Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Bijdrage RPF-fractie debat Wet Personenvervoer 2000

Datum nieuwsfeit: 19-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
GPV

26 456
WET PERSONENVERVOER 2000

bijdrage RPF-fractie (mede namens gpv-fractie)
19 juli 1999

Algemeen

De leden van de fracties van RPF en GPV hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel, dat een tamelijk ingrijpend karakter heeft. Het voorstel biedt niet alleen een wettelijke grondslag voor marktwerking in het openbaar vervoer, maar ook voor een verdere liberalisering van het besloten busvervoer. Daarnaast is uitgangspunt dat de decentrale overheden onder de werkingssfeer van de nieuwe wet een maximale vrijheid moeten hebben om het openbaar vervoer in hun gebied naar eigen goeddunken te organiseren. Deze leden constateren dat de minister erin is geslaagd een aantal hoofdelementen uit de rapporten van de Commissie Brokx en de daaruit voortvloeiende Kamerdebatten te vertalen in het voorliggende wetsvoorstel. Zij herinneren eraan dat de fracties van RPF en GPV een aantal van de in de beleidsnota Marktwerking in het regionaal openbaar vervoer verwoorde doelstellingen en uitgangspunten hebben onderschreven. In de debatten hierover hebben zij benadrukt dat marktwerking en decentralisatie nooit een doel op zichzelf kunnen zijn. Bovendien moet het rijk naar hun oordeel nadrukkelijk in beeld blijven om gestalte te geven aan een krachtig flankerend beleid. Hoe dan ook moet worden voorkomen dat concurrentie en decentralisatie van het mobiliteitsbeleid leiden tot verlies van samenhang in het OV-netwerk en daarmee tot verlies van het marktaandeel van het openbaar vervoer.

De discussies die de afgelopen jaren over deze materie hebben plaatsgevonden hebben geleid tot overeenstemming over een aantal uitgangspunten. De nadere invulling hiervan is uiteraard primair een zaak van de regering. De leden van de fracties van RPF en GPV realiseren zich dat bovengenoemde discussies de minister de ruimte hebben geboden om op een groot aantal onderdelen tot een nadere invulling te komen. Zij betwijfelen het of voor de door haar gemaakte keuzes in alle opzichten voldoende draagvlak bestaat in het parlement. Voor deze leden geldt in elk geval dat zij nog veel vragen hebben over de concrete invulling in dit wetsvoorstel en met verschillende onderdelen van het wetsvoorstel moeite hebben. Zij zijn met name beducht voor het feit dat het rijk zichzelf in diverse opzichten op grote afstand plaatst. In dit stadium willen zij de minister een groot aantal vragen voorleggen.

Het is deze leden overigens opgevallen dat in de stukken vrijwel geen aandacht wordt gegeven aan de opgelopen vertraging in het wetgevingstraject. Wil de minister de gevolgen hiervan in kaart brengen? Bij het onderdeel evaluatie komen deze leden op dit aspect nader terug.

Het advies van de Raad van State heeft geleid tot een groot aantal wijzigingen van het oorspronkelijk wetsvoorstel. De leden van de fracties van RPF en GPV hebben hiervan met instemming kennis genomen. Zij vragen zich echter af of het aangepaste wetsvoorstel niet opnieuw aan de Raad van State had moeten worden voorgelegd, mede gelet op de indrukwekkende lijst aanpassingen onder punt 14 van het nader rapport. De minister kan er toch niet van uit gaan dat de wijze waarop zij bovengenoemd advies heeft verwerkt automatisch leidt tot instemming van de raad? Heeft het vooruitzicht van verdere vertraging een doorslaggevende rol gespeeld bij de keuze om van een nieuwe adviesaanvraag af te zien?

De Raad van State gaat ervan uit dat het wetsvoorstel nogmaals ter advisering wordt voorgelegd, als de reactie van de Europese Commissie aanleiding geeft tot ingrijpende wijzigingen. Is de regering van plan dat inderdaad te doen? Wanneer kan naar verwachting de reactie van de Commissie tegemoet worden gezien?

De minister schrijft in de memorie van toelichting dat met dit wetsvoorstel geen bezuinigingsdoelstelling wordt nagestreefd. De leden van de fracties van RPF en GPV vragen hoe dit in het beleid precies wordt vertaald. Het is uiteraard toe te juichen dat verbeteringen niet leiden tot bezuinigingen, maar blijft het hierbij of wordt overwogen met name reizigersgroei te belonen met meer subsidie? Aansluitend informeren deze leden naar de stand van zaken rond de meerjarenafspraken over de exploitatiebijdragen, waarover in artikel 36 van het VERDI-convenant wordt gesproken. Zij verzoeken de minister in dit kader te reageren op de stelling van het IPO dat het hanteren van een budgettair plafond in de exploitatiebijdrage het effect van de marktwerking en prestatiebekostiging vermindert (zie brief IPO van 28 mei 1999).

De opbouw van het wetsvoorstel

De leden van de fracties van RPF en GPV constateren dat de nadere invulling van het beleid in een betrekkelijk groot aantal gevallen moet plaatsvinden door lagere regelgeving op rijksniveau en door de lokale overheden. Wat deze leden betreft verdient het in een aantal gevallen, waarvoor dit geldt, de voorkeur de materiële normen toch in de wet op de nemen. Als ervoor wordt gekozen de hoofdlijnen van de marktordening in de wet op te nemen en de uitwerking in lagere regelgeving te geven, dringt zich de vraag op in welke mate de invloed van het parlement op dit belangrijke beleidsterrein wordt beperkt. Is deze keuze ingegeven door de wens zo snel mogelijk te kunnen inspelen op gewijzigde marktontwikkelingen? Zo ja, is dat naar het oordeel van de regering voldoende rechtvaardiging voor het gedeeltelijk buitenspel zetten van het parlement?

De minister stelt dat in de toekomst kan worden bezien of regulering van de marktordening in aanvulling op de Mededingingswet nog steeds noodzakelijk is. De leden van de fracties van RPF en GPV hebben de indruk dat deze opmerking bijzonder voorbarig is. Waarom wordt deze optie nu genoemd, terwijl toch evident is dat de openbaar-vervoersmarkt een markt is met eigen kenmerken, waar een algemene wet als de Mededingingswet niet op toegesneden is?

De leden van de fracties van RPF en GPV stellen vast dat naast de nieuwe Wet Personenvervoer 2000 de huidige Wet Personenvervoer blijft bestaan, met het oog op de regelgeving betreffende het taxivervoer. Dit is naar hun oordeel een ongewenst situatie, die tot verwarring kan leiden en leidt tot onnodige regelgeving. Bovendien lijkt hiermee te worden miskend dat de taxi onderdeel uitmaakt van de OV-keten. Deze leden verzoeken de minister aan te geven waarom voor deze constructie is gekozen. Zij dringen erop aan de regelgeving betreffende het taxivervoer zo snel mogelijk te integreren in de Wet Personenvervoer 2000.

Besprekingen in het Overlegorgaan Personenvervoer

De minister acht het terecht van het grootste belang dat de betrokken partijen de tijd krijgen om tot een zorgvuldige afweging van de uitgewerkte voorstellen te komen. Hoe verhoudt dit uitgangspunt zich tot de moeite die de branche had met de tijd die ze kreeg om het wetsvoorstel te beoordelen? Naar het oordeel van de leden van de fracties van RPF en GPV dreigt hier de behoefte aan voortvarendheid ten koste te gaan van de zorgvuldigheid.

Toegang tot het beroep

De leden van de fracties van RPF en GPV hebben begrepen dat de per 1 januari 1998 gedecentraliseerde bevoegdheid tot het verlenen van openbaar vervoervergunningen weer op het centrale niveau wordt gelegd. Zij hebben begrip voor deze wijziging, maar vragen zich af of deze wijziging niet was te voorkomen. Was het achteraf gezien niet verstandiger geweest de vergunningverlening permanent bij het rijk te laten? Op het moment dat werd besloten tot decentralisatie van de vergunningverlening was toch al lang bekend dat de decentrale overheden concessieverlener zouden worden en dat de concessie de functie van marktregulerend instrument zou worden gegeven, in plaats van de vergunning?

Concessies openbaar vervoer

De regering stelt voor de bevoegdheid tot concessieverlening een vrij karakter te geven. Tegen een besluit tot concessieverlening kan op grond van artikel 96 beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Heeft dit college voldoende mogelijkheden om het besluit tot concessieverlening inhoudelijk te toetsen, vragen de leden van de fracties van RPF en GPV.

Met betrekking tot de geografische omvang van het aanbestedingsgebied stelt de minister dat hierover zonodig afstemming moet plaatsvinden tussen de betrokken bestuurlijke partijen. De leden van de fracties van RPF en GPV vragen wat er zal gebeuren als deze afstemming leidt tot onenigheid tussen de betrokken besturen. Heeft het rijk dan instrumenten om sturend op te treden? Het is mogelijk dat de concessieverlener binnen zijn territoriale gebiedsgrenzen verschillende concessiegebieden definieert. Hoe kan worden voorkomen dat hierdoor teveel versnippering optreedt? De Commissie Brokx ging nog uit van hooguit enkele tientallen concessiegebieden, maar als zelfs concessies per lijn mogelijk zijn kan dat wel eens oplopen tot over de honderd. Is de regering niet met deze leden van oordeel dat de risicos hierdoor evenredig kunnen toenemen? Concreet denken zij bijvoorbeeld aan het ontbreken van concessiehouders op tal van plaatsen na het verlopen van de concessieduur.

De leden van de fracties van RPF en GPV constateren dat de wet geen helderheid biedt over hoe moet worden omgegaan met vervoersconcessies waarin meerdere opdrachtgevers participeren. Zij hebben begrepen dat de wet geen ruimte biedt voor het verlenen van nationale concessies. Hoe staat de minister hier tegenover? Moeten concepten als Interliner afhankelijk worden gesteld van de bereidheid tot medewerking van aangrenzende concessieverleners?

De concessie geeft in principe het exclusieve recht op exploitatie binnen het domein van de concessie. De leden van de fracties van RPF en GPV vragen of in het voorliggende wetsvoorstel voldoende waarborgen zijn ingebouwd voor integraliteit van het OV-aanbod. Kan de minister nader onderbouwen waarom zij verwacht dat daarvan sprake zal zijn?

Deze leden herinneren er in dit verband aan dat zij in het verleden aandacht hebben gevraagd voor het aanbesteden per modaliteit. De concessieverlener kan besluiten het openbaar vervoer integraal aan te besteden. Grote aanbieders kunnen wellicht een integraal pakket aanbieden, maar daarmee worden kleinere aanbieders buitenspel gezet. Wil de minister hierop reageren? Voor de duidelijkheid stellen deze leden dat integraliteit in het concessiegebied wat hun betreft prioriteit heeft boven de belangen van kleinere marktpartijen.

Wil de minister ook ingaan op de toekomst van kleinere marktsegmenten, zoals het leerlingenvervoer? Wat zal er gebeuren als geen enkele onderneming reageert op de aanbesteding? Is voldoende rekening gehouden met een dergelijk scenario?

De leden van de fracties van RPF en GPV hebben er kennis van genomen dat twee busconcessies in één gebied kunnen worden aanbesteed. Zij informeren of dit wel in lijn is met het uitgangspunt concurrentie om de weg. Kan de minister verduidelijken onder welke omstandigheden de concessieverlener kan overgaan tot het verlenen van een nevengeschikte concessie en tot het verlenen van ontheffing van het verbod tot het verrichten van vervoer door niet-concessiehouders?

De memorie van toelichting is op het punt van de ontwikkelfunctie nog niet erg duidelijk. De keuze om deze functie bij de vervoerder te leggen lijkt logisch, omdat daar veel expertise aanwezig is. Wil de minister in dit verband reageren op de suggestie van de leden van de fracties van RPF en GPV om in de overgangsperiode te kiezen voor een mengvorm, waarbij de ontwikkelfunctie wordt ondergebracht in een soort ontwikkel-BV, waarin zowel overheid als bedrijfsleven participeren? Deze leden vinden los hiervan dat voor de toekomst voor een eenduidig model moet worden gekozen. Deelt de minister die opvatting?

De concessieduur bedraagt maximaal zes jaar. Naar het oordeel van de leden van de fracties van RPF en GPV is de keuze voor deze termijn goed te verdedigen. De wet biedt de mogelijkheid te kiezen voor een kortere looptijd. Is dat wenselijk en reëel? Te voorzien is dat veel concessiehouders zullen verzoeken om verlenging van hun concessie, met het oog op onder andere grote investeringen. De voorwaarden waaronder vrijstelling van de maximale termijn kan worden gegeven worden in artikel 23, tweede lid, genoemd. Kunnen de daar geformuleerde voorwaarden er niet toe leiden dat de concessieverlener snel bereid zal zijn tot vrijstelling over te gaan? Moet uit de toelichting op pagina 63 worden afgeleid dat een concessie maximaal 12 jaar geldig kan zijn? Zo ja, is een dergelijke termijn nog wel te rijmen met de beoogde marktwerking?

Implementatie en aanbesteding

De leden van de fracties van RPF en GPV zijn nog niet overtuigd van de juistheid van de voorgestelde implementatiestrategie. Een deel van het wetsvoorstel treedt op zijn vroegst in 2005 in werking. Blijkbaar zijn de uitkomsten van de tussentijdse evaluatie in 2003 hierbij én de beoordeling daarvan door regering en parlement van ondergeschikt belang. Waarom is er niet voor gekozen het eindbeeld te baseren op de resultaten van de evaluatie? De nu gekozen strategie doet de vraag rijzen welke status de beoogde evaluatie in 2003 precies heeft. In het verlengde hiervan informeren deze leden wat nu precies zal gebeuren als in een bepaald gebied in 2003 minder dan 35% is aanbesteed. Volgen er dan sancties in de richting van de concessieverlener?

Met ingang van 1 januari 2006 zou 35% van de omzet van al het openbaar vervoer dat door gemeentelijke vervoerbedrijven wordt verricht moeten worden aanbesteed. Waarom is voor die datum gekozen?

Het gemeentelijk vervoerbedrijf mag maximaal 50% meer vervoer in omzet in concessies verkrijgen, als voor aanbesteding wordt vrijgegeven van het eigen vervoer. De leden van de fracties van RPF en GPV zouden graag een nadere toelichting op dit voornemen krijgen.

Marktordening, mededinging en toezicht

Het is de leden van de fracties van RPF en GPV niet geheel duidelijk welke relatie de Wet Personenvervoer 2000 en de Mededingingswet hebben. Kan dit nader worden verduidelijkt? Is uitgesloten dat het naast elkaar bestaan van specifieke mededingingsrelevante regels in eerstgenoemde wet strijdig zijn met regelgeving in de Mededingingswet?

Positie van werknemers bij overgang van concessies

De leden van de fracties van RPF en GPV hebben er kennis van genomen dat de positie van het directe personeel in het voorliggende voorstel goeddeels is veiliggesteld. Vanuit sociaal oogpunt is dit goed te verdedigen. Bovendien lijkt hiermee een adequate invulling te zijn gegeven aan het advies van de Commissie Laan. Wel dringt zich de vraag op in hoeverre hierdoor de marktwerking wordt aangetast. Een substantieel deel van de kosten van bedrijfsvoering, ca. 70%, bestaat immers uit loonkosten. Het indirecte personeel kan onder omstandigheden bij concessiewisseling met ontslag worden geconfronteerd.. De leden van de fracties van RPF en GPV vragen de minister welke waarborgen er zijn dat er niet voortdurend conflicten zullen plaatsvinden over de rechtspositie van deze categorie werknemers. De minister werd tijdens de hoorzitting op 3 juni jl. door de vakcentrales verweten op het laatste moment te zijn afgeweken van het in de wet verwerken van afspraken die op rechtspositioneel gebied waren gemaakt. Wil de minister hierop reageren?

Positie van de reiziger

De leden van de fracties van RPF en GPV juichen het toe dat in de wet aandacht wordt gegeven aan de positie van de reiziger. De minister overweegt consumentenorganisaties bij de vaststelling van de dienstregeling meer invloed te geven. Bovengenoemde leden dringen er bij haar op aan de wet op dit punt aan te scherpen. Zij brengen in dit kader de suggestie van ROVER onder de aandacht. Deze organisatie stelt voor artikel 28 zodanig te wijzigen dat de adviezen van de consumentenorganisaties aan de vervoerder meer gewicht krijgen, bijvoorbeeld door te spreken van een gekwalificeerd advies. De vervoerder zou hiervan slechts beargumenteerd mogen afwijken (zie brief ROVER van 5 mei 1999). Wat vindt de minister van die suggestie? Aansluitend verzoeken deze leden de minister te reageren op het voorstel van ROVER om de vervoerder te verplichten een reizigershandvest te voeren, waarin staat wat hij de reizigers belooft en welke rechten reizigers daaraan kunnen ontlenen.

Nationale vervoersbewijzen en tarieven

De leden van de fracties van RPF en GPV hebben kennis genomen van het standpunt van de minister dat marktwerking in het regionale openbaar vervoer niet staat of valt met tijdige invoering van de chipkaart. Invoering van een landelijke kaart is op zn vroegst voorzien in 2002. De leden van de fracties van RPF en GPV maken zich zorgen over de ontwikkelingen op dit punt. Waarom kan deze kaart niet sneller gereed zijn? Overigens merkt de ANWB op dat deze chipcard bepaald niet zal leiden tot het aanbieden van een integraal product aan de reiziger (brief ANWB van 25 juni 1999). Kan de minister de ongerustheid die hierin wordt verwoord wegnemen?

De voorgestelde tariefdifferentiatie is een logisch gevolg van de decentralisatie. Op zich hebben deze leden daar geen moeite mee. Wel voorzien zij, zeker voorafgaand aan de totstandkoming van een landelijke kaart, overstapproblemen. Dit kan de positie van het openbaar vervoer sterk schaden. De leden van de fracties van RPF en GPV vinden het goed te verdedigen dat de minister voorlopig nog een dikke vinger in de tarievenpap houdt. Zij informeren in dit verband naar de huidige kortingsregeling voor ouderen. Zal deze categorie OV-gebruikers niet massaal afhaken als deze mogelijkheid verdwijnt?

Evaluatie

Naar de mening van de leden van de fracties van RPF en GPV ligt het voor de hand de evaluatie naar een later tijdstip te verschuiven, gelet op de latere inwerkingtreding van de wet. Het lijkt vanzelfsprekend dat een dergelijke verschuiving ook gevolgen zou moeten hebben voor de overige planning.

Artikelen

Artikel 1
De leden van de fracties van RPF en GPV informeren welke meerwaarde de woorden zo nodig onder de vermelding dat de plaatsen of tijdstippen door de reiziger kunnen worden beïnvloed in onderdeel g hebben.

Deze leden vragen waarom is afgezien van een definitie van het begrip collectief personenvervoer.

Volgens deze leden wordt in onderdeel h ten onrechte het openbaar vervoer over water niet genoemd.

Artikel 2
De leden van de fracties van RPF en GPV vinden dat de minister terecht een bepaling in de wet opneemt waarmee wordt beoogd carpoolen buiten de werkingssfeer van de wet te houden. Zij vragen zich echter af of de gekozen formulering in het derde lid niet te onduidelijk of complex is. Betekent dit voorstel in de praktijk bijvoorbeeld dat per geval moet worden bepaald of sprake is van carpoolen?

Artikel 3
De leden van de fracties van RPF en GPV hebben met instemming kennis genomen van het voorstel een experimenteerbepaling in de wet op te nemen. Zij hebben echter de indruk dat de minister onvoldoende tegemoet komt aan het kritische commentaar van de Raad van State op dit punt. Hoe denkt de regering concreet invulling te geven aan de zorgvuldige afweging waarop de Raad van State aandringt?

Artikel 6
De leden van de fracties van RPF en GPV hechten eraan dat in de wet zelf meer inhoudelijke criteria worden gegeven voor het toepassen van de bevoegdheid tot weigering, wijziging, schorsing of intrekking van een vergunning. Zij zouden het daarnaast op prijs stellen als de minister aangeeft onder welke omstandigheden van welk instrument gebruik kan worden gemaakt. Of wordt dat laatste geheel aan de decentrale overheden overgelaten?

Als een vergunning is geschorst of ingetrokken leidt dat ertoe dat in het concessiegebied voor bepaalde tijd geen openbaar vervoer meer wordt aangeboden. Voorziet het wetsvoorstel in dergelijke situaties? De leden van de fracties van RPF en GPV gaan ervan uit dat hoe dan ook altijd aanbod mogelijk moet zijn. Is het aanbieden van openbaar vervoer door een andere aanbieder zonder aanbesteding of concessie dan denkbaar?

Artikel 9
De leden van de fracties van RPF en GPV realiseren zich dat dit artikel nagenoeg ongewijzigd is overgenomen uit de huidige Wet Personenvervoer. Zij informeren niettemin onder welke omstandigheden ontheffing van vakbekwaamheid kan worden verleend.

Artikel 10
Het zou naar de mening van de leden van de fracties van RPF en GPV de duidelijkheid ten goede komen als in artikel 10 nader wordt aangegeven onder welke omstandigheden het verrichten van openbaar vervoer per trein kan plaatsvinden.

Artikel 14
De leden van de fracties van RPF en GPV hebben met instemming kennis genomen van het feit dat in de wet expliciete bepalingen over het reisinformatiesysteem zijn opgenomen. Zij gaan ervan uit dat wordt gestreefd naar de totstandkoming van een uniform landelijk reisinformatiesysteem. Kan de minister dat bevestigen?

Artikel 22
De leden van de fracties van RPF en GPV informeren of het tijdelijk neerleggen van de functie in voldoende mate de zuiverheid in de bestuurlijke verhoudingen garandeert. Op grond van dit artikel wordt het vervoerders onmogelijk gemaakt zitting te hebben in een concessieverlenend bestuursorgaan. Concreet komt dit er op neer dat vervoerders nooit meer lid kunnen worden van bijvoorbeeld Provinciale Staten. Is dit wenselijk, met het oog op de representativiteit van vertegenwoordigende organen?

Artikel 25
De leden van de fracties van RPF en GPV vragen de minister of niet in de wet moet worden opgenomen dat het rijk zonodig ingrijpt als de decentrale overheden er niet in slagen tot voldoende afstemming van de dienstregelingen te komen.

Artikel 33
De leden van de fracties van RPF en GPV verzoeken de minister meer duidelijkheid te verstrekken over de vraag wanneer het BW van toepassing is en wanneer de Wet Personenvervoer 2000 van toepassing is.

Artikel 39
Is het de bedoeling dat de concessieverlener niet tot intrekking van de concessie kan overgaan als sprake is van kennelijke overmacht bij de concessiehouder, zo vragen de leden van de leden van de fracties van RPF en GPV.

Artikel 40
Het vaststellen van het programma van eisen wordt overgelaten aan de concessieverlener. Vanuit de decentralisatiegedachte is deze keuze te billijken. De leden van de fracties van RPF en GPV vragen zich echter af of deze keuze niet zal kunnen leiden tot een enorme regionale kwaliteitsverschillen. Welke mogelijkheden heeft het rijk om minimumkwaliteit te garanderen? Vindt de minister het niet bezwaarkijk als uit de evaluatie blijkt dat de programmas per concessiegebied sterk verschillen?

Artikel 48
De leden van de fracties van RPF en GPV constateren dat het principe van nationale reciprociteit in de wet is opgenomen. Zij betreuren het dat de regering geen regels heeft opgenomen over internationale reciprociteit. Is dat in deze sector niet mogelijk? Als de mogelijkheid daartoe wél bestaat dringen deze leden er bij de regering sterk op aan hierover alsnog een artikel op te nemen. Als die mogelijkheid ontbreekt, wil de regering zich dan inspannen om op dit punt meer afstemming op EU-niveau te realiseren?

Artikel 76
De leden van de fracties van RPF en GPV vragen zich af of de berekening van de rijksbijdrage niet in de wet zelf moet worden vastgelegd. Op welke wijze wordt de Tweede Kamer in de voorgestelde systematiek nog betrokken bij de vaststelling van de rijksbijdrage?

Artikel 99
De leden van de fracties van RPF en GPV verzoeken de minister in te gaan op de mogelijkheid van schadeclaims van vervoerders, als concessieverleners eenzijdig contracten opzeggen. Als de decentrale overheden daarmee inderdaad worden geconfronteerd, is de minister dan bereid financieel bij te springen?

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie