Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Vragen CDA over opwerking van radioactief materiaal

Datum nieuwsfeit: 23-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
CDA

: Tweede Kamer : Opwerking van radioactief materiaal (230699)

Opwerking van radioactief materiaal (230699)

Den Haag, 23 juni 1999

Achtergrond:

In maart 1998 heeft de minister van EZ aangekondigd een externe instantie in te schakelen bij de beantwoording van een aantal vragen welke naar voren kwamen tijdens het AO met de vaste commissie voor EZ over Opwerking van radioactief materiaal. Hiertoe is door de uit ECN en KEMA voortgekomen Nuclear Research and consultancy Group (NRG) een vervolgstudie uitgevoerd waarvan het rapport nu ter bespreking voorligt.
Het ging m.n. om de volgende vragen:

1. Hoe staat het met de stralingsbelasting in het buitenland m.n. in de omgeving van La Hague?
2. Hoe staat het met de inzet van Nederlandse MOX in -buitenlandse energiecentrales? Is een dergelijke inzet ook in de kernenergiecentrale Borssele mogelijk? Is er al opgewerkt splijtbaar plutonium afkomstig van Borssele verkocht?

3. Welke zijn de - financiële - onzekerheden rondom conditionering van opgebrande splijtstofstaven? Zijn hier mogelijkheden aanwezig voor internationale samenwerking?

4. Zijn er mogelijkheden in de bassins van de kernenergiecentrales Borssele, Dodewaard, om te komen tot opslag van opgebrande splijtstofstaven?

5. Hoe staat het met het transport van gebruikte splijtstof tussen de kernenergiecentrales en de opwerkingsfabrieken?

6. Wat is de situatie in de ons omringende landen m.b.t. de eindverwerking van hoogradioactief afval?

Gezien het emotionele karakter van het onderwerp en de ingewikkelde problematiek geef ik hieronder eerst de letterlijke conclusies van het NRG rapport:

Sub 1) In de dorpen in de omgeving van de opwerkingsfabrieken in Sellafield en Dounreay komt een verhoging van het aantal gevallen van leukemie bij kinderen voor. Een aantal studies wijzen ook op een verhoging van het voorkomen van leukemie in de omgeving van La Hague. Een epidemiologische studie die onlangs in opdracht van de Franse overheid is uitgevoerd heeft echter geen bewijs opgeleverd voor een significante toename van het voorkomen van leukemie in deze omgeving. Wetenschappelijk onderzoek heeft geen bewijs kunnen vinden voor een verband tussen blootstelling aan ioniserende straling - veroorzaakt door lozingen van nucleaire installaties of door blootstelling van de vader vóór de conceptie - en het verhoogde voorkomen van leukemie. Wel is uit statistisch onderzoek gebleken dat in groeisteden en nieuwe steden concentraties van leukemie voorkomen in gebieden waar bovengemiddelde welvaart is en/of waar de bevolkingsdichtheid hoog is. Het is momenteel in de medische wereld geaccepteerd dat verhogingen van het voorkomen van leukemie het resultaat zijn van een complexe set van factoren in combinatie met toeval en dat monocausaal verband tussen leukemie en opwerking niet bestaat.

Sub 2) (verkorte weergave van de conclusie):
Voor het hergebruik van Nederlands plutonium in het buitenland bestaan geen technische belemmeringen. In het verleden is een deel van het plutonium afkomstig uit Borssele t.b.v. electriciteitsopwekking verkocht.
Hergebruik van Nederlands plutonium in Borssele is technisch mogelijk. In ongeveer 11 jaar kan het geproduceerde plutonium dan worden ingezet.
Hiervoor dient de centrale dan wel langer open te blijven dan tot eind 2003 zoals nu is voorzien. Technisch vormt dit geen probleem: wanneer omstreeks 2002 met het gebruik van MOX zou worden begonnen, kan al het plutonium vóór 2014, de oorspronkelijk geplande levensduur van de centrale, zijn verwerkt.

Sub 3) Ontwerpen voor installaties voor het conditioneren van opgebrande splijtstofelementen zijn beschikbaar in Zweden en in Duitsland. De capaciteit van deze installaties is echter veel te groot voor Nederland, waarvoor een installatie met een veel kleinere capaciteit zou volstaan. De kosten van een kleinere installatie zijn op basis van de Zweedse en Duitse gegevens geschat op 470 à 630 miljoen gulden, inclusief de kosten voor bedrijf, ontmanteling, en de containers voor eindberging. De kosten van het conditioneren van de splijtstof uit Borssele en Dodewaard in een buitenlandse installatie worden geschat op 100 tot 190 miljoen gulden, gebaseerd op genormeerde kosten voor Zweden en Duitsland. Ook dit bedrag is inclusief de kosten van containers voor eindberging maar exclusief transportkosten. ...... De haalbaarheid van deze tweede optie (conditionering in het buitenland) kan echter moeilijk worden ingeschat aangezien alleen in Duitsland de vereiste technologie momenteel wordt getest. Gezien het heftige publieke verzet in Duitsland tegen bepaalde nucleaire transporten en de opvatting van de nieuwe Duitse regering t.a.v. kernenergie, is hier momenteel geen betrouwbare uitspraak over te doen.

Sub 4) Er kleven aan de opslag van de gebruikte splijtstofelementen in de opslagbassins van Dodewaard en Borssele bezwaren. De opslagbassins van Dodewaard en Borssele blijken niet groot genoeg te zijn voor de opslag van alle nog niet opgewerkte splijtstofelementen. In Borssele kan deze beperking echter tot op zekere hoogte worden opgevangen door additionele compactrekken in het opslagbassin te plaatsen. Voor Dodewaard is dit niet mogelijk. Hier zou een nieuw opslagbassin moeten worden gerealiseerd. Voor Dodewaard is echter het traject dat moet leiden tot declassificatie en ontmanteling al ingeslagen d.m.v. een wijziging van de vergunning. Gebruik van de locatie voor de tussenopslag van gebruikte splijtstofelementen geeft de verplichting tot het in stand houden van omvangrijke technische, procedurele en personele voorzieningen en zou pas later mogelijk zijn na het doorlopen van de relevante vergunningsprocedures. Deze bezwaren zullen te zijner tijd ook voor Borssele gelden.
Gezien deze problemen lijkt de opslag van gebruikte splijtstofelementen in Dodewaard en Borssele geen redelijk alternatief voor eventuele opslag in een aangepaste HABOG (Hoogradioaktief Afval Behandelings- en Opslaggebouw) of nieuw te ontwerpen centrale opslagfaciliteit.

Sub 5) De oppervlakte besmetting van transportcontainers- en voertuigen, zoals in Nederland en in het buitenland heeft plaatsgevonden, heeft geen gevaar voor de volksgezondheid opgeleverd. Verbeterde procedures en extra bescherming moeten in de toekomst herhalingen voorkomen. Ook bestaat nu de verplichting overschrijdingen te melden aan de overheid.

Sub 6) Het beleid m.b.t. verwerking van gebruikte splijtstof in diverse West-Europese landen blijkt per land duidelijk te verschillen en is bovendien nog aan wijzigingen onderhevig. Er worden nationale oplossingen gezocht afhankelijk van de wijze van verwerking en de beschikbaarheid van geschikte locaties voor eindberging. Wel is duidelijk dat in alle beschouwde landen eindberging in de diepe ondergrond als beste oplossing wordt gezien voor de lange termijn. Terughaalbaarheid is in de meeste landen, in tegenstelling tot Nederland, nog geen beleid, maar krijgt wel steeds meer aandacht.

De antwoorden op deze vragen moeten worden opgevat als een verder onderbouwing van de conclusie van de ECN studie uit 1997 dat voor de Nederlandse situatie voortzetting van opwerking de voorkeur heeft boven directe opslag.

Tot zover de conclusies van het rapport van NRG.

Oorspronkelijk zou het AO alleen met de minister van EZ worden gehouden. Aangezien het ministerie van EZ in een persbericht van vorige week bekend maakte dat met ingang van 1 juli de kernenergiewet onder de eerste verantwoordelijkheid van het ministerie van VROM komt te vallen heb ik het verzoek ingediend bij de voorzitters van de vaste kamercommissies voor EZ en VROM te bewerkstelligen dat de minister van VROM bij het AO aanwezig is.

Inbreng:

Voorzitter, de conclusies in het rapport van NRG laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Het is een degelijk en goed leesbaar rapport.

N.a.v. de conclusies in het rapport heb ik de volgende vragen aan de regering:

1. In een brief van 5 maart 1998 deelde de minister aan de Tweede Kamer mede, niet te verwachten dat de uitkomsten van het onderzoek zullen leiden tot een ander dan het reeds eerder door de regering ingenomen beleidsstandpunt t.a.v. opwerking.

En het regeringsstandpunt staat duidelijk verwoord in de brief van 25 juni 1997 van de minister van EZ aan de kamer. (25422 nr. 1 Par. 7). Ik citeer:

Vanuit het oogpunt van duurzaam gebruik van grondstoffen is de directe opslag route minder aantrekkelijker dan die van opwerking; daarbij speelt vooral een rol de mogelijkheid van hergebruik van opgewerkt plutonium en uranium in daarvoor geschikte kernenergiecentrales

vanuit milieu optiek is de totale collectieve stralingsbelasting van beide opties van dezelfde orde van grootte

vanuit non-proliferatie optiek is de huidige praktijk van opwerking met voldoende waarborgen omkleed; ook bij directe opslag kan dat het geval zijn, maar daarbij zijn de risicos groter, gelet op de eis van terughaalbaarheid bij een eindberging

vanuit financieel-economisch perspectief is de huidige route van opwerking de aantrekkelijkste en heeft bovendien de geringste onzekerheidsmarge, welke in het geval van directe opslag aanzienlijk zijn

onder de huidige wet- en regelgeving ontbreekt het aan toereikende middelen partijen te dwingen de huidige praktijk van opwerking te beëindigen

Zou de regering kunnen zeggen of deze conclusies nog steeds door het kabinet worden gedeeld en of er op basis van het voorliggende NRG rapport zwaarwegende of dringende redenen zijn om het beleid te wijzigen?

2. Voor de kerncentrale Dodewaard is besloten tot sluiting en om voor eind 2001 te komen tot een z.g. Veilige insluiting Dat houdt in dat alle niet nucleaire systemen kunnen worden ontmanteld maar dat het nucleaire deel van de installatie 40 jaar moet worden ingesloten om tot een natuurlijke afbouw van radioactiviteit te komen. Voorwaarde is, nee het is zelfs een verplichting, om alle nog in Dodewaard aanwezige splijtstofelementen af te voeren naar de opwerkingsfabriek. Uitstel van het verlenen van de transportvergunning van de splijtstofelementen zal er toe leiden dat Dodewaard niet aan zijn verplichting kan voldoen van een veilige insluiting op genoemde datum. Bovendien dreigen er volgens insiders gevaarlijke situaties te ontstaan nu hooggekwalificeerde vakmensen langzamerhand het bedrijf verlaten.
Zou de regering kunnen aangeven of het niet verlenen van een transportvergunning voor de afvoer van de radioactieve splijtstofelementen uit Dodewaard samenhangt met het ter beschikking komen van het rapport van NRG?
Zo niet, hoe kan Dodewaard aan zijn verplichting voldoen van tijdige sluiting en afvoer van radioactief materiaal, terwijl diezelfde overheid die de verplichting heeft opgelegd niet de vergunningen verleent?

3. De ladder van Lansink is in de Wet Milieubeheer vastgelegd en geldt ook voor nucleair afval. Preventie is mogelijk door van kernenergie af te zien. Dat is in feite ook gebeurd. Het vervolg van de ladder is gebaseerd op optimaal hergebruik, op duurzaamheid. Verwerking heeft dus prioriteit boven opslag. Is de regering het eens met de gedachte dat het overschot aan Nederlands plutonium in een zodanig kringloopsysteem moet worden gebracht dat het afvalprobleem in belangrijke mate wordt opgelost?BR>
4. Hergebruik van Nederlands plutonium in Borssele is volgens het rapport van NRG zeer wel mogelijk. In ongeveer 11 jaar kan het geproduceerde plutonium worden ingezet. Hiervoor dient dan wel de centrale langer open te blijven dan tot eind 2003 zoals nu is voorzien. Wanneer in 2002 met het gebruik van MOX zou worden begonnen, kan al het plutonium vòòr 2014 zijn verwerkt.
Is deze mogelijkheid om van het Nederlandse plutonium af te komen, samen met de sinds Kyoto strenge CO2 reductiedoelstellingen voor de regering aanleiding om de sluiting van Borssele in 2003 eventueel te heroverwegen en sluiting pas op een latere datum te laten plaats vinden? Waarom staat hierover niets in de uitvoeringsnota klimaatbeleid?

5. Voorzitter het NRG rapport stelt dat wetenschappelijk onderzoek geen bewijs heeft kunnen vinden voor een verband tussen de blootstelling aan ioniserende straling en het verhoogde voorkomen van leukemie. Dat moge zo zijn, maar zijn de ministers van mening dat de opwerkingfabriek van Cogema ook binnen de gestelde lozingsnormen blijft? Zo niet, dan zouden we de ministers toch willen vragen om er bij de Franse regering op aan te dringen dat de lozingen bij de opwerkingsfabriek van Cogema ook daadwerkelijk binnen de gestelde normen blijven.

Kamerlid: J.L. van den Akker

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie