Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Samenvatting SER advies flexibiliteit in leerwegen

Datum nieuwsfeit: 21-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
SER

Samenvatting Advies flexibiliteit in leerwegen

1. De adviesaanvraag

Op verzoek van het kabinet heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen mede namens zijn collega van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de raad bij brief van 26 november advies gevraagd over flexibiliteit in leerwegen in het secundair beroepsonderwijs. Kern van de adviesaanvraag is de zorg voor goed beroepsonderwijs dat aansluit op de (ontwikkelingen op) de arbeidsmarkt. Het kabinet geeft aan dat het secundair beroepsonderwijs worstelt met de vraag op welke wijze het instrumentarium effectiever en efficiënter kan worden ingezet teneinde een bijdrage te leveren aan de nog steeds gebrekkige aansluiting tussen arbeidsmarkt en onderwijs. In de toelichting op de adviesaanvraag wordt op drie typen knelpunten gewezen namelijk de kwalitatieve en kwantitatieve discrepanties op de arbeidsmarkt, het voortijdig (ongediplomeerd) schoolverlaten, en de hoge non-participatie bij de potentiële beroepsbevolking. De toenemende krapte op de arbeidsmarkt en de stijgende vraag naar personeel met een beroepsopleiding doet zich niet alleen voor bij hoger, maar ook bij middelbaar opgeleiden. Er is sprake van tekorten in vrijwel alle sectoren, maar het komt zeer pregnant in de techniek en in de gezondheidszorg tot uiting. Mede om die reden is aandacht in de BVE-sector voor het verhogen van de instroom en het rendement van nationaal belang. Flexibiliteit in leerwegen wordt in dit advies gezien als een van de instrumenten om hieraan bij te dragen.

De genoemde knelpunten op de arbeidsmarkt hebben eerder aanleiding gegeven tot de onderwijskundige en bestuurlijke vernieuwing die is vastgelegd in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). De WEB is per 1 januari 1996 in werking getreden en heeft ten doel meer samenhang te brengen in alle vormen van voortgezet (middelbaar) beroepsonderwijs en educatie(1). De onderwijskundige vernieuwing komt tot uitdrukking in een nieuw opleidingenmodel voor het leerlingwezen (nu beroepsbegeleidende leerweg, bbl) en het mbo-onderwijs (de beroepsopleidende leerweg, bol) met elk vier opleidingsniveaus. Er is één landelijke kwalificatiestructuur die uitgaat van leerwegonafhankelijke kwalificaties per niveau. Dat wil dus zeggen dat zowel in de bol als in de bbl dezelfde eindtermen gelden waardoor leerlingen onafhankelijk van hun keuze dezelfde kwalificatie kunnen behalen(2). Daarmee is de formele gelijkschakeling gerealiseerd tussen de duale en de voltijdse opleidingen. De bestuurlijke vernieuwing komt tot uitdrukking in de fusies van scholen tot regionale (en agrarische) opleidingscentra (ROC's en AOC's) en de daaraan gekoppelde aanpassing van de onderwijsorganisatie.
Met behoud van de vrijheid van bedrijven en instellingen om al dan niet leerplaatsen aan te bieden, de vrijheid van de deelnemer naar eigen inzicht een school en beroep te kiezen en vrijheid van de onderwijsinstellingen het onderwijs in te richten, biedt de WEB een opleidingenmodel waarin de leerling op basis van een centrale intake geplaatst kan worden in de opleiding van het juiste niveau van de beoogde leerweg. Beide leerwegen dienen door de onderwijsinstelling naast elkaar te worden aangeboden, niet als concurrerende mogelijkheden maar als didactische varianten.

Het kabinet meent dat de onderwijsvernieuwing op het niveau van de instellingen achterblijft bij de mogelijkheden en verwachtingen die door de invoering van de WEB zijn gecreëerd. Een tussentijdse bijstelling van de uitvoering van het beleid wordt wenselijk geacht. De adviesaanvraag is toegespitst op twee mogelijke invalshoeken namelijk de flexibiliteit in leerwegen en het stimuleren van werkend leren.

Bij de eerst genoemde invalshoek vraagt het kabinet zich af of flexibilisering van het aanbod, waaronder ook een tussentijdse overstap van de ene naar de andere leerweg wordt verstaan, een bijdrage kan leveren aan het oplossen van de gesignaleerde knelpunten. Het gaat concreet om de volgende vraag die het kabinet de raad ter advisering voorlegt: in hoeverre kunnen (andere) vormgevingsvarianten van beide leerwegen in het secundair beroepsonderwijs bijdragen aan het verbeteren van de aansluiting tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt?

In de tweede invalshoek kiest het kabinet, op grond van verschillende motieven voor versterking van de praktijkcomponent in het secundair beroepsonderwijs en een versterking van het werkend leren.

In hoofdstuk 4 van dit advies heeft de raad zich in den brede over beide invalshoeken uitgelaten. In hoofdstuk 5 is het antwoord van de raad geformuleerd op de concrete hem door het kabinet voorgelegde vragen. De raad is er zich van bewust dat (ook al gelet op de uitgangspunten van de WEB) zijn kanttekeningen veelal gericht zijn op de actoren in het veld. Dit laat onverlet de belangrijke voorwaardenscheppende rol die het kabinet heeft voor de vernieuwing van het secundair beroepsonderwijs.

2 Commentaar van de raad

2.1 Karakteristieken van de huidige situatie

Wens en werkelijkheid

De inhoudelijke en bestuurlijke vernieuwing van het secundair beroepsonderwijs is een complex proces dat vele jaren in beslag neemt. Steeds duiken knelpunten en dilemma's op die aangeven dat er nog een grote afstand is tussen wens en werkelijkheid. Een voorbeeld daarvan is de (beperkte) mate waarin de leerwegonafhankelijkheid van de kwalificatiestructuur is gerealiseerd. Gebleken is dat de wet op zichzelf genomen voldoende mogelijkheden biedt om de gewenste organisatorische en inhoudelijke onderwijsvernieuwing te realiseren. Wel kan het als een dilemma worden ervaren dat de WEB weinig mogelijkheden biedt om op gewenste beleidsveranderingen te sturen omdat de wet (te) veel overlaat aan de mate waarin actoren zelf met initiatieven komen.

Twee leerwegen

De raad constateert dat nog slechts 45 procent van het totale aantal kwalificaties in beide leerwegen wordt aangeboden. Hij bepleit dat de LOB's duidelijk aangeven waarom en op grond van welke criteria een kwalificatie niet in beide leerwegen wordt aangeboden. Daardoor ontstaat inzicht in de vraag of de gelijkwaardigheid van beide leerwegen in de praktijk op alle niveaus en voor elke kwalificatie goed invulbaar is. Het gaat hier om een belangrijk aandachtspunt dat in het kader van de komende evaluatie van de WEB (in 2001) aan de orde dient te komen.

De verschillen tussen bol en bbl zijn in onderstaand schema samengevat.

Schema - Verschil tussen bol en bbl in hoofdlijnen

bol bbl
praktijkcomponent (pc) 20%pc<60% pc60%
les/cursusgeld lesgeld 1775 gulden cursusgeld 368/894 gulden(3) rechtspositie deelnemer leerling/stagiair werknemer/leerling inkomensregeling studiefinanciering loon
status deelnemer additioneel aan personeelsbestand productief, deel van personeelsbestand

De landelijke kwalificatiestructuur

De landelijke kwalificatiestructuur wordt gevormd door het geheel van op eindtermen gebaseerde kwalificaties en deelkwalificaties. Omdat de eindtermen worden geformuleerd door de landelijke organen vormt de kwalificatiestructuur bij uitstek het instrument om de afstand tussen onderwijs en arbeidsmarkt te overbruggen. Tijdige vernieuwing van de kwalificatiestructuur is daarbij van eminent belang. In het SER-advies Versterking secundair beroepsonderwijs(4) is ingegaan op het belang om sleutelkwalificaties (of kerncompetenties) in de eindtermen op te nemen, onder meer omdat daarmee de employability van de beroepsbeoefenaar is gediend. Daarmee is ervoor gekozen de beroepsopleidingen te richten op toekomstgerichte kwalificaties, die met het niveau in breedte en duurzaamheid toenemen. Afgestudeerden kunnen zich daardoor flexibel opstellen op de arbeidsmarkt. Veel hangt af van de wijze waarop actoren (de LOB's, de COB's en de BTG's van de onderwijsinstellingen) bij het proces betrokken zijn en samenwerken om ervoor te zorgen dat de eindtermen adequaat in de opleidingsprogramma's terugkomen. De raad onderschrijft de gedachte van een dergelijke 'ketenverantwoordelijkheid' voor het proces van onderwijsvernieuwing en meent dat de samenwerking ertoe leidt dat de verschillende stappen op de weg van beroepsprofiel, via de eindtermen naar de toetsing van het leerresultaat, meer samenhang en consistentie vertonen.
Verbetering van de samenwerking is onder meer onderdeel van de strategie van het COLO, de vereniging van landelijke organen. Van belang is dat de landelijke organen streven naar een gezamenlijke methodologie voor de verdere ontwikkeling van de kwalificatiestructuur. De raad beveelt aan op deze ingeslagen weg door te gaan en daarbij uit een oogpunt van doorstroming de samenhang van de kwalificatiestructuur met de onderwijsomgeving van het secundair beroepsonderwijs (de educatie, het vmbo, het hbo) sterk te verbeteren.

De bekostiging

Vanaf het jaar 2000 zal de bekostiging zijn gebaseerd op een verdeelmodel waarbij het macrobudget voor 80 procent aan de instellingen wordt toegekend op grond van de input en voor 20 procent op grond van de output. De verdeling is met dien verstande dat het inputbedrag voor een bol-leerling groter is dan voor een bbl-leerling namelijk in een verhouding 1 op 0,35. De outputbekostiging per leerling is voor beide leerwegen gelijk: de diploma's van beide leerwegen tellen dus even zwaar.
Voor de raad geldt als uitgangspunt dat de bekostiging de doelstelling van versterking van het lerend werken niet in gevaar brengt en daarmee samenhangend, dat bekostigingsverschillen geen aanleiding geven tot oneigenlijke gedrag van de instellingen bij de centrale intake en doorverwijzing. Idealiter is de bekostiging in overeenstemming met de inspanningen die de school voor de bbl- en bol-leerling dient te verrichten en de kosten die daarvoor moeten worden gemaakt. Dat is moeilijk verifieerbaar omdat daartoe de noodzakelijke managementinformatie ontbreekt. De raad beveelt aan de benodigde informatiesystemen te ontwikkelen en verder uit te bouwen.

2.2 Flexibiliteit in leerwegen

Achter het begrip flexibiliteit in leerwegen gaan verschillende betekenissen schuil. In het kader op p. 10 zijn de verschillende vormen van flexibiliteit weergegeven.

De raad meent dat er altijd sprake moet zijn van responsiviteit en transfer. Dit betekent dat het stelsel in staat zal moeten zijn effectief te reageren op veranderende omstandigheden en dat het stelsel opleidt tot beroepsbeoefenaren die in staat zijn opgedane kennis en ervaring in nieuwe en verschillende situaties (beroepsmatig) handelend toe te passen. Responsiviteit en transfer zijn belangrijke kenmerken van de kwalificatiestructuur. Daarnaast meent de raad dat organisatorische, didactische en programmatische flexibiliteit belangrijke instrumenten zijn in handen van het management van ROC's en AOC's om responsiviteit tot uitdrukking te brengen in onderwijsvernieuwende maatregelen en om maatwerk te kunnen leveren. De mogelijkheden daartoe dienen ruim aanwezig te zijn, de toepassing ervan is ten principale ter beoordeling van de onderwijsinstellingen. De raad wijst erop dat binnen de toegepaste vormen van flexibiliteit de samenhang tussen de beide leerwegen niet uit het oog mag

Vormen van flexibiliteit

In een systeembenadering van het onderwijs wordt flexibiliteit zowel betrokken op de input (in dat geval wordt gesproken van institutionele flexibiliteit of responsiviteit), op de output (in dat geval wordt gesproken van transfervermogen of employability) en op het onderwijsproces zelf. In het laatste geval, waarbij het vooral gaat om de inrichting van het onderwijs op instellingsniveau zijn verschillende vormen van flexibiliteit tegelijkertijd aan de orde. Gesproken wordt van leerwegdifferentiatie om aan te geven dat binnen de kwalificatiestructuur meerdere leerwegen tot het zelfde doel kunnen leiden. Daarnaast bestaat de mogelijkheid van 'fine-tuning' binnen het onderwijsproces door middel van organisatorische, didactische en programmatische flexibiliteit. Deze vormen van flexibiliteit hebben vooral de functie om maatwerk te kunnen leveren.

Responsiviteit kan worden omschreven als 'het vermogen om op een efficiënte en effectieve manier handelend te anticiperen en te reageren op veranderende omstandigheden'.


worden verloren, zodat de overstap tussen beide leerwegen, in de praktijk doorgaans van bol naar bbl, wordt bevorderd in plaats van belemmerd. Inhoudelijke afstemming van beide leerwegen kan door de instellingen worden aangevuld met maatregelen die de programmering en organisatie van het opleidingsproces raken (zoals flexibele in- en uitstroom, vrijstellingen en nevenschakelingen om achterstanden in te halen, modulering en certificering). Daarnaast kan uitval worden voorkomen door de overstap tussen leerwegen te begeleiden door middel van specifieke tussenschakels. Een tussenschakel kan bestaan uit een of meer organisatorische voorzieningen. Een dergelijke tussenschakel vraagt om flexibele omstandigheden omdat er individueel maatwerk moet worden geleverd.
Meer flexibiliteit in het onderwijsleerproces vereist een andere set van rollen van docenten en leerlingen en meer procesbegeleiding. Om hen daartoe in staat te stellen zullen ook de
(na)scholingsmogelijkheden voor docenten navenant moeten worden ingericht en verruimd.

Genuanceerd oordeelt de raad over de mogelijkheid van leerwegdifferentiatie. Leerwegdifferentiatie houdt in dat binnen de kaders die de wet stelt (bijvoorbeeld met betrekking tot de omvang van de praktijkvariant) gezocht wordt naar andere combinaties en verhoudingen van theorie en praktijk en naar een andere organisatorische vormgeving (bijvoorbeeld eerst twee jaar bol, daarna één jaar bbl, zoals in het zogenoemde successieve model van de horeca).

De raad is er niet voor de flexibiliteit binnen de leerwegen al te sterk te zoeken in een differentiatie van leerwegen puur op basis van een aanpassing in de verhouding tussen het percentage beroepspraktijkvorming en het percentage theoretisch binnenschools onderwijs. Indien varianten binnen beide leerwegen meer op elkaar gaan lijken zal er vaker sprake zijn van inefficiënte doublures en kan gemakkelijker verdringing optreden in sectoren waar substitutie mogelijk is. De raad is er voorstander van dat (met behoud van de twee duidelijk omschreven leerwegen) maatwerk wordt geleverd ten behoeve van een duidelijke behoefte op de sectorale arbeidsmarkt of ten behoeve van deelnemers die dat nodig hebben en waarbij een eventuele overstap tussen beide leerwegen zonder veel extra inspanningen kan worden gehonoreerd. Dit betekent niet dat de raad experimenten met combinatievarianten of tussenopleidingen afwijst. Doorslaggevend dient de vraag te zijn of daardoor voor individuele leerlingen een betere leerroute ontstaat (waardoor ook het intern rendement kan verbeteren). De raad denkt daarbij aan sectorspecifieke oplossingen, waaraan ook een duidelijk gearticuleerde arbeidsmarktbehoefte bestaat. Daarnaast meent de raad dat er een goed coördinatiemechanisme en een netwerk nodig is in de sector om combivarianten met succes te kunnen uitvoeren, onder meer om het risico weg te nemen dat in de overgang tussen de bol naar de bbl tijd verloren gaat door de afwezigheid van een beroepspraktijkvormingsplaats. De raad ziet derhalve veel in het COLO WEB-net om vraag en aanbod dichter bij elkaar te brengen. In dat verband wijst de raad erop dat de ontwikkelingen van bol en bbl, alsmede de verhouding tussen beide leerwegen van sector tot sector verschillen. Die verschillen verwijzen naar de bestaande opleidingstradities, verschillen in wervingsstrategieën, het gemiddelde opleidingsniveau in branches en sectoren, de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelingen op deelarbeidsmarkten enzovoort. De oplossing van specifieke problemen zal daarom veelal een sectorspecifieke aanpak vragen. Dat geldt zeker ook voor het antwoord op de vraag naar de mate waarin flexibilisering van het aanbod een manier is om aan de door het kabinet gesignaleerde problemen tegemoet te komen.

Flexibiliteit in leerwegen heeft niet alleen betekenis voor de jongste categorie leerlingen binnen het secundair beroepsonderwijs. Steeds vaker zullen werkenden en werkzoekenden een beroep doen op de scholings- en opleidingsmogelijkheden van het regulier onderwijs. De raad wil alle partijen die betrokken zijn bij de vormgeving van het onderwijsaanbod oproepen om voor hen die nog niet over een basiskwalificatie beschikken, flexibele trajecten te starten in de bbl. Hij ziet mogelijkheden voor aansluiting met bestaande regelingen bij gemeenten en Arbeidsvoorziening en met afspraken in sectoren.

2.3 De beroepspraktijkvorming: het werkend leren

Werkend leren in de bbl dient gelijkwaardig te zijn aan het volgen van voltijdsonderwijs in de bol. In de praktijk moet de gelijkwaardigheid van de opleiding tot uitdrukking komen in vormgeving en kwaliteit van het primaire proces. Het opleiden op de werkplek houdt in dat bepaalde eindtermen in de praktijk moeten worden geleerd. Dit leren staat in dienst van het realiseren van het opleidingsdoel. Aan de werk- of stageplek mogen dus hoge eisen worden gesteld.

De WEB stelt onder meer eisen met betrekking tot de begeleiding van de leerling vanuit de school. De indruk bestaat dat het daaraan in hoge mate ontbreekt. Onderwijsinstellingen hebben problemen met de inhoudelijke structurering van de beroepspraktijkvorming ('wat moet waar wanneer geleerd worden') en met de leertrajectbegeleiding van de leerlingen in de bbl.

Het streven moet er daarom op gericht worden dat de beroepspraktijkvormingsplaats een effectieve leeromgeving wordt waarin duidelijk omschreven leerdoelen kunnen worden gerealiseerd. Een goede aanzet daartoe vormt het strategisch actieplan van COLO waarin de landelijke organen op basis van een minimumnorm streven naar een groeimodel (met tussen sectoren verschillende snelheden) voor de kwaliteitsbevordering van beroepspraktijkvormingsplaatsen. Daarbij wordt gestreefd naar gezamenlijke basiseisen en gemeenschappelijke criteria voor de accreditering van beroepspraktijkvormingsplaatsen. Een belangrijke rol moet worden toebedacht aan de praktijkleermeester en de school (en aan de contacten tussen beiden). Scholen moeten hun verantwoordelijkheid nemen voor de begeleiding van leerlingen op de werkplek en erop toezien dat bepaalde eindtermen worden gerealiseerd. Scholen dienen daartoe (in de persoon van een contactdocent) met regelmaat overleg te voeren met de praktijkleermeester van de erkende bedrijven, die verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de werkplek als leerplek.

Binnen het kader van de wettelijke taak van de landelijke organen om de kwaliteit van de leerbedrijven in de bbl te bewaken dienen de praktijkleermeesters periodiek te worden bijgeschoold. De fiscale faciliëring van de praktijkleermeester conform de scholingsaftrekregeling (extra belastingaftrek van bedrijfsinvesteringen in scholing) zou daarbij een goede ondersteunende maatregel zijn.

Niet iedere werkplek zal over voldoende oefenmogelijkheden beschikken. Daarom moet de aandacht zich naast bevordering van leermogelijkheden bij individuele leerbedrijven zich tevens richten op de ontwikkeling van gemeenschappelijke opleidings- en scholingspools in en van de sector, om voldoende kwalitatief hoogwaardige
beroepspraktijkvormingsplaatsen te kunnen bieden. Daardoor kan tevens het hoofd worden geboden aan seizoensgevoelige bedrijvigheid en conjuncturele schommelingen en de toegenomen flexibiliteit in arbeidsrelaties. Tevens kunnen gemeenschappelijke opleidings- en scholingspools de leegloop opvangen die soms optreedt bij de overgang tussen twee bedrijven of bij de aanvang van de bbl. Zij kunnen voorzien in specifieke oefenmogelijkheden in de praktijk en inhaken op de mogelijkheden die de praktijkcomponent biedt om kennis te maken met de meest moderne apparatuur. In voorkomende gevallen kan het in sommige sectoren, afhankelijk van de eindtermen die moeten worden gehaald, een oplossing zijn om delen van de opleiding in de vorm van 'levensechte simulaties' aan te bieden. Met de instelling van gemeenschappelijke opleidings- en scholingspools zijn additionele stichtings- en exploitatiekosten (opvang leegloop) gemoeid. De raad meent dat van de WVA, op grond waarvan werkgevers die leerlingen in dienst nemen, kunnen rekenen op een afdrachtskorting, een onvoldoende stimulans uitgaat om sectorale opleidingspools in stand te houden of te ontwikkelen.

2.4 Overige aanbevelingen van de raad

De raad heeft zich in zijn aanbevelingen tot nu toe vooral gericht op de twee belangrijkste invalshoeken in de vraagstelling: flexibiliteit in leerwegen en bevordering van werkend leren. Daarbij is het vooral van belang dat partijen in het veld (de actoren) bereid zijn hun verantwoordelijkheid te nemen en in samenwerking de doelstellingen van de WEB realiseren. Een algemeen aspect is daarbij van bijzonder belang. Het proces van onderwijsvernieuwing komt op gang en belangwekkende nieuwe richtingen worden ingeslagen. Dat betekent dat in de vorm van best practises een schat aan informatie vrijkomt die een voorbeeldfunctie kan vervullen. In het verlengde hiervan bepleit de raad de ontwikkeling van 'bench marking' waardoor de belangrijkste actoren in het veld kunnen leren van de prestaties van anderen. Bezien naar de verschillende actoren heeft de raad de navolgende aanvullende kanttekeningen en aanbevelingen. Daarbij zal aan het eind van deze paragraaf aandacht worden gevraagd voor een aantal aandachtspunten waaraan sociale partners (voornamelijk op het niveau van branches en bedrijfstakken) een bijdrage kunnen leveren.

Landelijke organen beroepsonderwijs

De LOB's hebben gezamenlijk, onder regie van het COLO een proces van kwalitatievevernieuwing ingezet. Deze nieuwe strategie levert een belangrijke bijdrage aan het scheppen van samenhang in de activiteiten van de verschillende actoren en draagt, omdat ook kwalitatief de lat een stuk hoger is gelegd, sterk bij aan de oplossing van veel van de gesignaleerde knelpunten. Het COLO streeft naar een versterking van de kwalificatiestructuur en een verbetering van de beroepspraktijkvorming. Een belangrijk element in het kader van dit advies is voorts het voornemen van het COLO om de differentiatie van leerwegen scherper in dienst te stellen van de optimale ontwikkeling van leerlingen en een optimale aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. De raad plaatst daarbij de volgende kanttekeningen. 1. De raad meent dat in de ontwikkeling van eindtermen naar onderwijsprogramma's de landelijke organen ertoe bijdragen dat de transparantie van de kwalificatiestructuur en de herkenbaarheid ervan voor de beroepsuitoefening in sectoren behouden blijven. 2. Bij de totstandkoming van de eindtermdocumenten is het van belang dat deze leerwegonafhankelijk worden geformuleerd, zodat het vanuit de kwalificatiestructuur mogelijk en gemakkelijk wordt gemaakt dat leerlingen (zonder belemmeringen) van bol naar bbl overstappen. 3. Om de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te kunnen vertalen naar nieuwe beroepsprofielen en eindtermen is het van belang dat LOB's beschikken over een goede arbeidsmarktmonitor.
4. De kwaliteitsverhoging die de landelijke organen in het Strategisch actieplan nastreven onder meer met betrekking tot de beroepspraktijkvormingsplaatsen kan mede ten dienste staan van de verantwoordelijkheid van ROC's en AOC's voor de leerling tijdens de beroepspraktijkvorming zodat de inhoudelijke samenhang tussen het leren op de beroepspraktijkvormingsplaats en het leren op school wordt versterkt. Daarbij is tevens van belang dat landelijke organen en onderwijsinstellingen (bijvoorbeeld via de BTG's) regelmatig met elkaar overleggen.
5. De landelijke organen hebben in hun relatie met de bedrijfstakken en leerbedrijven een rol bij de ontwikkeling van effectieve leer/werkomgevingen, onder meer door deskundigheidsbevordering en te stellen kwaliteitseisen aan de praktijkleermeester. Waar nodig kunnen zij in samenwerking met andere betrokken partijen een rol spelen bij de stimulering van gemeenschappelijke opleidings- en scholingspools. 6. Een goede matching van de vraag naar en het aanbod van beroepspraktijkvormingsplaatsen is van groot belang. De landelijke organen hebben hiertoe in COLO-verband tot de verdere ontwikkeling van het COLO-WEBnet besloten. Hierdoor kunnen fricties bij de overstap van school naar beroepspraktijkvorming worden voorkomen.

De regionale opleidingscentra

De WEB heeft door schaalvergroting een belangrijk proces van institutionele en organisatorische vernieuwing op gang gebracht. De resultaten daarvan zijn indrukwekkend. Het proces van inhoudelijke vernieuwing en de ontwikkeling van beheersinstrumenten komt nu op gang. De raad meent dat een inhoudelijke sprong voorwaarts nu voorrang verdient. De volgende aanbevelingen kunnen daarbij behulpzaam zijn. 1. Randvoorwaarde voor een flexibele interne organisatie van ROC's en AOC's is dat er sprake is van een goede stroomlijning van administratieve procedures zowel met betrekking tot de bol als met betrekking tot de bbl.
2. Een belangrijk knelpunt betreft het gebrek aan inzicht in de feitelijke gang van zaken. Zo is er weinig zicht op leerlingstromen en rendementsgegevens. Het ontbreekt vaak aan goede leerlingvolgsystemen en door de gebrekkige kwaliteit van de eindexamens is moeilijk te meten of de afgestudeerden een behoorlijk niveau hebben. Door invoering van een onderwijsnummer valt te verwachten dat de informatievoorzienig in de toekomst op dit punt beter verloopt. 3. Tussen toegankelijkheid en kwalificatie bestaat een spanningsveld. Veel onderwijsinstellingen proberen dat spanningsveld op te lossen door meer aandacht te besteden aan de intakeprocedure. Eventueel wordt voor de deelnemer een assessmentprocedure gestart, of een toeleidingstraject gemaakt (al dan niet via een gemeenschappelijke opleidings- en scholingspool) ten behoeve van de plaatsing in de bbl. Op deze wijze komt de verantwoordelijkheid van het ROC voor de aansluiting tussen de educatie en secundair beroepsonderwijs tot uitdrukking, alsmede de verantwoordelijkheid voor het creëren van doorlopende leerwegen.
4. Met name voor risicoleerlingen is een goede afstemming tussen het secundair beroepsonderwijs en de educatie van belang. Naast individuele begeleiding is een van de mogelijkheden om voor risicoleerlingen binnen de bestaande structuur een goede opvang te realiseren, het aanbieden van maatwerk.
5. Ook in relatie met meer flexibiliteit binnen leerwegen en in relatie met 'een leven lang leren' is certificering een aantrekkelijke optie, zodat vrijstellingen mogelijk worden met inachtneming van de kwaliteitseisen. Het beleid gericht op de assessment en erkenning (i.c. kwalificering en certificering) van elders verworven competenties (EVC's) zal daardoor makkelijker uitvoerbaar zijn. 6. Flexibiliteit en differentiatiemogelijkheden binnen leerwegen kunnen worden bevorderd door toepassing van didactische varianten als zelfstandig leren, probleemgestuurd leren, open leren tot en met het ontwerpen van nieuwe effectieve leeromgevingen. Daarbij moet gepoogd worden ICT-toepassingen als hulpmiddel te integreren in nieuwe ontwikkelingen (electronic performance support systems, waarmee de leerfunctie kan worden ingebouwd in de werkfunctie). Op dit gebied is het van belang aan best practises ruime bekendheid te geven. 7. Een knelpunt dat ligt in de relationele sfeer is de vooralsnog geringe betrokkenheid van veel onderwijsinstellingen op het regionale/lokale bedrijfsleven. Wellicht als gevolg daarvan is er binnen de ROC's nog steeds sprake van een verregaande scheiding tussen bol- en bbl-trajecten, zowel qua locaties als qua docententeams. Samenhang tussen leerwegen veronderstelt overleg en samenwerking tussen bbl- en bol-docenten binnen de onderwijsinstelling in plaats van de nu nog kenmerkende segmentatie.
8. De onderwijsinstellingen staan voor de uitdaging meer flexibiliteit in organisatorische, didactische en programmatische zin in beide leerwegen in te bouwen. Meer flexibiliteit in beide leerwegen betekent dat onderwijsinstellingen organisatorische vernieuwingen zullen moeten doorvoeren. Zo kan bijvoorbeeld het werken in blokken in de bbl (bijvoorbeeld een week fulltime school na vier weken fulltime werk) voor bepaalde branches een oplossing zijn. Verder moet worden onderzocht in hoeverre theoretische vakken door middel van afstandsonderwijs kunnen worden vormgegeven.
9. Onderwijsvernieuwing en maatwerk betekenen voor het ROC-management en de docenten een extra belasting. Toch is het nodig structurele aandacht te schenken aan onderwijsinnovatie. Deze aandacht kan ertoe bijdragen dat in de stroom van organisatorische aanpassingen aan veranderende omstandigheden (modulering, differentiatie van leerwegen) het aspect van inhoudelijke onderwijsvernieuwing niet verloren gaat. Dit vraagt om een consistente en inhoudelijk gemotiveerde bestuursvisie waardoor in meer algemene zin teams van docenten worden begeleid en aangestuurd.
10. De onderwijsinstellingen voor het secundair beroepsonderwijs dienen er aan bij te dragen dat tussen educatie en secundair beroepsonderwijs doorlopende leerroutes ontstaan.

De deelnemers

1. Voor de deelnemers is een goede studie- en beroepskeuzevoorlichting van groot belang. Het helpt uitval te voorkomen. Dit aspect speelt (al ver) voor en tijdens de loopbaan in het secundair beroepsonderwijs. 2. De verantwoordelijke docenten (of schooldecanen) dienen leerlingen en studieafhakers sterker te confronteren met de mogelijkheden die er in het bedrijfsleven liggen voor bbl-trajecten of 'training on the job'.
3. Deelnemers kunnen door een goede studie- en beroepskeuzebegeleiding (door reflectie) meer inzicht in de eigen situatie ontwikkelen en daarvoor verantwoordelijkheid ontwikkelen. Zij zijn daardoor ook beter in staat om in maatwerktrajecten te presteren.
4. De raad beveelt aan dat sociale partners op korte termijn zoeken naar een oplossing voor de (overigens beperkte groep) deelnemers in de beroepsbegeleidende leerweg die geen arbeidsovereenkomst hebben, noch een studiekostenvergoeding krijgen uit anderen hoofde. 5. Voor werkenden en werkzoekenden zal het beleid gericht op de assessment en erkenning van EVC's een effectieve en efficiënte deelname mogelijk maken.
6. Voor werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie heeft de overheid een financiële verantwoordelijkheid. Overwogen moet worden aan deze overheidsverantwoordelijkheid vorm en inhoud te geven ten behoeve van specifieke opleidingstrajecten voor deze categorieën.

Het leerbedrijf
1. Het leerbedrijf zal aan een aantal kwaliteitseisen moeten voldoen om aantrekkelijk te zijn en te blijven voor leerlingen. 2. Met het toegenomen belang dat wordt gehecht aan werkend leren komt meer nadruk te liggen op de condities die door leerbedrijven worden gecreëerd om te komen tot effectieve beroepspraktijkvormingsplaatsen. Door de inrichting van de werkplek kunnen leerbedrijven een bijdrage leveren aan de competentieontwikkeling van de werknemer. Bovendien kunnen zij de condities creëren voor een goede begeleiding, zowel voor de contactdocent van de school als voor de praktijkleermeester (onder meer door hem begeleidings- en beoordelingstijd ter beschikking te stellen).
3. Werkgevers kunnen een belangrijke invloed uitoefenen op de motivatie van deelnemers in het beroepsonderwijs (en hun ouders) door helder aan te geven welke diploma's voor de uitoefening van functies nodig zijn.
4. De motivatie van leerlingwerknemers speelt ook op een andere manier een belangrijke rol. Werkgevers dragen, door (met enige regelmaat) de poort open te stellen voor aspirantwerknemers en docenten, bij aan een goede beeldvorming met betrekking tot de beroepspraktijk. In de praktijk zijn er tal van voorbeelden van dit beleid (open dagen, kijkdagen, demonstraties, snuffelstages, vakantiewerk enzovoort) die navolging verdienen.

De overheid

Naast de bevindingen van de raad met betrekking tot het opleidingenmodel en de bekostiging zijn de volgende aspecten voor het overheidsbeleid van belang:
1. De overheid moet meer greep krijgen op het probleem dat globale sturing van autonome onderwijsinstellingen niet vanzelf leidt tot realisering van de doelstellingen (onder meer met betrekking tot het gewenste kwaliteitsniveau).
2. In de komende evaluatie van de WEB vormen de handhaving en de gelijkwaardigheid van beide leerwegen, de kwaliteitsbewaking alsmede de voorlichting over beide leerwegen belangrijke aandachtspunten. In het algemeen en vooral onder risicogroepen is de bekendheid met de mogelijkheden van het stelsel gering. Dit vraagt om een krachtig informatie- en voorlichtingsbeleid.
3. De overheid dient de samenwerking tussen ROC's en AOC's en LOB's en leerbedrijven te stimuleren en te faciliteren. In het kader van de ketenverantwoordelijkheid is de autonomie van partijen begrensd. Tegelijkertijd moet de verantwoordelijkheidsverdeling tussen partijen helder zijn.
4. De overheid dient actief corrigerend op te treden indien de kwaliteitszorg bij onderwijsinstellingen systematisch achterblijft bij de gestelde doelen.
5. De overheid dient de introductie van het onderwijsnummer en de ontwikkeling van leerlingvolgsystemen te stimuleren en te faciliteren en te garanderen dat aldus voor het beleid en voor de deelnemers een betrouwbaar en bruikbaar informatiesysteem ontstaat. 6. Na de invoering van de nieuwe bekostigingssystematiek dient onderzocht te worden of er voldoende financiële stimulans zit in de bekostiging van de bbl en dat binnen ROC's en AOC's doorverwijzing op oneigenlijke gronden niet plaatsvindt.
7. De overheid dient erop toe te zien dat het beroepsonderwijs en de educatie sterker gericht zijn op de gezamenlijke ontwikkeling en uitvoering van doorlopende kwalificerende trajecten ten behoeve van risicoleerlingen.
8. De overheid heeft een specifieke ondersteunende taak als het er om gaat de toepassing van nieuwe didactische varianten te stimuleren zoals zelfstandig leren, probleemgestuurd leren, open leren tot en met het ontwerpen van nieuwe effectieve leeromgevingen. Daarbij moet gepoogd worden ICT-toepassingen als hulpmiddel te integreren in nieuwe ontwikkelingen.
9. De overheid dient de macrodoelmatigheid van opleidingen te toetsen.

Sociale partners

Met het Hoofdlijnenakkoord inzake de versterking van het werkend leren hebben overheid en sociale partners een normatief kader aanvaard waaraan men elkaars daden kan toetsen. De raad meent dat de nota Een leven lang werkend leren van de Stichting van de Arbeid voor de activiteiten van sociale partners een goede richtinggevende reactie vormt op de sociaal-economische ontwikkeling en hij acht de implementatie van het hoofdlijnenakkoord daarbij van groot belang. 1. De raad wijst in het bijzonder op de problematiek van start- en basiskwalificatie waarover sociale partners met het kabinet in discussie zijn in het kader van een employability-agenda. De raad wil alle partijen die betrokken zijn bij de vormgeving van het onderwijsaanbod oproepen om voor laaggeschoolde werkenden en werkzoekenden zonder basiskwalificatie onder meer flexibele trajecten te starten in de bbl. Hij ziet mogelijkheden voor aansluiting met bestaande regelingen bij gemeenten en Arbeidsvoorziening (WIW, in- en doorstroombanen, cvv's, BBSW) en met afspraken in sectoren (middelencoördinatie).
2. Sociale partners kunnen op sectorniveau waar nodig en wenselijk de banden met onderwijsinstellingen aanhalen door te participeren in zogenoemde leernetwerken. Dit kan het zicht van de onderwijsinstellingen op de ontwikkelingen in het bedrijfsleven verhelderen, terwijl sociale partners invloed kunnen uitoefenen op de opleidingsstrategie van de onderwijsinstellingen. 3. Beroepspraktijkvormingsplaatsen moeten een effectieve leeromgeving bieden waarin geldige eindtermen worden gerealiseerd. Sociale partners kunnen hierbij een belangrijke rol spelen door de structurering van efficiënte leerplekken op de arbeidsplaats als doelstelling na te streven en daartoe nadere faciliteiten af te spreken. 4. Naast bevordering van leermogelijkheden op individuele leerbedrijven, kunnen sociale partners waar nodig en gewenst een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke opleidings- en scholingspools in en van de sector, om voldoende kwalitatief hoogwaardige beroepspraktijkvormingsplaatsen te kunnen bieden.
5. Sociale partners kunnen er door middel van voorlichting en informatie aan bijdragen dat zowel onder jongeren, als onder oudere werkzoekenden en werkenden de bekendheid met het werkend leren in de bbl toeneemt.

2.5 Inkomensregelingen in het secundair beroepsonderwijs

Het kabinet legt de raad tevens de vraag voor in hoeverre bij verdergaande flexibilisering verschillen in inkomensregelingen (loon versus stagevergoeding en studiefinanciering) voor de beroepsopleidende en de beroepsbegeleidende leerweg nog langer functioneel zijn. De raad merkt hierover op dat hij het in verband met zijn voorkeur voor twee duidelijk onderscheiden leerwegen en gelet op de weinige ervaring die tot nu toe met leerwegdifferentiatie is opgedaan thans niet opportuun vindt in den brede in te gaan op de mogelijke knelpunten in het huidige stelsel van inkomensregelingen in het secundair onderwijs. Dit laat onverlet dat de raad niet uitsluit dat in de toekomst een nadere bezinning op de inkomensregelingen voor het secundair beroepsonderwijs wenselijk kan zijn. Voor dit moment volstaat de raad met de constatering dat de inkomensregelingen geen substantiële belemmering vormen voor een verdergaande onderwijsvernieuwing in het secundair beroepsonderwijs.


1. De adviesaanvraag heeft betrekking op het beroepsonderwijs, niet op de educatie. Bij educatie gaat het niet om het verwerven van kwalificaties voor een bepaald beroep, maar om het krijgen van aansluiting op het beroeps- en voortgezet onderwijs.

2. Onder een kwalificatie wordt verstaan het geheel van (persoonsgebonden) kennis, vaardigheden en houdingen dat arbeidskrachten in staat stelt uiteenlopende arbeidsprestaties te leveren (bijvoorbeeld in het uitoefenen van een beroep). SER-advies Versterking secundair beroepsonderwijs, publicatienr. 97/34, Den Haag 1997, p. 27.

3. Het lesgeld wordt betaald vanaf 16 jaar, het cursusgeld vanaf 18 jaar. De hoogte van het cursusgeld is voor niveau 1 en 2: 368 gulden en voor niveau 3 en 4: 894 gulden.

4. SER-advies Versterking secundair beroepsonderwijs, publicatienr. 97/34, Den Haag 1997.


-

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie