Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Inbreng CDA bij debat Commissie Kalsbeek

Datum nieuwsfeit: 22-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

Commissie Kalsbeek

Den Haag, 22 juni 1999

Debat met de tijdelijke commissie evaluatie opsporingsmethoden over het rapport Opsporing in uitvoering

MdV.
Ik zou dit debat willen beginnen met een citaat uit de bundel Grenzen tussen goed en kwaad, een citaat wat speelt in het jaar 2009:

als je het achteraf goed bekijkt, is alle ellende eigenlijk in het begin van deze eeuw begonnen en zijn we 15 jaar later nog steeds bezig met het puin te ruimen dat toe werd gemaakt, zegt Ania van der Bee, demissionair minister van Rechtshandhaving en Rechtspleging. Haar SG, Jan-Bernd Kroes, reageert: Ja, ik herinner mij nog een college van Rozendaal uit die tijd waarin hij het had over het verschil tussen chronische crisissen en actuele. Het is in de opsporing toch wel heel lang gebleven bij het blussen van brandjes terwijl het vuur bleef door smeulen. De minister: Heeft de manier waarop die IRT -affaire van de jaren '90 werd aangepakt eigenlijk niet meer kwaad gedaan dan goed? O ja, zou je de fles open willen maken?

Uit: Dagdromen voor een beeldscherm van Albert Koers, opgenomen in Grenzen tussen goed en kwaad, bundel ter gelegenheid van het 200 jarig bestaan van het Ministerie van Justitie.

1. mede om te voorkomen dat in de volgende eeuw op de zo juist geciteerde manier over ons werk wordt gesproken heeft de Tweede Kamer op l8 november l998 op basis van de motie Schutte de commissie Kalsbeek ingesteld.

2. erkentelijkheid en waardering voor het werk van de commissie. Het is een stevige prestatie om in een korte periode een grote hoeveelheid feiten en opvattingen op een meer dan verantwoorde manier boven water te krijgen.
Door velen is reeds gememoreerd dat de degelijkheid (en complexiteit) van de hoofdstukken 1 tot en met 4 in de publiciteit beduidend minder aandacht hebben gekregen door de bijzondere bevindingen van hoofdstuk 5.

3. de CDA fractie deelt de opvatting van de commissie dat de crisis in de opsporing voorbij is en dat de meeste neuzen dezelfde, de goede, kant op staan.
Het werk van de Parlementaire Enquête Commissie Opsporingsmethoden heeft destijds een diepe in druk gemaakt op de Nederlandse samenleving, op politie en justitie mensen in het veld en, zeker niet op de laatste plaats, het Haagse politieke bedrijf. Er was derhalve een wereld te winnen en met de tijdelijke commissie is de CDA fractie content met het feit dat we een forse stap in de richting van het winnen hebben gezet.
Maar tegelijkertijd zegt deze opvatting c.q. conclusie nog weinig, wellicht zelfs te weinig. Wie het rapport Opsporing in uitvoering zorgvuldig tot zich neemt schrikt van de grote hoeveelheid werk, veranderingsprocessen, maar ook wetswijzigingen van onder andere de zeer recent in de Eerste Kamer aangenomen wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (hierna aan te duiden als de wet BOB), die nog nodig zullen zijn.
De wet BOB is een van de belangrijkste producten van het rapport Van Traa. De bijzondere opsporingsmethoden zijn voor het eerst geregeld, en dat is winst. Maar veel is nog niet uitgekristalliseerd. We staan nog maar aan het prille begin van een nieuwe opsporingstraditie en nu reeds vergen de aanbevelingen van de tijdelijke commissie ingrijpende veranderingen van de ingang gezette trajecten. Ik denk daarbij met name aan de aanbevelingen 12, 20, 21 en 39.

4. daarentegen, wanneer wij vaststellen dat niet meer sprake is van een crisis, dan dienen wij als parlement ook het voortouw te nemen bij uitspreken van vertrouwen in de opsporingsdiensten in Nederland. Politie en justitie hebben onder vuur gelegen, en liggen vaak nog onder vuur. Dat is soms terecht. Maar heel vaak is het inherent aan het gecompliceerde werk in een steeds veranderende omgeving. In niet weinig gevallen wordt het beeld gestuurd door de verdediging van verdachten, die belang heeft bij slechte beeldvorming rond de opsporing. De politiek moet daar boven staan. Kritisch, maar met vertrouwen in de mensen die het moeilijke werk moeten doen, in het belang van de veiligheid van de samenleving.

Waar wij in woorden vertrouwen uitspreken, moeten wij er voor zorgen dat wij vervolgens in regelgeving niet wantrouwen vastleggen. Terecht doet de commissie Kalsbeek een aantal aanbevelingen daar waar bureaucratisering dreigt.
Mijn fractie heeft op dat terrein nog een aantal vragen. Immers, door nogal wat respondenten is tegenover de commissie verklaard dat de opsporing er sinds Van Traa niet eenvoudiger op is geworden. Ik wijs maar op de gemelde problemen bij het vinden van informanten.

5. maar, MdV voor dat ik verder ga wil ik eerst iets zeggen over de politiek - ideologisch achtergronden bij nut en noodzaak van misdaad (lees georganiseerde criminaliteit) bestrijding. Waarom verrichten wij al deze inspanningen, die zoveel menskracht, intellect en financiën vragen? Het antwoord mag duidelijk zijn: om burgers het vertrouwen in de samenleving, zo u wilt in de rechtsstaat te laten behouden. Het kan en mag niet zo zijn dat door (vaak extreme) criminele verrijking het vertrouwen van de burger in de rechtsstaat wordt geschonden. De verhalen over de extreme rijdom van grootschalige drugsdealers ontwrichten het beeld van de hard werkende man of vrouw die voor een normaal loon een flinke arbeidsprestatie moet leveren.

6. De commissie maakt in haar werkzaamheden een standvastig onderscheid tussen
a. de normering en inzet van opsporingsmethoden, b. de organisatie van de opsporing,
c. en het gezag over en toezicht op de opsporing. Ook ik wil vandaag dit onderscheid zo veel mogelijk recht doen, maar bij nadere beschouwing zijn het toch met name de normering en inzet van de opsporingsmethoden die de nadruk krijgen. Voor waar een primaire taak van het parlement. In het debat met het kabinet na het zomerreces zal mijn fractie ongetwijfeld ook dieper in gaan op de andere twee onderdelen.

7. na deze inleidende opmerkingen het rapport zelve: op welke wijze beoordeelt de commissie het interregnum.? Wie gaf er nu daadwerkelijk leiding tijdens het interregnum? Uit de discussie over de voetnoot van de Heer Niederer kennen we de (meerderheids-) opvatting van de commissie met betrekking tot de diverse richtlijnen. Maar er was meer en breder leiding te geven dan over de implementatie van richtlijnen. Kan de commissie een opvatting geven over deze andere aspecten?

8. de vergaande complexiteit en bureaucratisering (zie bijvoorbeeld bladzijde 204, punt 6.3.2.)van de opsporing. Wie de resultaten van de commissie van Traa, de parlementaire behandeling van die resultaten, de parlementaire behandeling van de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden, en dan nu het rapport van de commissie Kalsbeek op zich laat inwerken constateert een zeer complexe maar op onderdelen ook bureaucratische opsporingspraktijk. Als concreet voorbeeld refereer ik hierbij aan aanbeveling 3 inzake de vermindering van de diverse bevelen tot verlenging van een opsporingsbevoegdheid. Wat hier aan te doen? Onze rechtsstaat vereist waarborgen bij de opsporing, waarborgen voor het slachtoffer en de verdachte. Maar hoe ver gaan die waarborgen? Gaan de waarborgen de opsporing in de praktijk belemmeren?
Gaarne een oordeel van de commissie op dit punt. De CDA fractie is van mening dat politie en justitie op een verantwoorde manier hun werk moeten kunnen doen, daarbij niet onnodig gehinderd door procedures en te omvangrijke waarborgen voor de verdachte, waarborgen die soms ook de belangen van de samenleving en de slachtoffers schaden.

9. zorgen heeft de CDA fractie over de zeer geringe voortgang bij het financieel rechercheren, het digitaal rechercheren en het aanpakken van zware milieucriminaliteit.
Onomwonden constateert Uw commissie dat de aandacht van veel opsporingsinstanties uitgaat naar wat ik maar even noem de klassieke drugscriminaliteit. Een prioriteit die door de CDA fractie zeker wordt gesteund maar die niet mag verhinderen dat nieuwere vormen van criminaliteit niet afdoende bestreden worden. De opleiding tot financieel rechercheur schiet tekort terwijl nieuw opgeleide mensen, ook bij het OM, als snel elders emplooi vinden. In het debat met het kabinet zullen wij zeker op dit element terugkomen.

10. wat betekenen de diverse voorgestelde aanbevelingen voor een naar alle waarschijnlijkheid nieuw op te starten wetgevingstraject ter aanpassing van de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden? Gaat een en ander werkende weg gebeuren en gaat de implementatie van de wet onverdroten van start? Wat betekenen latere wetswijzigingen voor de dan inmiddels geschiedde implementatie?
Significant zijn daarbij de achtergronden van aanbeveling 64: het wetsvoorstel Bijzondere Opsporingsbevoegdheden was eind 1997 gereed voor plenaire behandeling, maar door allerlei verwikkelingen is het eerst in november l998 door de Tweede Kamer behandeld.

10. een saillant probleem hierbij is overigens de uitleg van de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden: nu reeds zijn er talloze richtlijnen noodzakelijk waarin beschreven wordt op welke wijze de talloze wettelijke bevoegdheden in de praktijk moeten en kunnen worden toegepast.
Eer dat politie en justitie al deze zaken onder de knie hebben zijn zij reeds tientallen malen door de advocatuur onderuit gehaald. Niet te verwachten is dat de talrijke aanbevelingen van de commissie Kalsbeek tot een aanmerkelijke vereenvoudiging zullen leiden. Wat betekent dit alles voor de dagelijkse opsporingspraktijk, zo vraagt mijn fractie?

11. Europese component; opmerkelijk vindt de CDA fractie dat ook de tijdelijke commissie hier weinig aandacht aan besteedt. Wie (let op: in Nederland) gaat wat doen? En wie is waar verantwoordelijk voor? Bij een steeds verdergaande Europese samenwerking is naar onze mening in Nederland een eerste verantwoordelijke nodig voor de Europese activiteiten, als ik het zo mag uitdrukken! Wordt dit een taak voor het Landelijk Recherche Team of het landelijk parket? De recente dioxine problemen en vet/tanktransporten hebben ons weer eens met de neus op de feiten gedrukt. Heeft de commissie hier opvattingen over?
Over de neiging van Nederland om bij het gebruik van sommige opsporingsmethoden uit de internationale pas te lopen kom ik nog terug bij de aanbevelingen 46 en 47.

12. er dient mede naar aanleiding van de antwoorden op de aan de commissie gestelde feitelijke vragen een nadere gedachte wisseling plaats te vinden over de financiële aspecten van de diverse, in totaal 66 aanbevelingen. We gaan derhalve niet alleen een nader wetgevingstraject in, een verdere aanpassing van de diverse werkwijzen en attitudes, maar ook een aanmerkelijke financiële verzwaring van de kosten van de opsporing in Nederland.

13. MdV. Ik kom vervolgens aan een indringende bespreking van hoofdstuk 5.
Wie alle nu bekende feiten en gegevens op zich laat inwerken komt tot een aantal vragen.
a. Is de constatering juist dat een aantal van de personen die door de commissie van Traa gehoord zijn destijds op de hoogte waren van mogelijke omvangrijke parallelle importen van cocaïne? Wat betekent dit voor de resultaten van de commissie van Traa? b.Onduidelijk blijft of er meer dan 8 parallelle importen hebben plaatsgevonden, waarbij meer dan 15.000 kilo cocaïne is doorgevoerd? c. Wat moet verstaan worden onder medewerking van de douane en van de politie is bij de parallel - importen noodzakelijk geweest? Waaruit kan die medewerking bestaan hebben?
d. Wat is het oordeel van de tijdelijke commissie over de diverse onderzoeken die na 7 november l996 (Datum Kamerbehandeling Plan van Aanpak Parlementaire Enquête Opsporingsmethoden) zijn aangevangen, gedeeltelijk zijn stop gezet, dan wel gedeeltelijk weer zijn herstart (voorjaar l999)?
e. Waarom bestaat er zo veel verschil van mening over de begrippen deal, een zogenaamde pre - deal en de naar alle waarschijnlijkheid gemaakte bindende afspraken?
f. Waarom - naar de mening van de commissie - hebben de betrokken hoofdofficier, het College van procureurs-generaal en het ministerie van justitie toestemming gegeven voor het maken van de betreffende afspraken?
g. Hoe beoordeelt de commissie het feit dat de wijze waarop de afspraken zijn gemaakt flagrant in strijd zijn met de richtlijn afspraken met criminelen (d.d. 13 - 3 - l997).

In de brief van de minister van 17 juni jl. vallen de CDA fractie een viertal zaken op:
a. hij neemt niet uitdrukkelijk afstand van de conclusies van de commissie Kalsbeek: hij sluit zelfs niet uit dat de constateringen van de commissie juist zijn ( zie onderaan bladzijde 4). b. hij beschikt thans niet over concrete aanwijzingen die tot een veroordeling door de strafrechter zouden kunnen leiden. De commissie zegt daarentegen wel over concrete aanwijzingen te beschikken maar laat in het midden of die tot een strafrechtelijke veroordeling kunnen leiden. Dat is meer dan een gradueel verschil!
c. zeer dubieus is de periode l996 - l999 wat het strafrechtelijk onderzoek naar de vermeende feiten in de periode l991 - l994 betreft. Dit onderzoek is in de periode Sorgdrager gewoon gestokt. Niet overtuigend is wat minister Korthals inmiddels heeft geëntameerd. d. uit de brief van de minister leiden wij af dat er wel degelijk sprake is geweest van een zogenaamde pre - deal met een crimineel. De minister wil het zo niet noemen maar de voorbereidingen om tot een serieuze deal te komen waren meer dan getroffen. Dat leiden wij althans af uit zijn schrijven.
Deelt Uw commissie onze analyse op deze punten?

14. MdV., ik kom thans toe aan het bespreken van de diverse aanbevelingen.
Voor de eenvoud meld ik U dat de aanbevelingen die ik niet nadrukkelijk bespreek de instemming van de CDA fractie kunnen wegdragen. Bij de anderen zal ik expliciet instemming betuigen of kritische kanttekeningen plaatsen.

AANBEVELING 1 en 2.
Gezien mijn voorgaande opmerkingen hebben deze aanbevelingen onze instemming.

AANBEVELING 3.
Instemmend, maar zoals reeds eerder door mij opgemerkt, is het geen wijziging van de BOB voor nodig?

AANBEVELING 6.

Wij staan niet afwijzend tegenover deze aanbeveling. Kan de commissie een nadere toelichting geven op de exacte bedoeling? Krijgen alle officieren van justitie een nationale opsporingsbevoegdheid?

AANBEVELING 7.
Deze aanbeveling heeft zeker de instemming va de CDA fractie. Heeft de commissie een poging gedaan om na te gaan hoe de notificatie plicht ex artikel 126bb BOB gaat werken in de praktijk en welke administratieve en procedurele belasting een en ander met zich brengt?

AANBEVELING 12.
De CDA fractie begrijpt de overwegingen achter deze aanbeveling zeer zeker.
Desalniettemin vragen wij ons af of hier geen sprake is van een te theoretische benadering. Is het momentum van overgang van informant naar infiltrant in de praktijk van het opsporingsonderzoek exact te duiden? En is op voorhand de aard van de toegestane hand- en spandiensten (schriftelijk!) met de informant vast te leggen?

AANBEVELING 19.
Aanbeveling l9 kan rekenen op steun van de CDA fractie. Bij de verdere parlementaire behandeling van het wetsvoorstel toezeggingen aan getuigen in strafzaken (26 294) komen wij hier zeker op terug. De kanttekeningen van de tijdelijke commissie zijn daarbij zeker waardevol.

AANBEVELING 20.
De CDA fractie heeft overwegende bezwaren tegen deze aanbeveling. De pseudo-koop, maar ook de pseudo- dienstverlening blijkt in de praktijk een zeer nuttige opsporingsmethode te zijn. Min of meer gelijkschakeling met infiltratie zal een onnodige (procedurele) verzwaring van deze methode met zich brengen.
Op welke wijze werkt de werkgroep Van de Beek de pseudo koop respectievelijk de pseudo dienstverlening uit? De CDA fractie huldigt de opvatting dat de opsporingspraktijk zeker behoefte heeft aan juist deze methode. Waarom is een en ander bij de behandeling van de BOB niet overwogen?

AANBEVELING 21.
De CDA fractie is content met deze aanbeveling en stemt in met de overwegingen de hieraan ten grondslag liggen. Verduidelijking van artikel 126ff van de wet BOB in een richtlijn, onder handhaving van het verbod op doorlaten, is voor de opsporingspraktijk van groot belang.
Wel lijkt het de leden van de CDA fractie ondoenlijk om op voorhand sluitende afspraken te maken omtrent de periode waarin niet tot inbeslagname wordt overgegaan.
Is er serieus noodzaak tot een vierentwintig uur piket dienst? De zorgvuldigheid van het al of niet doorlaten vergt een beslissing overdag!! (geen spoedoverwegingen s nachts). Wat zijn de organisatorische consequenties en de kosten van een vierentwintig uur piket dienst voor het College van procureurs-generaal?

AANBEVELING 23
(onderscheid wetsvoorstel IVD en de BOB) Een en ander vergt ook wijziging van de wet BOB?

AANBEVELING 24
(verkennend onderzoek)
Vergt een dergelijke aanbeveling geen wijziging van de wet BOB?

AANBEVELING 28 ook in relatie tot de AANBEVELINGEN 37 en 38 en eventueel 44 en 45.
Op deze aanbeveling hadden de leden van de CDA fractie gaarne een nadere toelichting. Lopen wij niet het gevaar van een omvangrijke politiebestel discussie starten terwijl er juist behoefte is aan implementatie en verbetering van samenwerking en attitudes? Ik deel de zorgen van de tijdelijke commissie over de allerminst eenduidige taakverdeling tussen LRT, KLPD, kernteams, Landelijk Parket, KMAR en bijzondere opsporingsdiensten. Zeker een punt om in het debat met de regering op terug te komen.

AANBEVELINGEN 29 - 30 en 31.
Uit het rapport van Uw commissie blijkt dat de CIDen een zorgenkind zijn gebleven na het rapport van Traa. Eenduidigheid en heldere afspraken zijn hier nu op korte termijn geboden (motie?).

AANBEVELING 34.
(hulpofficier) Instemmend maar wederom een wijziging van de BOB vereist?

AANBEVELING 39.
Let op gevaar bestel discussie!! Wat steekt er allemaal achter de zin: Binnen het huidige regionale politiebestel zal naar verwachting van de commissie een optimale nationale recherche huishouding nauwelijks realiseerbaar zijn? Ook het antwoord op vraag 82 stelt de CDA-fractie niet gerust.

AANBEVELINGEN 46 en 47.
Oppassen voor naïviteit; Nederlandse criteria zijn niet eenzijdig aan Europa respectievelijk de wereld op te leggen! Het antwoord op vraag 74 wekt de indruk dat de ons omliggende landen het niet begrijpen. Dat kan niet het geval zijn!

AANBEVELINGEN 56 - 57 en 58
De Centrale Toetsings Commissie is in de meeste gevallen het formele sluitstuk van de inzetbaarheid van de diverse opsporingsbevoegdheden. Deze aanbevelingen hebben dan ook ons fiat.

AANBEVELING 65
De CDA fractie wil voor een definitief oordeel in tweede termijn terug komen op deze aanbeveling, zeker nadat onze vragen over hoofdstuk 5 beantwoord zijn. Het feiten complex tot nu toe bekend doet onze fractie echter instemmend staan tegenover deze aanbeveling. Heeft de commissie een idee, een model op welke wijze het integrale onderzoek - onder directe verantwoordelijkheid van de minister van Justitie - optimaal georganiseerd zou kunnen worden? Op welke wijze wordt de betrokkenheid van het Openbaar Ministerie, het College van Procureurs Generaal en zijn voorzitter, respectievelijk van de officieren van justitie die thans met de diverse onderzoeken zijn belast, gegarandeerd?
Op welke wijze kan de betrokkenheid van anderen (politie, derden deskundigen en eventueel zittende magistratuur worden) gegarandeerd?

AANBEVELING 66
Hoe ad hoc is de ad hoc commissie? Wordt de Tweede Kamer niet onnodig belast met operationele c.q. tactische informatie?

MdV. Tot slot een vraag. Zijn naar de opvatting van de commissie met haar rapport de effecten van de aanbevelingen van de Parlementaire Enquêtecommissie opsporingsmethoden definitief geëvalueerd? Of volgen er nog meerdere evaluatieronden? Dat heeft zeker niet de voorkeur van de CDA fractie.
Politie en justitie dienen in onze ogen weer zo snel mogelijk een normale bedrijfstak te worden die op een verantwoorde manier hun werk kunnen doen zonder daarbij voortduring onderhevig te zijn aan specifieke politieke evaluatieprocessen.

MdV. Ik kom tot een afsluiting en doe dat opnieuw met een citaat uit de reeds eerder genoemde bundel:

De SG: Proost, en ik hoop dat je in het nieuwe kabinet terug komt. Ja, na die IRT -affaire hebben ze allemaal regels en procedures bedacht, maar ik mij laten vertellen dat die het werk van politie en Openbaar Ministerie zo aan banden legden dat er al snel allerlei spelletjes werden gespeld omdat er anders niet te werken was. Infiltratie mocht niet meer en als je informanten wilde beschermen moest je wel creatief met de regels om kunnen gaan. De minister : Ja, ook proost. Ik heb gehoord dat het uiteindelijk allemaal fout ging met die bende-oorlog in 2000 en 2001. Was jij toen al niet werkzaam bij het ministerie van justitie?

Zo willen wij dus niet de geschiedenis ingaan.

Kamerlid: mr. ing. w. g. j. m. van de Camp

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie