Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Arrest zaak kunstbonden versus Stichting Holland Festival

Datum nieuwsfeit: 23-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Gerechtshof Amsterdam


23 juni 1999

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:


1. De vereniging FNV KUNSTEN INFORMATIE EN MEDIA,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE sub 1,

procureur: mr. N.H.G. Beltman,


2. De vereniging DE NEDERLANDSE TOONKUNSTENAARSBOND,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE sub 2,

procureur: mr. Th. J. Bousie,

t e g e n

De stichting STICHTING HOLLAND FESTIVAL,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE

procureur: mr. J.D. Uding.


1. Het geding in hoger beroep


1.1. Appellante sub 1 en appellante sub 2 worden hierna gezamenlijk de bonden genoemd en geïntimeerde wordt hierna ook aangeduid als het Holland Festival.


1.2. Bij concept-dagvaarding van, kennelijk, 21 juni 1999 zijn de bonden in hoger beroep gekomen van het vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, dat onder rolnummer KG 99/1525 G is gewezen tussen de stichting Holland Festival als eiseres en de bonden als gedaagden en is uitgesproken op 18 juni 1999.


1.3. De dagvaarding, met producties, bevat de grieven. Op de daartoe in verband met de uiterste spoed door de president bepaalde bijzondere rolzitting van 22 juni 1999 hebben de bonden van grieven gediend. Zij hebben geconcludeerd - kort gezegd - dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vorderingen van het Holland Festival alsnog zal afwijzen, met veroordeling van het Holland Festival in de kosten van het geding in beide instanties.


1.4. Het Holland Festival is vrijwillig verschenen en heeft ter terechtzitting van 23 juni 1999 een conclusie in hoger beroep genomen, waarin de juistheid van de grieven wordt bestreden. Het Holland Festival heeft geconcludeerd - kort gezegd - tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van de bonden in de kosten van het geding in hoger beroep.


1.5. Beide partijen hebben vervolgens ter terechtzitting van 23 juni
1999 haar standpunten doen bepleiten door haar procureurs. Zij hebben dit gedaan aan de hand van pleitnotities, welke nadien aan het hof zijn overgelegd. Bij gelegenheid van deze pleidooien is van de zijde van het Holland Festival een akte genomen, waarbij producties in het geding zijn gebracht. Vertegenwoordigers van de partijen hebben bij die gelegenheid antwoord gegeven op vragen van het hof.


1.6. Ten slotte hebben de partijen de stukken van het geding in beide instanties aan het hof overgelegd voor arrest. De inhoud van al die stukken wordt als hier ingevoegd beschouwd.


1.7. Het hof heeft op 23 juni 1999 mondeling uitspraak gedaan.


2. Grieven

De bonden hebben tien grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd. Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding.


3. Feiten

De president heeft in rechtsoverweging 1. onder a. en b. een aantal feiten als tussen partijen vaststaand aangenomen. Tegen de juistheid van die vaststelling is geen grief gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.


4. Beoordeling


4.1. Waar het in dit geding om gaat


4.1.1. Het gaat in dit geding om het volgende.


4.1.2. De musici van het Radio Symfonie Orkest, in dienst van het Muziekcentrum van de Omroep (MCO), zijn voornemens het concert `Diva Dolorosa', dat in het kader van het Holland Festival staat geprogrammeerd op 26 juni 1999 in de Stadsschouwburg te Amsterdam, bij wijze van stakingsactie niet uit te voeren.


4.1.3. Het Holland Festival heeft, voor zover thans nog van belang, gevorderd dat het de bonden - kort gezegd - wordt geboden op straffe van een dwangsom haar leden onder de werknemers van het MCO op te roepen het concert `Diva Dolorosa' door te laten gaan en tevens dat het de bonden wordt verboden om hun leden en anderen op te roepen of aan te zetten tot het niet spelen van dit concert.


4.1.4. De president heeft deze vorderingen toegewezen op de wijze als in het vonnis is vermeld.


4.1.5. De grieven richten zich tegen deze beslissing van de president en de daarvoor gegeven motivering. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij beogen het geschil in volle omvang aan de orde te stellen.


4.2. Uitgangspunten

Bij de beoordeling van het geschil neemt het hof de navolgende, in hoger beroep tussen partijen niet (langer) omstreden, feiten tot uitgangspunt.

a. De musici van het Radio Filharmonisch Orkest, het Metropole Orkest, het Radio Kamer Orkest en het Radio Symfonie Orkest, alsmede de leden van het Groot Omroep Koor zijn allen in dienst van het Muziekcentrum van de Omroep (MCO).

b. Tussen deze personeelsleden en het MCO als werkgever is een arbeidsconflict ontstaan in verband het totstandkomen van een CAO. Sedert 1997 werden onderhandelingen gevoerd. Toen aan hun eisen niet werd tegemoet gekomen, is een ultimatum gesteld dat op 30 oktober 1998 afliep. Op verzoek van het MCO is dit ultimatum verlengd tot 1 april
1999. Het MCO is niet op de eisen van het personeel ingegaan. Het beroept zich daarbij op een weigering van de Staatssecretaris voor Cultuur meer gelden aan het MCO ter beschikking te stellen.

c. Bij brief van 28 april 1999 hebben de bonden aan het MCO doen weten:

"De leden van (de bonden) hebben op hun ledenvergaderingen van respectievelijk 13 en 19

april j.l. besloten in actie te komen om hun eisen m.b.t. het totstandkomen van een CAO over

de jaren 1997, 1998 en 1999 kracht bij te zetten. Het een en ander als consequentie van het

verstrijken van het ultimatum per 1-4-1999.

(
¼ )

De eisen van de musici zullen worden ondersteund door acties welke zullen aanvangen na 29

april 1999 en voorlopig tot aan de zomervakantie voortduren."

d. In een persbericht van 29 april 1999, dat de bonden hebben doen uitgaan, is onder meer het volgende vermeld:

" De musici van de vier omroeporkesten en het omroepkoor hebben besloten om met acties

de totstandkoming van een nieuwe CAO af te dwingen.

(
¼ )

De eerste acties staan voor half mei gepland en zullen in ieder geval doorgaan tot aan de

zomervakantie. Dat houdt in dat alle concerten en dus ook de bijdragen van de

omroeporkesten aan het Holland Festival door acties getroffen kunnen worden."

e. Op 6 mei 1999 is het Holland Festival door de directeur van het MCO op de hoogte gesteld van de voorgenomen acties.

f. Bij brief van 12 mei 1999 berichten de bonden aan het MCO dat de musici van het Radio Kamer Orkest en het Radio Symfonie Orkest op 16 mei 1999 de desbetreffende concerten voor ongeveer vijf minuten zullen onderbreken, waarin door een orkestlid aan het publiek uitleg zal worden gegeven waarom de musici actie voeren. Bij brief van 21 mei
1999 schrijven de bonden aan het MCO dat de musici van het Radio Filharmonisch Orkest en het Metropole Orkest op 22 mei 1999 actie zullen voeren door het onderbreken van de desbetreffende concerten voor ongeveer zeven minuten om het publiek over de doelstellingen van de actie te informeren. Deze werkonderbrekingen hebben op de aangekondigde wijze plaatsgehad.

g. Op 28 mei 1999 hebben de bonden aan het MCO laten weten dat de musici van het Radio Symfonie Orkest en het Radio Filharmonisch Orkest op respectievelijk 29 mei 1999 en 30 mei 1999 in actie zullen komen door een langere onderbreking van het desbetreffende concert dan tot dusver. Deze langere werkonderbrekingen hebben plaatsgevonden.

h. Op 3 juni 1999 hebben de bonden aan het MCO bericht:

"De musici van het Radio Filharmonisch Orkest, het Radio Symfonie Orkest, het Metropole

Orkest, het Groot Omroep Koor en het Radio Kamer Orkest hebben op 27 mei j.l.

respectievelijk 2 juni j.l. besloten met ingang van zaterdag 19 juni a.s. geplande concerten niet te spelen.

(
¼ )

Concreet betekent dit dat de geplande concerten van het RFO op 19 juni a.s. in het

Concertgebouw en het concert van het Metropole Orkest op diezelfde datum in Paradiso niet

zullen worden uitgevoerd. Het Radio Kamer Orkest zal op 20 of 21 juni het werk neerleggen. Het Radio Symfonie Orkest zal dat doen op 25 of
26 juni a.s. In de week van 11 juni a.s. geven wij u uitsluitsel op welke data concreet niet door het RKO en het RSO zal worden gespeeld."

i. Op 4 juni 1999 is een persbericht van de bonden verschenen met onder meer de volgende inhoud:

"De musici van de omroeporkesten hebben besloten een 4-tal concerten die gepland staan in het kader van het Holland Festival niet te spelen. (
¼ ) De musici zijn dermate teleurgesteld in hun werkgever, het Muziekcentrum van de Omroep, en de Staatssecretaris van Cultuur, dhr. F. van der Ploeg, dat zij besloten hebben met ingang van zaterdag 19 juni a.s. het werk geheel neer te leggen.

(
¼ )

De concerten op zaterdag 19 juni van het Radio Filharmonisch Orkest (VARA-Matinee) en het Metropole Orkest in Paradiso met werk van de hoofdgast van het Holland Festival, Brian Eno, zullen door de musici niet worden uitgevoerd. In de dagen en weken daarna zullen ook concerten van het Radio Kamer Orkest op zondag 20 juni en het Radio Symfonie Orkest op zaterdag 26 juni niet doorgaan.

In plaats van de vervallen concerten op de 19e juni zullen de actievoerende musici zich vanaf 13.00 uur op de Dam in Amsterdam verzamelen om een openbaar protestconcert te verzorgen."

j. Naar aanleiding van het persbericht van 4 juni 1999 is het Holland Festival in overleg getreden met de verschillende betrokken partijen teneinde te onderzoeken of de acties konden worden voorkomen. Dat overleg heeft geen succes gehad.

k. In een brief van 11 juni 1999 hebben de bonden aan het MCO onder meer geschreven:

"In aansluiting op onze brief van 3 juni j.l. kan ik u melden dat de musici van het Radio

Kamer Orkest hebben besloten het concert van zondag 20 juni a.s. niet te spelen. De musici

van het RSO zullen het concert op zaterdag 26 juni a.s. niet spelen. Op zaterdag 12 juni a.s. zullen de musici van het RFO in het Concertgebouw een werkonderbreking houden. Datzelfde zullen de musici van het RSO op zondag 13 juni a.s. in Vredenburg doen."

l. De in de onder k. vermelde brief aangekondigde werkonderbrekingen op 12 en 13 juni 1999 hebben plaatsgehad.

m. De aangekondigde stakingen op 19 juni 1999 betroffen het concert van Brian Eno en het concert in de VARA-Matinee en de aangekondigde staking op 20 juni 1999 had betrekking op het concert `Verlichte Muziek'. Deze concerten vonden plaats in het kader van het Holland Festival. Deze, hierboven onder h., i. en k. vermelde, aankondigingen van de stakingen hebben ertoe geleid dat de bedoelde concerten zijn afgelast.

n. In de periode van 19 juni 1999 tot en met 26 juni 1999 spelen de desbetreffende orkesten uitsluitend in het kader van het Holland Festival. Het Groot Omroep Koor heeft in deze periode geen uitvoeringen. Het speelschema van de orkesten is als volgt:

datum
orkest locatie aanduiding


19 juni 1999 Metropole orkest Paradiso Brian Eno


19 juni 1999 Radio Filharmonisch Orkest Concertgebouw VARA-Matinee


20 juni 1999 Metropole Orkest Paradiso Brian Eno


20 juni 1999 Radio Kamer Orkest Westergasfabriek Verlichte Muziek


21 juni 1999 Radio Kamer Orkest Westergasfabriek Verlichte Muziek


25 juni 1999 Radio Symfonie Orkest Stadsschouwburg Diva Dolorosa


26 juni 1999 Radio Symfonie Orkest Stadsschouwburg Diva Dolorosa

o. In de periode van 29 juni 1999 tot 15 juli 1999 - het begin van de zomervakantie - geven het Groot Omroep Koor, het Radio Filharmonisch Orkest, het Metropole Orkest, het Radio Symfonie Orkest en het Radio Kamer Orkest nog diverse uitvoeringen, waaronder tweemaal een concert van het Groot Omroep Koor en het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Haitink op 29 en 30 juni 1999 en tweemaal een ander concert onder leiding van Flor op 7 en 8 juli 1999.


4.3. De vorderingen en het verweer


4.3.1. Het Holland Festival heeft aan de vorderingen ten grondslag gelegd dat de staking van het Radio Symfonie Orkest op 26 juni 1999 jegens het Holland Festival onrechtmatig is. Daartoe heeft het Holland Festival, samengevat, het volgende aangevoerd.


4.3.2. De collectieve acties van de orkesten vertonen politieke aspecten en treffen het Holland Festival dat op de uitkomst van het conflict geen enkele invloed kan uitoefenen.

De programmering van het Holland Festival is evident van groot nationaal cultureel belang. De acties hebben reeds tot gevolg gehad dat drie unieke concerten in de programmering van het Holland Festival definitief geen doorgang hebben kunnen vinden en de onderhavige voorgenomen staking op 26 juni 1999, de slotavond van het Holland Festival, betekent dat een vierde uniek concert dat lot deelt. Op deze wijze is een onherstelbare bres geslagen in de muzikale programmering, die had kunnen worden voorkomen door een minder vergaande actievorm te kiezen. Die vier concerten zijn uniek vanwege de bijzondere samenwerkingsvormen van verschillende podiumkunstenaars. Eén van de twee concerten van Brian Eno, de hoofdgast van het Holland Festival, die speciaal voor dit festival een orkestbewerking van The Shutov Assembly heeft gemaakt, is getroffen. De wereldpremière daarvan heeft door de acties op 19 juni 1999 geen doorgang kunnen vinden. Ook de VARA-Matinee op 19 juni 1999, een eenmalig concert, is afgelast onder de dreiging van staking. Datzelfde is gebeurd met de uitvoering door het Radio Kamer Orkest op 20 juni 1999 van `Verlichte Muziek', voor welke voorstelling grafisch ontwerper Jaap Drupsteen speciaal voor het Holland Festival een unieke video-compositie heeft gemaakt, waarmee aanmerkelijke kosten zijn gemoeid. Doordat de uitvoering van dit werk op 21 juni 1991 te kampen had met een technische storing, is dit werk thans niet in zijn perfecte vorm te beschouwen geweest. De productie `Diva Dolorosa', een synthese van film en muziek, betreft eveneens een wereldpremière, waarbij het Radio Symfonie Orkest samenwerkt met de filmmaker Peter Delpeut.

Er is sprake van ernstige artistieke schade, reeds omdat werken niet of maar eenmalig worden uitgevoerd en de kwaliteit van beeld- en geluidsopnames beduidend minder is bij eenmalige uitvoeringen. Daarnaast is er grote materiële schade. De variabele kosten van de vier producties bedragen ruim ¦ 360.000,--. Het Holland Festival moet aan degenen die al kaartjes hadden gekocht geld terugbetalen en kan te maken krijgen met claims van kunstenaars die zich aan deze concerten hebben verbonden. Voorts wordt het Holland Festival, onder meer doordat het vele bezoekers uit binnen- en buitenland moet teleurstellen en door verstoring van de relaties met tal van betrokken, in zijn goede naam aangetast.

Bovenal hebben de orkesten uiterst selectief alleen het Holland Festival met algehele stakingen getroffen: zij hebben voordien dergelijke algehele stakingen niet uitgevoerd en zullen ook in de periode van 26 juni 1999 tot 15 juli 1999, de datum waarop de orkestleden met vakantie gaan, dergelijke stakingen niet uitvoeren.

In deze omstandigheden wordt het Holland Festival disproportioneel benadeeld door de collectieve acties. Aldus nog steeds het Holland Festival.


4.3.3. De bonden, die onderkennen dat de belangen van het Holland Festival door de acties worden geschaad, hebben bestreden dat het Holland Festival onevenredig zwaar wordt getroffen en dat de door het Holland Festival genoemde feiten en omstandigheden een beperking van het stakingsrecht rechtvaardigen. Zij hebben erop gewezen dat de acties zorgvuldig zijn aangekondigd. Zij hebben voorts aangevoerd dat de acties in zwaarte zijn opgevoerd: nadat aanvankelijk was volstaan met korte werkonderbrekingen, is overgegaan tot langere onderbrekingen van de concerten, waarbij in elke fase de hoop bestond dat de acties het door hen gewenste resultaat zouden hebben. Toen dat niet het geval bleek, is gekozen voor het niet uitvoeren van concerten op tevoren vastgestelde dagen. Uit een oogpunt van onderlinge solidariteit werd beoogd dat elk van de orkesten een keer zou staken. Op het moment dat werd overgegaan tot de werkstaking waren de orkesten uitsluitend betrokken bij de programmering van het Holland Festival en waren er geen andere opdrachtgevers. Bij de uitvoering van de stakingen in het Holland Festival is men zorgvuldig te werk gegaan: waar mogelijk is gekozen voor het niet laten doorgaan van één van twee voorstellingen. Alleen ten aanzien van de VARA-Matinee was dit, in verband met de bedoelde solidariteit, niet mogelijk.

De bonden betwisten dat de artistieke schade die geleden is ernstig is en bestrijden de hoogte van de materiële schade.

In ieder geval in hoger beroep hebben de bonden uitdrukkelijk betwist dat de stakingsacties selectief tegen het Holland Festival zijn gericht. Zij hebben betoogd dat zij alle opties open hebben gehouden om, afhankelijk van het resultaat van de acties, tot de zomervakantie ook andere concerten met collectieve acties te treffen.


4.4. Moet de staking worden geduld?


4.4.1. Vaststaat dat de ten processe bedoelde stakingen in beginsel worden gedekt door het bepaalde in artikel 6, aanhef en onder 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH). Het Holland Festival heeft dat - terecht - niet bestreden.


4.4.2. Eveneens staat vast dat het Holland Festival moet worden aangemerkt als een derde als bedoeld in het eerste lid van artikel 31 ESH, wiens rechten en belangen onder omstandigheden een beperking van het stakingsrecht kunnen rechtvaardigen. De bonden hebben dat - evenzeer terecht - ook niet betwist.


4.4.3. Het Holland Festival heeft als derde in beginsel de staking te dulden als een rechtmatige uitoefening van het in artikel 6, aanhef en onder 4 ESH erkende grondrecht. Voor het antwoord op de vraag aan welke vereisten moet zijn voldaan vooraleer de staking van het Radio Symfonie Orkest op 26 juni 1999 door het Holland Festival niet behoeft te worden geduld en door de rechter aan beperkingen mag worden onderworpen, is in het bijzonder leidraad hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 21 maart 1997, NJ 1997, 437 (FNV/VSN). Deze vereisten komen erop neer dat staking, gelet op de zorgvuldigheid die krachtens artikel 6:162 BW in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen ten aanzien van de persoon en de goederen van anderen, in zodanige mate inbreuk maakt op de in het eerste lid van artikel 31 ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen, dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn.


4.4.4. Of de onderhavige staking van het Radio Symfonie Orkest onrechtmatig is jegens het Holland Festival hangt dan ook daarvan af of bij afweging van de bij de uitoefening van het grondrecht betrokken belangen tegen de belangen van het Holland Festival, alle omstandigheden in onderling verband en samenhang in aanmerking genomen, de belangen van het Holland Festival onevenredig zwaar worden geschaad.


4.4.5. Het hof neemt voor zijn oordeel de navolgende feiten en omstandigheden in aanmerking.


4.4.6. De collectieve acties keren zich tegen het MCO als werkgever en zijn mede gericht tegen de overheid. Het Holland Festival kan de uitkomst van het arbeidsconflict niet beïnvloeden.


4.4.7. De acties zijn op voldoende zorgvuldige wijze voorbereid. Uit de in rechtsoverweging 4.2. vermelde uitgangspunten blijkt dat de bonden de acties, waaronder die op 26 juni 1999, voldoende tijdig hebben aangekondigd. Zij hebben duidelijk gemaakt dat vanaf medio mei
1999 acties mogelijk waren die in ieder geval tot de zomervakantie konden duren en dat deze acties ook het Holland Festival konden treffen. Zij hebben voorts de aard van de acties en de tijdstippen waarop zij werden uitgevoerd telkens voldoende tijdig ter kennis gebracht van het MCO en daaraan ook door middel van persberichten bekendheid gegeven.


4.4.8. De acties zijn in zwaarte toegenomen. Aanvankelijk bestonden de acties uit werkonderbrekingen van successievelijk langere duur. Vast staat dat deze acties niet tot het door de bonden beoogde resultaat hebben geleid. Het is in beginsel aan degenen die actiemiddelen hanteren om bij de keuze van de hun ten dienste staande vormen het moment te bepalen waarop zij, blijft het door hen gewenste resultaat van minder vergaande acties uit, overgaan tot zwaardere middelen. Daarvan uitgaande, is niet aannemelijk geworden dat de bonden in redelijkheid niet hebben kunnen besluiten dat de acties de vorm kregen van het niet uitvoeren van een aantal concerten. Bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan hierover anders gedacht moet worden zijn niet gesteld of gebleken. De enkele stelling van het Holland Festival, dat de bonden ook hadden kunnen blijven volstaan met werkonderbrekingen of soortgelijke minder verstorende acties, is daartoe niet voldoende. Het vorenstaande betekent dat in beginsel ook moet worden gerespecteerd dat voor de bonden met ingang van 19 juni
1999 het moment gekomen was om concerten niet uit te voeren.


4.4.9. In ieder geval in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de bonden, zoals het Holland Festival heeft gesteld, selectief alleen het Holland Festival met de volle last van de stakingen hebben willen treffen. In dit kort geding is voldoende aannemelijk geworden dat, toen men de tijd rijp achtte om over te gaan tot het niet uitvoeren van concerten, de orkesten geen andere opdrachtgevers hadden die door acties konden worden getroffen dan het Holland Festival (zie het speelschema, vermeld in rechtsoverweging 4.2. onder n.). Evenmin is aannemelijk geworden dat de orkesten voornemens waren of zijn na 26 juni 1999, als het Holland Festival afgelopen is, tot de zomervakantie geen stakingsacties meer te doen plaatsvinden. De bonden hebben in hoger beroep uitdrukkelijk bestreden dat dit het geval was en hebben betoogd dat zij, mocht die suggestie zijn gewekt, ook bij de behandeling in eerste aanleg niet hebben bedoeld zich bij voorbaat erover uit te spreken dat zij, onverschillig of de stakingen het door hen beoogde resultaat zouden hebben of niet, afzagen van nadere acties. Gelet op de aankondigingen, waarin uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt opengehouden ook na het Holland Festival de acties voort te zetten, en gelet op voor de hand liggende werkwijze dat periodiek wordt bezien of reden aanwezig wordt geoordeeld de acties voort te zetten, acht het hof dat standpunt in hoger beroep voldoende onderbouwd en geloofwaardig. Ook indien de bonden reeds besloten zouden hebben een of meer bepaalde concerten - het Holland Festival heeft daarbij de concerten onder leiding van Haitink genoemd - na 26 juni 1999 niet door acties te treffen, ligt daarin een onvoldoende aanwijzing besloten dat tevoren op ontoelaatbare wijze werd beoogd uitsluitend het Holland Festival te treffen. De enkele omstandigheid immers dat de bonden zich bij de uitoefening van het stakingsrecht om hen moverende redenen mede laten leiden door de overweging zoveel mogelijk de eigen belangen te ontzien, brengt zonder nadere feiten en omstandigheden, die niet zijn gesteld of gebleken, nog niet mee dat reeds die selectie het Holland Festival onevenredig benadeelt.


4.4.10. De bonden hebben de concerten in het Holland Festival, die zij door stakingen hebben getroffen, en het Radio Symfonie Orkest heeft het concert op 26 juni 1999 dat het door een staking wil treffen, zodanig gekozen dat, met uitzondering van het concert in de VARA-Matinee op 19 juni 1999, telkens nog één van de twee geprogrammeerde voorstellingen doorgang kon vinden. De bonden mogen bij de keuze van de concerten in beginsel ook de onderlinge solidariteit van de verschillende orkesten en het Groot Omroep Koor een rol laten spelen, in die zin dat elk tenminste een keer staakt. De gevolgde handelwijze heeft de belangen van het Holland Festival in ieder geval in niet onbeduidende mate gerespecteerd.


4.4.11. Het Holland Festival lijdt onmiskenbaar materiële schade door de stakingen. Al staat de hoogte van de materiële schade, gelet op de gemotiveerde betwisting door de bonden, thans nog niet vast, het is zonder meer aannemelijk te achten dat deze schade verhoudingsgewijs niet gering is, mede gelet op het feit dat het Holland Festival, zoals het in hoger beroep onbestreden heeft gesteld, voor de financiering afhankelijk is van overheidssubsidies en bijdragen van sponsors en anderen en niet beschikt over reserves die dergelijke kosten gemakkelijk kunnen opvangen. Het Holland Festival heeft evenwel niet gesteld dat deze schade zo aanzienlijk is, dat het voortbestaan van de Stichting Holland Festival door de acties onmiddellijk en concreet in gevaar dreigt te komen.


4.4.12. Het eminente culturele belang van het Holland Festival is door de bonden niet betwist. Even onmiskenbaar lijdt het Holland Festival door de stakingsacties, wat het genoemd heeft, artistieke schade. Dat geldt zonder meer voor de getroffen, eenmalige, uitvoering in de VARA-Matinee, maar eveneens - zij het in mindere mate - voor het niet doorgaan van telkens één van de twee voorstellingen, waarvan het unieke karakter door de bonden niet is betwist. Mede gelet op de daarbij betrokken belangen van kunstenaars, publiek en anderen vormt deze schade een zwaarwegende factor bij het bepalen van de proportionaliteit. Voorshands is echter niet aannemelijk gemaakt dat in artistiek opzicht de (toekomstige) programmering van het Holland Festival en de reputatie van het Holland Festival duurzaam en onherstelbaar negatieve gevolgen van de acties zullen ondervinden.


4.4.13. De hiervoor genoemde omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwend, komt het hof bij de afweging van de bij het grondrecht van staking betrokken belangen van de orkesten tegen de belangen van het Holland Festival tot de conclusie, dat het Holland Festival niet in zodanige mate onevenredig wordt getroffen door de staking van het Radio Symfonie Orkest op 26 juni 1999, dat een beperking van dit stakingsrecht, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk is.


4.4.14. Anders dan de president heeft geoordeeld, is er dus onvoldoende grond de bonden te gebieden hun leden van het Radio Symfonie Orkest op te roepen af te zien van de voorgenomen werkstaking op 26 juni 1999.


5. Slotsom


5.1. De grieven slagen. Het vonnis van de president moet worden vernietigd en de gevraagde voorzieningen moeten alsnog worden geweigerd.


5.2. Het Holland Festival moet, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding in beide instanties worden veroordeeld.


6. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en, opnieuw rechtdoende,

weigert de gevraagde voorzieningen;

veroordeelt het Holland Festival in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van de bonden in eerste aanleg begroot op ¦ 1.950,-- en in hoger beroep begroot op ¦ 5.575,--.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schendel, Sorgdrager en De Bruin en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 1999.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie