Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vragen PvdA over rapport 'Opsporing in uitvoering'

Datum nieuwsfeit: 14-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

Den Haag, 14 juni 1999

FEITELIJKE VRAGEN PVDA-FRACTIE AAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE EVALUATIE OPSPORINGSMETHODEN OVER HET RAPPORT 'OPSPORING IN UITVOERING' Woordvoerder: Gerritjan van Oven

Hoofdstuk 2

1)
Op blz. 21 wordt in de voetnoot melding gemaakt van een maandelijks overleg tussen de minister van Justitie en het College van procureurs-generaal waarin afstemming zou plaatsvinden over bijzondere opsporingsmethoden. Weet de Commissie of dit daadwerkelijk elke maand plaatsvindt? Wordt tijdens dit overleg gesproken over specifieke zaken?

2)
Kan de Commissie aangeven in hoeverre de jurisprudentie over de verschillende opsporingsmethoden sinds het uitkomen van het rapport Van Traa is veranderd? (blz. 26, 27)

3)
Wat wordt precies bedoeld met 'bovenwereldinformanten'? (blz. 38)

4)
Respondenten noemen het meer intensief rapporteren een van de belangrijkste gevolgen van het rapport van de Parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden. Ervaren de respondenten dit in het algemeen als positief of als negatief? (blz. 44)

5)
Bij de inzet van een informant bij een bepaalde actie kan het gevaar bestaan dat deze informant een criminele burgerinfiltrant wordt en niet meer kan worden afgeschermd. Volgens de Commissie is verschillende malen besloten om bepaalde acties niet te laten doorgaan vanwege dit gevaar. Kan de Commissie meer inzicht geven over de frequentie van het afzien van die acties? (blz. 53)

6)
Op blz. 67 schrijft de Commissie over een uitspraak van het Hof Amsterdam over doorlaten. Kan de Commissie aangeven wat de algemene lijn in de jurisprudentie is met betrekking tot doorlaten/doorleveren?

7)
De Commissie vermeldt dat in de onderzochte periode van 1996 tot heden bij de CTC vijf zaken in verband met het doorlaten van goederen zijn voorgelegd. Heeft de Commissie kennis van de inhoud van deze zaken? Zaten hier zaken bij die te maken hebben met het doorlaten van grote hoeveelheden harddrugs (zie
Hoofdstuk 5)? (blz. 69)

8)
De Commissie spreekt over het vermoeden dat in bepaalde gevallen via informele informatie-uitwisseling politiegegevens het bestuur bereiken. Acht de Commissie dit vermoeden serieus? (blz. 81)

9)
De Commissie zegt dat over de kennis van regels en recht met betrekking tot normering van opsporingsmethoden veel onduidelijkheid is: "Van een totaaloverzicht is nauwelijks sprake, ook niet bij het College van procureurs-generaal." Kan de Commissie dit nader verklaren? (blz. 86)

Hoofdstuk 3

10)
Registerbeheerders stellen dat incidentele CID-informatie over middencriminaliteit door de wijziging van de Wet op de politieregisters niet meer kan worden opgeslagen en daarmee verloren zou gaan. Klopt dit volgens de Commissie? (blz. 102)

11)
"Meerdere malen bereikte de Commissie het bericht dat de politie op een vraag aan de BVD informatie terug kreeg die zij zelf aan de BVD had gegeven". Hoe beoordeelt de Commissie dit? Wat zou de oorzaak hiervan kunnen zijn? (blz. 132)

12)
Bestaat de onduidelijkheid over welk recht geldt bij de opsporing in Nederland door buitenlandse opsporingsorganisaties ook voor de samenwerking met de landen die tot het Schengenverdrag en de
Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO) zijn toegetreden? (blz. 135)

13)
Heeft de leidraad voor grensoverschrijdende politiële samenwerking die in Schengenverband is aanvaard voldoende verbetering gebracht ten aanzien van vragen omtrent het toepasselijke recht? (blz. 135)

14)
Met welke landen wordt in de samenwerking de grootste onduidelijkheid ondervonden?
(blz. 135)

15)
Van wie zijn de geruchten afkomstig dat sprake zou zijn van vergaand optreden van Britse en Amerikaanse opsporingsdiensten in Nederland? Betreft het hier optreden van Britse en Amerikaanse opsporingsambtenaren met toestemming van de minister van Justitie? Zo nee, is de minister van Justitie van de geruchten op de hoogte? (blz. 137)

16)
Heeft de passage in het rapport over liaison officers ook betrekking op liaison officers die zijn gestationeerd bij Europol? Zo nee, heeft de Commissie afzonderlijk aandacht besteed aan de rol en positie van Europol? Wordt op dit moment al uitvoering gegeven aan de aanbevelingen van de werkgroep 'liaisons'? (blz. 137, 138)

17)
Heeft de Commissie bestudeerd welke betekenis wordt gehecht aan de term doorlaten in het kader van de rechtsinstrumenten van de JBZ-raad? (blz. 137, 138)

18)
Is het de Commissie bekend of buitenlandse opsporingsdiensten verder gaan bij het toepassen van opsporingsmethoden dan hun eigen wetgeving toelaat? (blz. 141)

Hoofdstuk 4

19)
"Het is sterk afhankelijk van de persoon van de hoofdofficier in hoeverre hij gedetailleerd op de hoogte is van zaken en methoden." Heeft de Commissie kunnen vaststellen of de hoofdofficieren in voldoende mate op de hoogte waren van zaken en methoden? (blz. 151)

20)
Een helder beleid bij het landelijk parket over de zware georganiseerde criminaliteit ontbreekt. Kan de Commissie aangeven of verdere ordening en prioriteitsstelling van de werkzaamheden gewenst is in relatie tot de (criminele) problematiek in het betreffende arrondissement? (blz. 159)

21)
Er bestaat variatie in de opvattingen van de verschillende CID-officieren over wat wel en niet toelaatbaar is. Vindt de Commissie het gewenst dat een dergelijke varieteit bestaat? (blz. 160)

22)
Hoe oordeelt de Commissie over de mening van het College van procureurs-generaal dat er geen noodzaak is om een platform van recherche-officieren op te richten? (blz. 160)

23)
"De daadwerkelijke operationele afstemming tussen de onderzoeken van de verschillende kernteams dient plaats te vinden in de Werkgroep zware georganiseerde criminaliteit." Gebeurt dit ook feitelijk? (blz. 166)

24)
Heeft de Commissie kunnen nagaan in hoeverre sprake is van een inhoudelijke afweging van voorstellen over de toewijzing van onderzoeken aan de kernteams? (blz. 167)

25)
De Commissie schrijft dat de minister van Justitie door het College van procureurs-generaal in de praktijk over het algemeen op de hoogte wordt gebracht van concrete vragen over doorlaten, gebruik van burger-infiltranten, hoge beloningen, deals, de afbouw van bepaalde informanten en politiek gevoelige zaken. Hoe weet de Commissie dit? Bestaan er criteria op grond waarvan de minister wel of niet op de hoogte wordt gebracht? (blz. 169)

26)
Is denkbaar dat er ook tactische bezwaren bestaan tegen het (algemeen of voor een aantal betrokkenen) toegankelijk maken van de 'jurisprudentie' van de CTC? (blz. 172)

27)
De heer Cloin laat weten dat de vele lagen die bepaalde opsporingsmethoden moeten toetsen ook een gevaarlijke kant heeft omdat veel mensen dan weet hebben van een gevoelige zaak. Hoe oordeelt de Commissie over dit gegeven? (blz. 172, 173)

28)
Uit de beschrijving van de Commissie over de CTC-toetsing blijkt dat deze toetsing niet erg structureel plaatsvindt. Op hoeveel toetsingszaken die de Commissie heeft bijgewoond/ ingezien baseert de Commissie dit? (blz. 174)

29)
"De meerwaarde van de registratie in deze vorm kan - anders dan dat zij enig inzicht biedt in de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden - ernstig worden betwijfeld." Heeft de Commissie kunnen nagaan wat de oorzaken van de gehanteerde handelwijze is? (blz. 174)

30)
Over de betrokkenheid van de minister van justitie bij de inzet van ingrijpende opsporingsmethoden of politiek gevoelige zaken meldt de Commissie dat het kan voorkomen dat beslissingen zonder overleg met de minister worden genomen. Hoe beoordeelt de Commissie dit? Is dit niet informeren van de minister van Justitie tevens voorgekomen bij het doorlaten van grote hoeveelheden cocaïne, zoals beschreven in Hoofdstuk 5? (blz. 187)

31)
Heeft de Commissie kunnen nagaan welk gedeelte van de zaken die aan het ministerie van justitie worden voorgelegd ook daadwerkelijk aan de minister van Justitie zelf wordt voorgelegd? (blz. 187)

32)
Er is geen formele werkverdeling tussen het departement en het College van procureurs-generaal. Is een dergelijke werkverdeling wel denkbaar? (blz. 187)

33)
Over de voortgangsrapportages i.v.m. de uitvoering van de beslispunten merkt de Commissie op dat het beeld van de Commissie niet overeen komt met het beeld dat wordt opgeroepen door de rapportages. Behoeft de manier waarop de voortgangsrapportages worden verricht verbetering? (blz. 191)

Hoofdstuk 5

34)
Heeft alle informatie uit dit hoofdstuk betrekking op lopende strafrechtelijke (voor)onderzoeken en zo neen, welke informatie staat los van dergelijke onderzoeken? Kan de Commissie aangeven op welke wijze de minister van Justitie opheldering zou kunnen geven over de in dit hoofdstuk gedane bevindingen zonder de belangen van lopend strafrechtelijk onderzoek te schaden?

35)
Hoe vaak is de informatie in dit hoofdstuk gecheckt en hoe is dat gebeurd? Kan worden aangegeven welke hoedanigheid de personen bij wie de checks zijn uitgevoerd hadden? Waren dit tevens verdachten of veroordeelden in relatie tot drugszaken?

36)
Welke onderdelen van dit hoofdstuk staan vast in de zin dat hierover een rechterlijk oordeel is geveld, en welke onderdelen vormen een beoordeling door de Commissie?

37)
Kan de Commissie in globale zin een overzicht geven van de bronnen die zij heeft gebruikt?

Inleiding

Blz. 192:
38)
Kan de Commissie aanduiden welke samenhang er bestaat tussen de in dit hoofdstuk beschreven ontwikkelingen?

39)
"De belangen van de opsporing en de veiligheid van personen zijn zwaarwegende overwegingen geweest bij de vormgeving van dit hoofdstuk" Betekent dit alleen anonymisering of ook dat op zichzelf harde informatie is weggelaten?

Voorgeschiedenis

40)
Beschikt de Commissie nu met betrekking tot paralleltrajecten over hardere gegevens ten aanzien van dezelfde partijen met betrekking waartoe in het rapport Van Traa werd gesteld dat er containers zijn doorgelaten?

Informatie aan de Tweede Kamer

Blz. 195:
41)
Het College van procureurs-generaal gaf opdracht tot het opstellen van een misdaadanalyse. Ter zake waarvan werd deze misdaadanalyse opgesteld?

42)
In het arrondissement Amsterdam werd een gerechtelijk vooronderzoek geopend. Wanneer was dat en tegen hoeveel personen?

43)
Bestaat er volgens de Commissie operationeel bezwaar om de Tweede Kamer de antwoorden op de 26 vragen alsnog te verschaffen?

Verschillende onderzoeken

44)
Op basis van het rapport van het Fort-team kreeg het Landelijk rechercheteam opdracht een strafrechtelijk onderzoek te doen naar de groei-informant en zijn dubbelrol, naar betrokken ambtenaren, onderzoek naar criminele geldstromen gericht op ontneming van onrechtmatig verkregen vermogen en een combinatie van het voornoemde. Wat is de stand van het strafrechtelijk onderzoek door het Landelijk rechercheteam?

45)
Heeft de Kamer initiatieven ondernomen om een antwoord te krijgen op de 26 openstaande vragen van de Rijksrecherche? Zo ja, in welke vorm?

46)
Op 25 juni 1997 is het onderzoek naar de verwevenheid tussen onder- en bovenwereld door het landelijk parket gestopt. Waarom werd dit gestopt? Wie gaf opdracht tot het staken van dit onderzoek? Werd het College van procureurs-generaal hiervan op de hoogte gesteld? Wat hebben de instanties aan wie het materiaal werd overgedragen met dit materiaal gedaan?

47)
Door wie zijn de onderzoeken naar de Taartman en Haagse Kees gestart?

48)
Eén van de oorzaken waarom de verschillende onderzoeken niet tot resultaten hebben geleid ligt volgens de Commissie aan het feit dat informatie op verschillende plaatsen gedeeltelijk aanwezig is. Is het College van procureurs-generaal of een door dat College aangestelde coördinator bekend welke informatie waar aanwezig is?

49)
De tweede genoemde oorzaak is dat de archieven van het Fort-team tot staatsgeheim zijn verklaard. Wat is daarvan juridisch het gevolg? Is die informatie daarmee voor geen enkel strafrechtelijk onderzoek bruikbaar?

Blz. 196:
50)
De derde oorzaak is dat door het OM toezeggingen zijn gedaan aan degenen die verklaringen hebben afgelegd in een feitenonderzoek. Hoe waardeert de Commissie dit?

51)
De vierde oorzaak is dat informatie over het IRT Noord-Holland/Utrecht door enkelen besmet is verklaard. Heeft het College van procureurs-generaal daarover een standpunt ingenomen?

52)
De vijfde oorzaak is dat verschillende verdachten, tegen wie de onderzoeken waren gericht, een kennisgeving van niet verdere vervolging hebben ontvangen. Meent de Commissie dat desondanks nog onderzoeken zouden kunnen worden gestart?

53)
De zesde oorzaak is dat verschillende betrokkenen weigeren verder met elkaar samen te werken of informatie te verstrekken. Welke invloed oefent het College van procureurs-generaal daarop uit? Hoe verhoudt dit zich volgens de Commissie met de plicht van ambtenaren om, zoals het onder meer in art. 50 ARAR staat vermeld, hun functie te vervullen?

Parallel-importen

54)
Met betrekking tot de parallel-importen is de Commissie gestuit op documenten bestaande uit verklaringen en analyses. Waar zijn deze documenten gevonden?

55)
De Commissie zegt dat het is vastgesteld dat het gaat om minimaal acht parallel-importen. Hoe, door wie en waneer is dit vastgesteld?

56)
Over welke periode strekken de importen van cocaïne zich uit en kan worden gespecificeerd om welke hoeveelheden het op welke momenten ging?

57)
De hoeveelheid cocaïne die wordt genoemd is 15.000 kilo. Hoe zeker is de Commissie over deze hoeveelheid?

58)
Beschikt de Commissie over concrete aanwijzingen dat het bedrag van 1,2 miljard gulden in de bovenwereld is geïnvesteerd?

59)
In welke gevallen is voor welke hoeveelheden gebruik gemaakt van storefronts?

60)
Bij de parallel-importen is medewerking van douane en politie noodzakelijk geweest. Is dat ooit onderzocht? Bestaan er concrete vermoedens tegen bepaalde douane- en/of politiefunctionarissen? Zo ja, wat is daarmee gedaan? Kan worden verduidelijkt waarom medewerking van douane en politie noodzakelijk is geweest?

Dubbelinformanten

61)
Om hoeveel dubbelinformanten gaat het?

Blz. 197:
62)
In hoeveel gevallen kan de Commissie een feitelijk verband aantonen tussen de dubbelrol van de informanten en de parallel-importen?

63)
De Commissie stelt dat de overheid zich ten opzichte van de dubbelinformanten in een chantabele positie heeft gemanoeuvreerd. Kan daarvan een omschrijving worden gegeven? Heeft chantage zich ook daadwerkelijk voorgedaan?

XTC-zaak

64)
Is aan de Engelse autoriteiten voorafgaand tijdens of na afloop van de procedure waarbij een chauffeur tot 20 jaar gevangenisstraf is veroordeeld de rol van de informant medegedeeld?

Stagnerend onderzoek

65)
Wie kende precies welke informatie?
Wanneer is de minister van Justitie op de hoogte gesteld van de beschreven informatie?

66)
De corruptie van verschillende ambtenaren is nog niet tactisch onderzocht. Had dit onderzoek naar het oordeel van de Commissie wel plaats kunnen vinden?

Afspraken met criminelen

67)
Bestaat een verband tussen dit onderdeel van Hoofdstuk 5 en de rest van Hoofdstuk 5?

68)
Kan de overeenkomst waarin de afspraken zijn opgenomen worden overgelegd? Wie waren op de hoogte van deze overeenkomst? Is de overeenkomst juridisch bindend of is het een intentieverklaring in een CID-traject? (zie reactie van Justitie in de Volkskrant d.d. 10 juni 1999)
Waarop heeft de informatie die deze informant kan geven betrekking?

Kennis

Blz. 198:
69)
Sinds hoe lang precies zijn genoemde bevindingen bekend bij de minister van Justitie? Hoe zijn de bevindingen aan de minister medegedeeld? Door wie en in welke vorm? Waarom werd de minister aanvankelijk slechts gedeeltelijk geïnformeerd voor 26 maart 1996 en voor welk gedeelte betrof dit?

70)
Wat was de concrete aanleiding van het gesprek op 26 maart jl. tussen de Commissie en de minister van Justitie en in welke context is de door de Commissie verstrekte informatie aan de minister ter kennis gebracht? Wie waren bij dit gesprek aanwezig? Welke afspraken / toezeggingen zijn gemaakt naar aanleiding van dit gesprek?

71)
Kan nader omschreven worden wat de 'beschikbare kennis' inhield? Is de Commissie van mening dat die beschikbare kennis toen had moeten leiden tot het instellen van een integraal onderzoek?

Conclusie en aanbeveling

72)
Op wat voor soort aanhoudende geruchten binnen politie en jusitie doelt de Commissie?

73)
De Commissie stelt voor dat een integraal onderzoek dient plaats te vinden onder directe verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Wat wordt precies met de term 'integraal' bedoeld? Hoe verhoudt het voorstel tot een onderzoek onder directe verantwoordelijkheid van de minister van Justitie zich tot artikel 5 R.O.?
Zou sprake moeten zijn van een zuiver strafrechtelijk onderzoek? Op welke termijn zou een onderzoek kunnen starten? Op welke manier zou parlementaire controle dienen plaats te vinden?

Hoofdstuk 6

74)
De Commissie meldt dat de rechter in enkele zaken het OM niet ontvankelijk heeft verklaard wegens foute opsporingsmethoden. Welke opsporingsmethoden waren dit? (blz. 203)

75)
In aanbeveling 7 staat dat een nadere bepaling omtrent notificatie nodig is. Heeft de Commissie hier concrete denkbeelden over? (blz. 204)

76)
In de afgelopen jaren is een enkele keer een criminele burger-infiltrant ingezet. Was de minister van Justitie hiervan telkens op de hoogte? Is de Kamer hierover telkens geïnformeerd? (blz. 206)

77)
Waarom kunnen de cijfers over het aantal informanten voor het uitkomen van het rapport
Van Traa en daarna niet met elkaar worden vergeleken? (blz. 207)

78)
Aanbeveling 19 luidt dat de Commissie van oordeel is dat nadere besluitvorming noodzakelijk is over de reikwijdte van de mogelijke afspraken met criminelen. Bedoelt de Commissie met 'nadere besluitvorming' een verruiming van de mogelijkheden, aangezien de praktijk hier behoefte aan heeft? (blz. 209)

79)
De minister van Justitie heeft, ondanks toezeggingen, nagelaten de Kamer periodiek te informeren over de praktijk van doorlaten. Hoe vaak bestond daar volgens de Commissie aanleiding toe? Wat is volgens de Commissie de oorzaak van dit nalaten door de minister? (blz. 210)

80)
Aanbeveling 23.: klopt het dat de Commissie het niet wenselijk acht dat de BVD verdergaande bevoegdheden heeft volgens de Wet IDV dan de politie volgens de wet BOB? En zo ja, waarom? (blz. 212)

81)
Aanbeveling 46: wat verstaat de Commissie onder 'bevriende staten? Bedoelt de Commissie met de laatste zin van aanbeveling 46 dat de naleving van de in Nederland geldende regeling met betrekking tot opsporingsmethoden in dat geval niet noodzakelijk zou zijn? '(blz. 223)

82)
De Commissie vermeldt dat er intensieve samenwerking in bepaalde regio's met België en Duitsland is en nog steeds veel informeel wordt uitgewisseld en via zogenaamde
u-bochtconstructies informatie wordt gewit. Bieden de verplichtingen ingevolge de Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO) en het Europolverdrag onvoldoende mogelijkheden om, tijdig, aan de behoefte aan informatie-uitwisseling tegemoet te komen? (blz. 223)

83)
Aanbeveling 47: is denkbaar dat Europol een rol zou kunnen vervullen bij de voorlichting over de geldende regels in Nederland met betrekking tot opsporingsmethoden in de landen waarmee Nederland regelmatig samenwerkt? (blz. 223)

10

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie