorschriften gaat het CBS vanaf dit jaar de Nationale Rekeningen baseren op de nieuwe methode van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR 1995). Toepassing van de nieuwe methode heeft gevolgen voor de omvang van onder meer BBP, BNP, EMU-tekort (teller- en noemereffect), EMU-schuld (teller- en noemereffect) en de afdracht van het BNP-middel aan de Europese Unie.

In april heeft het CBS de eerste uitkomsten gepubliceerd voor de periode 1995 -1998. De Minister van Financiën heeft in zijn brief van 27 mei aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal eerste informatie verstrekt over de revisie van de Nationale Rekeningen.

In de Miljoenennota 2000 zal naar verwachting voor de jaren 1999 en 2000 een volledig beeld gepresenteerd kunnen worden van de effecten van de toepassing van het ESR 1995 op onder meer EMU-tekort, EMU-schuld, BNP-afdracht aan de EU en de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking. De reden hiervoor is dat de additioneel benodigde informatie van het CBS en het CPB niet eerder dan in de tweede helft van juli beschikbaar zal komen.

Vraag 8

Volgens DNB zijn de oorzaken van de relatief hoge inflatie van Nederland dit jaar de ontwikkeling van de ziektenkostenpremies en de sociale werkgeverslasten. DNB stelt dat de overheid haar bijdrage aan het prijspeil zou moeten beperken door zo min mogelijk administratieve prijsverhogingen door te voeren. Wat is de reactie van de regering op deze analyse en dit advies? (blz. 1)

Vraag 109

Kan de regering reageren op de uitspraak van de President van DNB dat de relatief hoge inflatie in Nederland vooral te wijten is aan overheidshandelen? Hoe verhoudt een dergelijk overheidshandelen zich tot het door het kabinet beoogde lastenverlichting?

Antwoord op vraag 8 en 109

De ontwikkeling van de ziektenkostenpremies en de sociale werkgeverslasten spelen geen rol in het inflatiecijfer. De premies voor zowel de verplichte ziekenfondsverzekering als de particuliere ziektekostenverzekering worden als een negatieve inkomenscomponent beschouwd bij de berekening van het besteedbaar inkomen. De tegemoetkoming van de werkgever in de ziektekosten wordt bij het inkomen opgeteld. De stijging van de premies ziektekosten per 1 januari wordt dan ook niet meegenomen in de consumentenprijsindex, maar zullen tot uiting komen in de koopkrachtstatistieken van het CBS.

Het is op zich waar dat sommige onderdelen van het beleid aanleiding kunnen geven tot een opwaartse druk op het prijspeil. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de bijdrage van huren aan de inflatie. Daar staat tegenover dat overheidsbeleid ook kan leiden tot lagere prijzen, zonder dat dit bij de uitsplitsing van bronnen van inflatie naar voren komt. Hierbij kan gedacht worden aan de prijzen voor telecommunicatiediensten- en producten die sterk zijn gedaald a.g.v. de liberalisatie van de telecommunicatiemarkt. Bovendien worden sommige bijdragen van de overheid aan de hogere inflatie langs een andere weg gecompenseerd. Zo leidt de Regulerende Energiebelasting tot een hoger prijspeil, terwijl de terugsluis via lagere directe belastingen niet wordt meegenomen in de meting van de inflatie. Vraag 9

In het CEP (blz. 134) staat De inflatiecorrectie bij de ijklijnen en ijklatten wordt steeds aangepast aan de laatste inzichten, maar voor het lopende jaar niet meer veranderd na de vaststelling van het Centraal Economisch Plan. Indien de BBP-deflator voor 1999 na dit CEP nog verandert, heeft dat dus geen invloed meer op de inflatiecorrectie 1999 in de toetsingskaders. Klopt het dat deze zin niet meer juist is en als dat zo is, in hoeverre is hiermee een precedent geschapen voor de volgende jaren?

Vraag 10

Wat zijn de gevolgen van het uitstel van het besluit over het prijsniveau voor de chronologie van besluitvorming in het begrotingsproces van het komende jaar? (blz. 1).

Antwoord op vraag 9 en 10

Zoals in de Voorjaarsnota is aangegeven, wordt in 1999 de deflator-BBP inderdaad op basis van de juni-publicatie van het CPB, dat wil zeggen een paar maanden later dan gebruikelijk, definitief vastgesteld. Dit hangt samen met de bijzondere onzekerheden met betrekking tot de inflatie. De besluitvorming over de uitgavenkant van de begroting wordt om deze reden ook pas in juli definitief afgerond. Het ligt niet in de rede dat deze afwijking van de gebruikelijke begrotingsprocedure vanaf nu ieder jaar gevolgd zal worden.

Vraag 12

Volgens het CEP 1999 (blz. 137) worden de ijklatten in totaal in 1999 met 2,5 miljard onderschreden. Klopt dit nog nu in de Voorjaarsnota met andere prijsstijgingscijfers wordt gewerkt? (blz. 1)

Vraag 33

Kan een overzicht worden gegeven van de tegenvallers ten opzichte van de in de Miljoenennota 1999 geformuleerde ijklatten van belastingen, premies en gasbaten? (blz. 2)

Vraag 37

Waarom is geen tussenstand gepresenteerd van tegenvallers ten opzichte van de ijklatten?

Vraag 58

Waarom wordt niet nu in de Voorjaarsnota een tussenstand gepresenteerd van tegenvallers ten opzichte van de ijklatten?

Vraag 110

Kan een tussenstand gepresenteerd worden van de tegenvallers ten opzichte van de ijklatten?

Antwoord op vraag 12, 33, 37, 58 en 110

De inkomstenijklatten zijn bedoeld om te kunnen bepalen hoe groot eventuele inkomstenmee- en tegenvallers zijn. Omdat de belasting- en premietarieven voor 1999 vaststaan, heeft de onderschrijding van de ijklat 1999 geen beleidsmatige betekenis. Daarom is in de Voorjaarsnota 1999 geen toetsing opgenomen van de overheidsinkomsten aan de inkomstenijklatten 1999. Voor de toepassing van de mee- en tegenvallerformule is de geraamde over- of onderschrijding van de ijklat 2000 relevant. Deze over- of onderschrijding en de beleidsreactie daarop worden gepresenteerd in de Miljoenennota 2000.

De onderschrijding van de inkomsten-ijklat 1999 kan wel worden berekend. Per saldo komt de onderschrijding van de inkomsten-ijklatten in 1999 volgens Financiën uit op 2½ miljard, waarvan 1¾ miljard bij de belastingen, ½ miljard bij de premies en ¼ miljard bij de aardgasbaten.
Vraag 13

Wat zou het verschil geweest zijn voor de drie uitgavenkaders als de prijsstijging van het BBP eveneens met 0,33% zou zijn bijgesteld? (blz.1).

Antwoord

Ten opzichte van de aanpassing van 0,2% zou dit voor het kader Rijksbegroting in enge zin hebben geleid tot een opwaartse bijstelling van 0,2 miljard. De kaders SZA en Zorg zouden in deze situatie beide met circa 0,1 miljard opwaarts zijn aangepast.

Vraag 16

In vergelijking met andere EU-landen is de inflatie in Nederland hoog met name door overheidsmaatregelen (huren, energiebelasting). Hoe ziet een Europese vergelijking eruit als hiervoor gecorrigeerd wordt? (blz 1)

Antwoord

Het CPB heeft in de MEV 1999 een vergelijking tussen Nederland, Duitsland en België gemaakt van de verschillende componenten van het geharmoniseerde consumentenprijsindexcijfer. De snellere prijsontwikkeling in Nederland met betrekking tot de huurstijging, de kleinverbruikersheffing op gas en elektriciteit en de BTW verhoging op water kunnen samen ongeveer de helft van de hogere inflatie verklaren.

Vraag 17

De economische groeivertraging heeft een negatief effect op de groei van de werkgelegenheid, maar omdat de werkgelegenheid vertraagd reageert, ondervindt Nederland daarvan dit jaar nog geen consequenties. Heeft dat te maken met het feit dat de arbeidsmarkt minder dynamisch is dan een paar jaar geleden? Op welke wijze wordt in de meerjarenramingen rekening gehouden met bovenstaand negatief effect op de groeivertraging? (blz. 1)

Vraag 18

Als gevolg van het feit dat de werkgelegenheid met vertraging reageert op de teruglopende economische groei stijgt de werkgelegenheid in 1999 toch nog met 105 duizend. Welke ontwikkelingen van de werkgelegenheid voorziet het kabinet voor de komende jaren? (blz. 1)

Antwoord vraag 17 en 18

Ook een aantal jaar geleden reageerde de werkgelegenheid vertraagd op een economische groeivertraging. Deze vertraging wordt veroorzaakt doordat werkgevers niet meteen werknemers ontslaan.

De toename van de werkgelegenheid in 1999 van ongeveer 105.000 personen heeft betrekking op personen die meer dan twaalf uur per week werken. In het CEP wordt voor 2000 een toename van de werkgelegenheid met ruim 65.000 personen (1%) geraamd. In de meerjarenraming (1999-2002) is uitgegaan van een mutatie van de werkgelegenheid met 1% per jaar (behoedzaam scenario). Deze raming blijft gehandhaafd.

Vraag 20

Op basis van de juni-publicatie van het CPB zal een aantal uitgangspunten definitief worden vastgesteld. Kan het gevolg daarvan zijn dat er een totaal nieuwe Voorjaarsnota wordt opgesteld? In hoeverre kunnen zich nog wijzigingen voordoen met de definitieve vaststelling van de uitgangspunten op basis van de juni-publicatie van het CPB? (blz. 1).

Antwoord

Er zal in 1999 geen nieuwe Voorjaarsnota worden opgesteld. De Kamer zal bij Vermoedelijke Uitkomsten 1999 in de Miljoenennota 2000 nader worden geïnformeerd over uitkomsten van de besluitvorming die op basis van de juni-publicatie van het CPB binnen het kabinet zal plaatsvinden.
Vraag 21

Is het juist dat het principe van één hoofdbesluitvormingsmoment over de overheidsfinanciën per jaar wordt aangetast? (blz. 1).

Antwoord

Het principe van één hoofdbesluitvormingsmoment (in het voorjaar) over de uitgavenkant van de begroting wordt niet aangetast. Eventuele aanvullende besluitvorming in juni/juli spitst zich toe op nieuwe informatie t.a.v. de prijsontwikkeling waar realisaties reeds bij het opmaken van de Voorjaarsnota indiceerden dat er afwijkende ontwikkelingen te verwachten waren.

Vraag 22

De onderschrijding in de sector SZA zal, indien nodig, worden aangewend ter compensatie van de budgettaire problematiek die in het jaar 2000 in deze sector wordt verwacht. In feite betekent dit dat nu al wordt vastgelegd dat het uitgavenkader SZA met 400 mln mag worden overschreden. Is deze afspraak nodig omdat er voor de premiesectoren SZA en Zorg geen eindejaarsmarge is, zoals bij de rijksbegroting in enge zin en de begrotingsgefinancierde delen van SZA en Zorg? (blz. 2).

Vraag 23

Hoe groot is de budgettaire problematiek die in het jaar 2000 voor de sector SZA wordt verwacht? Kan hiervan ook de oorzaak worden aangegeven? Waarom is er niet voor gekozen om de onderschrijding in de sector SZA te gebruiken om de uitgaventegenvallers bij de sectoren Rijksbegroting en Zorg op te vangen? (blz. 2).

Vraag 48

Klopt het dat volgens de afspraken in het kabinet de sector SZA in 1999 voor 400 mln bijdraagt aan de algemene problematiek en dat bij eventuele overschrijding in 2000 in de sector SZA de eerste 400 mln gecompenseerd worden ten laste van de andere sectoren? (blz. 4).

Vraag 50

De onderschrijding in de sector SZA zal - indien nodig - worden aangewend ter compensatie van budgettaire problematiek in deze sector. Wat wordt bedoeld met de woorden indien nodig? (blz. 4).

Vraag 66

Op welke boekhoudkundige wijze wordt de 0,4 miljard in 1999 in de sector SZA naar het jaar 2000 doorgeschoven?

Antwoord op vraag 22, 23, 48, 50 en 66

Het kabinet heeft besloten dat de onderschrijding in de sector SZA van 400 mln in het jaar 1999, indien nodig, zal worden aangewend ter compensatie van de budgettaire problematiek die in het jaar 2000 in deze sector wordt verwacht. Over de verwachte problematiek in het jaar 2000 wordt de Kamer geïnformeerd in de Miljoenennota 2000.

Het kabinet is er in geslaagd om in het jaar 1999 de sectoren Rijksbegroting in enge zin en Zorg zonder compensatie vanuit de sector SZA te doen sluiten. De kabinetsafspraak dat de onderschrijding in de sector SZA in het jaar 1999 indien nodig wordt aangewend voor problematiek in dezelfde sector in het jaar 2000 heeft geen inhoudelijke relatie met het ontbreken van een eindejaarsmarge voor de premiegefinancierde delen van de sector SZA.

Vraag 24

Kan een overzicht worden gegeven van de mate waarin alle in de Miljoenennota aangekondigde intensiveringen en ombuigingen uit het regeerakkoord in voorliggende Voorjaarsnota daadwerkelijk aan de betreffende begrotingen en artikelen zijn toegedeeld? In hoeverre zijn de voorgestelde ombuigingen inmiddels gerealiseerd?

Antwoord

Voor de intensiveringen wordt verwezen naar het antwoord op vraag nr. 77/78; daar is een overzicht gegeven van de verdeling van de Regeerakkoordintensiveringen over de begrotingen.

De ombuigingen uit het Regeerakkoord zijn reeds bij Miljoenennota 1999 aan de begrotingen en artikelen toegedeeld. De implementatie van de ombuigingen ligt op schema. In onderstaand overzicht, dat aansluit op het overzicht op bladzijde 66 van het Regeerakkoord, is kort de stand van zaken bij de implementatie van de ombuigingen, uitgesplitst per maatregel, aangegeven. In de betreffende begrotingen wordt uitgebreider ingegaan op de stand van zaken met betrekking tot de intensiveringen en ombuigingen uit het Regeerakkoord.

Ombuigingen (in miljoenen guldens)

bedrag 1999 en 2002

Stand van zaken

Doelmatigheid

474

2334


1. Arbeidsproductiviteit collectieve sector

110

450

Bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen.


2. Volume-taakstelling departementen

36

144

Bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen.


3. Budgettering incidentele loonstijging

73

435

Bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen.


4. Vergroting doelmatigheid departementale

aankoop

62

246

Bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen.


5. Externe advisering

18

54

Bij Miljoenennota 1999 naar rato toegedeeld aan de diverse begrotingen.


6. Efficiency uitvoeringskosten uvis en SVB

50

500

De Svb heeft een aantal plannen waarmee een deel van de taakstelling kan worden gerealiseerd. De uvis stellen doelmatigheidsplannen op, waarmee concrete efficiencybaten worden voorzien. Een aantal plannen moet nog worden uitgewerkt en worden besproken met het LISV.


7. Efficiency Arbvo/SWI

25

100

Deze ombuiging is taakstellend op de budgetten van Arbeidsvoorziening en het Gemeentefonds verwerkt. De ombuiging wordt gerealiseerd.


8. Tendering en uitbesteding VenW

0

90

De helft van de maatregel is reeds programmatisch verwerkt in het Infrastructuurfonds, over de andere helft wordt de Kamer, bij indiening van de begroting 2000, geïnformeerd.


9. LNV

50

150

Op de begroting van LNV is een aantal maatregelen genomen, die zijn toegedeeld naar diverse artikelen.

10. Gevangeniswezen

25

115

De Tweede Kamer is via een brief geïnformeerd over de invulling van de taakstelling van 115 miljoen bij de gevangenissen. In de brief worden de concrete maatregelen genoemd.

11. Efficiency uitvoering IHS

25

50

De taakstelling is in de meerjarenramingen verwerkt; afhankelijk van de resultaten van het EOS project (modernisering uitvoering IHS) wordt de taakstelling door betrokken partijen nader ingevuld.

Marktconforme prijzen

135

300


1. Nieuw contract gasprijs tuinders

35

150

Invulling van de maatregel heeft plaatsgevonden via een verhoging van de gasbatenraming met de geraamde meeropbrengst als gevolg van de nieuwe contracten voor de tuinbouwsector.


2. Verkoop agrarische domeinen

100

150

De maatregel is verwerkt in de ontvangsten uit de verkoop domeinen.

Decentralisatie

0

500


1. ABW-volume

0

500

De ingeboekte bezuiniging moet worden gerealiseerd door het vergroten van het financieel belang van gemeenten in de bijstandsuitgaven. De budgettering is nog in discussie tussen de betrokken ministers en de gemeenten. Verwacht wordt dat budgettering niet eerder dan 2001 zal worden ingevoerd.

Arbeidsvoorwaarden overheid

0

400


1. Functioneel Leeftijdsontslag

0

100

Bij Miljoenennota 1999 is deze maatregel toegedeeld naar diverse begrotingen, m.n. de begrotingen van Defensie en BZK (sector Politie). Bij de sector Politie is in de CAO overeenstemming bereikt over maatregelen voor de FLO. Bij de sector Defensie zal het overleg over de FLO komend najaar plaatsvinden.


2. Ziektekostentegemoetkomingen

0

300

Bij Miljoenennota 1999 is deze maatregel verwerkt op de aanvullende post arbeidsvoorwaarden. Nadien is een verdeling afgesproken over de sectoren Rijk, Onderwijs en Wetenschappen, Rechterlijke Macht, Politie en Defensie. De op basis van deze verdeling berekende percentages zullen in het desbetreffende jaar als korting op de kabinetsbijdrage voor de arbeidsvoorwaarden worden verwerkt.

Concrete maatregelen t.a.v. de ziektekostentegemoetkomingen vallen onder het overeenstemmingsvereiste. In de CAOs voor sector Rijk en sector Defensie zijn concrete afspraken gemaakt voor de ziektekostentegemoetkomingen; bij de sectoren Politie en Onderwijs is dat nog niet gebeurd.

Onderwijs

25

100


1. Wacht- en lesgelden

25

100

De maatregel wachtgelden is taakstellend verdeeld over de onderwijssectoren; voor de lesgelden is een wetsvoorstel behandeld door de Tweede Kamer.

Volume Sociale Zekerheid

170

665


1. Volume WAO/vangnet ZW (keuringspraktijk/arbo)

75

300

Het kabinet heeft afgelopen najaar een Plan van aanpak voor terugdringing van het WAO-volume gepresenteerd. In mei 1999 is een plan voor de hervorming van het poortwachtersmodel aan de Tweede Kamer gepresenteerd. Inschatting is op dit moment dat deze plannen ertoe leiden dat de ombuiging gerealiseerd wordt.


2. Volume WAO/vangnet ZW a.g.v. reductie wachtlijsten zorg

50

200

Van deze ombuiging slaat 150 miljoen in 2002 neer bij de geprivatiseerde ziektewetuitgaven. Wat de rest van de ombuiging betreft, loopt er een discussie over de zorginkoop.


3. Volume WW

25

100

Er liggen voorstellen voor realisatie van de ombuiging, die al zijn ingevoerd of per 1 juli a.s. worden ingevoerd.


4. Vrijval ABW en arbeidsongeschiktheidsuitkering (WSW)

20

65

Als gevolg van de intensivering bij de WSW treedt vrijval op bij de ABW en de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

Specifieke maatregelen zorg

0

45


1. Verhaalsrecht AWBZ

0

45

Het wetsvoorstel treedt per 1 juli 1999 in werking en het overleg over de invulling ervan is nu gaande met het Verbond van Verzekeraars.

Buitenlandbeleid

569

2000


1. Beperking EU-uitgaven

0

1300

Een iets hoger bedrag is reeds volledig gerealiseerd via de uitkomsten van Berlijn.


2. Verbreding begrip internationale samenwerking (non-ODA)

69

200

Gerealiseerd; de binnenlandse apparaatsuitgaven van Buitenlandse Zaken zijn onder de hgIS gebracht, onder aftrek van de in het Regeerakkoord opgenomen budgettaire taakstellingen.


3. Declaratie opvang A-statushouders onder ODA (i.p.v. forfaitair)

125

125

Gerealiseerd.


4. Defensie

375

375

Voor 1999 gerealiseerd; plannen voor latere jaren zijn aangegeven in de Hoofdlijnennotitie.

Overige ombuigingen

126

1308


1. Versneld afschaffen BWS

0

145

Gerealiseerd door een verlaging van de rijkssubsidiëring aan budgethouders en corporaties.


2. Verrekening lokatiegebonden subsidies

0

50

De maatregel is in de meerjarencijfers van de begroting verwerkt. Op dit moment wordt over de exacte wijze van invulling nog gesproken met de stadsgewesten (budgethouders).


3. Vermindering subsidies en kredieten EZ

40

110

Invulling heeft plaatsgevonden op diverse artikelen op de begroting van EZ waar subsidies en kredieten worden verantwoord.


4. Vermindering kredieten FIN

20

40

De maatregel is verwerkt op het artikel bijzondere financiering van begroting IX-B.


5. Verhogen boeten en transacties

60

60

De maatregel wordt ingevuld door een intensivering van het verkeerstoezicht. Het eerste jaar wordt niet het volledige bedrag gerealiseerd, maar 32 miljoen. Middels het instrument van intertemporele compensatie wordt het bedrag voor 1999 alsnog gerealiseerd door de ontvangstenramingen voor 2000 en 2001 te verhogen.


6. Fraudeplan


-23

285

De besparing wordt gerealiseerd door verschillende fraudebestrijdingsmaatregelen, op de terreinen van SZW, de fiscaliteit en de horizontale fraudebestrijding (i.h.b. politie, magistratuur en bijzondere opsporingsdiensten). De maatregelen worden op dit moment geïmplementeerd. Verwezen wordt tevens naar de voortgangsrapportage fraudebestrijding die in juni j.l. naar de Tweede Kamer is gestuurd.


7. Tegengaan misbruik en oneigenlijk gebruik fiscale regelgeving

0

500

Deze maatregel is verwerkt in de belastingramingen.


8. Algemene indexatie eigen bijdragen

29

118

Bij Miljoenennota 1999 is deze maatregel toegedeeld naar diverse begrotingen.

Totaal

1499

7652

Vraag 25

Kan inzicht worden verschaft in de effecten van de afgeronde CAO-onderhandelingen bij het Rijk en de laatste inzichten in de algemene loonontwikkeling op de drie uitgavenkadersectoren in 1999 en 2000? (blz. 2)

Vraag 26

Van welke contractloonontwikkeling voor de marktsector en voor de collectieve sector gaat het kabinet uit voor 1999 en 2000? Wat zijn de expiratiedata van de diverse CAOs in de collectieve sector? (blz. 2)

Antwoord op vraag 25 en 26

Het kabinet gaat uit van de door het CPB geraamde contractloonontwikkeling in de markt. Deze wordt, afgezien van evt. beleidsmatige aanpassingen, doorvertaald aan de werkgevers in de collectieve sector in de vorm van de jaarlijks vast te stellen kabinetsbijdrage aan de arbeidskostenontwikkeling collectieve sector. In het Centraal Economisch Plan 1999 is de contractloonontwikkeling in de markt geraamd op 2,75% in 1999 en 1,5% in 2000. Bij het afsluiten van de CAOs voor de rijkssectoren (Onderwijs, Politie, Rijk en Defensie) is het kabinet voor 1999 van een lagere contractloonstijging uitgegaan, namelijk 2,5%.

De expiratiedata van de CAOs voor de rijkssectoren zijn resp.:

Onderwijs 1 maart 2000;

Rijk 1 augustus 2000;

Defensie 1 augustus 2000;

Politie 1 januari 2001.

Vraag 27

Het zogenaamde ruilvoetverlies van de collectieve sector ten opzichte van de economie als geheel zorgt voor noodzakelijke bezuinigingen. Hoeveel moet er bezuinigd worden in 1999 en 2000 ? Wat is het effect van het ruilvoetverlies voor de tekortontwikkeling in 1999 en 2000 ? (blz. 2).

Antwoord

Het ruilvoetverlies voor de gehele collectieve sector bedraagt in 1999, o.b.v. het CEP 0,3 miljard. Dit leidt tot een overschrijding van het uitgavenkader van 0,3 miljard. De neerwaartse bijstellingen van de verwachte loon- en prijsontwikkeling voor 1999 leiden op zich tot lagere uitgaven en ontlasten het tekort. Hier staan echter lagere belasting- en premieinkomsten door de lagere loon- en prijsontwikkeling tegenover.

De effecten van bijstellingen van loon- en prijsontwikkelingen voor 2000 worden gepresenteerd in de Miljoenennota 2000.

Vraag 28

Kan uitgebreider worden toegelicht waarom de uitgavenreserve verdeeld is naar rato van budgettaire omvang en niet op basis van de mutatie prijsontwikkeling BBP? (blz. 2).

Vraag 29

Waarom is de uitgavenreserve ingezet naar rato van de budgettaire omvang van de sector en niet naar rato van de (loon- en) prijsgevoeligheid van de uitgaven? De budgettaire reserve was bedoeld voor problematiek uit hoofde van prijsontwikkelingen. Ligt een verdeling op basis van (loon- en) prijsgevoelige uitgaven dan niet in de rede? (blz. 2).

Vraag 107

Wat is het totaalbedrag van de uitgavenreserves, zoals deze zijn verdeeld over de verschillende departementen? Wat is de exacte functie van de uitgavenreserve?

Antwoord op vraag 28, 29 en 107

De uitgavenreserve is bedoeld om onverwachte uitgaventegenvallers, met name als gevolg van ruilvoetproblemen (deels) op te kunnen vangen. De uitgavenreserve heeft de vorm van extra ruimte onder het uitgavenkader.

Bij de begrotingsbesprekingen dit voorjaar bleek dat de ruilvoetproblematiek als gevolg van de aanpassingen van de veronderstelde loon- en prijsontwikkeling, waarvan vooral in 2000 sprake zal zijn, nagenoeg naar rato over de sectoren verdeeld is. Daarom is besloten de uitgavenreserve naar rato van de budgettaire omvang over de sectoren te verdelen.

Vraag 30

Kan de zin omdat per saldo een neerwaartse kaderaanpassing resulteert
- en dientengevolge budgettaire problematiek - heeft het kabinet besloten om vooralsnog slechts 25% van de tranche prijsbijstelling 1999 uit te delen worden uitgelegd? Wat was het effect geweest als 100% zou zijn uitgedeeld? Is de tranche prijsbijstelling gebaseerd op de CEP-cijfers of op de in de Voorjaarsnota genoemde bijgestelde cijfers? (blz. 2).

Antwoord

De kaders worden jaarlijks aangepast aan de prijsontwikkeling van het Bruto Binnenlands Product. Nu deze prijsontwikkeling naar huidige inzichten lager uitvalt dan eerder voorzien, leidt dit tot een kader dat in (nominale) guldens lager is dan eerder nog werd verwacht voor 1999. Omdat zonder aanvullende maatregelen de netto-uitgaven hoger zouden zijn dan het kader, is onder andere besloten om slechts 25% van de prijsbijstellingstranche 1999 uit te delen. Dit heeft geleid tot een besparing van 310 miljoen binnen het kader Rijksbegroting in enge zin (ook terug te vinden in de Verticale Toelichting). De besparingen binnen de begrotingsgefinancierde delen van de sectoren SZA en Zorg bedragen 8 miljoen respectievelijk 3 miljoen. Als 100% zou zijn uitgekeerd, waren de uitgaven derhalve 321 miljoen hoger uitgekomen. De berekeningen ten aanzien van de prijsbijstelling zijn gebaseerd op de in de Voorjaarsnota genoemde bijgestelde CEP-cijfers.

Vraag 31

Vooralsnog wordt slechts 25% van de tranche prijsbijstelling 1999 uitgedeeld. Besluitvorming over de nominale problematiek en de oplossingen daarbij, zullen pas in juli worden afgerond. Reden hiervoor zijn de onzekerheden met betrekking tot de inflatie. Waarom moet dit jaar zo lang gewacht worden voordat de gehele prijsbijstelling uitgedeeld kan worden? Wat zijn de feitelijke consequenties van deze beperkte prijsbijstelling? Hoe vangen de ministeries een en ander op? (blz. 2).

Antwoord

Ten tijde van het verschijnen van het CEP bestonden er diverse signalen die duidden op een hoger dan in het CEP voorziene inflatie voor het jaar 1999. Omdat de nieuwe ramingen van het Centraal Planbureau in juni meer duidelijkheid zullen verschaffen over de prijsontwikkeling in 1999, is besloten om de besluitvorming over 1999 op basis van de dan te verschijnen CPB-ramingen definitief af te ronden.

Informatie over de wijze waarop departementen omgaan met de (eventuele korting op) de prijsbijstelling zal terug te vinden zijn in de tweede departementale suppletore begrotingen 1999.
Vraag 32

Kan een overzicht worden gegeven van het totaal aan relevante bijstellingen binnen de Rijksbegroting analoog aan tabel 2 op blz. 3 van de Voorjaarsbrief Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt 1999 (26 251, nr. 1), waar dit voor sociale zekerheidsuitgaven is gedaan?

Antwoord

Voor een antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 35. Daarnaast wordt in de Verticale Toelichting bij de Voorjaarsnota per begroting aangegeven wat de belangrijkste bijstellingen zijn ten opzichte van de stand Miljoenennota 1999.

Vraag 34

De overboekingen en statistische mutaties van 1,4 miljard onder Id worden voor 1,25 miljard verklaard door overboekingen. Wat is de verklaring voor de overgebleven 150 miljoen? Kan deze mutatie nader worden uitgesplitst? (blz. 3).

Antwoord

Door overboekingen naar de andere sectoren worden de uitgaven in 1999 binnen de sector Rijksbegroting in enge zin 1201 miljoen lager dan geraamd in de Miljoenennota 1999. Verder is in 1999 als gevolg van een andere verwerkingswijze van de herzieningsbaten KPN een statistische mutatie opgetreden van -226 miljoen. Voor zowel de overboekingen als de statistische mutatie wordt het uitgavenkader verlaagd (afgerond samen 1,4 miljard), zodat deze de toetsing van de uitgaven aan het kader niet beïnvloeden.

Vraag 35

Kan een heldere overzichtstabel worden gemaakt voor de gehele collectieve sector, waarbij duidelijkheid onderscheid worden gemaakt van mee- en tegenvallers en intensiveringen en ombuigingen (als schakel tussen tabel 1 en de verticale toelichting bij de Voorjaarsnota? (Bij de tegenvallers in ieder geval een kwantitatief overzicht van de problematiek als gevolg van de lagere economische groei, als gevolg van de lagere prijsraming, belangrijke over tegenvallers en eventuele intensiveringen, bij de oplossingen in ieder geval het effect van het inhouden van de prijsbijstelling, de overige ombuigingen en de meevallers.) (blz.3).

Vraag 112

Kan een kwantitatief overzicht worden gegeven voor de gehele collectieve sector van (algemeen):

* de lagere economische groei dan geraamd in de MEV 1999 (2% in plaats van 3%);

* lagere prijsraming: 600 mln voor de gehele collectieve sector;
* belangrijkste overige tegenvallers;

* eventuele beleidsintensiveringen;

* meevallers;

Antwoord op vraag 35 en 112

In onderstaande tabellen wordt een nadere toelichting gegeven op de in de Voorjaarsnota gemelde onderbouwing van de uitgaventoetsing. Met name wat betreft de posten mee- en tegenvallers en beleidsmatige mutaties voor de drie budgetdiscipline sectoren (tabellen 1,2 en 3 uit de Voorjaarsnota).

* De mee- en tegenvallers als gevolg van de tegenvallende economische groei zijn opgenomen onder de kop aanpassing macro-economisch beeld waarin ook de effecten zijn meegenomen van de nieuwe inzichten ten aanzien van de nominale ontwikkelingen (lonen, prijzen en rente). Dit omdat de aanpassingen van de nominale grootheden nauw samenhangen met de neerwaartse bijstelling van de groeiraming.

* Uit de tabel blijkt dat de neerwaartse aanpassing van de prijsbijstelling 1999 met 0,6 miljard, voor 0,3 miljard bestaat uit een meevaller a.g.v. de lagere verwachte prijsontwikkeling en voor 0,3 miljard het gevolg is van de voorgenomen korting van 75% op de prijsbijstelling.

* In de Voorjaarsnota is onder de kop mee- en tegenvallers een tegenvaller als gevolg van de hogere instroom en de lagere instroom van asielzoekers van 1 miljard opgenomen.

De Voorjaarsbrieven sociale zekerheid en zorg geven nadere informatie over de uitgavenontwikkelingen in de betreffende sectoren.

Rijksbegroting in enge zin 1999 (in miljarden)

Mee- en tegenvallers

w.v. aanpassing macro-economisch beeld

prijs- en loongevoelige uitgaven


-0,3

rente-uitgaven


-0,3

OS-uitgaven (a.g.v. lagere groei)


-0,1

EU-afdrachten


-0,5

w.v. overige mee- en tegenvallers

asielzoekers


+1,2

waterschade


+1,0

overig


-0,5

Totaal mee- en tegenvallers


+0,5

Beleidsmatige mutaties

prijsbijstellingen 75% korten


-0,3

contractloonontwikkeling collectieve sector


-0,1

Kosovo (OS-uitgaven)


+0,1

kasritme defensie


-0,2

maatregelen asiel


-0,2

Totaal beleidsmatige mutaties


-0,7

Totaal mutaties uitgaven (excl. overboekingen en statistisch)


-0,2

Kaderaanpassing a.g.v. mutatie pBBP


+0,3

Inzet uitgavenreserve


-0,1

Onder-/overschrijding Voorjaarsnota 1999

0,0

Sociale Zekerheid 1999 (in miljarden)

Mee- en tegenvallers

w.v. aanpassing macro-economisch beeld

prijs- en loongevoelige uitgaven


-0,1

volume werkloosheidsuitkeringen


-0,1

w.v. overige mee- en tegenvallers

AOW samenstellingseffect


-0,2

ontvangsten bijstand


-0,3

overig


-0,2

Totaal mee- en tegenvallers


-0,9

Beleidsmatige mutaties

REA


+0,1

Doelmatigheid uvis


+0,1

I/D-banen


-0,1

intertemporele schuif Arbvo


+0,2

overig ombuigingen en intensiveringen


+0,1

Totaal beleidsmatige mutaties


+0,4

Totaal mutaties uitgaven (excl. overboekingen en statistisch)


-0,5

Kaderaanpassing a.g.v. mutatie pBBP


+0,2

Inzet uitgavenreserve


-0,1

Onder-/overschrijding Voorjaarsnota 1999


-0,4

Zorg (ijklijn) 1999 (in miljarden)

Mee- en tegenvallers

w.v. aanpassing macro-economisch beeld

prijs- en loongevoelige uitgaven


-0,1

w.v. overige mee- en tegenvallers


+0,2

Totaal mee- en tegenvallers


+0,1

Beleidsmatige mutaties

vrijval meldingsbouw t.b.v. nominale problematiek


-0,2

Totaal beleidsmatige mutaties


-0,2

Totaal mutaties uitgaven (excl. overboekingen en statistisch)


-0,1

Kaderaanpassing a.g.v. mutatie pBBP


+0,1

Inzet uitgavenreserve


-0,0

Onder-/overschrijding Voorjaarsnota 1999

0,0

Vraag 36

Waarom is ervoor gekozen om alle begrotingsmutaties kleiner dan fl. 25 miljoen niet te specificeren? In hoeverre is er binnen enige begroting sprake van meerdere mutaties kleiner dan fl. 25 miljoen, die getotaliseerd boven dit bedrag uitkomen en waaraan eenzelfde oorzaak ten grondslag ligt? (p.3)

Antwoord

Bij de Verticale Toelichting bij budgettaire notas wordt standaard een ondergrens gehanteerd voor de presentatie van mutaties. Deze ondergrens is wenselijk, omdat anders erg veel mutaties in een Verticale Toelichting zichtbaar zouden worden. Bij een ondergrens van 25 miljoen resteert nog steeds een vrij omvangrijk overzicht, maar het geeft op hoofdlijnen een goed beeld van de ontwikkelingen op een bepaalde begroting. Een meer gedetailleerde uitsplitsing is terug te vinden in de begroting zelf en in de suppletore wetten.

Indien zich op een bepaald beleidsterrein meerdere mutaties voordoen die afzonderlijk kleiner zijn dan 25 miljoen, maar die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp dan wordt er in beginsel voor gekozen om deze mutaties te clusteren en te presenteren in de Verticale Toelichting.

Vraag 38

De vredesoperatie Kosovo wordt geraamd op 50 mln gulden. Is dit bedrag inmiddels niet ruimschoots overschreden? (blz. 3)

Vraag 39

Onder de mutaties wordt een verhoging opgevoerd van f 100 mln waarmee de HGIS wordt verhoogd. Komt dit bedrag uit de algemene middelen en drukt dit niet op de uitgaven voor Ontwikkelingssamenwerking? Kan worden uitgesplitst waaraan de f 50 mln Humanitaire hulp wordt besteed?

Vraag 97

Waarom wordt de humanitaire hulp Balkan alleen voor 1999 verhoogd met f 50 mln en is niet in een verhoging voor het komend jaar voorzien? Waarom wordt wel in een verhoging van de vredesoperaties Balkan met 100 mln voor het komend jaar voorzien? (blz. 47)

Antwoord op vraag 38, 39 en 97

Op basis van de op dat moment in te schatten ontwikkelingen zijn bij de besluitvorming Voorjaarsnota de desbetreffende posten van de Homogene Groep Internationale samenwerking (HGIS) verhoogd met 100 mln in 1999 (waarvan 50 mln ten behoeve van humanitaire hulp Kosovo (ODA) en 50 mln vredesoperaties Balkan(non-ODA)) en met 100 mln in 2000 ten behoeve van genoemde vredesoperatie. Afhankelijk van de ontwikkelingen zal het kabinet de eventuele noodzaak van aanpassing van deze bedragen en de wijze van financiering daarvan opnieuw bezien.

Het extra bedrag voor humanitaire hulp van 50 mln in 1999 komt bovenop de beschikbare middelen van de begroting voor
ontwikkelingssamenwerking. In totaal is dit jaar tot dusverre een bedrag van 50 mln toegezegd: 20 mln betalingsbalanssteun Macedonië en 30 mln voor de opvang van vluchtelingen in voornamelijk Macedonië en Albanië. Voor heel 1999 is vooralsnog een bedrag van 90 mln gereserveerd (inclusief het extra bedrag van 50 mln)

Vraag 40

Hoe worden de extra uitgaven voor de opvang van asielzoekers verdeeld over de verschillende begrotingen ?

Vraag 42

Kan de overschrijding van 1 miljard voor asielzoekers nader worden gespecificeerd naar onderdelen en bedragen ?

Antwoord vraag 40 en 42

De ruim 1 miljard overschrijding bij de uitgaven voor asielzoekers is als volgt onder te verdelen.

Justitie-begroting 920 miljoen

waarvan:

* opvang asielzoekers 650 miljoen

* uitvoeringsorganisaties 220 miljoen

* alleenstaande minderjarige asielzoekers 50 miljoen

BZK begroting 63 miljoen

waarvan:

* VVTV-regeling 8 miljoen

* politie-inzet asielcentra 55 miljoen

OCW-begroting 37 miljoen

ten behoeve van onderwijs aan leerplichtige asielzoekers in

asielcentra en aan VVTVers

Defensie-begroting 4 miljoen

ten behoeve van inzet Kmar personeel bij aanmeldcentra

Buiza-begroting 25 miljoen

onder meer ten behoeve van inzet extra personeel ambtsberichten.

Vraag 41

Kan worden toegelicht wat wordt bedoeld met de gevolgen van een tegelijkertijd hogere en lagere instroom van asielzoekers ?

Antwoord

In de toelichtende tekst van de Voorjaarsnota op pagina 3 is een fout geslopen.

In plaats van de gevolgen van hogere en lagere instroom van asielzoekers had moeten staan :

Als gevolg van een hogere instroom en een lagere uitstroom van asielzoekers zullen de uitgaven op verschillende begrotingen in totaal f 1,0 miljard hoger uitvallen.

Vraag 43

Behoedzaam begroten voorkomt in het algemeen paniek en tegenvallers. Waarom wordt deze beleidslijn niet op de verwachte instroom van het aantal asielzoekers toegepast ?

Vraag 81

In hoeverre is, gezien onder meer de huidige instroom van Kosovaarse vluchtelingen en een eventuele toename ervan, de bijstelling van de instroomveronderstelling toereikend ?

Antwoord op vraag 43 en 81

Bij het in beeld brengen van de problematiek bij ongewijzigd beleid is rekening gehouden met een instroom van 52 duizend asielzoekers in 1999. In de reeks inclusief het effect van het nieuwe beleid is rekening gehouden met een instroom van 50 duizend. Dit is een toename ten opzichte van de gerealiseerde instroom in 1998: 45,2 duizend. In de ontwerpbegroting 1999 werd nog uitgegaan van een instroom van 35 duizend asielzoekers in 1999.

Bij de bijstelling is meegewogen dat er zich enerzijds in het eerste kwartaal van 1999 een dalende tendens in de instroom heeft voorgedaan ten opzichte van het eerste kwartaal van 1998: respectievelijk 8647 en 8905 asielzoekers. Anderzijds is er rekening gehouden met een mogelijke toename van het aantal Kosovaarse vluchtelingen in de laatste drie kwartalen van 1999. Gelet hierop kan ervan uit worden gegaan dat de in de Voorjaarsnota naar boven bijgestelde instroomveronderstelling vooralsnog in voldoende mate behoedzaam is.

Vraag 44

Zijn de tegemoetkomingen in de waterschade inmiddels aan de gedupeerden uitbetaald? (blz. 3).

Antwoord

De tegemoetkomingen op grond van de WTS-regeling Zuidwest-Nederland zullen medio juni vrijwel alle zijn uitbetaald. Van de 6.500 aanvragen zijn er bijna 6.100 betaald, dan wel in de laatste fase van behandeling.

Gezien de goedkeuring van de WTS-regeling Noordoost-Nederland door de Europese commissie op 4 mei jongstleden is de verwachting dat alle tegemoetkomingen op grond van deze regeling eind juni uitbetaald zullen zijn. Van de 6.600 aanvragen zijn er circa 5.000 betaald, dan wel in de laatste fase van behandeling.

In de Miljoenennota 2000 zal het kabinet, op basis van de dan gerealiseerde uitbetalingen, een geactualiseerde raming van het budgettaire beslag 1999 aan de Kamer voorleggen van beide WTS-regelingen.

Overigens zijn van de 3.400 aanvragen op grond van de Oogstschaderegeling van het ministerie van LNV bijna 1.900 aanvragen betaald, dan wel in de laatste fase van behandeling.

Vraag 45

Kan de neerwaartse bijstelling van de EU-afdrachten met fl. 0,5 miljard nader worden onderbouwd?

Antwoord

De bijstelling betreft een saldo van wijzigingen in het economisch beeld en onderuitputting op de EU-begroting in 1998. Een nadere onderbouwing wordt gegeven op blz. 59 en 60 van bijlage 3, waar de wijzigingen in de afdrachten aan de Europese Unie ten opzichte van de Miljoenennota 1999 nader worden toegelicht.

Vraag 46

Bij de rentelasten treedt een meevaller op. Van welke rentepercentage wordt voor 1999 en 2000 uitgegaan ? (blz. 3).

Vraag 89

Wat is de renteverwachting voor 1999-2002 en voor de jaren na 2003 ? (blz. 28).

Antwoord op vraag 46 en 89

In de Voorjaarsnota 1999 zijn, zoals gebruikelijk, alleen de macromutaties uit 1999 meerjarig verwerkt. In de verticale toelichting van begroting IX-A is dus alleen de doorwerking van de lagere rentevoet 1999 opgenomen (4¼ %). De effecten van de lagere rentevoet in 2000 worden in de Miljoenennota 2000 gepresenteerd. Vraag 47

De mutatie van de prijsontwikkeling BBP bedraagt -/- 0,6 miljard totaal. Hoe groot is de mutatie bij een inflatie van 2% (blz. 3-5).

Antwoord

Verondersteld wordt dat wordt gevraagd naar de kaderaanpassing in 1999 bij een prijsontwikkeling van het BBP (pBBP) van 2%. In de Voorjaarsnota is uitgegaan van een pBBP van 1,45% voor 1999. Indien de pBBP voor 1999 in de zomer op 2% blijkt uit te komen leidt dit tot een opwaartse bijstelling van de uitgavenkaders met circa 1¾ miljard t.o.v. de Voorjaarsnota.

Vraag 49

Hoeveel bedraagt de structurele doorwerking van de lagere prijsontwikkeling en lagere contractloonstijging in de kosten van de koppeling? (blz. 4).

Antwoord

Als gevolg van de lagere geraamde prijzen en contractloonontwikkeling 1999 ten opzichte van de raming in de Miljoenennota 1999 dalen de uitgaven in de SZA-sector, zoals is opgemerkt in de Voorjaarsnota en de Voorjaarsbrief SZA. Deze bijstelling van 0,1 miljard werkt volledig door naar latere jaren. Het betreft hier een partieel effect, omdat er ook nog wijzigingen kunnen optreden als gevolg van bijstellingen (ten opzichte van de Miljoenennota 1999) in de nominale ontwikkelingen in 2000 en later.

Vraag 51

Binnen de netto-uitgaven SZA is sprake van een meevaller bij de AOW van fl. 235 miljoen. Kan deze meevaller worden toegelicht? Heeft deze meevaller een positieve uitwerking op de vermogenspositie van de sociale fondsen. Zo ja, zouden de premies dan ook niet navenant kunnen dalen? (blz. 4)

Antwoord

Uit recente uitvoeringsgegevens van het SVB blijkt dat er sprake is van een relatief groter aantal goedkope uitkeringen aan samenwonende AOW-ers dan vorig jaar ten tijde van de Sociale Nota 1999/Miljoenennota 1999 werd verondersteld. Naar aanleiding hiervan is in de raming de gemiddelde uitkering van de AOW neerwaarts bijgesteld, waardoor er een meevaller van 235 mln optreedt. Deze volgens de huidige inzichten optredende uitgavenmeevaller heeft geïsoleerd gezien een positieve uitwerking op de vermogenspositie van het AOW-fonds. De premievaststelling van de AOW voor 2000 wordt in augustus gebaseerd op de dan geldende inzichten uit de MEV 2000.

Vraag 52

Hoe kan grosso modo een sluitende beeld in de zorg gepresenteerd worden, zonder dat de cijfers van 1998 bekend zijn ? (blz. 5).

Antwoord

De Voorjaarsnota geeft een algemeen beeld van de stand van zaken per april 1999. Nadere inzichten met betrekking tot de realisatie 1998 en de uitvoering 1999 kunnen het beeld in de loop van het jaar wijzigen.

Vraag 53

Wordt in tabel 3 onder IIe het uitgavenkader stand Voorjaarsnota bedoeld?

Antwoord

Ja.

Vraag 54

Op bladzijde 6 wordt gesteld dat de belastingontvangsten over 1999 fl. 0,6 mld. lager worden geraamd dan bij de Miljoenennota. In dezelfde alinea wordt gesteld dat de belastingontvangsten met fl. 2,2 mld minder toenemen dan in september was geraamd. Hoe verhouden deze getallen zich tot elkaar? Als dit verschil wordt verklaard door het feit dat het bedrag van fl. 0,6 mld. ziet op de premieontvangsten en het bedrag van fl. 2,2 mld op de belastingontvangsten, hoe kan dan dit grote verschil worden verklaard.

Vraag 55

De belastingontvangsten nemen met fl. 2,2 mld. minder toe dan in september jl. was geraamd. Waar slaat deze inkomstentegenvaller precies neer?

Antwoord op vraag 54 en 55

Zowel het bedrag van 0,6 miljard als het bedrag van 2,2 miljard hebben uitsluitend betrekking op de belastingontvangsten en niet op de premieontvangsten. Het bedrag van 0,6 miljard geeft de neerwaartse bijstelling van de raming voor 1999 ten opzichte van de raming bij Miljoenennota 1999. Deze bijstelling is het saldo van tegenvallend economisch beeld voor 1999 (hetgeen leidt tot de genoemde tegenvaller van 2,2 miljard) en de doorwerking van de meevaller over 1998 (1,5 miljard).

De tegenvaller van 2,2 miljard uit hoofde van het verslechterende economisch beeld voor 1999 slaat met name neer bij de vennootschapsbelasting (-1,0 miljard), de BPM (-0,5 miljard) en de Loonbelasting (-0,3 miljard). Voor een nadere toelichting kan worden verwezen naar tabel 4 in de Voorjaarsnota 1999.

Vraag 56

In hoeverre werken de ontwikkelingen op de markt voor onroerend goed, in relatie tot die op de markt voor hypotheken door in de belastingontvangsten?

Antwoord

De afgelopen jaren heeft de waarde van onroerend goed een opmerkelijke groei doorgemaakt. De stijging van de huizenprijzen hangt deels samen met de lage rentestand. Het effect van de lagere hypotheekrente leidt enerzijds structureel tot een lagere hypotheekrenteaftrek en dus tot hogere inkomstenbelasting. Anderzijds leiden de gestegen huizenprijzen bij verkoop en oversluiting tot grotere hypotheekbedragen en daarmee tot hogere hypotheekrenteaftrek. Het effect van de toegenomen uitstaande hypotheekschuld blijkt groter te zijn dan de rentedaling, waardoor er per saldo sprake is van een hogere hypotheekrenteaftrek en dus lagere opbrengsten bij de inkomstenbelasting.

De hogere huizenprijzen hebben (met uitzondering van nieuw opgeleverde huizen) vooralsnog geen effect op het huurwaardeforfait (en de OZB) omdat de periodieke herwaardering van de WOZ-waarde nog niet heeft plaatsgevonden.

De stijgende huizenprijzen hebben een opwaartse invloed op de opbrengst van de overdrachtsbelasting, hetgeen ook zichtbaar is in de meevaller over 1998 bij deze belastingsoort.

Tenslotte kunnen ook indirecte effecten worden verwacht als gevolg van de hogere huizenprijzen:

Stijgende huizenprijzen leiden ook tot grotere vermogens van mensen. Een (beperkt) deel van deze vermogensgroei wordt aangewend voor extra consumptie. Dit leidt tot hogere belastinginkomsten bij aan consumptie gerelateerde belastingen als de BTW en BPM.

Vraag 57

Hoe verhoudt de opmerking dat de inflatie naar verwachting lager uitvalt zich met de waarschuwingen van de President van De Nederlandse Bank? (blz. 6)

Antwoord

In het CEP 1999 wordt een prijsontwikkeling (CPI) geraamd van 1¼%. Ten opzichte van de Miljoenennota 1999, waarin wordt uitgegaan van een inflatie van 1¾%, is de verwachte inflatie in de Voorjaarsnota/CEP 1999 lager.

Vraag 59:

Hoe verhoudt de lagere raming voor de belasting op personenautos en motorrijwielen zich tot de berichten over de nog steeds stijgende verkopen van RAI/BOVAG en CBS?

Antwoord:

De raming van de BPM is, naast gegevens over de economische ontwikkeling, onder andere gebaseerd op ramingen van BOVAG/RAI over de autoverkopen 1999. Deze cijfers wijzen allen op iets lagere autoverkopen in 1999. Op basis van gegevens van het CPB over de verdeling van de consumptiegroei over het jaar, wordt verondersteld dat met name in de tweede helft van het jaar 1999 het aantal verkochte autos zal afzwakken.

Mochten realisaties en eventuele nieuwe inzichten van het CPB tot een (eventueel opwaartse) bijstelling nopen, dan wordt volgens de gebruikelijke systematiek de raming bij het eerstvolgende begrotingsmoment aangepast.

Vraag 60

Is de 0,2 miljard in tabel 5 bij werknemersverzekeringen het gevolg van hogere nominale toeslagpremies? (blz. 8)

Antwoord

Deze meevaller bij de premie-inkomsten is inderdaad veroorzaakt doordat de nominale ZFW-opslagpremies hoger zijn vastgesteld dan bij Miljoenennota 1999 nog werd gedacht.

Vraag 61

Waarom leidt het gewijzigde economische beeld voor 1999 bij de premieontvangsten tot een veel minder, ook relatief, grote tegenvaller? (blz. 8)

Vraag 62

Wat is de reden van de premietegenvaller voor 1999? (blz. 8)

Antwoord

De verwachte lagere premieontvangsten in 1999 ten opzichte van de Miljoenennota 1999 (-0,9 miljard) zijn het saldo van de doorwerking van de premietegenvaller uit 1998 (-0,5 miljard), het gewijzigde economische beeld voor 1999 (-0,6 miljard) en hoger vastgestelde nominale ZFW-opslagpremies (0,2 miljard). Het gewijzigde economische beeld in 1999 zorgt voor een iets lagere contractloonontwikkeling en werkgelegenheidsgroei, waardoor de premiegrondslagen minder hoog uitkomen dan bij Miljoenennota 1999 nog werd gedacht. Het effect op de premieontvangsten is in 1999 nog relatief beperkt, omdat het bijgestelde economische beeld vertraagd doorwerkt op de werkgelegenheidsgroei en daarmee dus ook op de premiegrondslagen.

Vraag 63

Wanneer is de vermogensinhaal van de relevante fondsen voltooid? Hoe verhoudt zich dat tot de beoogde lastenverlichting? (blz. 8, 9)

Vraag 65

Blijft de inzet van het kabinet gericht op vermogensinhaal per ultimo 2000? Zo ja, betekent dit dat er een extra lastenverzwaring in 2000 nodig is van 1,5 miljard ten opzichte van de Miljoenennota 1999? (blz. 9)

Vraag 67

Naar verwachting valt de vermogenspositie van de sociale fondsen tegen. Kan dit gevolgen hebben voor de fasering en omvang van de lastenverlichting? (blz. 9)

Antwoord op vraag 63, 65 en 67

In de Miljoenennota 1999 was nog geen lastenbeeld opgenomen voor 2000. In het CEP 1999 is voor het eerst een lastenbeeld voor 2000 gepresenteerd. In dit CEP is uitgegaan van een lastenneutraal beeld voor 2000 en een vermogensinhaal bij de centrale sociale fondsen ultimo 2000. In augustus zal op basis van de dan geldende inzichten (MEV 2000) worden bezien hoe wordt omgegaan met de in de Voorjaarsnota 1999 gemelde tegenvallers. Het kabinet streeft vooralsnog naar een vermogensinhaal bij de centrale sociale fondsen ultimo 2000.

Vraag 64

Kan worden verklaard dat de vermogenstegenvallers van vroeger, nu voor nieuwe vermogenstegenvallers zorgen? (blz. 9)

Antwoord

Het betreft hier vermogenstegenvallers uit eerdere jaren (1997 en 1998), die pas recent bekend zijn geworden.

Vraag 68

Waarom wordt, gezien de huidige olieprijs en dollarkoers, uitgegaan van een lagere olieprijs en dollarkoers. (blz. 9)

Vraag 95

In het CEP is uitgegaan van een olieprijs van $11,50 per vat. Momenteel is de olieprijs gestegen naar tegen de $15, circa het niveau van de MEV 1999. Een stijging van de olieprijs zal een opwaarts effect hebben op de gasbaten en de inflatie. Toch zijn de gasbaten neerwaarts bijgesteld.

De inflatie heeft de regering op een hoger niveau vastgesteld dan het CPB, in tegenstelling tot de gasbaten. Wat is hiervan de reden? Welke dollarprijs en olieprijs liggen ten grondslag aan de neerwaartse bijgestelde ramingen van de gasbaten? (blz 39)

Antwoord op vraag 68 en 95

Het begrotingsbeleid wordt gebaseerd op een consistente set macro-economische projecties zoals opgesteld door het CPB. Ten behoeve van deze projecties maakt het CPB ook veronderstellingen voor de dollarkoers en olieprijs. In het begrotingsbeeld zijn dan ook de in het CEP 1999 veronderstelde dollarkoers en olieprijs opgenomen van resp. FL. 1,90 en $11,50 in 1999. Aangezien beide prijzen lager waren dan voorzien tijdens de MEV 1999 was een neerwaartse aanpassing van de gasbaten onvermijdelijk.

Vraag 69

Het EMU-tekort 1999 komt volgens de huidige inzichten uit op 1,7%. Dreigt het financieringstekort nog vóór september de 1,75% te naderen? Zo ja, wat zijn daarvan de concrete gevolgen en wat is de minister voornemens daartegen te doen (blz. 9)

Antwoord

De huidige inzichten geven geen aanleiding om vóór september een EMU-tekort 1999 van 1,75% te verwachten.

Vraag 70

De EMU-schuldquote bedraagt nu bijna 67%. Kan de regering reageren op de kritische opmerkingen van de President van De Nederlandsche Bank dat de Nederlandse schuldquote in Europese context erg hoog is? (blz. 9).

Antwoord

De Nederlandse schuldquote van bijna 67% BBP behoort niet tot de hoogste schuldquoten in de Europese Unie. Italië, België en Griekenland zijn de duidelijke koplopers binnen de Europese Unie met een EMU-schuldquote van boven de 100%. Nederland bevindt zich met Duitsland, Spanje, Oostenrijk en Zweden in een middengroep van landen met een schuldquote tussen de 60 en 70% BBP. De daling van de Nederlandse schuldquote is in de afgelopen jaren relatief fors geweest.

Onderstaande tabel laat ook zien dat de EMU-schuldquote van Nederland, in lijn met de convergentievereisten, van 1998 op 1999 naar verwachting verder daalt richting 60%.

Tabel EMU-schuld in % BBP

1995

1996

1997

1998

1999

België

132,2

128,0

123,4

117,3

115,0

Denemarken

72,1

67,4

63,6

58,1

55,4

Duitsland

58,3

60,8

61,5

61,0

61,2

Griekenland

110,1

112,2

109,4

106,5

105,3

Spanje

64,2

68,6

67,5

65,6

64,8

Finland

52,8

55,7

58,1

58,5

58,7

Ierland

78,9

69,4

61,3

52,1

45,8

Italië

125,3

124,6

122,4

118,7

115,9

Luxemburg

5,8

6,3

6,4

6,7

6,3

Nederland

79,0

77,0

71,2

67,7

66,9

Oostenrijk

69,4

69,8

64,3

63,1

62,9

Portugal

65,9

64,9

61,7

57,8

56,8

Finland

58,1

57,8

54,9

49,6

46,2

Zweden

77,6

76,7

76,7

75,1

70,1

VK

53,0

53,6

52,1

49,4

47,6

bron: Europese Commissie 99

Vraag 72

Het EMU-tekort in 1999 komt 0,1% hoger uit door de verwachte toename van het beroep op de leenfaciliteit bij de RGD. Kan dit verklaard worden? (blz. 10)

Antwoord

Bij de berekening van de belasting van het EMU-tekort als gevolg van de rijkshuisvestingsuitgaven in de Miljoenennota 1999 was nog niet bekend voor welke projecten een beroep zou mogen worden gedaan op de leenfaciliteit, de financieringsbron van het nieuwe huisvestingsstelsel. Daardoor is bij Miljoenennota de belasting van het EMU-saldo uit hoofde van de rijkshuisvesting te laag vastgesteld. Bij de besluitvorming in het kabinet over de Voorjaarsnota is de omvang van de te financieren projecten vastgesteld, waardoor het EMU-saldo ten opzichte van de Miljoenennota met ruim 500 mln extra wordt belast.

Vraag 73

Waardoor wordt de verhoging NIO met f 134 mln veroorzaakt? (blz. 13)

Vraag 79

Wordt het NIO over de voorgeschoten f 133,9 mln rente in rekening gebracht? (blz. 19)

Antwoord op vraag 73 en 79

De verhoging van f 134 mln betreft de rekening-courant-faciliteit van de NIO bij het ministerie van Financiën. Het saldo op deze rekening-courant per 31 december 1998 werd in 1998 als uitgave verantwoord. In 1999 wordt dit saldo aangezuiverd en verantwoord als ontvangst.

De rekening-courant stelt de NIO in staat op de kapitaalmarkt opgenomen gelden voor de (her)financiering van leningen daar tijdelijk te plaatsen c.q. voor de herfinanciering van leningen benodigde gelden op te nemen, vooruitlopend op het aantrekken van die gelden op de kapitaalmarkt.

De NIO kan op de kapitaalmarkt opgenomen gelden voor de (her)financiering van leningen tijdelijk plaatsen op de rekening-courant dan wel voor de (her)financiering van leningen benodigde gelden tijdelijk opnemen ten laste van de rekening-courant, vooruitlopend op het aantrekken van gelden op de kapitaalmarkt. Over de uitstaande saldi wordt (door de Staat) rente betaald respectievelijk ontvangen.

Vraag 74

Wat wordt verstaan onder overig bij de post overig? (blz. 14)

Antwoord

Bijlage 2 geeft een overzicht van de grootste mutaties op de rijksbegroting in enge zin tussen de Miljoenennota 1998 en de Voorlopige Rekening 1998. Daarbij zijn in tabel 2 de ontwikkelingen op alle departementale begrotingen gepresenteerd, alsook de belangrijkste mutaties op de overige begrotingen (met name de fondsen en aanvullende posten). Deze laatste categorie mutaties staat weergegeven onder het kopje Overig. Op de departementale begrotingen zijn kleine mutaties geclusterd onder de noemer diversen, bij de categorie overig zijn de kleine mutaties geclusterd onder de noemer overig. Het gaat hier dus om een groot aantal relatief kleine mutaties op de overige begrotingen.
Vraag 75

Wat is de oorzaak van de meevaller van ruim FL. 1.1. mld bij de prijsstelling en de arbeidsvoorwaarden? (blz. 14)

Vraag 76

Eerder dit jaar was sprake van mogelijke tegenvallers als gevolg van een hogere contractloonstijging dan verwacht. Kan in dat licht een toelichting worden gegeven op de meevaller van 565 miljoen in 1998 bij de arbeidsvoorwaarden? (blz. 14).

Antwoord op vraag 75 en 76

De neerwaartse bijstelling van de aanvullende post voor de prijsbijstelling (blz. 57) is zowel het gevolg van de lagere inflatie als van het inhouden van ¾ deel van de prijsbijstelling. Voor wat betreft de inflatie is ten opzichte van de Miljoenennota 1999 zowel de realisatie over 1998 als de raming voor 1999 neerwaarts bijgesteld.

De meevaller op de aanvullende post arbeidsvoorwaarden ad 565 miljoen heeft in grote lijnen drie oorzaken. Ten eerste de gewijzigde macro-economische inzichten gedurende de betroffen periode, waaronder de daling van de contractloonontwikkeling van 3% naar 2,6%. Ten tweede de doorwerking van de onderuitputting 1997, welke voor het jaar 1997 in de Najaarsnota 1997 is verwerkt en de meerjarige doorwerking bij de Voorjaarsnota 1998. Ten derde de meevaller van 100 miljoen in 1998 op de compensatie van de overheidswerkgevers voor de gevolgen van de invoering van de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekering (Pemba).

Mee- en tegenvallers arbeidsvoorwaarden 1998:

Rijksbegroting in enge zin

gewijzigde macro-economische inzichten


- 249,6

onderuitputting najaarsnota 1997 met doorwerking


- 215,0

raming pemba-compensatie


- 100,0

TOTAAL


- 564,6

Vraag 77 en 78

Bij Voorjaarsnota wordt (opnieuw) een deel van de intensiveringen uit het regeerakkoord verdeeld. Kan een geactualiseerd totaaloverzicht van de verdeling van de intensiveringen uit het regeerakkoord worden gegeven?

Antwoord

De intensiveringen uit het Regeerakkoord zijn bij Miljoenennota 1999 voor een deel toegedeeld naar begrotingen. Voor een aantal intensiveringen was ten tijde van de Miljoenennota 1999 nog geen uitsplitsing mogelijk. Deze intensiveringen werden gereserveerd op de aanvullende post Nader te verdelen (en voor het cluster Infrastructuur deels op het FES). De betrokken bewindspersonen werden uitgenodigd om voor de nog niet verdeelde intensiveringen met een voorstel te komen. Na afstemming met alle betrokkenen vindt op een later tijdstip overboeking vanuit de aanvullende post naar de betrokken begroting(en) plaats.

Over een aantal intensiveringen is inmiddels besloten waar deze verantwoord worden. Deze intensiveringen zijn dan ook als zodanig in de Voorjaarsnota 1999 opgenomen. Voor een aantal intensiveringen op het terrein van infrastructuur is dit echter nog niet het geval, deze blijven dan ook vooralsnog geparkeerd op de aanvullende post.

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven op welke begrotingen de intensiveringen uit het Regeerakkoord in de Voorjaarsnota 1999 staan verantwoord.

Intensiveringen (in miljoenen)

1999

2000

2001

2002

2003

Kwaliteit onderwijs

450

900

1350

1800

1800

OCW

399,6

789,8

1198,8

1588,2

1595,6

LNV

10,4

20,2

21,2

31,8

24,4

Gemeentefonds

40

90

130

180

180

Kinderopvang en naschoolse activiteiten

60

140

190

260

250

SZW

10

20

20

10

VWS

50

120

170

250

Gemeentefonds

250

Infrastructuur

875

1600

1725

2000

2000

Nog te verdelen via FES of Aanvullende Post

199

439

472

525

645

Verkeer en Waterstaat

16

25

28



EZ

40

69

73

80

40

VROM

89

183

190

230

307

OCW


34



53

BZK


25

27

32

48

LNV

134

10




Infrastructuurfonds

378

815

883

1039

908

Politie/overige justitiële keten

175

350

500

750

750

BZK

123

199

255

375

375

Justitie

52

151

245

375

375

Sport

10

20

35



VWS

10

20

35



Cultuur

15

30

40

60

60

OCW

15

30

40

60

60

Specifiek werkgelegenheidsbeleid

250

500

750

950

950

SZW (ijklijn SZ)

250

500

750

950

950

Specifiek inkomensbeleid

175

375

550

750

750

OCW

50

125

175

250

250

VROM

25

75

100

125

125

SZW

25

25

25

25

25

Gemeentefonds

75

150

250

350

350

Zorg

550

1100

1650

2200

2200

VWS (ijklijn zorg)

550

1100

1650

2200

2200

Extra impuls sociale infrastructuur

25

50

75

100

100

BZK

12,5

25

37,5

50

50

VWS

12,5

25

37,5

50

50

Vraag 80

Er wordt een tegenvaller ingeboekt van 1,1 miljard. Met als reden een hogere instroom dan verwacht, minder uitstroom uit de opvangcentra en minder uitzettingen. Dat is de bekende problematiek. Vervolgens wordt een beleidsmatige meevaller van 200 miljoen gemeld vanwege het effect van enkele maatregelen. Dit onderscheid is verwarrend: werkt het beleid nu wel of niet ?

Antwoord

Als onderdeel van de Voorjaarsnota is bij hoofdstuk VI - Justitie - een problematiek gepresenteerd voor asiel van 1.114 miljoen in 1999. Dit is de inschatting van de te verwachten problematiek op basis van een hogere instroom en een lagere uitstroom van asielzoekers ten opzichte van de ontwerpbegroting bij ongewijzigd beleid.

Daarnaast is er ook rekening gehouden met een verwachte besparing van 194 miljoen als gevolg van een aantal nieuwe beleidsmaatregelen. Het gaat hierbij met name om een verdere intensivering van het terugkeerbeleid, het niet meer opvangen van uitgeprocedeerde asielzoekers en een kostenbesparing bij de opvang.

In de binnenkort door de staatssecretaris van Justitie uit te brengen terugkeernotitie zal de verdere intensivering van het terugkeerbeleid en het beleid ten aanzien van uitgeprocedeerde asielzoekers nader uitgewerkt worden.

Vraag 82

In tegenstelling tot de afspraken in het Regeerakkoord worden de bedragen voor de boetes en transacties niet met 10% verhoogd, maar wordt het verkeerstoezicht geïntensiveerd. Dat levert netto 60 mln. op. Het kost echter 54 mln. (dus bruto opbrengst is 114 mln.) Waarom gebeurt dit ? (blz. 19)

Antwoord

In zijn standpunt over het rapport van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Verkeerstoezicht (IBO-V) heeft het vorige kabinet geconcludeerd dat er sprake is van een tekort in de verkeershandhaving. Om dit tekort weg te nemen is gekozen voor een verdere intensivering van de

verkeershandhaving; zulks in aansluiting en vervolg op de in 1997 gestarte gebiedsprojecten verkeershandhaving. Teneinde de voornemens uit het kabinetsstandpunt IBO-V gestalte te geven, is besloten de in het regeerakkoord afgesproken (financiële) taakstelling met betrekking tot de opbrengsten boeten en transacties in te vullen via een intensivering van het verkeerstoezicht in plaats van een tariefsverhoging. Op deze wijze wordt tegelijkertijd de taakstelling uit het regeerakkoord gerealiseerd en invulling gegeven aan het kabinetsstandpunt IBO-V.

Vraag 83

Wat betekent gedeeltelijk uitstel van het project C2000 voor de reserveringen die de gemeenten geacht worden te maken voor dit project?

Antwoord

Dit betekent vooralsnog dat de gemeenten enerzijds iets meer tijd hebben om tot de benodigde reserveringen te komen en anderzijds dat de door hen reeds opgebouwde reserveringen op een later tijdstip zullen worden aangesproken.
Vraag 84

Waaruit blijkt in de Voorjaarsnota de uitvoering van de motie Wagenaar
c.s. over het Project Verster-king Brandweer? Kan bij de beantwoording ook een meerjarenperspectief geschetst worden? (blz. 23).

Antwoord

In de Voorjaarsnota wordt niet ingegaan op de uitvoering van de motie Wagenaar c.s.. Reden hiervoor is dat extra financiële middelen voor de versterking van de brandweer- en rampenbestrijdingsorganisatie beschikbaar komen vanaf het begrotingsjaar 2000. Het kabinet moet de ontwerp-BZK-begroting 2000 nog definitief vaststellen. Hierin zal een financieel meerjarenperspectief geschetst worden.

Vraag 85

Waarom wordt 50 mln. uitgetrokken voor frictiekosten waarna het mogelijk moet zijn de bezuinigingen (studenten hbo/wo) te halen? (p. 25)

Antwoord

Het budget van 50 miljoen voor frictiekosten HBO is een belangrijke impuls voor het moderniseren van het HBO en het maken van de beoogde omslag om de bezuinigingen op te kunnen vangen. Hierbij kan met name gedacht worden aan de volgende onderwerpen: herontwerp van de bestaande leerprocessen, mede door intensiever gebruik van informatie en communicatietechnologie; aanpassing van de organisatie van de opleidingen en stimulering van de vraag naar om- en bijscholing. In combinatie met het extra budget voor de stijgende studentenaantallen is dit een adequate invulling van de afspraken die in oktober 1998 met de hogescholen zijn gemaakt. Dit moet een voldoende basis zijn om ook de bezuinigingen in te vullen.

Vraag 86

Waarom wordt de eindejaarsmarge voor defensie verhoogd met 300 miljoen? Hoe verhoudt de eindejaarsmarge van het ministerie van Defensie zich tot de eindejaarsmarge van andere ministeries? (blz. 27)

Antwoord

De verhoging van het bedrag van de eindejaarsmarge voor de Defensiebegroting tot 300 mln hangt samen met het sterke investeringskarakter van de Defensiebegroting, waardoor sprake kan zijn van relatief grote afwijkingen in de ramingen van jaar op jaar, zonder dat het beleid wordt bijgesteld. De verruiming kan derhalve bijdragen aan een meer doelmatige uitputting van de defensiebegroting.

Vraag 87

De ontvangsten bij de kortlopende studieschulden zijn naar beneden bijgesteld. Kan dit worden uitgelegd? Wat is het verband met de frequentie en grondigheid van de controle-acties door de IB-groep? (p. 27).

Antwoord

De IB-groep voert controles op de uitbetaalde studiefinanciering uit volgens een vast patroon. De omvang van de daadwerkelijk teruggevorderde gelden die daaruit voortvloeien vertonen door de jaren echter een wisselend patroon. De lagere ontvangsten dan oorspronkelijk geraamd moeten daarom niet aan verminderde controle van de IB-groep worden toegerekend, maar aan het grillige karakter van deze ontvangsten.

Vraag 88

Met welke rente wordt gerekend voor de rentevergoeding aan het AOW-spaarfonds? (blz. 28).

Antwoord

Voor ramingsjaren wordt voor de rentevergoeding aan het AOW-spaarfonds uitgegaan van de geraamde rentevoet op staatsobligaties in het 10-jaarssegment uit het CEP 1999. Voor 1999 is dit 4¼%. De rentevergoedingssystematiek voor het AOW-spaarfonds is overigens nog onderwerp van bezinning.

Vraag 90

Wat is de oorzaak van de hogere uitgaven op het beleidsterrein van de Koninklijke Marine ten aanzien van munitie, herbevoorradingsbudgetten voor ondersteunende eenheden en extra uitgaven voor onderhoud van Orion-vliegtuigen? (blz. 32)

Antwoord

Voor wat betreft munitie is er sprake van een ramingsbijstelling, o.a. door een opgetreden vertraging in de verrekening van munitie door de Koninklijke Landmacht in 1998. De stijging van de herbevoorradingsbudgetten houdt verband met het opereren met nieuwe scheepstypen, zoals het nieuwe bevoorradingsschip Hr. Ms. Amsterdam en het landing platform Hr. Ms. Rotterdam. De extra uitgaven voor onderhoud van Orion-vliegtuigen worden veroorzaakt door een achterstand bij het onderhoud van de motoren, vanwege een hogere storingsgraad dan gebruikelijk. Om deze achterstand weg te werken dient extra uitbesteed te worden.

vraag 91

Wat is de reden dat de vermogenstoets van IHS-gerechtigden langer duurt dan aanvankelijk was gepland? (blz 33)

Antwoord

Gepland was dat de werkzaamheden konden worden uitgevoerd in een periode waarin de werkzaamheden van de belastingdienst relatief beperkt zijn (dalperiode). Door een vertraging in de levering van basisinformatie moet de belastingdienst de werkzaamheden thans uitvoeren in een piekperiode hetgeen meer tijd vergt.

Vraag 92

Nieuwe (andere afspraken) met KPN over de herzieningsbaten BTW en de aflossing van leningen aan KPN leiden tot forse meevallers. Wat waren de oude afspraken? Hoe luiden de nieuwe afspraken? Wat zijn de financiële gevolgen voor het rijk op welk moment? (blz. 37).

Vraag 94

Kan worden toegelicht hoe de extra opbrengsten van 226 miljoen in 1999 worden gecreëerd? (blz. 37).

Antwoord op vraag 92 en 94

Er zijn met KPN geen nieuwe afspraken gemaakt. De financiële gevolgen wijzigen derhalve niet, de mutatie heeft dan ook geen effect op het EMU-tekort, wel is sprake van gewijzigde begrotingstechnische verwerking. Om die reden is de mutatie verwerkt als statistische correctie. Opgemerkt dient te worden dat dit een meerjarige doorwerking betreft van de mutatie bij Najaarsnota.

vraag 93

Uit de verticale toelichting in de Voorjaarsnota blijkt dat de komende jaren 25 mln per jaar aan dividend verwacht wordt voor NS en VSN samen. Hiervan wordt 20 mln verwacht van de dividenden van de NS. Kan een onderbouwing van deze raming worden gegeven? Bij de presentatie van de Nota Derde Eeuw Spoor is gezegd dat verwacht wordt dat de NS in 2003 naar de beurs kan gaan. Hoe is dit te rijmen met de raming van ontvangsten van dividenden van de NS in 2003? (blz. 37)

antwoord

Het totale nettoresultaat van NS over het verslagjaar 1998 bedraagt f 197 miljoen. Hiervan is 10% (afgerond 20 miljoen) beschikbaar als dividend, dat wordt uitgekeerd in 1999.

Het is gebruikelijk om dividenduitkeringen uit staatsdeelnemingen meerjarig te ramen. Op het moment van verkoop van staatsdeelnemingen worden de geraamde dividendontvangsten afgeboekt. Zoals uit het overzicht blijkt is de dividendraming voor 1999 op een gelijk niveau doorgetrokken naar de meerjarencijfers t/m 2003.

Vraag 96

Aan welke uitgaven is de verhoging van 25 mln asielbeleid besteed? Waarom hebben deze alleen betrekking op 1999. Vallen deze uitgaven onder de DAC-criteria? (blz. 47)

Antwoord

Vanwege de hoge instroom van asielzoekers zal het ministerie van Buitenlandse Zaken extra kosten moeten maken: het gaat enerzijds om werklaststijgingen en anderzijds om maatregelen in het kader van de visumverlening. In totaal worden extra kosten geraamd van 25 mln in 1999 en 35 mln vanaf 2000. De extra kosten worden gemaakt zowel op het departement in Den Haag als op de posten in het buitenland. De werklaststijging houdt verband met een toenemende vraag naar individuele en algemene ambtsberichten en een stijging van het aantal aanvragen voor middellang verblijf (MVV). Daarnaast zullen er maatregelen worden genomen om de controle op aanvragen voor kort verblijf te verbeteren met het oog op het immigratierisico, alsmede maatregelen om fraude met documenten (onder andere in het kader van immigratie) nog beter tegen te gaan. De uitgaven voor de ambtsberichten en consulaire handelingen voldoen niet aan de DAC-criteria voor ODA.

Vraag 98

Voor welke uitgaven wordt de post diversen met 24,5 mln verhoogd?

Antwoord

De verhoging van de post diversen met 24,5 miljoen in 1999 is op gebouwd uit drie componenten. Allereerst worden de Beneluxbijdrage en de uitgaven van de Economische Voorlichtingsdienst op de begroting van Economische Zaken onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gebracht, waardoor de totale uitgaven van HGIS met 21,4 miljoen stijgen. Daarnaast worden de in 1998 onbesteed gebleven middelen (2,8 miljoen) van het in dat jaar nog niet tot de HGIS behorende deel van de begroting van Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan HGIS. Ten slotte vindt een kleine technische correctie plaats van een ten onrechte niet onder de HGIS opgenomen uitgave op de LNV-begroting.

Vraag 99

Waarom heeft een lagere toerekening voor de EU-uitgaven voor OS een hoger begrotingsbedrag voor de Nederlandse OS-uitgaven tot gevolg? (blz. 48)

Antwoord

De beschikbare uitgaven voor de Homogene Groep Internationale Samenwerking worden verminderd met het Nederlandse aandeel in de uitgaven van de EU voor internationale samenwerking (EU-toerekening). Mutaties in de omvang van laatstgenoemde uitgaven leiden derhalve tot mutaties in de omvang van de beschikbare middelen voor ontwikkelingssamenwerking

Vraag 100

Waardoor wordt de onderuitputting van de HGIS met f 300 mln voor 1998 veroorzaakt?

Antwoord

De onderuitputting is het gevolg van een aantal oorzaken, waaronder vertragingen in de bedrijfslevenprogrammas van Buitenlandse zaken en Economische zaken als gevolg van de economische crisis in Azië en Rusland, vertragingen in de aankoop en renovatie van gebouwen in het buitenland,vredesoperaties van Defensie en de verplichtingenstop voor hulp aan Suriname.

Een uitgebreide toelichting op de begrotingsguitvoering van de HGIS in 1998 - waaronder de onderuitputting - wordt gegeven in de HGIS-verantwoording over 1998 die zeer binnenkort door de minister van Buitenlandse zaken aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

Over de onderuitputting werd de Kamer tot dusverre geïnformeerd door middel van de tweede suppletore begroting 1998 van Buitenlandse Zaken (wijziging samenhangende met de Najaarsnota, TK 26 312, nr. 2 blz. 5t/m7).
Vraag 101

Is het juist dat terwijl het uitgavenplafond niet stijgt, wel extra gelden naar het gemeente- en provinciefonds kunnen gaan als gevolg van verschuivingen binnen de rijksbegroting, tussen sectoren van de budgetdiscipline en extra inkomsten?

Vraag 102

Het gemeentefonds ontvangt 210 miljoen meer wegens de stijging van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven. In hoeverre wordt deze stijging veroorzaakt door extra uitgaven wegens de waterschade en de kosten van het asielbeleid?

Antwoord op vraag 101 en 102

De omvang van het gemeentefonds (gf) en provinciefonds (pf) wordt bepaald door de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven. Wanneer het Rijk een gulden meer uitgeeft, krijgen de gemeenten en provincies samen circa 20 cent meer. Deze normeringssystematiek is sinds 1994 van kracht en is globaal van karakter. Dat betekent dat afscheid is genomen van de evenredigheidssystematiek, waarbij van elke aparte rijksmaatregel werd vastgesteld of zich een bepaalde doorwerking naar de lagere overheden moet voordoen.

Het is juist dat het gemeentefonds en het provinciefonds extra gelden kunnen krijgen danwel extra kunnen worden gekort, zonder dat het saldo van de rijksuitgaven stijgt. De omvang van het gf/pf wordt gebaseerd op de netto gecorrigeerde rijksuitgaven. Een aantal uitgavencategorieën is daarbij niet relevant. Het gaat hierbij oa. om de EU-afdrachten, de renteuitgaven en de OS-bijdragen. Ontwikkelingen in deze uitgavencategorieën hebben geen effect op de fondsen. Wanneer er nu bedragen uit relevante uitgavencategorieën naar niet-relevante uitgavencategorieën verschuiven, dan treden effecten voor de fondsen op (positief en negatief).

Stel het voorbeeld dat er 100 miljoen relevant voor de netto gecorrigeerde rijksuitgaven extra wordt uitgegeven. Dit wordt gedekt uit een besparing van 100 miljoen bij bijvoorbeeld de renteafdrachten. Totaal sluiten deze twee maatregelen op nul. Per saldo resteert voor de fondsen echter een plus van 20 miljoen, omdat de extra uitgaven wel meetellen voor gf/pf, en de besparing op de rente niet.

Omgekeerd telt hetzelfde: Stel er wordt 100 miljoen relevant omgebogen om een tegenvaller van 100 miljoen in de EU-afdrachten op te vangen. De ombuiging heeft een negatief effect op de fondsen. Het uitgavenverhogend karakter van de hogere EU-afdrachten leidt echter niet tot een positief effect op de fondsen. Per saldo resteert dan een negatief effect van 20 miljoen, terwijl de operatie als geheel op nul sluit.

De gemeenten en provincies krijgen een integraal accres op basis van alle ontwikkelingen bij het Rijk. De Voorjaarsnota laat zien dat zowel voor het asielbeleid als voor de watersnood 1,0 miljard extra wordt uitgetrokken. Deze 2 miljard extra uitgaven leveren een positief effect op van 400 miljoen voor de beide fondsen. Andere ontwikkelingen bij de Rijksbegroting leiden voor de fondsen per saldo tot een negatief effect van 363 miljoen (bijvoorbeeld hogere ontvangsten bij de exportkredietramingen). In totaal leidt de Voorjaarsnota tot een plus op de fondsen van 37 miljoen (zie VJN pagina 4).

De 210 miljoen die van de aanvullende post naar het gemeentefonds wordt geboekt bestaat deels uit bovengenoemde 37 miljoen. Het overige deel bestaat voornamelijk uit de financiële gevolgen die ontstaan zijn vanwege mutaties bij het Regeerakkoord. Deze worden nu van de aanvullende post naar het gemeentefonds overgeboekt. Eenzelfde systematiek geldt voor het provinciefonds.

Vraag 103a

Wat is het totaalbedrag van de intertemporele compensaties, zoals deze zijn verdeeld over de verschillende departementen? Wat is de exacte functie van een intertemporele compensatie? Kan worden uitgelegd wanneer een verschuiving een intertemporele compensatie wordt genoemd en wanneer niet? Hoe wordt de hoogte van een intertemporele compensatie bepaald - met name in samenhang met de omvang en aanwending van de eindejaarsmarge? Was het niet de bedoeling van de verruiming van de eindejaarsmarge om intertemporele compensatie zoveel mogelijk overbodig te maken?

Vraag 103b

Het is niet duidelijk waar intertemporele compensaties, eindejaarsmarges en/of kasschuiven worden ingezet. Kan een overzicht worden gegeven van het effect op de Rijksbegroting van het onttrekken en aanwenden van alle intertemporele compensaties, eindejaarsmarges en kasschuiven over de jaren 1998, 1999 en 2000? (blz. 15-63)

Vraag nr. 104

Wordt over alle intertemporele compensaties, kasschuiven en omvang en aanwending van de eindejaarsmarge in onderlinge samenhang besloten?

Antwoord

Van een intertemporele compensatie is sprake wanneer door vertraging of versnelling bij bepaalde uitgaven een verlaging van het budget in een begrotingsjaar (of meerdere begrotingsjaren) wordt gecombineerd met een in totaliteit even grote verhoging in andere begrotingsjaren; bij de eindejaarsmarge gaat het om een verschuiving tussen jaar t-1 en t, terwijl bij een intertemporele compensatie dus meerdere jaren betrokken kúnnen zijn. De verruiming van de eindejaarsmarge heeft wel geleid tot een inperking van intertemporele compensaties.

In beginsel worden voorstellen voor intertemporele compensatie betrokken bij het hoofdbesluitvormingsmoment, aangezien op dat moment het best een integrale afweging gemaakt kan worden óf en in welke mate deze voorstellen inpasbaar zijn in het totale budgettaire beeld in enig jaar. Bij de beoordeling van een voorstel voor intertemporele compensatie wordt bezien of alle mogelijkheden voor een regulier en doelmatig kasbeheer binnen de eigen begroting zijn uitgeput en wordt een bepaalde termijn gehanteerd: in beginsel de duur van de kabinetsperiode.

Waar intertemporele compensaties bij het hoofdbesluitvormingsmoment worden betrokken, is dit voor eindejaarsmarges niet het geval. Deze worden bepaald bij Voorlopige Rekening en bij Voorjaarsnota toegevoegd aan de begrotingen. Aangezien de momenten van beoordeling verschillen, wordt er niet in samenhang besloten over intertemporele compensatie en de eindejaarsmarge.

In onderstaande tabel wordt voor de Rijksbegroting in enge zin een overzicht gegeven van de intertemporele compensaties (en de effecten daarvan) voor 1998, 1999 en 20001.

Begroting (bedragen in miljoenen)

1998

1999

2000

2001 e.v.

Buitenlandse Zaken
hgIS

-70,0

70,0

Justitie

+ Voorfinanciering huisvesting

+ CJIB
Boeten en transacties


-26,0

-6,0
28,0
1,0
3,0

-14,0
25,0
3,0

-14,0
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
C2000


-60,0


-45,0

105,0
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
o VO/BVE
o OV-studentenkaart
o Kosten CAO-onderwijs 1999/2000
Kosten CAO-onderwijs 1999/2000
111,0
-111,0
42,0

-70,0
176,0
84,0

37,0

-126,0

70,0

-213,0
Financiën
o Tegoeden Tweede wereldoorlog
Containerscan

-20,0 20,0
32,6

-5,1


-27,5

Defensie
Intertemporele Compensatie Najaarsnota
-179,3

179,3

VenW/Infrastructuurfonds
Spoorwegpensioenfonds en versnelling projecten 179,2


-98.5


-11,9


-68,8
Economische Zaken
Bijstellingen i.v.m. CBS


-48,4


-15,0

63,4
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Kasritmewijziging reconstructiewet


-30,0

30,0
Volksgezondheid, Welzijn en Sport Tegoeden Tweede Wereldoorlog
-20,9

20,9

Arbeidsvoorwaarden CAO Rijk


-56,5

50,8

5,7

TOTAAL
0,0
62,4
84,8

-147,2

Vraag 106
Wat is het totaalbedrag aangeven van de eindejaarsmarges, zoals deze zijn verdeeld over de verschillende departementen? Wat is de exacte functie van de eindejaarsmarge? Antwoord
De eindejaarsmarge creëert de mogelijkheid om binnen een begroting tot een bepaalde omvang gelden van het ene naar het andere begrotingsjaar te schuiven, ter voorkoming van een ondoelmatige besteding van middelen aan het einde van het jaar. De hoogte van het feitelijk gebruik door de departementen van de eindejaarsmarge wordt bepaald bij Voorlopige Rekening. De overgehevelde bedragen worden bij de Voorjaarsnota aan de begrotingen toegevoegd. Gelijktijdig met het toevoegen bij Voorjaarsnota wordt, onder de veronderstelling dat ook het komende jaar gebruik zal worden gemaakt van de eindejaarsmarge op een aanvullende post een ramingstechnische veronderstelling opgenomen. De combinatie van de toevoeging aan de begrotingen en de ramingstechnische veronderstelling bewerkstelligt dat het totale uitgavenbeeld niet wijzigt. Onderuitputting die optreedt na de Voorjaarsnota kan worden aangewend ter realisatie van de taakstelling uit hoofde van de ramingstechnische veronderstelling. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de bij Voorjaarsnota toegevoegde eindejaarsmarge op de departementale begrotingen voor de Rijksbegroting in enge zin.

Begroting
Bedrag 1999 (in miljoenen)
Hoge Colleges van Staat en Kabinet der Koningin 2,7
Algemene Zaken
0,5
Koninkrijksrelaties
0,2
Buitenlandse Zaken
2,8
Justitie
62,3
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
34,8
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
24,1
Financiën
44,7
Defensie
117,3
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu 71,2
Verkeer en Waterstaat
25,1
Economische zaken

-9,6
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
19,3
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
4,9
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
17,7
Gemeentefonds
88,8
bandbreedte homogene groep Internationale Samenwerking 150,0

Totaal
656,8

Vraag 108
Welke totaalopbrengst is uit doelmatigheidsmaatregelen geraamd? Kan het kabinet preciseren hoe dit bedrag gehaald zal worden? Antwoord
In de Voorjaarsnota zijn geen bezuinigingen opgenomen die te scharen zijn onder de noemer doelmatigheidsmaatregelen.

Vraag 111
Hoeveel wordt er werkelijk omgebogen in het kader van de problematiek 1999 en waar slaan de ombuigingen neer?
Antwoord
Het saldo van de mee- en tegenvallers over de drie budgetdisciplinesectoren resulteert in een neerwaartse bijstelling van 0,3 miljard in 1999. Voorts leidt de besluitvorming over de Voorjaarsnota tot een totale neerwaartse beleidsmatige bijstelling van de uitgaven met 0,5 miljard. Het saldo van mee- en tegenvallers en beleidsmatige aanpassingen bedraagt daarmee dus 0,8 miljard. In de Verticale Toelichting vindt u voor de Rijksbegroting in enge zin per begroting de aard en omvang van de maatregelen die genomen zijn om de problematiek 1999 op te lossen. In de Voorjaarsbrieven Zorg en SZA is eveneens een uitsplitsing opgenomen. Overigens zij verwezen naar het overzicht in antwoord op de vragen 32 en 35.

Antwoorden 1e suppletore begroting IXA 1999 (26 502)

Vraag:
Om welke reden worden rentelasten en rentebaten op transactiebasis weergegeven, in tegenstelling tot in andere begrotingen? Antwoord:
De rentelasten worden met ingang van 1999 op transactiebasis weergegeven. Dit geldt voor de toetsing aan de uitgavenijklijn, alsmede voor de bepaling van het EMU-saldo van de overheid. Dit sluit aan bij de afspraken in Europees verband over de berekening van het EMU-tekort, in het kader van de zogenoemde excessieve tekortenprocedure.

Overigens blijven de rentelasten in de begroting IX A gebaseerd op kasbasis, conform de Comptabiliteitswet. Daarom wordt in de Memorie van Toelichting bij de begroting IX A voor het jaar 1999 (Kamerstukken II, 1998-1999, 26 200 IXA, MvT, bijlage 4) een aansluiting gepresenteerd van rentelasten op kasbasis naar rentelasten op transactiebasis.

Antwoorden 1e suppletore begroting IXB 1999 (26 503) Algemeen deel Vraag 1:
Kan de regering de efficiencymaatregelen preciseren die worden genomen in het kader van de stofkammethode? Om welk bedrag gaat het? Waarom is gekozen voor de stofkammethode (blz.1)? Antwoord:
De stofkammethode heeft een groot aantal verschillende efficiencymaatregelen bij het kernministerie (exclusief Belastingdienst) opgeleverd, die liggen op het terrein van doelmatiger inkopen en doelmatiger werken. De maatregelen uit de stofkammethode zijn ingezet voor het invullen van de doelmatigheidstaakstelling van het kernministerie, die oploopt tot f 15 miljoen in 2002. De keuze voor de stofkammethode hangt samen met de omvang van de taakstelling van ca. 1% per jaar oplopend tot ca. 5% over vier jaar. Een taakstelling van dergelijke omvang kan voor het kernministerie nog net worden ingevuld met kleine efficiencymaatregelen voortvloeiend uit de stofkammethode, zonder dat er taken hoeven te worden beëindigd of afgestoten.

Vraag 2:
Welke gerichte efficiency-onderzoeken worden uitgevoerd? Wanneer verwacht de regering de uitkomsten van deze onderzoeken en wat zal vervolgens met de uitkomsten van deze onderzoeken gebeuren? Antwoord:
Binnen Financiën worden gerichte efficiency-onderzoeken uitgevoerd betreffende meer samenwerking binnen de personele en financiële functie, binnen de inkoopfunctie en binnen de automatiseringsfunctie. Daarnaast zal in interdepartementaal verband gezocht worden naar efficiency-besparingen door samenwerking op het terrein van de accountantsfunctie, de salarisadministratie, en de post- en koeriersdiensten. De uitkomsten van de onderzoeken zullen naar verwachting eind 1999/begin 2000 bekend worden.

Vraag 3:
Het aandeel van de Belastingdienst in de doelmatigheidstaakstelling loopt op tot f 120 mln in 2002. Welke maatregelen omvat deze taakstelling? Antwoord:
Het totale bedrag van f 120 mln in 2002 is opgebouwd uit drie taakstellingen, te weten een taakstelling productiviteit ad. f 56 mln, een taakstelling inkoop ad. f 56 mln en een taakstelling externe advisering ad. f 8 mln.
- De taakstelling productiviteit is ingevuld door middel van een korting op de decentrale personeelsbudgetten. Dit past in het beleid van de Belastingdienst om bij voorrang te investeren in informatie- en communicatietechnologie. Door deze investeringen worden de doelmatigheid en doeltreffendheid van de primaire processen verder verbeterd en kan de totale formatie op termijn worden teruggebracht.
- De taakstelling inkoop is verwerkt door middel van een algemene korting op de inkoopbudgetten naar rato van de hoogte van die budgetten.
- De taakstelling externe advisering is verwerkt door middel van een algemene korting op de budgetten voor externe advisering naar rato van de hoogte van die budgetten.

Vraag 4:
De taakstelling van de Belastingdienst is ingevuld door middel van een korting op de personeelsbudgetten. Is de taakstelling evenredig over de decentrale eenheden verdeeld? Antwoord:
De taakstelling productiviteit (oplopend tot f 56 mln in 2002) is deels ingevuld naar rato van de hoogte van de personeelsbudgetten van de decentrale eenheden en deels door middel van door doelgroepdirecties aangegeven concrete besparingsmogelijkheden. Deze besparingsmogelijkheden zijn mede mogelijk door gerichte investeringen in informatie- en communicatietechnologie ten behoeve van de innovatie van de primaire processen van de Belastingdienst.

Vraag 5:
Hoe groot is de samenhang tussen de neerwaarts bijgestelde groei van de loon- en inkomstenbelasting en de groei in de opbrengsten van het rechtsverkeer (stijging van de huizenprijzen en aftrek hypotheekrente)? Antwoord:
Deze vraag wordt gezamenlijk beantwoord met vraag 18 (zie aldaar).

Vraag 6:
De raming omzetbelasting is opwaarts bijgesteld in verband met een hoger geraamde particuliere consumptie. Hoe is daarbij omgegaan met de inflatie? (blz. 3, zie ook blz. 6 Voorjaarsnota). Antwoord:
Bij de raming van de omzetbelasting voor 1999 is uitgegaan van een inflatie die 0,33%-punt boven de CEP-raming van 1¼% ligt.

Vraag 7:
Waarom zijn de teruggaven wijnaccijns in 1998 niet volledig gerealiseerd (blz.4)? Antwoord:
De teruggaven wijnaccijns zijn in 1998 niet volledig gerealiseerd, omdat op een aantal punten juridische procedures, c.q. besprekingen met de importeurs, nog niet zijn afgerond. De reden daarvan is dat in een beperkt aantal gevallen onduidelijk is wie de rechthebbende is.

Artikelsgewijze toelichting Vraag 8:
Wat is de reden van de hogere uitgaven ten behoeve van de euro-voorlichting? Kan een actueel, meerjarig beeld worden gegeven van de in dit kader te verrichten totale uitgaven (blz.4)? Antwoord:
In 1999 zullen de geraamde voorlichtinguitgaven voor de invoering de euro op hetzelfde niveau blijven als in 1998 (ca. f 38 mln.). Alle voorlichtingsmaterialen zullen in 1999 worden geactualiseerd en aangepast aan de stand van de besluitvorming over het invoeringstraject van de euro. Om de kennis van het publiek op peil te houden zullen zogenaamde onderhoudscampagnes worden gedaan bij radio en tv en in advertenties in dag- en weekbladen. In de aanloop naar de feitelijke invoering van de euro op 1 januari 2002 zullen de voorlichtingsinspanningen (m.n. massamediale campagnes en campagnes voor specifieke doelgroepen) inhoudelijk worden aangepast. De totale uitgaven zijn in sterke mate afhankelijk van de acceptatie van de euro in de maatschappij. In afwachting van het beschikbaar komen van gelden uit de aanvullende post invoering euro, was aanvankelijk geen raming voor eurovoorlichting opgenomen in de begroting IXB 1999. In de loop van dit jaar zal besluitvorming plaatsvinden over de uitdeling uit de aanvullende post. Vooruitlopend hierop is voor het lopende programma voor eurovoorlichting in de 1e suppletore begroting 1999 een mutatie opgenomen van f 38 mln. Voor de definitieve meerjarenraming eurovoorlichting wordt verwezen naar de ontwerp-begroting IXB 2000 die in september wordt aangeboden. 01.04 Prijsbijstelling Vraag 9:
Waarom is de inflatie dit jaar moeilijker te ramen dan voorgaande jaren, nu 75% van de prijsbijstelling pas later dit jaar kan worden toegedeeld? Antwoord:
Ten tijde van het verschijnen van het Centraal Economisch Plan (CEP) ontstonden signalen die duidden op een hoger dan in het CEP voorziene inflatie voor het jaar 1999. Als gevolg van deze onzekerheid in het nominale beeld, is besloten om de besluitvorming over 1999 af te ronden op basis van de nieuwe CPB-inzichten. Dan zal ook een definitief besluit worden genomen over het al dan niet gedeeltelijk inhouden van de prijsbijstelling over 1999.

02.01 Muntwezen Vraag 10:
Voor de invoering van de euro als betaalmiddel zullen naar verwachting 3,3 mld. munten nodig zijn, waarvan 2,8 mld. op 1 januari 2002. Waarop zijn deze berekeningen gebaseerd? Valt een grotere of kleinere vraag niet evenzeer te verwachten? Antwoord:
De chartale omschakeling van de gulden naar de euro is een unieke gebeurtenis. Een exacte berekening van het benodigde aantal euromunten voor de omschakeling is daarom moeilijk te maken. Wel kan een goede schatting van het benodigde aantal munten worden verkregen. De schatting is gebaseerd op onderzoek uitgevoerd door De Nederlandsche Bank.
De geschatte benodigde hoeveelheid euromunten stemt overeen met de totale verwachte vervangingsvraag van de in omloop zijnde hoeveelheid guldenmunten per ultimo 2001. De berekening van het aantal euromunten is gebaseerd op de volgende elementen:
i. De sinds 1948 geproduceerde hoeveelheid guldenmunten is ruim 6 miljard. Gelet op het versterf en ontwikkelingen in het betalingsverkeer zullen per ultimo 2001 naar verwachting 2,8 miljard guldenmunten in omloop zijn (verdeeld over actieve en inactieve kassen).
ii. De hoeveelheid guldenmunten in omloop bestaat uit: a) de hoeveelheid munten benodigd in het betalingsverkeer, de zogenaamde actieve kassen; en b) de hoeveelheid opgepotte munten in spaarpotten en dergelijke, de zogenaamde inactieve kassen.
Beide categorieën maken ongeveer 50% van het aantal in omloop zijnde guldenmunten uit. iii. De guldenmunten zijn verdeeld over 6 denominaties: stuiver, dubbeltje, kwartje, gulden, rijksdaalder en vijfguldenmunt. De euromunten worden verdeeld over 8 denominaties (waaronder de cent). De verdeling van de uitstaande nominale waarde van de 2,8 miljard guldenmunten over 8 euromuntdenominaties leidt, rekening houdend met efficiënt betaalgedrag en behoud van de nominale waarde, tot 3,3 miljard benodigde euromunten ten behoeve van de omschakeling. iv. Gegeven de bovenstaande verdeling tussen actieve en inactieve kassen is het niet noodzakelijk om op 1 januari 2002 (E-day) al de volledige 3,3 miljard euromunten in omloop te brengen. Voor de actieve kassen benodigd voor het betalingsverkeer zou volstaan kunnen worden met circa 1,7 miljard euromunten op E-day. Gelet op de onzekerheden omtrent munten in omloop en de omschakeling, zullen op E-day evenwel al 2,8 miljard euromunten beschikbaar zijn. Dit aantal stemt overeen met 85% van de totale benodigde hoeveelheid euromunten en bedraagt 170 % van de actieve kas. Bovendien is voorzien dat in 2002 nog eens 0,5 miljard euromunten voor circulatie worden aangemaakt.
Het bovenstaande geeft aan dat Nederland voorzichtig is geweest bij het bepalen van de benodigde hoeveelheid euromunten. Mochten nieuwe inzichten leiden tot het bijstellen van de benodigde hoeveelheid euromunten dan bieden de met de Nederlandse Munt gemaakte afspraken ruimte om het aantal door de Nederlandse Munt te leveren euromunten tijdig aan te passen.

04.01 Personeel en materieel Belastingdienst Vraag 11:
Waarom zijn de uitvoeringskosten van het Belastingplan 1999 zo hoog? Antwoord:
In het Belastingplan 1999 is een aantal fiscale wijzigingen voor 1999 samengebracht. De belangrijkste wijziging is de introductie van een extra tariefschijf in de inkomstenbelasting en loonbelasting via het in tweeën knippen van de eerste schijf. Daarnaast zijn in het Belastingplan 1999 wettelijke maatregelen opgenomen om (vooruitlopend op de voorgenomen belastingwetgeving 21e eeuw) anticiperend gedrag van belastingplichtigen tegen te gaan. Omdat beide maatregelen een grote groep belastingplichtigen betreffen is bij de raming van de uitvoeringskosten rekening gehouden met een forse inspanning op het gebied van voorlichting, dienstverlening en misbruikbestrijding. Het betreft hier incidentele kosten. In het wetsvoorstel Belastingplan 1999 zijn de extra uitvoeringskosten voor 1999 (inclusief incidentele kosten) daarom geraamd op f 8,6 mln. Bij ontwerp-begroting 1999 (uitgavenartikel 04.01) was al een bedrag van f 4,5 mln opgenomen; in de eerste suppletore wet 1999 is aanvullend hierop een bedrag van f 4,1 mln aan de begroting toegevoegd.

Vraag 12:
Waarom zijn de uitvoeringskosten van de Afdrachtsvermindering Scholing negatief?
Antwoord:
De uitvoeringskosten van de Afdrachtsvermindering Scholing zijn reeds bij ontwerp-begroting 1999 in de IXB-begroting (uitgavenartikel 04.01) verwerkt. Bij de definitieve kosten-onderbouwing van het wetsvoorstel zijn de ramingen nadien neerwaarts bijgesteld. Dit heeft geleid tot de neerwaartse aanpassing van de raming bij de 1e suppletore begroting 1999.

04.09 Wet waardering onroerende zaken
Vraag 13:
De extra uitgaven in het kader van de wet WOZ hebben te maken met overlopende declaraties. Heeft dat te maken met de vele bezwaar- en beroepsprocedures in het kader van de wet WOZ, waardoor de taxatiekosten tegenvallen? Zo ja, had de overheid deze hoge taxatiekosten dan niet kunnen voorzien? Zullen de taxatiekosten voor de volgende taxatieronde hoger worden ingeschat? Antwoord:
De raming van de in de IXB-begroting opgenomen WOZ-uitgaven is met grote onzekerheid omgeven. Dit is het gevolg van de afhankelijkheid van het declaratiebeleid van elk van de gemeenten. Er zijn gemeenten die het indienen van de declaraties uitstellen. Als een inhaalslag plaatsvindt stijgen de uitgaven, zodat van een gelijkmatige uitgavenniveau over de jaren heen geen sprake is. De stijging van de kosten heeft mede te maken met de grote aantallen bezwaarschriften, maar ook met het inrichten van de processen door de gemeenten om aan de kwaliteitseisen van de wet WOZ te voldoen. Een goede raming hiervan is niet goed te maken. Het gaat om een verscheidenheid aan gemeentelijk taxatiebeleid en de hierop gebaseerde beschikkingen. Deze grote afhankelijkheid van de gemeenten is voor de landelijke overheid en voor de waterschappen als medefinanciers onwenselijk. De financiering van de gemeentelijke WOZ-kosten is daarom toe aan herziening. Een in opdracht van de Waarderingskamer opgesteld rapport stelt een andere financieringssystematiek voor. Hierover is met alle partijen overeenstemming bereikt. De nieuwe normering wordt thans verwerkt in een wijziging van het Uitvoeringsbesluit. Er wordt naar gestreefd de nieuwe normering met terugwerkende kracht te doen ingaan per 1 januari 1999.

01.04 Afdracht Staatsloterij Vraag 14:
Kan een toelichting worden gegeven op de ramingssystematiek voor de afdracht Staatsloterij? Wat zijn de eigen prognoses van SENS voor omzetontwikkeling en afdracht aan de Staat voor de jaren 1999 t/m 2002? Antwoord:
In de ramingssystematiek voor de afdracht Staatsloterij wordt het resultaat ten aanzien van de gerealiseerde en verwachte omzet doorvertaald naar de afdrachten van de Staat.
De omvang van de kasafdracht SENS wordt bepaald door een tweetal componenten:
een periodieke (kwartaalsgewijze) afdracht, die een percentage bedraagt van de gerealiseerde omzet cq. de voorziene omzet van de SENS. Voor wat betreft de afdrachtssystematiek 1999 geldt voor gewone staatsloten een percentage van 18% en voor oudejaarsloten een percentage van 30%; De definitieve afrekening over het voorgaande boekjaar (totale opbrengst minus kosten en prijzen en de kwartaalsgewijze afdrachten in dit voorgaande boekjaar). De omzet van de SENS bedroeg in 1998 ruim f 1,1 mld en de kasafdracht aan de Staat ca. f 212 mln. De SENS verwacht op grond van de resultaten van de afgelopen jaren een verdere groei van de omzet staatsloterijproducten in de komende jaren. Onzekere factoren zijn de toenemende buitenlandse concurrentie, technologische ontwikkelingen (o.a. internet) en de ontwikkelingen op het terrein van het kansspelbeleid.

02.01 Winstuitkering De Nederlandsche Bank Vraag 15:
De geraamde winstafdracht over 1999 wordt opwaarts bijgesteld met fl. 125 mln. Heeft de regering nog een mooi kunstwerk op het oog? Zo nee, wordt dit bedrag dit keer gewoon gestald of is de regering voornemens het geld op een andere wijze in te zetten? In het laatste geval, welke voornemens heeft de regering dan? Antwoord:
De (raming van de) winstafdracht is niet relevant voor het uitgavenkader (zie Miljoenennota 1999, pagina 296). Meevallers in de winstafdracht van De Nederlandsche Bank kunnen dan ook niet worden aangewend voor extra uitgaven, maar lopen rechtstreeks in het EMU-tekort; een hoger geraamde winstafdracht heeft een verlagend effect op dit (geraamde) tekort, een lagere winstafdracht een verhogend effect.

04.16 Bieraccijns en 04.26 Verbruiksbelasting vanalcoholvrije dranken en van enkele andere producten
Vraag 16:
Kunnen de mutaties in de bieraccijns en in de verbruiksbelasting van alcoholvrijedranken van elk f 15 miljoen worden toegelicht. Antwoord:
De mutaties in de ramingen voor zowel de bieraccijns als de verbruiksbelasting van alcoholvrijedranken kunnen volledig worden toegeschreven aan de doorwerking van de tegenvallende realisatie over 1998.

04.18 Tabaksaccijns Vraag 17:
Kan de mutatie van f 15 miljoen op de tabaksaccijns worden toegelicht? Antwoord:
De mutatie van f 15 miljoen hangt vrijwel volledig samen met het feit dat de verhoging van de tabaksaccijns met 15 cent is doorgevoerd per 16 november 1998 in plaats van 1 januari 1999 zoals werd verondersteld bij Miljoenennota 1999.

04.22 Belastingen van rechtsverkeer Vraag 18:
De opwaartse bijstelling van de overdrachtsbelasting heeft te maken met de voortgaande stijging van de huizenprijzen. Acht de regering een plotselinge bevriezing of instorting van de huizenprijzen niet reëel? Hebben de stijgende huizenprijzen overigens geen invloed op andere belastinginkomsten (zoals de loon- en inkomstenbelasting)? Antwoord:
De afgelopen jaren heeft de waarde van onroerend goed een opmerkelijke groei doorgemaakt. Het is niet ondenkbaar dat deze groei op een gegeven moment stokt of dat zelfs een correctie plaatsvindt. Uit een oogpunt van behoedzaam is in de raming uitgegaan van een afvlakkende prijsontwikkeling in 1999. Vooralsnog stijgen de prijzen van onroerend goed in het eerste kwartaal van 1999 meer dan verwacht.

De stijging van de huizenprijzen hangt deels samen met de lage rentestand. Het effect van de lagere hypotheekrente leidt enerzijds structureel tot een lagere hypotheekrenteaftrek en dus tot hogere inkomstenbelasting. Anderzijds leiden de gestegen huizenprijzen bij verkoop en oversluiting tot grotere hypotheekbedragen en daarmee tot hogere hypotheekrenteaftrek. Het effect van de toegenomen uitstaande hypotheekschuld blijkt groter te zijn dan de rentedaling, waardoor er per saldo sprake is van een hogere hypotheekrenteaftrek en dus lagere opbrengsten bij de inkomstenbelasting. De stijgende huizenprijzen hebben een opwaartse invloed op de opbrengst van de overdrachtsbelasting, hetgeen ook zichtbaar is in de meevaller over 1998 bij deze belastingsoort. Tenslotte kunnen ook indirecte effecten worden verwacht als gevolg van de hogere huizenprijzen. Stijgende huizenprijzen leiden tot grotere vermogens van huishoudens. Een deel van deze vermogensgroei wordt aangewend voor extra consumptie. Dit leidt tot hogere belastinginkomsten bij aan consumptie gerelateerde belastingen als de BTW en BPM.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie