Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Justitie inzake rapport commissie Kalsbeek

Datum nieuwsfeit: 17-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE JUS

Min. van Just./Brief Kalsbeek

Postadres Postbus 20301, 2500 EH Den Haag

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal Bezoekadres Schedeldoekshaven 100
2511 EX Den Haag
Telefoon (070) 3 70 79 11
Fax (070) 3 70 79 00
Telex 34554 mvj nl

Onderdeel Directoraat-Generaal Rechtshandhaving Contactpersoon mr. A.C. Möhring
Datum 17 juni 1999
Ons kenmerk .
Onderwerp Hoofdstuk 5 van het rapport van de commissie Kalsbeek

Graag voldoe ik aan het verzoek van de Vaste Commissie Justitie (gedaan bij brief van 9 juni 1999) van uw Kamer om een schriftelijke reactie te geven op hoofdstuk 5 ('Bijzondere bevindingen') van het rapport 'Opsporing in uitvoering'.

Ik wil dat echter niet doen zonder te refereren aan de bevindingen van het rapport als geheel. Het rapport geeft als geheel -en daarbij doel ik vanuit mijn verantwoordelijkheid met name op de op de onderdelen die Justitie betreffen- een op gedegen onderzoek gebaseerd beeld van de stand van zaken in het justitie- en politieveld als uitvloeisel van het werk van de commissie-van Traa.
De bevindingen en conclusies van het rapport komen er in grote lijnen op neer dat de crisis in de opsporing ten einde is gekomen en dat het gezag hersteld is. Mét de commissie ben ik van mening dat hier zonder meer van een bijzondere prestatie is te spreken. Daarnaast heeft de commissie over een breed terrein diverse opmerkingen gemaakt die tot een uitvoerige reactie nopen.
De aanbevelingen van de commissie worden door mij zeer serieus genomen. Ik zal mij over de uitvoering ervan op korte termijn nader beraden en ga er van uit dat wij over de aanbevelingen die de commissie doet om op onderdelen tot verdere verbeteringen te komen nog met elkaar van gedachten wisselen alvorens uw Kamer over deze aanbevelingen een standpunt inneemt.

Ik voeg daar voorts aan toe dat ik het rapport ook als een steun in de rug beschouw voor de vele (opsporings-)ambtenaren -zowel van politie als van andere diensten- die in de praktijk van iedere dag hun bijdrage leveren aan de voorkoming en bestrijding van de misdaad. Ook voor degenen in de korpsen en bij het Openbaar Ministerie die leiding geven aan de opsporing acht ik de conclusies van de commissie-Kalsbeek een aanzienlijke stimulans om op de ingeslagen weg door te gaan. Ik wil in dit verband ook mijn waardering uitspreken voor de wijze waarop de commissie-Kalsbeek haar taak heeft verricht: de commissie is er niet alleen in geslaagd om grondig door te dringen in de praktijk van de opsporing maar heeft dat tevens op een zorgvuldige en afgewogen wijze gedaan.

Op verzoek van uw Kamer zal ik in het onderstaande reeds nu mijn zienswijze op hoofdstuk 5 geven waarbij ik u er op moet wijzen dat -gelet op de aard van de materie en de onderscheiden verantwoordelijkheden die in het geding zijn- het openbare karakter van deze brief mij onvermijdelijk beperkingen oplegt. Dat geldt overigens ook, zoals de commissie zelf al stelt, voor de commissie.

Kort samengevat constateert de commissie dat het zogeheten post-Fort onderzoek stagneert en signaleert zij voorts dat er sprake is (geweest) van parallel-importen van cocaine met betrokkenheid van overheidspersoneel.
Voorts levert de commissie kritiek op een aangegane 'pre-deal' met een crimineel.

Ik wil uw Kamer allereerst een beeld geven van de activiteiten die tot nu toe door het Openbaar Ministerie en de politie zijn ondernomen in het post-Fort traject. Ik benadruk daarbij dat het post-Fort traject een strafrechtelijk traject is. Er moet derhalve een reëel perspectief zijn op veroordeling van mogelijke verdachten. De inzet is dus het voor de rechter brengen van één sterke zaak cq van meerdere sterke zaken.
Het doel van dit strafrechtelijk traject -dat in oktober 1996 is ingezet- is te onderzoeken of de Delta-methode is misbruikt voor criminele doeleinden. Daarbij wordt het volgende concreet aangevat:
- Vaststellen of en zo ja in hoeverre overheidsambtenaren strafbare feiten hebben gepleegd;

- Strafrechtelijk aanpakken van een criminele informant (en diens eventuele organisatie) die kennelijk een dubbelspel heeft gespeeld ten nadele van de overheid;

- Het achterhalen van verdwenen geld;

- Een combinatie van bovenstaande.

Het zal duidelijk zijn dat in dit onderzoek veel vragen aan de orde komen die reeds in het rapport van de Rijksrecherche (Fort-onderzoek) zijn benoemd.
Het strafrechtelijk onderzoek wordt -onder gezag van de hoofdofficier van het Landelijk Parket- verricht door het Landelijk Recherche Team. In een aantal gevallen zijn er onderzoeksactiviteiten gaande bij de onderscheiden parketten die van belang zijn voor het LRT. Het uit deze activiteiten voortkomende materiaal wordt aan het LRT aangereikt.

Ik wil in dit verband niet verhelen dat het onderzoek moeilijkheden heeft gekend en op onderdelen nog steeds kent. Deze moeilijkheden hebben deels met juridische aspecten van doen maar deels ook met de beladen erfenis van het IRT-dossier. In een brief aan de Commissie-Kalsbeek ben ik daarop ingegaan . Ik constateer daarbij dat de voortgang van het onderzoek, met name in 1997 en een groot deel van 1998, gering is geweest. Vanaf het najaar 1998 is het College van Procureurs-generaal zich intensiever met de voortgang gaan bemoeien en is er meer vaart in het geheel gekomen. Ondanks de moeizame start is er toch op diverse fronten taktisch onderzoek gaande. Een tastbaar resultaat is daarbij de recente veroordeling van
'de Taartman.'
Ook in andere delen van het onderzoek zijn inmiddels strafvorderlijke stappen gezet. Zo is er een aanzienlijk aantal gerechtelijke vooronderzoeken geopend.
Het zal u duidelijk zijn dat ik in het belang van het onderzoek hierop niet erg diep kan en wil ingaan.
Aan het onderzoek werkt een vaste kern van twintig rechercheurs die op gezette tijden aangevuld kan worden met nog eens tien rechercheurs.

Volledigheidshalve vermeld ik nog dat ik kort na mijn aantreden het College en het landelijk parket heb gevraagd mij te informeren over de hoofdlijnen van het strafrechtelijk onderzoek. Bij deze gelegenheid (gehouden op 6 oktober 1998) werd gewag gemaakt van de voortgang van het hoofdonderzoek en van de diverse deelonderzoeken. Ook werd er op hoofdlijnen gesproken over de mogelijke parallel-import van cocaine in de periode 1991-1994.
Ook is kort stilgestaan bij een aantal kritische succesfactoren van het onderzoek..

Voorts hecht ik er aan om enige nuancering aan te brengen in het beeld dat de commissie schetst van het gesprek dat ik met collega Peper op 26 maart -op verzoek van de commissie -met enkele leden van de commissie had. Tijdens dit gesprek is ook over het post-Fort onderzoek gesproken.
De commissie uitte reeds haar bezorgdheid over een aantal aspecten, zonder al een totaal beeld op tafel te (kunnen) leggen. Ik heb vervolgens de nieuwe voorzitter van het College -zelf en via de secretaris-generaal van mijn departement- kort na zijn aantreden gewezen op het belang van het post-Fort onderzoek en erop aangedrongen dit persoonlijk op te pakken. Naar mij bleek was hij al nauw betrokken bij het dossier en had hij ook de coördinatie en de sturing vanuit het College reeds daadwerkelijk ter hand genomen.

Juist in de afgelopen maanden heeft het College van procureurs-generaal in zijn huidige samenstelling zich dan ook zeer indringend met het post-Fort onderzoek beziggehouden en geeft zij daadwerkelijk sturing aan het onderzoek. Gelet op de aard van het onderzoek en de noodzaak van het gezamenlijk optrekken van de meest betrokken parketten is die werkwijze van het College niet alleen juist maar ook noodzakelijk.

Zowel recent inzicht bij het College als het rapport hebben geleid tot de beslissing over een nieuwe structuur van het onderzoek en de samenstelling van het onderzoeksteam.
Doel hiervan is het onderzoek zoveel als mogelijk te versnellen en waar nodig verder te verbeteren. Dit alles met behoud van het einddoel om te komen met een of meerdere zaken die voor de rechter stand houden. Het spreekt vanzelf dat noch het Openbaar Ministerie noch ikzelf heil zien in het voorbrengen van zaken waarvan de bewijsvoering te wensen overlaat.

Hiermee maak ik de overstap naar de bevindingen van de commissie over de parallel-importen van cocaine, het (mogelijk) daarmee gepaard gaande gebruik van informanten en de (mogelijke) medewerking daarbij van overheidsfunctionarissen. De commissie noemt een getal van tenminste 15.000 kilo dat daardoor in de periode 1991-1994 Nederland binnen zou zijn gekomen en de commissie sluit voorts niet uit dat er nog steeds parallel-importen plaatsvinden.

Ik ben van mening dat het voor een beoordeling van dit vraagstuk goed is om onderscheid aan te brengen tussen:

- het tijdvak 1991 t/m 1994 en het tijdvak na 1994
- de aard van de cocaine-import
Bij de aard van de import hecht ik er voor een goed begrip aan de volgende drieslag te maken:

1. Parallel-importen van verdovende middelen met behulp van de Delta-methode (doorlaten van verdovende middelen met medewerking van politie en justitie);

2. De mogelijkheid dat in incidentele gevallen corruptie kan zijn voorgekomen cq nu nog zou voorkomen bij individuele overheids functionarissen, met als resultaat dat verdovende middelen in Nederland worden geimporteerd (import met corruptie);
3. Het binnenbrengen van verdovende middelen door criminelen zonder enige medewerking/betrokkenheid van overheidsfunctionarissen (criminele import)

Het onderscheid in de tijd is met name relevant voor de ad 1 genoemde Deltamethode. Bij het ad 2 genoemde is het onderscheid in de tijd niet relevant, zij het dat er voor 1994 sterkere aanwijzingen zijn dan erna.
Ik hecht er nadrukkelijk aan op te merken dat ik niet over concrete aanwijzingen beschik waaruit blijkt dat individuele overheidsfunctionarissen (bij bijvoorbeeld politie, douane of justitie) ook in het huidige tijdsgewricht betrokken zouden kunnen zijn bij invoer of doorvoer van verdovende middelen.

Over de criminele import kan in het verband van deze brief worden opgemerkt dat het hier een serieus probleem betreft, waarop de overheid zeer alert moet zijn.

Over de periode tot 1994 kan gezegd worden dat er inderdaad aanwijzingen van parallel-importen zijn. Dit is ook al geruime tijd (nazomer 1998) bekend bij zowel de meest betrokken parketten als bij het College.

Of er sprake is van 'harde feiten' is echter voor discussie vatbaar. Ik meen overigens dat die discussie weinig vruchtbaar is, omdat op dit moment het bewijs in juridische zin ontbreekt. Lopende onderzoeken zullen hopelijk daarin meer helderheid brengen. Dat wil uiteraard niet zeggen dat de juistheid van de constateringen van de commissie uitgesloten zou zijn.

Wat na een zorgvuldige inventarisatie van de gegevens wel duidelijk is geworden is dat er op dit moment geen duidelijke aanwijzingen zijn dat met behulp van de Delta-methode na 1994 nog parallel-importen plaatsvinden. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de mogelijke betrokkenheid van individuele overheidsfunctionarissen. Zoals ik reeds eerder stelde wordt ook deze strafrechtelijk onderzocht.

Vervolgens kom ik bij de bevindingen van de commissie over de 'pre-deal'. Die bevindingen en de daaraan gekoppelde oordelen van de commissie zoals beschreven in de laatste zin van bladzijde 197 en de eerste zin van bladzijde 198 ('De tegenprestatie van het OM, namelijk om niet te vervolgen voor feiten in het verleden begaan en de hem opgelegde straf niet te executeren, staan hiermee in geen verhouding') kan ik niet delen.
Noch is er sprake geweest van een deal in de zin van de vigerende richtlijn of van het bij uw Kamer in behandeling zijnde wetsvoorstel 'Toezeggingen aan getuigen in strafzaken', noch is er sprake van dat de straf van betrokkene niet geëxecuteerd zal worden. Evenmin is een toezegging aan de orde dat strafbare feiten uit het verleden niet vervolgd zullen worden.
Er is in dit geval sprake van de formalisering van afspraken die gewoonlijk aan iedere deal in eigenlijke zin voorafgaan, namelijk dat de potentiële getuige -die tevens (mede)verdachte dan wel veroordeelde is- inzicht geeft in de verklaring die hij bereid is af te leggen. Zo heeft het verantwoordelijke OM de mogelijkheid deze te toetsen aan de overige omstandigheden en aldus het waarheidsgehalte van de verklaring en de toegevoegde waarde in het kader van de bewijsvoering te toetsen. Pas daarna kan gesproken worden over eventuele strafvermindering in ruil voor een verklaring als getuige en pas dan is er sprake van een deal in de zin van het wetsvoorstel. De opschorting waarvan in dit geval sprake is, is binnen het ressort Amsterdam tot dusverre gebruikelijk beleid voor mensen die in het kader van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bij het Straatsburgse hof in beroep gaan én die niet preventief zijn gehecht.
Mocht het zover komen dat het OM het opportuun acht om met betrokkene een deal te sluiten dan zal deze voorgenomen deal vanzelfsprekend de reguliere weg van CTC en College doorlopen. Gelet op de implicaties in dit concrete geval is afstemming tussen College en mijzelf in casu ook aangewezen.

Wat tenslotte de conclusie en aanbevelingen van de commissie-Kalsbeek betreft ben ook ik van mening dat waar dat maar enigszins mogelijk is op afzienbare termijn verdere klaarheid moet worden geschapen en dat met name duidelijk moet worden wat de mogelijkheden zijn van de strafrechtelijke onderzoeken. Zoals hierboven gesteld is de aanpak van het post-Fort onderzoek op een aantal punten verbeterd. Het College zal onder zijn directe verantwoordelijkheid het onderzoek aansturen. Ik zal mij regelmatig door het College laten informeren en zo nodig het College van nadere instructies voorzien. Vanzelfsprekend ben ik bereid uw Kamer ook periodiek te informeren mits dat in vertrouwelijk overleg kan. Mijn reeds op 22 april aan de commissie Kalsbeek gedane aanbod herhaal ik derhalve gaarne.

De Minister van Justitie

17 jun 99 19:16

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie