Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Europese Raad - Landbouw 14-06-1999

Datum nieuwsfeit: 15-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

2190. Raad - LANDBOUW

Press Release: Brussels (14-06-1999) - Nr. 9000/99 (Presse 190)


2190e zitting van de Raad


- LANDBOUW -

Luxemburg, 14-15 juni 1999

Voorzitter: de heer Karl-Heinz FUNKE ,
Minister van Voedselvoorziening, Land- en Bosbouw van de Bondsrepubliek Duitsland

DIOXINEBESMETTING VAN BEPAALDE LEVENSMIDDELEN

Conclusies van de Raad


1. Naar aanleiding van de actualiteit worden de lidstaten opgeroepen om door middel van afdoende controles de volledige inachtneming te waarborgen van het EG-recht waarmee de bescherming van de gezondheid van de consument wordt gegarandeerd.
2. De EU heeft uitgebreide systemen voor vroegtijdige waarschuwing opgezet, die bij gevaar verplicht, volledig en tijdig door de lidstaten moeten worden toegepast.

3. De Commissie heeft ongeveer twee jaar geleden, als onderdeel van het voor de consumentenbescherming verantwoordelijke DG XXIV, in Ierland een Voedsel- en Veterinair Bureau (Food and Veterinary Office - FVO) opgericht, dat tot taak heeft via controles in de lidstaten en in derde landen te waarborgen dat op het toezicht gerichte maatregelen volgens uniforme controlebeginselen worden uitgevoerd.
De Commissie wordt verzocht om de uniforme, daadwerkelijke uitvoering van de EU-systemen voor vroegtijdige waarschuwing te controleren en, in voorkomend geval, voorstellen ter verbetering van die systemen voor te leggen en om na te gaan in hoeverre de bestaande controlesystemen moeten worden uitgebreid tot residuen en moeten worden geïntensiveerd.

4. De Commissie wordt verzocht de Raad tijdens het Finse voorzitterschap te rapporteren over de stand van de ontwikkeling van het FVO en het volledig operationeel worden ervan. In dat rapport moet tevens worden ingegaan op de vraag of een algemene verbetering van het toezicht op de levensmiddelen, met oprichting van een instantie voor levensmiddelencontroles, noodzakelijk is.
5. De Commissie wordt verzocht de reeds in het Comité voor diervoeders begonnen werkzaamheden voor de herziening van de wetgeving betreffende diervoeders voortvarend voort te zetten en eventueel in het kader van een verdere strikte harmonisatie wijzigingsvoorstellen voor te leggen.


6. De volgende punten dienen te worden bestudeerd:


- de doeltreffendheid en de geschiktheid van het huidige controlesysteem;

- de noodzaak om andere producenten van mengvoeders dan die welke in Richtlijn 95/69/EG zijn voorzien te machtigen/te registreren;
- de verbetering van de traceerbaarheid van de in deze sector gebruikte grondstoffen en additieven;


- de noodzaak tot uitbreiding van de lijst van verboden bestanddelen;


- de noodzaak tot uitbreiding van de lijst van ongewenste stoffen.

Daarnaast moet worden nagegaan in hoeverre de voorschriften voor de etikettering van diervoeders verder moeten worden verbeterd. De Raad benadrukt de verantwoordelijkheid van de producenten van diervoeders voor de productveiligheid.

7. Voorts wordt de Commissie verzocht de diermeel- en slachtafvalproblematiek en de EU-wetgeving betreffende het opruimen van kadavers van dieren aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.

8. De Raad neemt er nota van dat de Commissie een zodanig tijdschema zal voorleggen, dat de noodzakelijke werkzaamheden zo mogelijk vóór het einde van het Finse voorzitterschap zullen worden afgerond.

9. De Raad heeft nota genomen van een verslag van de Commissie en van de standpunten van de lidstaten.

LANDBOUWPRIJZEN

De Raad heeft op basis van een compromis van het voorzitterschap met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een politiek akkoord bereikt over de voorstellen van de Commissie voor de vaststelling van de landbouwprijzen voor het verkoopseizoen 1999-2000. De Italiaanse delegatie deelde mee bij de formele aanneming van de wetgevingsteksten tegen te zullen stemmen.

De in euro uitgedrukte prijzen van de verschillende landbouwproducten staan in Bijlage I.

De Raad heeft het Speciaal Comité Landbouw opgedragen om op basis van bovengenoemd compromis de ontwerp-verordeningen voor de vaststelling van de landbouwprijzen 1999-2000 bij te werken, zodat deze tijdens een volgende zitting formeel kunnen worden aangenomen.

Het compromis van het voorzitterschap behelst met name het volgende:


* in de sector wijn
wordt in Verordening (EEG) nr. 822/87 een wijziging aangebracht op grond waarvan de lidstaten met ingang van 1 januari 2000 en tot het einde van het verkoopseizoen 1999/2000 toestemming voor nieuwe aanplant kunnen verlenen, waarbij maximaal 20% wordt benut van de nieuwe-aanplantrechten die aan hen zijn toegekend krachtens artikel 6 van de in het kader van Agenda 2000 goedgekeurde verordening tot hervorming van de sector. Deze rechten mogen uitsluitend worden gebruikt met inachtneming van de bepalingen van de hervormingsverordening en worden in mindering gebracht op de rechten die voor de betrokken lidstaten beschikbaar zijn.
* in de sector vlas
is met betrekking tot de aftrek overeengekomen dat, indien het nodig mocht blijken nogmaals een aftrek vast te stellen voor reclamecampagnes in de vlassector, het niveau van de steun dienovereenkomstig zal worden verhoogd.

* in de sector zaaizaad
wordt het huidige onderscheid tussen de drie soorten Engels raaigras bij wijze van overgangsmaatregel gehandhaafd voor de twee volgende verkoopseizoenen; vanaf het seizoen 2002/2003 geldt één enkel steunbedrag voor zaaizaad van Engels raaigras.
* In de sector rijst
verzoekt de Raad de Commissie zich te buigen over het Griekse en het Spaanse verzoek betreffende de regionalisering van de basisarealen voor rijst en, indien daartoe aanleiding bestaat, hetzij in het kader van de herziening van de GMO, hetzij in een afzonderlijk kader, voorstellen in te dienen die aansluiten bij de bepalingen van de regeling voor akkerbouwgewassen.
* Met betrekking tot consumptiemelk
stelt de Raad vast dat het voor de verlenging van de afwijking voor het vetgehalte van consumptiemelk waarom verzocht is door Finland en Zweden, op juridisch niveau vereist is dat een voorstel wordt ingediend dat gebaseerd is op artikel 149, lid 2, van de Toetredingsakte.
Ook constateert hij dat het hier gaat om een afwijkingsregeling en dat deze daarom slechts een beperkte geldigheidsduur kan hebben, die uiterlijk afloopt op 31.12.2003.
Hij verzoekt de Commissie op bilateraal niveau met Zweden en Finland nader te spreken over de concrete problemen waarmee deze landen geconfronteerd worden bij het overnemen van de communautaire regeling, en een voorstel daarvoor in te dienen. Met betrekking tot schoolmelk
achten de ministers van Landbouw de consumptie van melk, gezien de hoge voedingswaarde ervan, van groot belang, met name voor kinderen en jongeren. Zij achten het daarom nodig dat nader wordt bezien hoe deze consumptie op een rendabele wijze kan worden aangemoedigd, rekening houdend met de totaal beschikbare begrotingsmiddelen.

* In de sector tomaten
wordt, ter compensatie van de beperking van het Portugese quotum voor de productie van tomatenconcentraat bij de verdeling van de quota voor de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001 die voortvloeide uit de aanzienlijke daling van de productie in dit land tijdens het verkoopseizoen 1997/1998 ingevolge de uitzonderlijk ongunstige weersomstandigheden, Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad als volgt gewijzigd: Aan artikel 6 wordt een nieuw lid 3 bis toegevoegd; daarin wordt aan Portugal voor de verkoopseizoenen 1999/2000 en 2000/2001een extra quotum toegekend van voor verwerking tot concentraat bestemde verse tomaten. Voor het verkoopseizoen 1999/2000 gaat het om een quotum van 83.468 ton. Voor het verkoopseizoen 2000/2001 is het quotum gelijk aan het verschil tussen het quotum dat volgens de bepalingen in de bovenstaande leden voor Portugal is berekend en het quotum dat is berekend door de in 1997/1998 geproduceerde hoeveelheid te vervangen door een quotum van 884.592 ton. Het in het eerste lid bedoelde totale quotum voor verse tomaten en het in lid 2, tweede alinea, eerste streepje, bedoelde quotum voor tomatenconcentraat worden voor deze twee verkoopseizoenen verhoogd met de aan Portugal toegewezen extra hoeveelheid.
* Met betrekking tot varkensvlees
verzoekt de Raad de Commissie de in het kader van het Beheerscomité geopperde ideeën over de beheersing van de varkensvleesproductie nader uit te werken en, zo nodig, passende voorstellen in te dienen.

PUNTEN DIE ONDER DE BEVOEGDHEID VAN DE COMMISSIE VALLEN

De Commissie neemt akte van de verzoeken die een aantal lidstaten naar voren hebben gebracht in het kader van de bespreking van de prijzenvoorstellen voor 1999/2000 en die onder de beheersbevoegdheid van de Commissie vallen. Het gaat om de volgende verzoeken:


1. Afwijkingen van de kwaliteitscriteria voor interventie voor granen voor het verkoopseizoen 1999/2000:


- 15% vochtgehalte in plaats van 14,5% voor alle granen behalve maïs en sorgho in de lidstaten die daarom verzoeken;
- criterium van de noodrijpe korrels: gebruik van een zeef met mazen van 2,0 mm in plaats van 2,2 mm voor gerst, mits het soortelijk gewicht tenminste 64 kg/hl bedraagt, in Zweden en in Finland;

- opschorting van de korting voor gerst met een soortelijk gewicht tussen 62 en 64 kg/hl (verzoek van Spanje).


2. Afwijking van de algemene regel voor percelen die uit hoofde van de steunregeling voor akkerbouwgewassen uit productie zijn genomen, met het oog op een soepeler toepassing van een aantal criteria zoals de minimumbreedte van 20 meter, met als tegenprestatie toezeggingen op milieugebied van de producent en specifieke controlevoorwaarden (verzoek van het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Zweden en Frankrijk).


3. Bestudering van het Oostenrijkse verzoek betreffende aanpassing, naar gelang van de productiezone, van de steun voor vezelvlas, om vast te stellen of voldaan is aan de voorwaarden voor de wijziging van de bijlage bij Verordening nr. 1784/93 tot vaststelling van de aanpassingscoëfficiënten voor de steun voor vezelvlas.


4. Bestudering van de situatie ten aanzien van de geitenteelt in de bergstreken van Oostenrijk en van de vergelijkbaarheid met andere lidstaten, om vast te stellen of voldaan wordt aan de criteria voor toekenning van de geitenpremie wanneer de geitenhouderij voornamijk gericht is op de productie van geitenvlees.

De Commissie verwacht voorstellen te kunnen indienen ten aanzien van de verzoeken onder 1 en 2. Voorts verzekert de Commissie dat de verzoeken onder 3 en 4 zo snel mogelijk, aan de hand van bewijsstukken, en in een passend kader zullen worden bestudeerd en dat, indien de verzoeken gegrond blijken, passende oplossingen zullen worden gezocht.

Verder verbindt de Commissie zich ertoe, wat de sector groenten en fruit, en met name artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96 betreft, te onderzoeken hoe de functie van lid van het bestuur, met stemrecht, kan worden opengesteld voor anderen dan de telers van deze sector, met dien verstande dat de telers de volledige zeggenschap over de organisatie dienen te behouden.

BIOLOGISCHE LANDBOUW

De Raad is, op basis van een compromis van het voorzitterschap, met eenparigheid van stemmen tot een politiek akkoord gekomen over een wijziging van Verordening (EEG) nr. 2092/91 om de voorschriften inzake de biologische productiemethode van landbouwproducten aan te vullen met betrekking tot de dierlijke productie.

De wijziging treedt in werking 12 maanden na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, met uitzondering van het verbod op het gebruik van genetisch gemodificeerde organismen, dat met onmiddellijke ingang in werking treedt. Zij voorziet in geharmoniseerde voorschriften voor deze sector, rekening houdend met het groeiende belang van zowel de producenten als de consumenten. Zij is erop gericht bepaalde bronnen van onzekerheid voor zowel de bestaande als de beginnende producenten alsmede mogelijke belemmeringen voor het vrije verkeer van de producten op te heffen.

De dierlijke productie moet bijdragen tot het evenwicht van de productiesystemen in de landbouw door te voorzien in de behoefte van de gewassen aan voedingsstoffen en in de verbetering van het organisch materiaal in de bodem. Deze productie kan aldus bijdragen tot de verwezenlijking en instandhouding van de complementariteit van bodem en gewas, gewas en dier en dier en bodem.

In het kader van dit akkoord hebben de delegaties van België, Spanje, Griekenland en Portugal zich aangesloten bij de verklaring van de Franse delegatie in Bijlage II.

BESCHERMING VAN LEGKIPPEN

De Raad is op basis van een compromis van het voorzitterschap dat door de Commissie is overgenomen, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen tot een politiek akkoord gekomen over een voorstel voor een richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen in diverse houderijsystemen.

De tekst heeft ten doel communautaire minimumnormen vast te stellen, en elke lidstaat behoudt de mogelijkheid op zijn grondgebied strengere normen in te voeren. Volgens de communautaire normen zijn de bij de huidige regelgeving toegelaten niet aangepaste kooien vanaf 1 januari 2012 verboden (met een overgangsperiode van 10 jaar, dus te rekenen vanaf 1 januari 2002, de datum die is vastgesteld voor de omzetting van de richtlijn in het nationale recht. Bovendien is al vanaf 1 januari 2003 het bouwen of voor het eerst in gebruik nemen van deze kooien verboden, en wordt vanaf diezelfde datum de vereiste minimum kooioppervlakte voor bestaande niet aangepaste kooien verhoogd van 450 tot 550 cm2 per kip.

Met ingang van 1 januari 2002 kunnen nieuw opgerichte of verbouwde houderijen de bepalingen betreffende aangepaste kooien (kooioppervlakte van ten minste 750 m2 per kip + strooisel + zitstokken en nesten) dan wel het "alternatieve systeem" (9 kippen per m2 bruikbare oppervlakte).

Er zijn ook minimumnormen vastgesteld voor het beheer en andere factoren die van invloed zijn op de leefomgeving van de kippen, om in elk geval het nesten, het nemen van stofbaden en het op stok gaan mogelijk te maken. Tenslotte is voorzien in een uitzondering voor kippenhouderijen met minder dan 350 legkippen en voor kippenhouderijen voor het fokken van reproductieleghennen. Het inkorten van snavels is bij wijze van afwijking onder bepaalde voorwaarden toegestaan bij kuikens jonger dan 10 dagen.

Het compromis voorziet tenslotte in de registratie van de onder deze richtlijn vallende houderijen door de bevoegde autoriteit met behulp van een afzonderlijk nummer, aan de hand waarvan de voor menselijke consumptie in de handel gebrachte eieren kunnen worden getraceerd.

De Raad en de Commissie wijzen erop dat moet worden gezorgd voor gelijkwaardige concurrentievoorwaarden voor de producenten van de Europese Unie en van derde landen, en zijn van mening dat de erkenning op internationaal vlak van de regels betreffende het welzijn van dieren een van de harde punten moet zijn van het onderhandelingsmandaat voor de "millenniumronde" in de WTO.

BANANEN

De Raad


- heeft van gedachten gewisseld over deze mededeling van de Commissie zodat de lidstaten hun standpunt kenbaar konden maken ten aanzien van de mogelijkheden die de Commissie ziet om het bananenconflict in overeenstemming met de WTO-regels op te lossen;
- is door de Commissie op de hoogte gebracht van de contacten die er zijn met de verschillende betrokkenen;

- is van oordeel dat de bestaande communautaire regelgeving moet worden aangepast aan de WTO-regels, en dit zo veel mogelijk in het kader van een via onderhandelingen bereikte oplossing waar alle partijen achter staan. Wil men tot een duurzame oplossing komen, dan mogen de belangen van de producenten in de Gemeenschap en in de ACS-landen hierbij niet uit het oog worden verloren;
- heeft de Commissie aangemoedigd haar contacten met de betrokken partijen voort te zetten en de Raad zo spoedig mogelijk in het licht van de resultaten van die contacten en van de lopende Raadsbesprekingen formele voorstellen tot aanpassing van de regeling voor bananen voor te leggen.

RESIDUEN VAN GENEESMIDDELEN VOOR DIERGENEESKUNDIG GEBRUIK IN LEVENSMIDDELEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG

*

De Raad heeft een wijziging aangenomen van Verordening (EEG) nr. 2377/90 houdende een communautaire procedure tot vaststelling van maximumwaarden voor residuen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in levensmiddelen van dierlijke oorsprong. Met deze wijziging wordt beoogd om, in het licht van de ontwikkeling van het regelgevingskader voor diergeneesmiddelen, de behandeling van aanvragen tot vaststelling, wijziging en verlenging van maximumwaarden voor residuen toe te vetrouwen aan het Europees Bureau voor geneesmiddelenbeoordeling.

De Raad heeft gewezen op de noodzaak en de urgentie om andere bepalingen aan te nemen betreffende de invoering van wetenschappelijke en financiële steun voor de door genoemd Bureau te verrichten studies inzake geneesmiddelen waarnaar weinig vraag bestaat, en betreffende de toestemming om voor paardachtigen en kleinere diersoorten bepaalde diergeneesmiddelen te gebruiken die momenteel zijn toegestaan hetzij voor de mens, hetzij voor andere diersoorten. Hij verzocht de Commissie passende voorstellen ter zake te doen, en verheugde zich over de bereidheid van de Commissie om gevolg te geven aan dat verzoek.

BIJLAGE I

In euro uitgedrukte prijzen voor de diverse landbouwproducten

(Tables my be obtained from the Press Office)


BIJLAGE II

Verklaring van Frankrijk over de biologische landbouw - dierlijke productie

Frankrijk kan zich aansluiten bij een meerderheid van de delegaties die het compromis van het voorzitterschap aanvaardt. Er zijn na de laatste bijeenkomsten van het Speciaal Comité Landbouw en de Raad inderdaad verbeteringen in de tekst aangebracht, en het is van belang dat Europa zijn wetgeving aanvult en er ook de dierlijke productie in opneemt.

De Franse regering wil zich niet verzetten tegen de aanneming van deze regelgeving, maar acht deze nog ontoereikend om de Europese biologische landbouw, en met name de sector dierlijke productie, in staat te stellen een kwaliteitsniveau te bereiken dat duidelijk verschilt van dat van de conventionele landbouw. Die ontoereikendheid komt voornamelijk voort uit het nog steeds grote aantal afwijkingen en de veel te lange duur van de afwijkingstermijnen. Zij hoopt dat de autoriteiten of controleinstanties van de lidstaten slechts een beperkt beroep op die afwijkingen zullen doen om zo de biologische landbouw redelijk geloofwaardig te houden.

Het compromis van het voorzitterschap vormt een eerste stap op weg naar een kwalitatieve verbetering van de normen voor de Europese biologische landbouw. De Franse regering verlangt dat dit proces wordt voortgezet, met name gezien de resultaten van de evaluaties die de commissie op de verschillende in de verordening bepaalde tijdstippen moet verrichten.


ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

LANDBOUW

Gerst voor verwerking tot malt

De Raad heeft met gekwalificeerde meerderheid van stemmen - de Franse delegatie stemde tegen en de Italiaanse delegatie onthield zich van stemming - een verordening vastgesteld betreffende de opening van een communautair tariefcontingent voor gerst voor verwerking tot mout van GN-code 1003 00.

Bij die verordening worden voor 1999 en 2000 voor gerst van hoge kwaliteit van GN-code 1003 00 die bestemd is voor verwerking tot mout dat zal worden gebruikt voor de bereiding van bepaalde soorten bier die rijpen in tanks met beukenhout, jaarlijkse communautaire tariefcontingenten van 50.000 ton geopend. Het voor deze contingenten toe te passen recht van het gemeenschappelijke douanetarief bedraagt 50% van het volledige recht (zonder de reductie die voor de invoer van gerst voor verwerking tot mout wordt toegepast) dat op de dag van invoer van toepassing is.

EXTERNE BETREKKINGEN

Europese Economische Ruimte

De Raad heeft namens de Europese Unie zijn goedkeuring gehecht aan een ontwerp-besluit van het Gemengd comité van de EER tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-Overeenkomst om de samenwerking op het gebied van kleine en middelgrote ondernemingen opnieuw bij te stellen. Bij dit besluit wordt een samenwerkingskader ingesteld voor de deelneming van de EVA/EER-staten aan communautaire acties op dat gebied.

Roemenië en Bulgarije - contingenten voor wijn

De Raad heeft twee verordeningen aangenomen waarbij de verlenging met een jaar (tot en met 31 december 1999) wordt goedgekeurd van de twee overeenkomsten van 1993 die met Roemenië, respectievelijk Bulgarije zijn gesloten betreffende de wederzijdse vaststelling van tariefcontingenten voor bepaalde wijnen, in afwachting van de voltooiing van de onderhandelingen over Aanvullende Protocollen bij de Europa-Overeenkomsten, die in de plaats moeten komen van de wijnovereenkomsten van 1993 en de werkingssfeer ervan moeten uitbreiden tot de sector gedistilleerd.

Bij deze verordeningen worden ook de voor de uitvoering van de wijnovereenkomsten benodigde interne uitvoeringsbepalingen (Verordening (EG) nr. 933/95) dienovereenkomstig aangepast.

FRJ - sancties

De Raad heeft de verordening aangenomen waarbij uitvoering wordt gegeven aan zijn gemeenschappelijk standpunt van 10 mei 1999 betreffende aanvullende sancties tegen de Federale Republiek Joegoslavië, voor wat betreft de uitbreiding van de bevriezing van middelen en het verbod op investeringen die de EU heeft uitgevaardigd.

De verordening voorziet met name in het volgende:

a) uitbreiding van de huidige bevriezing van de middelen die de regeringen van de FRJ en de Republiek Servië in het buitenland bezitten, tot personen die met President Milosevic verbonden zijn, en tot vennootschappen die onder zeggenschap staan van of optreden namens de regering van de FRJ of van Servië; b) uitbreiding van het huidige verbod op nieuwe investeringen in Servië, om de particuliere sector te verbieden financiële middelen ten behoeve van de export te verstrekken aan de regeringen van de FRJ of van Servië, dan wel aan vennootschappen, ondernemingen, instellingen of entiteiten die eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van deze regeringen of aan een ieder die namens deze regeringen optreedt.

Te dien einde behelst de verordening twee bijlagen, met de namen van personen die optreden of waarvan wordt vermoed dat zij optreden namens de regeringen van de FRJ of de regering van Servië (deze lijst is identiek aan de lijst van ongeveer 300 personen waarvoor het door de EU uitgevaardigde visumverbod geldt) en de vennootschappen, ondernemingen, instellingen of entiteiten (die zich niet op het grondgebied van de Federale Republiek Joegoslavië bevinden) die eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van de regering van de FRJ of de regering van Servië.

De verordening machtigt de Commissie om, bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, deze bijlagen te wijzigen en om onder bepaalde voorwaarden afwijkingen van de bevriezing van middelen of van het verbod op nieuwe investeringen toe te staan.

MILIEU

Radioactieve afvalstoffen

De Raad heeft de volgende conclusies aangenomen over de huidige situatie en de vooruitzichten op het gebied van het beheer van radioactieve afvalstoffen in de Gemeenschap:

"De Raad


- herinnert aan zijn resolutie van 19 december 1994 over het beheer van radioactieve afvalstoffen en aan het communautaire actieplan op het gebied van radioactieve afvalstoffen dat bij zijn resolutie van 15 juni 1992 was gevoegd;


- neemt met belangstelling kennis van de mededeling en het vierde rapport van de Commissie betreffende de huidige situatie en de vooruitzichten op het gebied van het beheer van radioactieve afvalstoffen in de Europese Unie (rapportage tot eind 1997);
- wijst erop dat alle lidstaten met het probleem van radioactieve afvalstoffen worden geconfronteerd en constateert met voldoening dat de gegenereerde hoeveelheden radioactieve afvalstoffen in de Gemeenschap sterk zijn afgenomen; hij spoort de lidstaten ertoe aan, zich verder te beijveren om de hoeveelheden en de activiteit van het afval van alle nucleaire toepassingen terug te dringen;
- geeft zich rekenschap van het grote belang van efficiënte systemen voor een deugdelijk beheer en een veilige opslag van radioactieve afvalstoffen in de Gemeenschap en is derhalve van mening dat de lidstaten moeten doorgaan met hun activiteiten aangaande geologische opberging van radioactieve afvalstoffen en andere mogelijkheden voor het beheer ervan op lange termijn;
- bevestigt nogmaals het belang van de onafhankelijkheid van de regelgevende instanties en van een efficiënte, permanente en doorzichtige informatie-uitwisseling tussen exploitanten en regelgevers over de ontwikkeling van opbergingsconcepten en
-voorzieningen;

- benadrukt de noodzaak van verdere uitwerking van een gemeenschappelijke communautaire aanpak voor de identificatie, indeling, opslag en uiteindelijke vrijstelling van wettelijke controle van gemelde radioactieve stoffen die een zeer lage restactiviteit bevatten en zelfs geheel vrij kunnen zijn van door menselijk ingrijpen gevormde radioactiviteit, zulks onverminderd de mogelijkheden voor de lidstaten om die in specifieke situaties te ontwikkelen, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren;
- legt de nadruk op de noodzaak om een gemeenschappelijke visie te ontwikkelen op de aanpak van de problemen in verband met radioactief schroot en het juiste beheer van ingesloten verbruikte radioactieve bronnen;

- bevestigt het beginsel dat elke lidstaat moet garanderen dat op zijn grondgebied geproduceerde radioactieve afvalstoffen goed worden beheerd en opgeslagen en tekent aan dat in sommige lidstaten wetten bestaan die de definitieve verwijdering van kernafval uit andere landen verbieden; de Raad is van oordeel dat het streven naar zelfverzorging van de Gemeenschap en, waar onderling overeengekomen, samenwerking tussen de lidstaten inzake de verwijdering van radioactieve afvalstoffen, een waardevolle strategie op lange termijn is;


- herinnert aan de succesvolle O & O-activiteiten van de Gemeenschap inzake het beheer en de verwijdering van radioactieve afvalstoffen en memoreert de betreffende onderzoekprioriteiten in het kader van het Euratom-programma voor onderzoek en onderwijs op het gebied van kernenergie (1998-2002) , en benadrukt dat het noodzakelijk is dat de lidstaten hun samenwerking in dit verband op het gebied van onderzoek en ontwikkeling voortzetten, teneinde verbetering te brengen in de gegevens, modellen en concepten met betrekking tot het beheer en de veiligheid op lange termijn van de opberging van langlevend radioactief afval;
- wijst op het belang van transparantie, op het niveau van regeringen, regelgevers, exploitanten en publiek, inzake activiteiten op het gebied van afvalstoffenbeheer in de gehele Gemeenschap, met het oog op een beter begrip van de technische, sociale, milieu- en ethische vraagstukken die hierbij een rol spelen;

- onderstreept dat het wenselijk is dat de lidstaten zo spoedig mogelijk de Overeenkomst inzake de veiligheid van het beheer van afgewerkte splijtstof en de veiligheid van het beheer van radioactieve afvalstoffen bekrachtigen, en dat het dringend noodzakelijk is dat de bepalingen ervan snel worden uitgevoerd, met name ten aanzien van derde landen; neemt er nota van dat de Commissie een voorstel voorbereidt inzake de toetreding van de Gemeenschap tot deze Overeenkomst;

- geeft de Commissie in overweging om, tussen haar hoofdrapporten, en naargelang de behoefte, tussentijdse verslagen op basis van door de lidstaten verstrekte gegevens in te dienen, om belangrijke ontwikkelingen in de lidstaten en op internationaal niveau te melden; voor de toekomst zou moeten overwogen de rapportage te synchroniseren met die van de Overeenkomst inzake de veiligheid van het beheer van afgewerkte splijtstof en de veiligheid van het beheer van radioactieve afvalstoffen;

- ziet uit naar een verslag van de Commissie over de situatie van het beheer van radioactieve afvalstoffen in de kandidaat-lidstaten;

- verzoekt de Commissie te gelegener tijd haar voorstel voor een nieuw actieplan van de Gemeenschap op het gebied van radioactieve afvalstoffen in te dienen, rekening houdend met de bevoegdheid van de Gemeenschap op dit gebied."

INTELLECTUELE EIGENDOM

Internationale registratie van tekeningen en modellen van nijverheid

De Raad heeft de Commissie gemachtigd onderhandelingen te openen om te bewerkstelligen dat de Gemeenschap kan deelnemen aan de Diplomatieke Conferentie die van 16 juni tot en met 6 juli 1999 te Genève in het kader van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) zal worden gehouden om een nieuwe Overeenkomst van 's Gravenhage betreffende het internationaal depot van tekeningen of modellen van nijverheid aan te nemen.

Het internationaal depot heeft in alle door de deposant genoemde overeenkomstsluitende staten dezelfde rechtswerking als de vervulling van alle depotformaliteiten overeenkomstig het nationaal recht van die staten. De nieuwe overeenkomst heeft ten doel het huidige systeem van 's Gravenhage te wijzigen om een groter aantal staten, alsook internationale organisaties, toe te staan tot de overeenkomst toe te treden. Doel van de Gemeenschap is, in de overeenkomst bepalingen op te nemen die haar toestaan partij bij de overeenkomst te worden.

BENOEMINGEN

Comité van de Regio's

De Raad heeft de besluiten aangenomen houdende benoeming van


- de heer I.W. OPSTELTEN tot lid van het Comité van de Regio's, ter vervanging van de heer A. PEPER;

- mevrouw M.J. HAVERMAN tot plaatsvervangend lid van het Comité van de Regio's, ter vervanging van mevrouw A.E. VERSTAND-BOGAERT, en

- de heer Joaquim LLIMONA i BALCELLS tot plaatsvervangend lid van het Comité van de Regio's, ter vervanging van de heer Joan VALLVÉ i RIBERA,

voor de resterende duur van de lopende ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2002.



/newsroom/press/c/ACF8A.htm

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie