Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Brief Buitenlandse Zaken inzake APP-prgramma

Datum nieuwsfeit: 26-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten Generaal

Postbus 20018


2500 EA Den Haag

Directoraat-Generaal

Internationale Samenwerking

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 26 juni 1999
Kenmerk 99133/DGIS
Blad /4
Bijlage(n)
Betreft APP-prgramma

Alleen al het verschijnen van de motie-Dijksma (neergelegd in stuk 26 551, nr 6) maakt duidelijk dat de communicatie met Uw Kamer over de herziening van de in de motie genoemde IAP- en APP-programma's helaas niet optimaal is geweest.

Alvorens Uw Kamer zich uitspreekt over deze motie zou ik haar gaarne deelgenoot willen maken van enige overwegingen. Daarmee hoop ik duidelijk te maken, dat er wel degelijk een heldere onderbouwing is voor de ingezette lijn.

Laat ik beginnen voorop te stellen dat het belang van de mogelijkheid voor onze ambassades om kleine projecten te financieren, onomstotelijk vast staat. Daarin verschil ik derhalve niet met de Kamer.

Het is U bekend dat ik mij voorgenomen heb successievelijk iedere bouwsteen van het budget zowel beleidsmatig als financieel onder de loep te nemen. In eerdere uitspraken heeft Uw Kamer mij aangemoedigd de uitgaven zo in te richten, dat zichtbaar is dat armoedebestrijding daarbij steeds een heldere richtsnoer is. Inmiddels wordt daaraan via de discussie over de landen- en sectorbeperking invulling gegeven. Het is evenwel noodzakelijk die discussie niet te beperken tot deze grote operatie. Ook de kleinere beleidsvelden verdienen aandacht. Vooral in dat licht zijn ook de programma's voor kleine projecten in ogenschouw genomen.

Het departement kende drie afzonderlijke programma's voor kleine projecten. De motie adresseert twee programma's: IAP en APP. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat er nog een derde programma voor kleine activiteiten bestond: Lokale Cultuur Projecten (LCP). De daar toegepaste grondige herstructurering is in lijn met de in het Regeerakkoord aangekondigde concentratie op 13 landen.Het betreft hier overigens een non-ODA programma.

Zowel oorsprong als financieringsgrondslag van het IAP- en het APP-programma zijn verschillend.

Het APP-programma is het oudst, was ODA-gefinancierd en had tot doel kleine ontwikkelingsactiviteiten mogelijk te maken in de tijd waarin nog geen decentralisatie naar de posten had plaatsgevonden. De budget-omvang per land verschilde sterk en kan alleen nog maar verklaard worden op historische gronden. Een beleidslijn was er niet meer in te ontdekken. De omvang van het budget per post liep uiteen van vrijwel niets tot ongeveer een miljoen gulden (volgens de regels te spenderen aan projecten van maximaal DFL 25.000 !).

Het IAP-programma is ontstaan om alle posten een mogelijkheid te geven via kleine projecten de Nederlandse presentie meer reliëf te geven. Het programma werd betaald uit non-ODA middelen en was min of meer genormeerd. De posten waren daartoe in drie categorieën verdeeld: klein, middelgroot en groot, met een budget van in beginsel resp. DFL.
20.000, 30.000 en 40.000).

Bij de heroverweging van deze programma's hebben enkele uitgangspunten centraal gestaan.

In de eerste plaats is overwogen dat het van belang is dat al onze posten in het buitenland kunnen beschikken over de mogelijkheid om de zichtbaarheid van de Nederlandse presentie te verhogen door het mogelijk maken van kleine projecten. Daartoe is een nieuw Programma kleine projecten (PKP) in het leven geroepen. Mede op grond van ervaringen met de oude programma's is besloten om de beheerslasten zo beperkt mogelijk te houden. Het programma is dan ook van zo min mogelijk regels voorzien. In feite hebben de posten volledig de vrije hand, verantwoording geschiedt achteraf. Omdat het hier om niet specifiek ontwikkelingsgerichte activiteiten gaat, waren voor de financiering van het nieuwe programma de beschikbare non-ODA middelen voor het IAP-programma (ongeveer DFL 2 mln) maatgevend. Om enige invulling aan het nieuwe programma te geven is de volgende redenering gevolgd. Er is voor de financiering een onderscheid gemaakt tussen landen die wel en landen die niet voorkomen op de OESO/DAC-I lijst. Vervolgens is het beschikbare IAP-budget volledig verdeeld over de posten in landen die niet op die lijst voorkomen. Daarbij is een indeling in klein, middelgroot en groot gehanteerd en konden de normbedragen worden vastgesteld op resp. DFL 35.000, 70.000 en
100.000. Een en ander betekent dat alle non-ODA posten er aanzienlijk op vooruitgegaan zijn. Voor de posten in landen die wel op de DAC-Ilijst staan geschiedt financiering ten laste van ODA-middelen. Daarbij zijn, om alle posten dezelfde mogelijkheden te bieden, dezelfde normbedragen aangehouden als hiervoor aangegeven.

Indien de motie naar de letter zou moeten worden uitgevoerd zou dat inhouden dat met onmiddellijke ingang de budgetten voor alle posten alsnog een neerwaartse bijstelling tot de oude IPA-normen zou moeten plaatsvinden.

Vervolgens is het APP-programma tegen het licht gehouden. Zoals reeds is gesteld was daar geen lijn meer in te ontdekken.

Dat gold in de eerste plaats voor de landenkeuze. Zo werd ten laste van ODA-middelen op alleen nog uit de historie verklaarbare gronden een bedrag van ruim DFL 400.000 aan kleine projecten in Mexico (een OESO-lidstaat !!) gefinancierd. Bovendien kregen grote posten als India en Costa Rica naast de aanzienlijke gedelegeerde budgetten krachtens het APP-programma ook nog eens DFL 800.000 resp. DFL 1 mln toegekend voor kleine projecten.

In de tweede plaats dient de vraag te worden gesteld of activiteiten die krachtens het APP-programma werden gefinancierd de centrale doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid nog wel dienen. Als voorbeeld noem ik het (soms de facto structureel) financieren van alumni-verenigingen en het financieren van handelsbevorderende activiteiten.

In de derde plaats bleek dat de ambassades in toenemende mate problemen ondervonden van de in de loop der jaren aangescherpte beheerslasten. Sommige ambassades hadden één of meerdere lokale krachten (gefinancierd uit het APP-programma zelf !) in dienst genomen om het programma uit te voeren. Andere hadden de uitvoering tegen betaling uitbesteed.

In de vierde plaats is overwogen dat ook ten gevolge van de invoering van de decentralisatie het APP-programma voor kleine projecten zijn doel voorbijgeschoten was. Het is de posten immers mogelijk om binnen de budgetten die zij krijgen desgewenst een deel te bestemmen voor kleine projecten. Van tevoren ligt daarbij evenwel vast dat die projecten passen binnen ontwikkelingsrelevante beleidskaders. Het bestaan daarvan en van beheersregels zullen de ambassades evenwel dwingen zich voortdurend te vergewissen van de beleidsrelevantie van te entameren kleine projecten.

Tenslotte, maar niet in het minst, is ook overwogen dat ten gevolge van de gegroeide situatie niet alleen voor mij, maar ook voor de Kamer het concrete zicht op en de sturing van een bedrag van ongeveer 20 miljoen gulden onvoldoende was gegarandeerd.

Uit van de posten ontvangen reacties is gebleken, dat ook de communicatie met hen over dit onderwerp kennelijk tekortgeschoten is. Inmiddels is aan de posten(nogmaals) gecommuniceerd dat op drie manieren een oplossing kan worden bewerkstelligd. De eerste is dat zij uit de hen toegestane budgetten zelf een voorziening voor kleine activiteiten kunnen creëren, binnen de hierboven omschreven randvoorwaarden. De tweede is dat zij voor het lopende begrotingsjaar van een overgangsregeling gebruik kunnen maken voor het honoreren van bestaande juridische en morele verplichtingen. Dat laatste is inmiddels door de posten op ruime schaal gedaan, tot in totaal een bedrag van ongeveer DFL 6 mln.

De derde oplossingsrichting is de volgende. Sommige posten bekostigden uit het APP min of meer structureel zaken die thuishoren in de normale thema-budgetten. Voorbeeld: mensenrechten- en vredebevorderende activiteiten in Colombia. Het is wenselijk dat dat soort activiteiten nadrukkelijk wordt gebracht onder de voor dat terrein geldende beleidskaders. Aan de posten is daarom medegedeeld dat zij voorstellen voor de continuering van dergelijke activiteiten in hun jaarplannen voor 2000 onder het geëigende thematisch budget dienen aan te vragen. Deze mogelijkheid biedt in combinatie met het overgangsrecht de waarborg dat de continuïteit van beleidsmatig gewenste activiteiten geen gevaar loopt.

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Eveline Herfkens

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie