Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Toespraak Nederlandsche Bank over samenwerking Europese Unie

Datum nieuwsfeit: 25-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

De Nederlandsche Bank NV
Afdeling Externe betrekkingen en voorlichting

Toekomstige samenwerking in de Europese Unie

Toespraak door drs. H.J. Brouwer, directeur van de Nederlandsche Bank, ter gelegenheid van het seminar van het Duitsland Instituut over `The Road to European Monetary Union' op 25 juni 1999 in Amsterdam.

Inleiding
Dames en heren. Het is mij een genoegen om tijdens dit seminar te mogen spreken over samenwerking op monetair en economisch terrein binnen de Europese Unie en in het bijzonder over de Duits-Nederlandse samenwerking in de toekomst. De samenwerking tussen Duitsland en Nederland heeft een belangrijke rol gespeeld in het Europese integratieproces. Beide waren er van overtuigd dat economische integratie zou bijdragen aan vrede en stabiliteit in Europa. De weg naar monetaire integratie, die later is ingeslagen, heeft in de kern dezelfde achtergrond. Duitsland en Nederland beseften echter goed dat economische en monetaire integratie alleen kans van slagen zou hebben indien het EMU-project economisch ook verantwoord zou zijn. In die zin waren we aan elkaar gewaagd en vonden we elkaar in de nadruk op het belang van prijsstabiliteit, de onafhankelijkheid van de centrale bank en de dwingende noodzaak tot convergentie van financieel beleid. Bijzonder was dat Duitsland vanwege tactische overwegingen vaak graag een voortouwfunctie van Nederland zag in het Europese overleg over deze onderwerpen. Niet alleen vanwege zijn verleden vervulde Duitsland in het Europese integratieproces een voor een groot land wat a-typische rol, maar ook de wenselijke en tegelijkertijd vaak gecompliceerde Frans-Duitse as speelde daarbij een rol.

De vraag die ik mij stel is deze: kunnen er ten aanzien van de Duits-Nederlandse samenwerking op monetair en economisch terrein binnen de Europese Unie lijnen worden doorgetrokken naar de toekomst? Niet zonder meer. De kaart van Europa is daarvoor te veel veranderd. Ten eerste zijn er nieuwe spelregels voor de Europese beleidsvorming totstandgekomen. Ten tweede zijn de spelers zelf veranderd. En ten derde kent het spel z'n eigen dynamiek, hetgeen kan leiden tot een meer gemeenschappelijk optreden door de lidstaten van de Europese Unie. Samenwerkingsrelaties met andere lidstaten dan Duitsland kunnen worden geïntensiveerd en tevens zullen er nieuwe coalities kunnen ontstaan. Tegelijkertijd blijft er in de Duits-Nederlandse samenwerking een aantal constanten aanwezig. In mijn speech zou ik graag bij deze drie elementen, de nieuwe spelregels, de veranderde spelers en de dynamiek van het spel willen stilstaan.

Nieuwe spelregels
Met de start van de derde fase van de EMU zijn de spelregels voor het monetaire en economische beleid in Europa veranderd. Maakte tot sinds kort de Bundesbank in z'n eentje de facto op monetair terrein de dienst uit in Europa, nu wordt het Europese monetaire beleid bepaald door de Raad van Bestuur van de Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt. In deze Raad hebben de presidenten van de nationale centrale banken van het Eurosysteem en de zes directieleden van de ECB zitting. Eenieder heeft één stem. Daarmee is een einde gekomen aan de Duitse monetaire dominantie in Europa en is het monetaire beleid een 'echte' Europese zaak geworden. De invalshoek bij de beraadslagingen in Frankfurt is steeds het eurogebied. Ook de Nederlandsche Bank opereert thans vanuit een EMU-brede invalshoek en is van hoedster van de gulden medehoedster van de euro geworden. De ECB-Raad wordt gekarakteriseerd door consensus en een gezamenlijk optreden. Natuurlijk bestaan er onder de leden van de ECB-Raad wel eens nuanceverschillen over de beoordeling van bijvoorbeeld de actuele economische situatie in het eurogebied. Maar over de doelstelling van prijsstabiliteit en de wegen om dat te bereiken en te handhaven bestaat volledige consensus. Deze zaken zijn gemeengoed geworden, niet alleen onder centrale bankiers maar ook voor het gros van de Europese politici. De consensus over het te voeren economische beleid door de lidstaten is op politiek niveau minder sterk ontwikkeld dan onder de centrale bankiers. Overigens volstrekt begrijpelijk; politieke achterbannen, kiezers en verkozen worden spelen hierbij een rol. Sprekend over de Duits-Nederlandse samenwerking kan ik niet verhelen dat aanvankelijk na de regeringswisseling in Duitsland, Nederlandse financieel-economische beleidsmakers zich even op het verkeerde been voelden staan. Dat is voorbij, maar geeft wel aan dat nauwe samenwerking met andere landen niet als vanzelfsprekend mag worden beschouwd.
Is er op monetair terrein in enge zin, dat wil zeggen het rentebeleid, nu nog plaats voor bilaterale samenwerkingsrelaties? Neen. Monetair beleid en wisselkoersbeleid zijn nu exclusieve Europese competenties. Op dat terrein is dan ook geen ruimte meer voor coalitievorming. Op monetair terrein dus ook niet voor de Frans-Duitse as. Sterker nog, coalitievorming zou een destabiliserende rol kunnen spelen en de eenheid van het ESCB kunnen ondermijnen.

Ofschoon het monetaire beleid door de lidstaten is overgedragen aan de ECB, blijft het economische beleid en begrotingsbeleid tot de competentie van de lidstaten zelf behoren. Om er voor te zorgen dat de lidstaten hun huishoudboekje op orde houden zijn er ook voor dit beleidsterrein Europese spelregels afgesproken - deze zijn vastgelegd in het Pact voor Stabiliteit en Groei. Dit pact bepaalt dat de overheidsbegrotingen dichtbij evenwicht of in overschot moeten worden gebracht op de middellange termijn. Er is dan voldoende marge om bij slecht economisch weer niet meteen te hoeven bezuinigen waardoor de economische ontwikkeling nog verder zou kunnen verslechteren. Te expansief beleid kan leiden tot een opwaartse rente- en inflatiedruk en belast daarmee het monetaire beleid. Vooral van belang is dat bij een te ruim beleid het vertrouwen wordt ondergraven, hetgeen zijn weerslag kan hebben op het eurogebied via de rente of de koersbewegingen. De financiële markten zijn namelijk sterk gefocused op de `fiscal performance' van de lidstaten. Dit zagen we onlangs nog bij de discussie in Brussel ten aanzien van de Italiaanse overheidsbegroting.

Er valt bij sommigen enige tendentie te bespeuren in de richting van een accentuering van het belang van op euro-xi niveau geaggregeerde stand van de overheidsfinanciën. Dit zal er echter toe leiden dat de lidstaten zich achter elkaar gaan verschuilen en niet meer zichtbaar aanspreekbaar zijn. Dat ondermijnt de discipline. Het is belangrijk dat de nationale overheden ieder voor zich op hun verantwoordelijkheden kunnen worden aangesproken. Dit is vooral ook in het belang van de kleinere lidstaten, aangezien deze lidstaten negatieve gevolgen kunnen ondervinden van slecht budgettair beleid van de grotere lidstaten.
Dit dient ook het uitgangspunt te zijn voor coördinatie van economisch beleid op Europees niveau. Mijns inziens is dit voornamelijk een kwestie van `peer review' en `peer pressure'. Daarbij dient maximaal gebruik te worden gemaakt van de zogenoemde `broad economic guidelines' die gelukkig recentelijk een meer landenspecifieke focus hebben gekregen. Andere centralistische vormen van beleidsafstemming lijken mij niet wenselijk. Dat zou de flexibiliteit wegnemen die op nationaal niveau nodig is om in te kunnen spelen op divergerende economische ontwikkelingen tussen lidstaten. Bovendien is enige beleidsconcurrentie een gezonde zaak. Binnen de Euro-xi kunnen de lidstaten hun ervaringen met verschillende beleidsconcepten uitwisselen om op die manier te komen tot `best practices' voor het structurele economische beleid. Zo heeft het Nederlandse poldermodel binnen Europa de laatste tijd veel aandacht gekregen. Elementen uit zo´n beleidsconcept zouden andere lidstaten kunnen inspireren tot verbetering van hun structureel economisch beleid. De Euro-xi dient zich vooral op deze `peer pressure' te concentreren. In deze context kan de dialoog met de ECB, en tussen de ncb´s en hun regeringen van de lidstaten, zeer zinvol zijn. Maar van een ex ante coördinatie kan geen sprake zijn. Dat zou de onafhankelijkheid van het Stelsel (ESCB) ondermijnen: beide autoriteiten hebben hun eigen, gescheiden verantwoordelijkheden.

De spelers zijn veranderd
Niet alleen zijn de spelregels voor het Europese beleid veranderd maar ook de spelers zelf. In de eerste plaats Duitsland. Het begin van de EMU valt samen met het moment dat een nieuw hoofdstuk in de Duitse geschiedenis aanvangt. In Duitsland is voor het eerst een regering aan de macht die voornamelijk bestaat uit politici van de naoorlogse generatie. Het is deze regering die binnenkort naar Berlijn zal verhuizen. Het naoorlogse en democratische Duitsland is volwassen geworden en zal als `Berliner Republik' zowel binnen Europa als op internationaal niveau een onbevangener houding tonen - een houding meer in overeenstemming met zijn economische en geografische omvang.

In de tweede plaats zien we de houding van het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van het Europese integratieproces -in positieve zin- veranderen. Het VK heeft altijd een haat-liefde verhouding met Europa gehad. Aan de ene kant is het VK voorstander van een daadkrachtig Europa dat vrede en vrij handelsverkeer wereldwijd bevordert. Maar tegelijkertijd heeft het VK altijd moeite gehad met zijn eigen rol, omdat het nogal sterk gekant is tegen een federalistisch Europa dat de nationale soevereiniteit teveel beperkt. Wat dit laatste betreft is de afstand tussen het VK en de rest van Europa wellicht verkleind. De meeste lidstaten blijken - voorlopig althans - minder sterke federale Europese ambities te koesteren. Bovendien beginnen de Britten in te zien dat hun manier van optreden geen vruchten heeft afgeworpen. Door telkens weer te kiezen voor een opt-out en aan de zijlijn te blijven staan slaagt het VK er niet in zijn stempel op de vorming van de Europese Unie te drukken. De Britse premier heeft echter herhaalde malen aangeven dat de toekomst van het VK in het hart van Europa ligt. Hopelijk is de recentelijk weer wat aarzelende houding ten aanzien van toetreding tot de EMU slechts een tijdelijk verschijnsel.

Door de grotere rol van het VK en de veranderde positie van Duitsland zal de Frans-Duitse as in de dagelijkse praktijk van het beleidsmakingsproces een minder prominente rol gaan spelen. Het Europese speelveld zal meer open komen te liggen voor andere coalities. Het onlangs gepresenteerde programma van Schröder en Blair is hier een goed voorbeeld van. De inhoud van het programma toont duidelijk de betekenis van de Britse inbreng. Alle juiste economische beleidsrecepten die Europa nodig heeft staan erin: een behoedzaam budgettair beleid, hervorming van de sociale zekerheid en flexibilisering van de arbeids- en productmarkten. Deregulering en flexibilisering van de arbeidsmarkt is van groot belang om het EMU-project ook in de toekomst een succes te maken en om het hoofd te kunnen bieden aan de werkloosheidsproblematiek in het eurogebied. Soms bespeur ik wel eens een soort gevoel van `arrivé'. Sommigen schijnen te denken dat nu de lidstaten er in geslaagd zijn de derde fase van de EMU in te gaan het met het economisch beleid ook vanzelf wel goed zal komen. Niets is minder waar. De invoering van de euro leidt niet automatisch tot een beter structureel beleid. Het maakt de noodzaak tot economische hervormingen daarentegen wel groter. Het komt dus aan op de daadkracht van de lidstaten zelf. Het initiatief van Schröder en Blair mag daarom met gejuich worden ontvangen.

Voor Nederland betekenen deze ontwikkelingen concreet meer mogelijkheden voor andere coalities. Nederland heeft trouwens bij het Europese integratieproces terecht nooit al zijn kaarten op één land gezet maar heeft met verschillende landen coalities gevormd afhankelijk van de concrete belangen en de dossiers. Ik verwacht derhalve een voortzetting en intensivering van deze praktijk van meerdere, gelijktijdige coalities. Een voorbeeld is de samenwerking tussen het VK en Nederland. Zowel binnen Europa als op internationaal niveau hebben het VK en Nederland elkaar altijd kunnen vinden in de nadruk op meer marktwerking en transparantie.

Ten slotte merk ik op dat ofschoon de Frans-Duitse as minder vanzelfsprekend zal worden, deze as als politiek strategisch oriëntatiepunt voor de lange termijn nog wel degelijk relevant zal blijven. Niet alleen kent de Frans-Duitse as een lange traditie, maar we zouden zonder deze as nooit een EMU hebben gehad. De Frans-Duitse samenwerking blijft derhalve ook voor de toekomst van politieke betekenis voor het Europese integratieproces.

Het nieuwe spel kent z´n eigen dynamiek
De EMU leidt tot een sterke toename in de Europese samenwerking niet alleen binnen Europa maar ook op internationaal niveau. Op deze manier geeft de dynamiek die van de EMU uitgaat een impuls aan het Europese integratieproces. De EMU draagt er aan bij dat Europa meer wordt dan de som der delen. Voorts zal door bundeling van krachten Europa een grotere rol kunnen spelen in de internationale financiële en economische politiek, meer in overeenstemming met z´n economische en financiële gewicht. Op het terrein van het monetair beleid zijn reeds de nodige voorzieningen getroffen om met één stem te spreken. De president van de ECB neemt deel aan het financieel-economisch G7 en G10 overleg. Voorts is er inmiddels een ECB-waarnemer benoemd bij het IMF in Washington. Deze is bij de besprekingen in de Raad van Bewindvoerders aanwezig, waar voor het eurogebied relevante onderwerpen op de agenda staan, zoals het monetaire beleid van het eurogebied en de besprekingen van het economische beleid van de EMU-lidstaten.

Er is al een ontwikkeling te bespeuren dat de Europese lidstaten in internationale fora in toenemende mate samenwerken op basis van `common understandings' en `common positions'. Dit draagt bij aan de vergroting van de Europese rol op internationaal niveau. Tevens is het een belangrijk leerproces, waardoor Europa ook op andere terreinen steeds meer leert spreken met één stem. Het werken met `common understandings' is een goede werkwijze waarbij aan de ene kant gezicht wordt gegeven aan het Europese beleid en aan de andere kant ruimte open blijft om nationale accenten aan te brengen. In dit licht wordt het van bijzonder belang dat de grotere lidstaten van de Europese Unie realiseren en accepteren dat nauwere afstemming ten behoeve van bijvoorbeeld het G7 overleg noodzakelijk is. In de discussie over de internationale architectuur speelt de Verenigde Staten bijvoorbeeld een zeer grote rol. Dat vraagt om meer balans van Europese zijde. Daarom is het wenselijk dat de grotere lidstaten een sterker accent leggen op afstemming binnen de Europese Unie om zodoende meer de gevoelens van het eurogebied in internationale fora te kunnen vertolken. Over het algemeen zitten Duitsland en Nederland internationaal gezien vaak op dezelfde lijn. Het is van belang deze gelijke gezindheid in de toekomst nog meer te benutten dan voorheen. Vooral nu Duitsland in de toekomst een meer geprononceerde houding zal gaan aannemen zal de Duits-Nederlandse samenwerking voor Nederland belangrijker worden.

Slot
Europa staat letterlijk en figuurlijk aan het begin van een nieuw tijdperk. De contouren van de belangrijkste uitbreiding die de Europese Unie ooit heeft gekend beginnen zich steeds duidelijker af te tekenen. De Europese Unie zal in de nabije toekomst hoogstwaarschijnlijk bestaan uit een groot aantal kleine en middelkleine lidstaten en een klein aantal grote lidstaten - de groep van grote lidstaten zal bestaan uit Duitsland, Frankrijk, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, en Polen. Het is duidelijk dat de uitbreiding van de Europese Unie gevolgen zal moeten hebben voor de institutionele structuur van de Europese Unie. Simpelweg extrapolatie van de huidige bestuursstructuur lijkt onmogelijk. Daarmee staat de Europese Unie voor de uitdaging te zoeken naar efficiëntere besluitvormingsmechanismen zonder te kort te doen aan de posities van de afzonderlijke lidstaten.

Uitbreiding van de Europese Unie zal leiden tot een toename in de diversiteit onder de lidstaten hetgeen de nodige creativiteit en daadkracht zal eisen om het Europese integratieproces voort te zetten. Wisselende coalities tussen de lidstaten zullen daarin een belangrijkere rol gaan spelen. Wellicht dat de Duits-Nederlandse samenwerking iets van zijn vanzelfsprekendheid zal verliezen. De Duitse regering bestaande uit een naoorlogse generatie zal zich waarschijnlijk nadrukkelijker opstellen in zowel Europese als internationale fora. De gelijkgezindheid op kernpunten van financieel en economisch beleid blijft echter essentieel en verdient continue `onderhoud'. Duitsland en Nederland kennen beide een lange traditie van economische en monetaire stabiliteit en blijven daarmee belangrijke hoeders van de Europese spelregels voor het monetaire en economische beleid. Ook kunnen Nederland en Duitsland veel van elkaar leren. Nederland heeft jarenlang geprofiteerd van het Duitse monetaire beleid. Op zijn beurt kijkt Duitsland nu met belangstelling naar de Nederlandse prestaties op het gebied van onder andere de flexibilisering van de arbeidsmarkt. De Duits-Nederlandse samenwerking komt daarmee in ander perspectief te staan en vormt een constante in een veranderde omgeving met nieuwe spelregels en veranderde spelers.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie