Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Antwoord kamervragen aanvullend stikstofbeleid

Datum nieuwsfeit: 25-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
expostbus51


MINISTERIE LNV

www.minlnv.nl

Brief aan de Vz Vaste Cie. voor LNV

De Voorzitter van de Vaste Commissie
voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA 's-GRAVENHAGE

25 juni 1999

Vragen Algemeen Overleg aanvullend stikstofbeleid.(TRC 1999/493)d.d. 16 juni 1999

Geachte Voorzitter,

Conform mijn toezegging doe ik u hierbij schriftelijk de antwoorden toekomen op
enkele vragen die tijdens het Algemeen Overleg over het aanvullend stikstofbeleid
d.d. 16 juni 1999 zijn gesteld.

Vraag 1:

Kunnen voor de bepaling van de veebezettingsnorm alle hectaren landbouwgrond waarover een melkveehouder kan beschikken middels eigendom, pacht of grond-gebruiksverklaring worden meegeteld bij de bepaling van de veedichtheid van het desbetreffende bedrijf?

Antwoord:
Neen. Voor de bepaling van de veedichtheid op een melkveehouderijbedrijf kunnen alleen die hectaren worden meegenomen die in gebruik zijn voor grasland en voedergewassen. De invoering van de veebezettingsnorm is niet op de eerste plaats gericht op het garan-deren van een goede afzet van de dierlijke mest, maar primair op het verminderen van de intensiteit van het gebruik van grasland en het voederareaal op het bedrijf.
De belangrijkste reden voor de invoering van een veebezettingsnorm in de melkvee-houderij is versterking van de sturingskracht van Minas. Het Minas-instrumentarium is op zich niet in staat om in de intensieve melkveehouderij de stikstofverliesnormen vanaf 2002 af te dwingen. Melkveehouderijbedrijven streven in het algemeen naar een zo hoog mogelijke zelfvoor-ziening voor ruwvoeder en daarmee naar een zo hoog mogelijke opbrengst van de ruw-voerproductie (gras en voedergewassen). Deze hoge opbrengsten worden gerealiseerd door intensief gebruik van stikstofmeststoffen.
Op bedrijven met een hoge veebezetting is de kans groot dat gekozen wordt voor over-schrijding van de stikstofverliesnormen en de desbetreffende melkveehouder bereid is de stikstofheffing te betalen. De stikstofheffing is op dit moment fl 1,50 per kilogram N. Het verhogen van de heffing biedt beperkte mogelijkheden, vanwege het feit dat de fraudemogelijkheden om kunstmest in het buitenland te kopen en niet in de Minas-aangifte op te nemen groot zijn. Bij een sterke verhoging van de stikstofheffing zullen
deze mogelijkheden worden benut. Tevens is het in vergelijking met de aankoop van ruwvoer voor intensieve melkveebedrijven voordeliger de stikstofheffing af te kopen in plaats van de ruwvoerproductie te verminderen. Het regulerende karakter van de stik-stofheffing wordt hierdoor aangetast.
Door de invoering van een veebezettingsnorm van uiteindelijk 2,5 GVE per hectare gras en voedergewassen wordt een plafond ingebouwd in het intensieve gebruik van grasland en land in gebruik voor de productie van voergewassen. Hierdoor wordt de sturingskracht van Minas behouden.
Mede uit oogpunt van de geloofwaardigheid naar Brussel is het essentieel dat de sturings-kracht van Minas voldoende is.

Vraag 2:
Wat is één GVE, gelet op het feit dat de ene melkkoe 5.000 kilogram melk per jaar produceert en de andere koe 10.000 kilogram melk per jaar?

Antwoord:
Bij de bepaling van de veebezettingsnorm is één koe gelijk aan één GVE onafhankelijk van de hoogte van de melkproductie. De veebezettingsnorm is een grofregulering om de inten-siteit van het gebruik van het areaal landbouwgrond voor de ruwvoerproductie binnen de perken te houden. Op basis van Minas vindt de fijnregulering plaats van de mineralen in- en output op het bedrijf.

Vraag 3:
Waarom worden de schapen meegenomen met de invoering van de veebezettings-norm? Wat doet de minister aan de problemen van schapenhouderij op natuur-terreinen?

Antwoord:
Het voornemen is om zowel voor de melkveehouderij als de schapenhouderij de veebezet-tingsnorm in te voeren. Voor de bepaling van het aantal grootvee-eenheden op bijvoor-beeld een melkveebedrijf tellen alle rundvee en schapen mee op het melkveebedrijf. In de Derde voortgangsrapportage Integrale Notitie mest- en ammoniakbeleid is dit voornemen reeds aangekondigd. Hierdoor kan de veebezettingsnorm in de plaats komen van de mestproductierechtensystematiek. Hiermee kan de problematiek van de mestregelgeving bij schapenhouderij op natuur-terreinen worden opgelost. Het is dan niet meer noodzakelijk voor deze schapenhouders om over voldoende mestproductierechten te beschikken, hetgeen momenteel problemen oplevert. Bovendien is dit consistent met het ingezette beleid in de melkveehouderij. De schapenhouderij is ook een grondgebonden sector. Omdat de veebezettingsnorm voor de melkveehouderij en schapenhouderij pas per 2002 wordt ingevoerd wordt het probleem van schapenhouderij op natuurterreinen niet direct geregeld. Hoewel oplossingen niet direct voor het grijpen liggen, zal ik mij in een samen-spraak met betrokkenen inspannen om een oplossing te vinden voor deze overgangs-problematiek. Daarbij staat voorop dat de schapenhouders die wel reeds hebben geïn-vesteerd in mestproductierechten niet worden benadeeld.

Vraag 4:
Wat is de rol van de overheid bij de stimulering van de mestbewerking en mestver-werking?

Antwoord:
Op dit moment kunnen initiatieven op het vlak van mestbewerking en
-verwerking in aanmerking komen voor subsidie in het kader van de Stimuleringsregeling Markt- en Concurrentiekracht. De stimuleringsregeling kent twee programma.s: een innovatie-programma en een verspreidingsprogramma. De innovatieregeling beoogt de concurren-tiekracht te verhogen door het stimuleren van vernieuwingen. Het verspreidingsprogram-ma is gericht op het versneld realiseren van beleidsmatig gewenste ontwikkelingen. Mestverwerking komt voor beide programma.s in aanmerking.

Investeringen op het gebied van mestbewerking en -verwerking komen ook in aanmerking voor de Verzorgde Afschrijving Milieuinvesteringen (VAMIL) en de voorgenomen Milieu-investeringsregeling (MIA).

Daarnaast wordt de mogelijkheid tot stimulering van mestverwerking middels dierrechten (vrijwaring van eventuele korting in toekomst of uitbreiding zonder aankooprechten) onderzocht.
In de pluimveehouderij lopen hiertoe een aantal experimenten, namelijk:
. vrijwaring korting op dierrechten wanneer deelgenomen wordt aan pluimveemest-verbranding;
. toestaan uitbreiding pluimveehouderij zonder aankoop van dierrechten indien gegarandeerd wordt dat alle pluimveemest op het bedrijf wordt geëxporteerd
(Golden Harvest en het Zuivere Ei).
Overigens dient bedacht te worden dat mestbewerking op zich het mineralenoverschot niet vermindert. Het kan hoogstens een bijdrage leveren tot een betere acceptatie.

Vraag 5:
Hoe staat het met de ex-ante evaluatie van het veevoederspoor?

Antwoord:
Het resultaat van de ex-ante evaluatie veevoederspoor (5% minder fosfaatuitscheiding bij varkens in 2000) is positief. Het ontwerpbesluit voermaatregelen varkenshouderij is voor advies verzonden naar de maatschappelijke organisaties. Nader moet worden bezien wat de consequenties zijn van de gerechtelijke uitspraken inzake de Wet herstructurering varkenshouderij voor de invoering van het veevoederspoor.

Vraag 6:
Is de minister bereid het opzetten van een proefbedrijf voor de biologische melkvee-houderij Aver Heino te ondersteunen?

Antwoord:
Ja, ik ben hiertoe bereid. Ik zal samen met de minister van VROM zorgvuldig de mogelijk-heden bezien op welke wijze ik de ontwikkeling van Aver Heino als proefbedrijf voor de biologische melkveehouderij verder kan ondersteunen. Een en ander mede in het licht van de reeds ingezette operatie om te komen tot een aanpassing van de aansturing van het praktijkonderzoek. Overigens loopt er reeds een onderzoeksprogramma biologische melkveehouderij dat voor een deel op Aver Heino wordt uitgevoerd.

Vraag 7:
Bent u bereid te komen met een extensiveringsregeling voor de melkveehouderij op de droge zandgronden?

Antwoord:
Nee. Primair dient prioriteit gegeven te worden aan het creëren van ruimte middels het stimuleren van verplaatsing van melkveebedrijven uit de intensieve melkveehouderij-gebieden, opdat extensivering van de melkveehouderij überhaupt mogelijk wordt. Het beleid is erop gericht dat de melkveebedrijven vervolgens op eigen kracht op basis van de gecreëerde ruimte extensiveren.

Vraag 8:
Waarop is het bedrag van 800.000 gulden, zijnde de gemiddelde kosten van een bedrijfsverplaatsing van een melkveebedrijf, gebaseerd?

Antwoord:
Dit bedrag is gebaseerd op de ervaringen met verplaatsing van melkveebedrijven op dit moment. Op grond van de verplaatsingsregeling zal een deel hiervan worden gesubsidieerd.

Vraag 9:
Is de minister bereid extra geld te reserveren voor omschakeling naar biologische landbouw uit de nitraatgelden?

Antwoord:
Nee. In het kader van het plan van aanpak biologische landbouw zijn gelden gereserveerd voor stimulering van omschakeling naar biologische landbouw. Dit plan wordt nu geëva-lueerd om te komen tot een nieuw plan in 2000.

Vraag 10:
Wat doet de minister aan de hoge Minas-heffing?

Antwoord:
Er zijn signalen dat een aantal bedrijven een hoge Minas-heffing moet gaan betalen. Deze signalen komen vooral uit de varkenshouderij en vleeskuikenouderdierenhouderij. Er zijn drie mogelijke oorzaken: . deze bedrijven hebben hun bedrijfsvoering onvoldoende aangepast; . er is sprake van fouten in het systeem;
. deze bedrijven hebben onvoldoende mest afgezet en bewust mest in voorraad gehouden vanwege de wateroverlast eind 1998. Op basis van concrete voorbeelden vanuit de sectoren wordt momenteel geanalyseerd wat er aan de hand is. Wanneer bedrijven hun bedrijfsvoering onvoldoende hebben aangepast zullen zij een heffing moeten betalen. Minas is juist erop gericht dat de bedrijfsvoering wordt aangepast. Als er evident sprake is van systeemfouten zal ik het systeem aanpassen.
Voor bedrijven die bewust mest in voorraad hebben gehouden vanwege de moeizame afzetsituatie eind 1998 en de mest alsnog in 1999 afzetten, heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd dat er een zodanige betalingsregeling wordt ontworpen dat deze bedrijven kunnen verevenen met hun aangifte over 1999.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER

EN VISSERIJ,

mr. L.J. Brinkhorst

25 jun 99 15:15

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie