Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Europese Raad - Milieu 24-06-1999

Datum nieuwsfeit: 26-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

2194. Raad - MILIEU

Press Release: Luxembourg (24-06-1999) - Nr. 9406/99 (Presse 203)


9406/99 (Presse 203)

(OR. en)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2194e zitting van de Raad


- MILIEU -

Luxemburg, 24/25 juni 1999

Voorzitter :

de heer Jürgen TRITTIN

Minister van Milieubeheer, Natuurbehoud en Reactorveiligheid van de Bondsrepubliek Duitsland
_________________

Voor meer informatie: tel. 285 62 19 of 285 78 33

VERBRANDING VAN AFVAL

De Raad bereikte een politiek akkoord inzake zijn gemeenschappelijk standpunt betreffende de voorstellen voor een richtlijn betreffende de verbranding van afval en een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 94/67/EG betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen.

Het gemeenschappelijk standpunt zal, wanneer het eenmaal formeel is aangenomen, in het kader van de medebeslissingsprocedure ter tweede lezing worden toegezonden aan het Europees Parlement.

Zoals het Europees Parlement de Commissie tijdens zijn eerste lezing had verzocht, zijn de twee voorstellen nu samengevoegd in één tekst, samen met de bestaande Richtlijn 94/67/EG betreffende gevaarlijke afvalstoffen (in het gewijzigd voorstel van de Commissie wordt met deze samenvoeging rekening gehouden).

De ontwerp-richtlijn heeft ten doel de negatieve milieueffecten van de verbranding en meeverbranding van afval, in het bijzonder de verontreiniging door emissies in lucht, bodem, oppervlaktewater en grondwater alsmede de daaruit voortvloeiende risico's voor de menselijke gezondheid, te voorkomen of, wanneer dat niet uitvoerbaar is, zoveel mogelijk te verminderen door voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen in de Gemeenschap strenge exploitatievoorwaarden, technische voorschriften en emissiegrenswaarden vast te stellen.

De richtlijn zal leiden tot een aanmerkelijke vermindering van de emissies van verscheidene belangrijke verontreinigende stoffen in de gehele EU, ondanks de verwachte toename van de hoeveelheid verbrande afvalstoffen. Bovendien zal door de controles op lozingen in het water de verontreiniging van mariene en zoetwaterecosystemen door verbranding voor het eerst afnemen. Er zullen aanzienlijke verminderingen worden bereikt voor zure gassen zoals stikstofoxide (NOx), zwaveldioxide (SO2) en zoutzuur (HCl), alsook voor zware metalen. Naar verwachting zullen de cadmiumemissies in de gehele EU van 16 ton per jaar in 1995 afnemen tot 1,1 ton en de emissies van kwik van 36 ton per jaar tot 7,1 ton in 2005.

De verbranding van ongevaarlijke afvalstoffen blijkt de grootste bekende bron te zijn van de emissie van dioxines en furanen in de lucht; dankzij de richtlijn zullen de emissies van alle verbrandingsovens in de Gemeenschap voor deze stoffen van 2400 gram per jaar in 1995 afnemen tot slechts 10 gram na volledige toepassing in 2005.

Met de ontwerp-richtlijn wordt beoogd om in wezen al het afval te bestrijken dat nog niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 94/67/EG valt, dat wil zeggen ongevaarlijk afval, niet-stedelijk afval (bijvoorbeeld banden, zuiveringsslib, ziekenhuisafval), maar ook sommige gevaarlijke afvalstoffen die er nog niet onder vallen (afgewerkte olie en oplosmiddelen). Voorts zouden met deze richtlijn strengere bepalingen worden ingevoerd dan in de bestaande richtlijnen inzake de verbranding van stedelijk afval (89/369/EEG en 89/429/EEG), die zouden worden ingetrokken. Enkele bijzondere vormen van afval blijven echter nog buiten de richtlijn, bijvoorbeeld biomassa (onbehandelde residuen van landbouw en bosbouw) die onder het toepassingsgebied van de richtlijn grote stookinstallaties valt, en experimentele installaties met beperkte capaciteit, die gebruikt worden voor het onderzoeken en ontwikkelen van verbeterde verbrandingsprocessen. Er blijft een onderscheid tussen gevaarlijke afvalstoffen (GA) en ongevaarlijke afvalstoffen (OA) bestaan, vooral wat de procedures voor inontvangstneming en opslag betreft.

Wat gevaarlijk afval betreft vult het richtlijnvoorstel een leemte op in de bestaande richtlijn betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen, door vaststelling van emissienormen van de Gemeenschap en voorwaarden voor de zuivering van afvalwater.

De ontwerp-richtlijn maakt een duidelijk onderscheid tussen verbrandingsinstallaties (vast of mobiel, met of zonder terugwinning van de opgewekte verbrandingswarmte) en meeverbrandingsinstallaties (eveneens vast of mobiel, zoals cementovens, hoogovens en elektrische centrales, waarvan het hoofddoel energieopwekking of de vervaardiging van stoffelijke producten is).

De tekst waarover de Raad een akkoord heeft bereikt bevat procedures voor een stelsel van bedrijfsvergunningen en stelt een reeks voorwaarden aan de exploitatie (bijvoorbeeld zo mogelijk terugwinning van de tijdens het proces opgewekte warmte). Hij geeft emissiegrenswaarden voor de lucht (in het bijzonder voor stof, SO2, NOx, en zware metalen), voert als nieuwe parameter voor lozingen in water dioxinen in en bepaalt dat de residuen van het proces tot een minimum beperkt of gerecycleerd moeten worden, en wanneer dat niet mogelijk is alleen onder bepaalde voorwaarden verwijderd mogen worden. Voorts bevat de tekst meetvoorschriften en regelingen voor overleg en toegang tot informatie en inspraak van het publiek bij de vergunningsprocedure.

Nieuwe verbrandingsinstallaties moeten twee jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn aan de bepalingen daarvan voldoen; voor bestaande installaties geldt een termijn van vijf jaar.

COMMUNAUTAIR SYSTEEM VOOR DE TOEKENNING VAN MILIEUKEUREN

Aan de hand van een compromis van het voorzitterschap bereikte de Raad een politiek akkoord over de herziening van een communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren, dat voor het eerst werd ingesteld in 1992 (Verordening nr. 880/92).

Binnenkort zal tijdens een zitting van de Raad zonder verder debat een gezamenlijk standpunt worden aangenomen; dit zal in het kader van de medebeslissingsprocedure ter tweede lezing worden toegezonden aan het Europees Parlement.

Het gaat om een facultatieve regeling, die kan worden toegepast op producten die behoren tot productgroepen waarvoor de Commissie, overeenkomstig de verordening, ecologische criteria heeft vastgesteld.

Rekening houdend met het advies van het Europees Parlement en met de opmerkingen die de lidstaten ter zitting in juni 1998 hebben gemaakt, voorziet het ontwerp van een gemeenschappelijk standpunt met name in het volgende:


- de Commissie richt een Bureau voor de milieukeur voor de Europese Unie (BMEU) op, dat bestaat uit de door de lidstaten aangewezen bevoegde instanties en het raadplegingsforum van de betrokken partijen;

- het recht de milieukeur aan te vragen wordt uitgebreid, niet alleen tot de detailhandel, maar ook tot diensten, dienstverleners en handelaars;

- de consument moet uitvoeriger geïnformeerd worden over de criteria en de belangrijkste eigenschappen van het product (er zal slechts een milieukeur van één zwaarte worden afgegeven);
- de Commissie zal in de toekomst via de comitologieprocedure maxima vaststellen voor de jaarlijkse kosten; deze kosten dienen voor KMO's en fabrikanten in ontwikkelingslanden te worden verminderd;

- naast de communautaire regeling zullen de bestaande nationale eco-keurregelingen worden gecontinueerd; er zal coördinatie tussen deze twee regelingen plaatsvinden, met name voor de selectie van productgroepen en de ontwikkeling en herziening van de criteria;
- elke drie jaar zal een werkprogramma voor de communautaire milieukeur worden opgesteld, dat een strategie voor verdere ontwikkeling van de regeling behelst, alsmede een lijst van productgroepen waarvoor prioritair criteria worden ontwikkeld, plannen voor coördinatie tussen EU- en nationale regelingen, en plannen ter financiering van de regeling.

DOELBEWUSTE INTRODUCTIE VAN GEMODIFICEERDE ORGANISMEN

De Raad bereikte een politiek akkoord - waarbij Frankrijk, Ierland en Italië zich onthielden - met het oog op een gemeenschappelijk standpunt betreffende het voorstel tot wijziging van Richtlijn 90/220/EEG inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) in het milieu. Ook voor dit voorstel geldt de medebeslissingsprocedure.

De richtlijn heeft betrekking op de experimentele introductie van GGO's (doelbewuste introductie voor andere doeleinden dan het in de handel brengen, hetgeen in beginsel beperkt blijft tot de afzonderlijke lidstaten) in deel B en het in de Gemeenschap in de handel brengen van GGO's in deel C.

Alvorens de procedures (deel B en C) die zullen resulteren in een eerste toestemming in te leiden, dient een op gemeenschappelijke beginselen gebaseerde milieurisicobeoordeling plaats te vinden.

Elk deel behelst een standaardprocedure. Aan het eind daarvan geeft de "aanvoerende" bevoegde instantie (d.w.z. die welke een kennisgeving heeft ontvangen) haar toestemming voor de doelbewuste introductie of het in de handel brengen. Terwijl slechts één nationale bevoegde instantie verantwoordelijk is voor het verlenen van toestemming voor de standaardprocedure uit hoofde van deel B, zijn alle bevoegde instanties betrokken bij de gedifferentieerde (vereenvoudigde) procedure uit hoofde van deel B, en de standaardprocedure uit hoofde van deel C.

Voor het in de handel brengen, waarbij alle lidstaten zijn betrokken, wordt alleen toestemming gegeven wanneer op mogelijke tegenwerpingen is ingegaan of via de comitéprocedure een besluit is genomen, en wanneer de aanvoerende bevoegde instantie niet gekant is tegen de voorgenomen afzet. Toestemming volgt na uitvoerig overleg (het publiek, wetenschappelijke comités) voor een maximumperiode van 10 jaar voor de oorspronkelijke toestemming. In deze toestemming worden bindende vereisten inzake controle en etikettering gespecificeerd.

Uit hoofde van deel B wordt de standaardprocedure aangevuld met een gedifferentieerde procedure voor wat betreft b.v. de informatievereisten of termijnen waarbij een comité, na verplichte raadpleging van wetenschappelijke comités en het publiek, gedifferentieerde (wat betreft voorlichting, termijn, ...) procedures omschrijft, die vervolgens van toepassing kunnen zijn op introducties die aan bepaalde veiligheidscriteria voldoen in gevallen waarin voldoende ervaring bestaat.

Voor de verlenging van toestemmingen en de verwerking van toestemmingen die uit hoofde van de bestaande richtlijn worden verleend, alsmede voor de controle en de verwerking van nieuwe informatie en bezwaren tegen GGO's waarvoor reeds toestemming was ontvangen, bestaan aanvullende procedures.

De vereisten van deel C zijn niet van toepassing op producten die zijn toegestaan uit hoofde van andere communautaire wetgeving die "gelijkwaardig" is aan deze richtlijn voor wat betreft risicobeoordeling, risicobeheer, controle al naar het geval, etikettering, voorlichting van het publiek en de vrijwaringsclausule.

Wanneer besluiten van het comité nodig zijn, wordt hiervoor de procedure van het regelgevend comité gevolgd.

In alle fasen van het in de handel brengen is etikettering verplicht; op het etiket moet duidelijk worden vermeld: "dit product bevat genetisch gemodificeerde organismen". Voor elk product kunnen drempels worden vastgesteld waaronder etikettering voor producten die toevallige of technisch onvermijdelijke sporen van GGO's bevatten, niet nodig is.

De etiketteringseisen worden aangevuld met bepalingen inzake de traceerbaarheid van GGO's, die de bevoegde instanties in staat stellen GGO's gedurende de verschillende fasen waarin zij in de handel zijn, te volgen.

Tenslotte voorziet de tekst in een verplichte raadpleging van het publiek, zowel voor de standaard- als voor de gedifferentieerde procedure, voor deel B en deel C.

De Raad, de Commissie en groepen lidstaten hebben in de context van het politiek akkoord van heden een aantal verklaringen afgelegd; deze staan in de bijlage.

VRIJWILLIGE DEELNEMING VAN ORGANISATIES AAN EEN COMMUNAUTAIR MILIEUBEHEER EN MILIEU-AUDITSYSTEEM (HERZIENING VAN DE EMAS-VERORDENING)

De Raad bereikte een politiek akkoord over zijn gemeenschappelijk standpunt inzake het voorstel van de Commissie voor een herziening van de EMAS-verordening - communautair milieubeheer en milieu-auditsysteem.

Het gemeenschappelijk standpunt zal, wanneer het eenmaal formeel is aangenomen, in het kader van de medebeslissingsprocedure ter tweede lezing worden toegezonden aan het Europees Parlement.

EMAS verschaft de marktdeelnemers een instrument voor goede milieupraktijken. Doelstellingen zijn: de milieu-efficiëntie verbeteren, duidelijk maken dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving en milieuprestaties meedelen aan het publiek.

De herziening strekt ertoe het potentieel van EMAS te vergroten en het verband tussen EMAS en de internationale normen op het gebied van milieubeheer te rationaliseren. Het voorstel voor een herziene verordening strekt er tevens toe werknemers meer bij het milieu te betrekken, de zichtbaarheid van deelneming aan EMAS in de zakenwereld te verhogen en de uitvoering van EMAS in de lidstaten consistenter te maken.

Op grond van de ervaring met de bestaande Verordening (EEG) nr. 1836/93 waarbij het EMAS-systeem voor industriële locaties wordt ingesteld, wordt in het voorstel het vrijwillige karakter van dit stelsel gehandhaafd, maar wordt het toepassingsgebied uitgebreid tot alle organisaties die grote invloed hebben op het milieu. Thans kunnen de afzonderlijke lidstaten EMAS uitbreiden tot niet-industriële sectoren op hun grondgebied, hoewel geharmoniseerde communautaire regels hiervoor ontbreken. De Commissie stelt tevens de invoering van een nieuw logo voor, waardoor de verbintenis van organisaties om hun milieu-efficiëntie te verbeteren, zichtbaarder zou worden. Wil EMAS een succes worden, dan moeten geregistreerde organisaties door het grote publiek als geloofwaardig worden beschouwd. Dit zou worden bereikt door het volgen van de milieuprestaties van de betrokken organisaties via openbare rapportage in een milieuverklaring (uitgegeven door die organisaties).

De Commissie stelde tevens voor de internationale norm voor milieubeheer EN/ISO 14001 (vanaf 1996) in EMAS te gebruiken; het stelsel voor milieubeheer zou overeenkomstig deze norm moeten worden uitgevoerd. Aangezien het CEN eigenaar is van het auteursrecht, deed de Raad een beroep op de Commissie om in overleg met het CEN een praktische oplossing te vinden, zodat de relevante delen van de ISO-norm kunnen worden overgenomen in de bijlage van de gewijzigde verordening.

FINANCIERINGSINSTRUMENT VOOR HET MILIEU (LIFE)

De Raad bereikte een politiek akkoord - waarbij Portugal zich onthield
- inzake een compromis van het voorzitterschap betreffende het voorgestelde financieringsinstrument LIFE. De formele aanneming van de verordening dient bij voorkeur vóór eind 1999 te geschieden, aangezien de tweede fase van LIFE op 31 december 1999 afloopt.

Met LIFE III wordt een verbetering ten opzichte van LIFE II beoogd wat betreft een aantal aspecten, zoals de verspreiding van resultaten, de bijdrage van het instrument aan de ontwikkeling van de milieuwetgeving en de nadruk op projecten in derde landen. Het omvat drie elementaire onderdelen: LIFE-Natuur, LIFE-Milieu en LIFE-Derde landen, aangevuld met specifieke bepalingen voor de deelname van kandidaat-lidstaten.

LIFE-III voorziet in de besteding van een bedrag van 613 miljoen euro tussen 1.1.2000 en 31.12.2004.

De door LIFE gefinancierde projecten moeten van communautair belang zijn, worden uitgevoerd door technisch betrouwbare en financieel gezonde deelnemers en uitvoerbaar zijn op het stuk van technische voorstellen, beheer (planning, begroting) en rendement.

LIFE-Natuur
heeft als specifiek doel bij te dragen tot de uitvoering van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, en in het bijzonder het Europese Natura 2000-netwerk. Tevens wordt voorzien in begeleidende maatregelen.

De financiële steun neemt de vorm aan van medefinanciering van de projecten. Het maximale financieringspercentage bedraagt 50% voor natuurbehoudprojecten (of 75% voor projecten met betrekking tot prioritaire natuurlijke habitats of soorten) en 100% voor begeleidende maatregelen.

LIFE-Milieu
zal bijdragen tot de ontwikkeling van innoverende en geïntegreerde technieken en methoden en tot de verdere ontwikkeling van het milieubeleid van de Gemeenschap. Naast projecten ter ondersteuning van de ontwikkeling van communautaire milieumaatregelen, -instrumenten en begeleidende maatregelen, wordt voorzien in demonstratieprojecten, die erop gericht zijn:


- overwegingen inzake milieu en duurzame ontwikkeling te integreren in de ruimtelijke ordening en planning, ook in stedelijke en in kustgebieden, of

- door een preventieve benadering de milieueffecten van economische activiteiten te minimaliseren, of
- alle soorten afval te voorkomen, te hergebruiken of te recycleren en de afvalstromen rationeel te beheren, of
- de milieueffecten van producten te verminderen door een geïntegreerde benadering van productie, distributie, consumptie en verwerking aan het einde van hun levensduur, mede door de ontwikkeling van milieuvriendelijke producten.

Het aandeel van de communautaire financiering bedraagt ten hoogste 30% van de in aanmerking komende kosten voor projecten die aanzienlijke netto-inkomsten opleveren. In andere gevallen is 50% het maximum, terwijl de communautaire steun voor begeleidende maatregelen ten hoogste 100% van de totale kosten bedraagt.

LIFE-Derde Landen
heeft als specifiek doel, bij te dragen tot de totstandbrenging van de noodzakelijke administratieve capaciteit en structuren op milieugebied en tot de ontwikkeling van het beleid en van actieprogramma's op milieugebied in derde landen aan de Middellandse Zee en de Oostzee welke niet behoren tot de landen van Midden- en Oost-Europa die associatieovereenkomsten met de Europese Gemeenschap hebben gesloten.

Voor ondersteuning in het kader van LIFE-Derde Landen komen in aanmerking:

a) technische bijstandsprojecten;

b) begeleidende maatregelen die nodig zijn voor de evaluatie, de follow-up en de promotie van de ondernomen acties, alsmede voor de uitwisseling van ervaringen tussen projecten en de verspreiding van informatie over de dankzij die acties verkregen ervaring en resultaten.

De financiële steun neemt de vorm aan van medefinanciering van de projecten. Het aandeel van de communautaire financiering bedraagt ten hoogste 70% van de kosten van de onder a), bedoelde projecten en kan tot 100% bedragen van de kosten van de onder b) bedoelde acties.

De toe te wijzen middelen worden als volgt verdeeld: 47% voor acties uit hoofde van LIFE-Natuur, 47% voor acties uit hoofde van LIFE-Milieu en 6% voor acties uit hoofde van LIFE-Derde landen, terwijl een maximum van 5% van de beschikbare kredieten naar begeleidende maatregelen gaat.

GELUIDSEMISSIES IN HET MILIEU VAN MATERIEEL VOOR GEBRUIK BUITENSHUIS

De Raad bereikte een politiek akkoord over de voorgestelde harmonisatierichtlijn betreffende de geluidsemissie in het milieu van materieel voor gebruik buitenshuis. De formele aanneming van het gemeenschappelijk standpunt zal tijdens een komende Raadszitting plaatsvinden. Het gemeenschappelijk standpunt zal vervolgens in het kader van de medebeslissingsprocedure ter tweede lezing worden toegezonden aan het Europees Parlement.

Doel van het voorstel is de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot geluidsemissienormen,
conformiteitsbeoordelingsprocedures, markering, technische documentatie en de verzameling van gegevens betreffende de geluidsemissie in het milieu van materieel voor gebruik buitenshuis te harmoniseren en de bestaande communautaire regelgeving op dit gebied bij te werken.

Fundamentele doelstellingen zijn de menselijke gezondheid te beschermen, de bestaande wetgeving te vereenvoudigen (door de nieuwe richtlijn zouden 9 bestaande richtlijnen betreffende diverse soorten machines komen te vervallen) en bij te dragen aan een soepel functioneren van de interne markt.

Onder de ontwerp-richtlijn vallen verschillende soorten materieel die normaliter in de open lucht worden gebruikt, hetzij op bouwterreinen (bv. torenkranen, graafmachines, laders), in de wegenbouw (bv. met de hand bediende betonbrekers en trilhamers, verdichtingsmachines), in de tuin (grasmaaiers en grastrimmers, kettingzagen, bladblazers, hakmolens), maar ook op voertuigen gemonteerd materieel (bv. vuilniswagens). Het streven is soorten materieel op te nemen die als uitermate luidruchtig of storend worden beschouwd. Hoewel niet voor alle materieel geluidsgrenswaarden zouden gelden, zou de verplichting inzake het markeren van het geluidsvermogensniveau worden gegeneraliseerd (dit wordt een belangrijk aspect, aangezien vermelding van het geluidsniveau de koper de kans geeft met kennis van zaken een keuze te maken).

Voor de geluidsgrenswaarden wordt in twee fasen voorzien: de eerste zou ingaan 18 maanden na aanneming van de richtlijn, en is bedoeld om het luidruchtigste materieel geleidelijk te elimineren; vier jaar later zouden de grenswaarden aan de technische vooruitgang worden aangepast (d.w.z. strenger worden). Deze tweede fase dient samen te vallen met de inwerkingtreding van de richtlijn betreffende luchtverontreinigende stoffen afkomstig van de motoren van mobiel materieel dat niet op de weg wordt gebruikt, waaronder voor een groot deel dezelfde typen materieel vallen. Fabrikanten zouden bij het ontwerpen van nieuw materieel dan de strengere normen voor zowel luchtverontreiniging als geluidsemissies in aanmerking kunnen nemen.

Vergeleken bij het Commissievoorstel worden in het ontwerp van een gemeenschappelijk standpunt de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures vereenvoudigd, het aantal opties van 5 tot 3 herleid, waaronder een nieuwe (minder bureaucratische) optie voor een interne controle van de productie die de bedrijfstak zelf uitvoert. Er zijn nog enkele categorieën materieel toegevoegd aan het toepassingsgebied van de richtlijn en/of onderworpen aan grenswaarden, en bepaalde grenswaarden zijn herzien. De verzameling van geluidsgegevens is met gebruikmaking van de EG-verklaring van overeenstemming vereenvoudigd.

De enige kwestie die in de Raad moest worden geregeld betrof de maximale geluidsemissieniveaus voor grasmaaiers, grastrimmers/graskantensnijders. De Raad ging ermee akkoord dat voor dit type machine een indicatieve streefwaarde wordt vastgesteld voor het toelaatbare geluidsniveau in fase II; dit niveau moet 2dB onder de verplichte niveaus voor fase I liggen. Bovendien zal de Commissie uiterlijk 24 maanden na de inwerkingtreding van de richtlijn een verslag indienen betreffende de vraag of en in hoeverre de technische vooruitgang een vermindering van de fase I-grenswaarden voor grasmaaiers en grastrimmers/graskantensnijders toestaat. Waar passend zal de Commissie een voorstel indienen tot wijziging van de richtlijn.

UITSTOOT DOOR LANDBOUW- OF BOSBOUWTREKKERS

De Raad bereikte een politiek akkoord over zijn gemeenschappelijk standpunt betreffende de voorgestelde richtlijn inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers. Ook de tekst van dit gemeenschappelijk standpunt zal, als hij eenmaal formeel is aangenomen door de Raad ter tweede lezing worden toegezonden aan het Europees Parlement.

Hoewel het voorstel formeel niet onder het auto/olieprogramma valt, heeft het dezelfde hoofddoelstellingen als de communautaire wetgeving die de laatste jaren is aangenomen met betrekking tot particuliere voertuigen, vrachtwagens en niet voor de weg bestemde machines, namelijk het bestrijden van door verbrandingsmotoren veroorzaakte luchtverontreiniging.

Het voorstel sluit aan op Richtlijn 97/68/EG, die van toepassing is op niet voor de weg bestemde mobiele machines; in die richtlijn staat dat voorschriften inzake de uitstoot van landbouw- en bosbouwtrekkers moeten worden ingevoerd die, om een gelijkwaardig niveau van milieubescherming te waarborgen, soortgelijke eisen moeten bevatten als voor niet voor de weg bestemde mobiele machines. Het voorstel behelst de voorschriften voor procedures voor typegoedkeuring van motoren die in trekkers worden gemonteerd. Verder worden in het voorstel dezelfde testvoorschriften gehanteerd als die welke voor niet voor de weg bestemde mobiele machines vastgesteld zijn, en dezelfde grenswaarden voor de uitstootniveaus.

AFGEDANKTE VOERTUIGEN

Ten vervolge op zijn conclusies van 11 maart 1999 heeft de Raad zich nogmaals beziggehouden met het ontwerp van een gemeenschappelijk standpunt voor een richtlijn betreffende afgedankte voertuigen.

Na een openhartige bespreking legde de voorzitter van de Raad de volgende verklaring af:

"1. Ik stel vast dat er een blokkerende minderheid tegen deze ontwerp-tekst bestaat. Derhalve is het niet mogelijk vandaag een gemeenschappelijk standpunt vast te stellen.
2. Ik constateer dat de Raad een mogelijkheid voor een compromis ziet en dat de Commissie deze mogelijkheid niet principieel afwijst.

3. Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn om de datum van inwerkingtreding van de inzamelplicht te vervroegen voor nieuwe voertuigen en op te schorten voor voertuigen die zich reeds op de markt bevinden.

4. Ik stel vast dat het komende voorzitterschap, in overleg met de Commissie, voornemens is de ontwerp-richtlijn opnieuw ter bespreking aan de Raad voor te leggen met het oog op een besluit."

BELEID VAN DE GEMEENSCHAP INZAKE CHEMISCHE PRODUCTEN - CONCLUSIES VAN DE RAAD

"De Raad,


1. HERINNERT aan de besprekingen over de huidige stand van het Gemeenschapsbeleid inzake chemische producten, die tijdens de informele bijeenkomsten van de ministers van Milieu op 24/25 april 1998 in Chester en op 8/9 mei 1999 in Weimar hebben plaatsgevonden. De Commissie heeft op 18 november 1998 een verslag over de uitvoering van de Gemeenschapswetgeving betreffende chemische producten ingediend. Vervolgens heeft de Raad in zijn zitting van 20/21 december 1998 conclusies over dit onderwerp aangenomen, waarin hij benadrukt dat moet worden gewerkt aan een geïntegreerde en samenhangende benadering van het toekomstige communautaire beleid op het gebied van chemische producten
- waarbij het voorzorgsbeginsel en het duurzaamheidsbeginsel voldoende tot hun recht komen en waarbij de respectieve verplichtingen van de betrokken partijen nader worden bepaald - zodat een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en milieu op een snel evoluerende markt voor chemische producten, alsmede de doelmatige werking van de interne markt worden gegarandeerd. De Commissie heeft op 24/25 februari 1999 een brain storming van belanghebbenden en vertegenwoordigers van de lidstaten georganiseerd over de toekomstige hoofdlijnen van het beleid van de Gemeenschap inzake chemische producten;

ERKENT dat


2. het beleid in de Europese Gemeenschap inzake chemische producten de voorbije dertig jaar in hoge mate tot harmonisatie van wetten en voorschriften betreffende gevaarlijke stoffen en preparaten heeft geleid, zodat de chemische industrie thans op een gemeenschappelijke interne markt kan opereren. Bovendien hebben de diverse rechtsinstrumenten de basis gelegd voor de beoordeling en, zo nodig, de beperking van de schadelijke effecten van gevaarlijke stoffen en preparaten voor de gezondheid van de mens en voor het milieu;

3. in samenhang met communautaire instrumenten inzake de beoordeling en de beperking van de risico's van chemische stoffen en in het licht van de belangstelling en bezorgdheid van het publiek, in de Gemeenschap een brede discussie op gang is gekomen over de beste aanpak om de risico's van chemische producten voor de gezondheid van de mens gedurende zijn hele leven (van de wieg tot het graf) en voor het milieu te beheersen;
4. MERKT OP dat in de Gemeenschap een begin is gemaakt met werkzaamheden inzake het vraagstuk van een geïntegreerd productbeleid dat duidelijk verband houdt met het beleid inzake chemische producten;

5. NEEMT NOTA van het feit dat de partijen bij het Verdrag van Helsinki en het OSPAR-Verdrag in hun streven naar bescherming van het mariene milieu van respectievelijk het Oostzeegebied en het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, hebben ingestemd met de doelstelling om verontreiniging van het mariene milieu te voorkomen door lozingen, emissies en het verliezen van gevaarlijke stoffen voortdurend te verminderen, om zo uiteindelijk te komen tot concentraties in het mariene milieu die voor in de natuur voorkomende stoffen dicht bij de achtergrondwaarden liggen en voor door de mens vervaardigde kunstmatige stoffen vrijwel nul bedragen. De partijen bij deze verdragen hebben een strategie goedgekeurd om deze doelstelling geleidelijk toe te passen door al het mogelijke te doen om het streefdoel te bereiken, namelijk de stopzetting van lozingen, emissies en verliezen van gevaarlijke stoffen uiterlijk in 2020;

6. NEEMT NOTA van het feit dat de partijen bij het Verdrag van Barcelona in de Resolutie van Barcelona van 10 juni 1995 overeenstemming hebben bereikt over de doelstelling om tegen het jaar 2005 lozingen en emissies die het mariene milieu kunnen bereiken, van stoffen die toxisch, persistent en bioaccumuleerbaar zijn, met name organische halogeenverbindingen, tot niveaus die niet schadelijk zijn voor mens en natuur, terug te brengen met het oogmerk ze geleidelijk te elimineren;

7. ERKENT DAT het beleid van de Gemeenschap inzake chemische producten een belangrijke bijdrage moet leveren om de Gemeenschap en de lidstaten in staat te stellen dergelijke internationale verplichtingen na te komen;

8. NEEMT NOTA van de ontwikkeling in andere internationale fora om nieuwe internationale instrumenten voor een beter beheer van chemische producten op te stellen;

9. HERINNERT eraan dat de lidstaten en de Commissie hun volledige inzet voor een effectieve uitvoering van de bestaande instrumenten moeten versterken, bv. door de beschikbaarstelling van voldoende middelen en door passende communautaire maatregelen om de implementatie door de lidstaten te vergemakkelijken;

VERKLAART dat de huidige communautaire aanpak voor de beoordeling van en de regelgeving voor chemische producten qua opzet en toepassing op een aantal punten tekortschiet; daarbij gaat het met name om de volgende punten:

10. De risicobeoordeling van stoffen heeft de autoriteiten van de lidstaten, de Europese Commissie en in het bijzonder het Europees Bureau voor chemische stoffen (ECB) zwaar belast, in termen van mankracht en technische en financiële middelen. Bovendien zal de uitvoering van andere communautaire instrumenten de werklast nog verder doen toenemen;
11. Aangezien er slechts voor een zeer gering aantal bestaande stoffen ontwerpen van risicobeoordelingen overeenkomstig de EG-wetgeving betreffende bestaande stoffen zijn opgesteld, maar geen enkel ontwerp is aangenomen, is het onwaarschijnlijk dat het probleem van de bestaande stoffen kan worden opgelost met de huidige aanpak en dat deze kan leiden tot een adequate beperking van alle grote risico's die deze stoffen voor mens en milieu opleveren;
12. De kennis van de toxicologische en ecotoxicologische eigenschappen en van het gedrag in het milieu waarover wij nu beschikken is zelfs ontoereikend voor een juiste beoordeling van het risico van de meeste stoffen die in grote hoeveelheden worden geproduceerd of ingevoerd (meer dan 1000 ton per jaar) en waaraan mens en milieu in aanzienlijke mate blootgesteld zijn. De vrees bestaat dat bepaalde chemische producten nu reeds of in de toekomst een gevaar voor de gezondheid van de mens en voor het milieu vormen;
13. De informatie over zelfs het meest relevante gebruik is dikwijls onvoldoende omdat de huidige wetgeving de producenten en invoerders van stoffen, maar niet de verwerkende bedrijven, verplicht informatie over het gebruik van die stoffen te verschaffen. Ook overheidsinstanties en andere instellingen behoeven krachtens de huidige wetgeving relevante gegevens waarover zij beschikken, niet te verstrekken;

IS VERHEUGD OVER

14. de vrijwillige initiatieven van het bedrijfsleven, en met name van de Wereldassociatie van de chemische industrie (ICCA), de Europese Raad van de Bonden van de Chemische Nijverheid (CEFIC) daaronder begrepen, om binnen de komende vijf jaar een reeks basisgegevens beschikbaar te stellen over de toxiciteit en ecotoxiciteit van ongeveer 1000 stoffen die in grote hoeveelheden worden geproduceerd of ingevoerd, met inbegrip van een eerste risicobeoordeling;
15. de lopende discussie tussen de lidstaten van de OESO over de evaluatie van deze gegevens. Een dergelijke evaluatie kan een bijdrage leveren tot de activiteiten van de EU op dit gebied; 16. het voornemen van de Commissie om een mededeling voor te leggen over te toepassing van het voorzorgbeginsel als een eerste stap naar een risicobeheersstrategie waarin dit beginsel tot uiting komt.
17. het voornemen van de Commissie om een mededeling voor te leggen over de toepassing van het voorzorgsbeginsel; 18. ROEPT de Commissie OP die strategie te baseren op het voorzorgsbeginsel, de doelstelling van duurzame ontwikkeling en milieuveiligheid en de efficiënte werking van de interne markt;

ROEPT de Commissie OP bij de opstelling van haar voorstellen maatregelen te overwegen die:

19. gericht zijn op een efficiënte, geïntegreerde en coherente opzet van de diverse rechtsinstrumenten op milieugebied betreffende chemische producten voor de gezondheid van mens en milieu teneinde de uitvoering ervan te vergemakkelijken, alsmede op het bereiken van samenhang met andere gebieden van de wetgeving, waarbij aanbevelingen terzake in overweging worden genomen die voortkomen uit andere evaluaties, zoals de SLIM-evaluatie van Richtlijn 67/548/EEG;
20. de voornaamste verantwoordelijkheid bij fabrikanten, importeurs, samenstellers en industriële gebruikers leggen voor het verstrekken en beoordelen van gegevens en het opstellen van risicobeoordelingsrapporten over stoffen, alsook voor het verstrekken van goede informatie aan de gebruikers en het publiek over de veiligheid van hun producten voor het deel van de levenscyclus waartoe zij bijdragen (omkering van de bewijslast). Deze informatie moet op transparante en te verantwoorden wijze worden gepresenteerd. De overheidsinstanties moeten hun toezichthoudende taak blijven vervullen en de inspanningen van de overheidsinstanties moeten vooral gericht zijn op de beoordeling van stoffen waarover grote bezorgdheid bestaat; 21. leiden tot een betere coördinatie en samenwerking, en opheldering verschaffen over de verantwoordelijkheden, vooral tussen de instanties die verantwoordelijk zijn voor de maatregelen inzake risicobeoordeling en -beheersing;
22. de bestaande tekortkomingen bij het verzamelen van gegevens over blootstelling en bij de selectie van bestaande stoffen voor prioritaire beoordeling opheffen door een betere toegang tot informatie over het gebruik van de stoffen en tot beschikbare gegevens over emissies/ milieuniveaus;
23. tot een soepeler aanpak van de risicobeoordeling leiden om die te richten op bijvoorbeeld de meest voor de hand liggende toepassingen van stoffen of op die bevolkingsgroepen of milieuaspecten die gevaar lopen (gerichte risicobeoordeling). Een algemene risicobeoordeling is wellicht niet noodzakelijk voordat de maatregelen inzake risicobeheer worden uitgewerkt. Dit sluit niet uit dat de risicobeoordeling later wordt uitgebreid in het licht van nieuwe gegevens;
24. leiden tot strategieën om te komen tot doelmatige risicobeheersingsmaatregelen voor stoffen die als gevolg van hun inherente eigenschappen ernstig en onomkeerbaar gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid van de mens of het milieu, door het passende gewicht toe te kennen aan gebruikspatroon en blootstellingsrisico;
25. de gelijktijdige beoordeling van verscheidene voor dezelfde doeleinden gebruikte stoffen of van stoffen die een vergelijkbare chemische structuur (groepering) hebben aanmoedigen, zodat risicobeperkende maatregelen sneller en beter kunnen worden getroffen;
26. de vervanging van gevaarlijke door minder gevaarlijke stoffen bevorderen wanneer er geschikte alternatieven voorhanden zijn of de vervanging van stoffen die een risico inhouden door stoffen met een lager risico;
27. stringente tijdsbestekken stellen voor passende risicobeoordelingen van bestaande stoffen op de prioriteitenlijsten met alle gevolgen vandien, als de gestelde termijnen worden overschreden;
28. gericht zijn op stroomlijning van bestaande etiketteringswetgeving om de etiketten begrijpelijker te maken, en op verbetering van de classificatie door de producent of importeur zelf;
29. de uitwisseling van gegevens aanmoedigen om de noodzaak van dierproeven zoveel mogelijk te beperken en de kosten te verlagen;

VERZOEKT de Commissie om, met inachtneming van de rol van de verschillende actoren bij de ontwikkeling van het beleid inzake chemische producten,

30. de invoering van een verplichting voor producenten of importeurs van preparaten te bestuderen, om waar nodig te voorzien in een beoordeling van de veiligheid tijdens het gebruik (productveiligheidsbeoordeling), waarbij mogelijke negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu worden vastgesteld, en de resultaten worden gedocumenteerd; 31. de uitvoerbaarheid te bestuderen van een openbare gegevensbank op communautair niveau, waarbij een overzicht wordt gegeven van de huidige stand van het beoordelingsproces voor elke stof die in grote hoeveelheden wordt geproduceerd of ingevoerd, alsook van de activiteiten die als onderdeel van dat proces in gang of gepland zijn;
32. zo spoedig mogelijk een beleidsnota op te stellen over de wijze waarop stoffen die van invloed zijn op het endocriene stelsel moeten worden geïdentificeerd en beoordeeld, rekening houdend met de daartoe reeds bestaande instrumenten en programma's;
33. de bestaande structuren en instrumenten, met inbegrip van de middelen, opnieuw te bezien om het aan de Gemeenschap opgedragen werk met betrekking tot de evaluatie van stoffen efficiënter te organiseren en er voor te zorgen dat het kwaliteitswerk dat het Europees bureau voor chemische stoffen (ECB) verricht in het kader van zijn opdracht wordt gehandhaafd en versterkt; 34. in samenwerking met de lidstaten de bijdragen te coördineren aan de internationale werkzaamheden in verband met het mondiaal geharmoniseerd classificatie- en etiketteringssysteem (GHS) ter ondersteuning van de doelstellingen die zijn overeengekomen in het kader van hoofdstuk 19 van Agenda 21. De Raad VERZOEKT de Commissie tevens de implicaties van de overeenkomsten voor de communautaire wetgeving te onderzoeken, en zo nodig te overwegen toepassingsvoorstellen in te dienen;

ROEPT de Commissie OP

35. uiterlijk eind 2000 de beleidsnota met een nieuwe strategie voor chemische producten voor te leggen, en de Raad op gezette tijden, vanaf de tweede helft van 1999, verslag uit te brengen over de gemaakte vorderingen."

COMMUNAUTAIRE STRATEGIE OM DE CO2-UITSTOOT VAN PERSONENAUTO'S TE VERMINDEREN: STAND VAN DE ONDERHANDELINGEN MET NIET BIJ NIET BIJ DE ACEA AANGESLOTEN AUTOPRODUCENTEN

Commissielid Bjerregaard bracht verslag uit over de stand van de onderhandelingen met niet bij de Europese federatie van autoproducenten (ACEA) aangesloten autoproducenten. De gesprekken zijn erop gericht te komen tot de sluiting van milieuovereenkomsten waarbij deze producenten zich ertoe verbinden de CO2-uitstoot in dezelfde mate te verlagen als die van hun Europese concurrenten. Er zij gememoreerd dat de voornaamste verbintenis van de ACEA is te komen tot een uitstoot van 140 gram CO2/kilometer in 2008 voor het gemiddeld aantal door de ACEA-leden in de EU verkochte nieuwe auto's.

De Raad nam vervolgens de onderstaande conclusies aan:

"De Raad


1. betreurt het dat de onderhandelingen niet voor eind mei afgerond konden worden, maar neemt nota van het verslag van de Commissie over de aanzienlijke vooruitgang die geboekt is in het overleg met de Japanse en Koreaanse autoproducenten (JAMA en KAMA) over de CO2-uitstoot door personenauto's teneinde convenanten te sluiten die inspanningen inhouden welke gelijkwaardig zijn aan die waartoe de ACEA zich verbonden heeft;

2. onderstreept het belang van een objectieve, doorzichtige en eerlijke toezicht op alle vrijwillige verbintenissen aangaande vermindering van CO2 -uitstoot van de JAMA, de KAMA en de ACEA dat op evenwichtige wijze moet worden uitgevoerd, zonder dat enige partij er nadeel door ondervindt;

3. is met name verheugd over de verbintenis die de KAMA op 11 juni 1999 is aangegaan en verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk met de verbintenis van de KAMA in te stemmen;
4. stemt in met de evaluatie door de Commissie van de huidige stand van de onderhandelingen met de JAMA en dringt er bij de Commissie op aan die onderhandelingen zo spoedig mogelijk en uiterlijk in september af te ronden teneinde de JAMA ertoe te verbinden inspanningen voor de verlaging van de CO2 -uitstoot te leveren die gelijkwaardig zijn aan die van de ACEA;
5. verzoekt de Commissie om, indien de onderhandelingen mislukken, de Raad voor de oktoberzitting een gedetailleerde evaluatie van de beoogde alternatieve maatregelen voor te leggen met inbegrip van mogelijke wetgeving, die voor gelijkwaardige inspanningen garant zouden staan;

6. verzoekt de Commissie de Raad voor de oktoberzitting een verslag voor te leggen met een evaluatie van het resultaat van de onderhandelingen."

VOORBEREIDING VAN DE 5e CONFERENTIE VAN DE PARTIJEN BIJ HET VERDRAG INZAKE BIOLOGISCHE DIVERSITEIt - CONCLUSIES VAN DE RAAD

"Het doet de Raad genoegen met deze conclusies tot een betere voorbereiding van de vijfde conferentie van de partijen te kunnen bijdragen.


1. Evaluatie van de werkzaamheden uit hoofde van het Biodiversiteitsverdrag

De Raad zal zich blijven inspannen om verbetering te brengen in de werkzaamheden uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit, in de bedoeling dat dit verdrag op alle niveaus maximaal in praktijk gebracht wordt. Tijdens de vierde conferentie van de partijen is daartoe, grotendeels op grond van voorstellen van de Europese Unie, een samenhangend geheel van maatregelen overeengekomen, die evenwel nadere verbetering behoeven. Bovenal blijft het de vraag hoe de vergaderingen uit hoofde van het verdrag, en met name de conferentie van de partijen, overzichtelijk gehouden kunnen worden.

De Raad acht daartoe de volgende stappen noodzakelijk:


- de daartoe strekkende besluiten van de vierde conferentie van de partijen moeten ten volle worden uitgevoerd;
- er moet worden nagegaan in hoeverre die wijzigingen verbeteringen opgeleverd hebben en welke ervaringen met soortgelijke overeenkomsten zijn opgedaan;

- er moeten voorstellen voor verdere verbeteringen worden voorgelegd aan de intersessionele vergadering en de vijfde conferentie van de partijen.
De Raad hecht met name belang aan maatregelen op de volgende gebieden:

- agendering: meer inzicht bij alle deelnemers in doel en mogelijk resultaat van vergaderingen, besluiten inbegrepen, onder meer door de agenda beter te annoteren;

- verslaglegging: nadere verbetering van standaarden en gebruik van rapporten door partijen en secretariaat;
- kennisgeving: verbetering van wederzijdse informatie over alle intersessionele activiteiten die van belang zijn voor het werkprogramma van het Biodiversiteitsverdrag;
- vergaderrooster: blijven toewerken naar een cyclus van jaarlijkse vergaderingen van het hulporgaan voor wetenschappelijk, technisch en technologisch advies (SBSTTA) en tweejaarlijkse vergaderingen van de conferentie van de partijen.

Naar het oordeel van de Raad moeten deze en eventuele andere maatregelen onder de loep worden genomen in de intersessionele vergadering van het Biodiversiteitsverdrag, zodat aan de vijfde conferentie aanbevelingen voor mogelijke verbeteringen kunnen worden gedaan zonder evenwel op de uiteindelijke besluiten van de conferentie vooruit te lopen. De Raad acht het echter heilzamer de bestaande structuren beter te doen functioneren dan de institutionele opzet van het Biodiversiteitsverdrag fundamenteel te wijzigen, door bijv. een nieuw hulporgaan in het leven te roepen.


2. Toegang tot genetische rijkdommen en batenverdeling

De Raad neemt nota van de vorderingen bij de onderhandelingen over de herziening van de Internationale Verbintenis betreffende plantaardige genetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw door de gelijknamige FAO-commissie. De Raad pleit er sterk voor dat de bedoelde onderhandelingen in de FAO-instanties met spoed afgerond worden. Daarom moet worden vermeden dat in de intersessionele vergadering van het Biodiversiteitsverdrag aanbevelingen en discussies over de inhoud van de internationale verbintenis aan de orde komen.


2.1. Toetsing van regelingen inzake de toegang tot genetische rijkdommen en batenverdeling en te overwegen maatregelen

Het verheugt de Raad dat de besprekingen over deze belangrijke aangelegenheden voortgezet worden.

De Raad herinnert aan de diverse oplossingen voor batenverdeling die werden aangedragen in de door de EU in de vierde conferentie van de partijen bij het Biodiversiteitsverdrag van 1998 afgelegde verklaring. Om schot te brengen in de uitvoering van de bepalingen inzake toegang tot genetische rijkdommen en aanverwante vraagstukken in verband met de batenverdeling, dient er volgens de Raad rekening te worden gehouden met de uiteenlopende praktijken en situaties die dienaangaande gangbaar zijn, onder meer tussen de overheid en de private sector, en dient tegelijkertijd de onzekerheid die er, ook in juridisch opzicht, voor zowel verstrekkers als gebruikers rond toegang en batenverdeling heerst, te worden verholpen.

In die optiek juicht de Raad de oprichting van de groep van deskundigen inzake toegang en batenverdeling toe als een waardevolle stap in het proces ter uitvoering van besluit III/15. Hij acht het raadzaam dat de intersessionele vergadering nagaat of de taak waarmee de deskundigengroep belast wordt, doelgerichter kan worden in het licht van de ontwikkelingen die zich sinds de vorige conferentie van de partijen op dit terrein hebben voorgedaan. De deskundigengroep dient ten volle rekening te houden met de lopende besprekingen over de herziening van de FAO-Verbintenis betreffende plantaardige genetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw.

In het besef dat alle belanghebbenden bij de beschouwingen over deze aangelegenheid moeten worden betrokken, in het bijzonder de autochtone en plaatselijke gemeenschappen als bedoeld in artikel 8, onder j), erkent de Raad dat samenwerking met en steun voor het creëren van partnerschappen met autochtone bevolkingsgroepen van essentieel belang is voor duurzame ontwikkeling van de natuurlijke hulpbronnen. Dit heeft de Raad reeds gesteld in zijn resolutie van 30 november 1998 over autochtone bevolkingsgroepen in het kader van de ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap en haar lidstaten. Overeenkomstig Besluit IV/8, lid 3, dient de deskundigengroep zo te worden samengesteld dat alle expertise en de relevante belanghebbenden, in het bijzonder de autochtone en plaatselijke gemeenschappen, daarin verenigd zijn, op een in regionaal opzicht uitgewogen wijze, doch zonder af te dingen op het doelmatig functioneren ervan.

Met het oog op de lange termijn moet de conferentie van de partijen dit thema op gepaste wijze in haar werkprogramma voor de lange termijn inpassen, zodat het op gezette tijden aan de orde kan komen.


2.2. Niet ter plaatse aangelegde collecties die voor de inwerkingtreding van het Biodiversiteitsverdrag zijn verkregen en niet aan de orde zijn in de FAO-commissie inzake genetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw

Om de besprekingen over dit thema vooruit te helpen moet er in de opvatting van de Europese Unie meer informatie worden verzameld over de diverse soorten collecties waarover het gaat. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen collecties onder openbaar en onder particulier beheer. Daarenboven is het voor toegang en batenverdeling dienstig dat informatie wordt uitgewisseld over de collecties die overal ter wereld bestaan en over de aard van de daarin aanwezige biodiversiteit, gelet op de bestaande systemen. Er zou kunnen worden overwogen richtsnoeren voor die informatie-uitwisseling te ontwikkelen nadat de hiaten geanalyseerd zijn.

Met betrekking tot de instellingen die ex situ-collecties in hun bezit hebben, betuigt de Raad met klem steun aan de projecten en inspanningen van die instellingen om deel te nemen aan de nadere uitvoering van het Verdrag inzake biologische diversiteit, om de volgende redenen:


- deze instellingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het behoud ex situ van biologische diversiteit en de bestanddelen daarvan;
- zij kunnen ertoe bijdragen dat het publiek zich bewust wordt van de intrinsieke waarde van biologische diversiteit en van de rijk geschakeerde waarden van biologische diversiteit en de bestanddelen daarvan;

- zij hebben vaardigheden, methodiek, praktijken en informatie en andere capaciteiten te bieden die voor de uitvoering van het Biodiversiteitsverdrag van belang kunnen zijn, gezien de rol die zij kunnen spelen bij de opbouw van capaciteiten. Doel van de intersessionele vergadering moet zijn:
- dat nogmaals wordt gesteld dat het Biodiversiteitsverdrag in overeenstemming met het internationaal recht geen terugwerkende kracht heeft, ook niet met betrekking tot ex situ-collecties;
- dat dit thema onder de loep wordt genomen op basis van de informatie die verstrekt wordt door het secretariaat van het Biodiversiteitsverdrag, en andere gegevens die tijdens de intersessionele vergadering worden ingebracht;
- dat informatie wordt uitgewisseld over initiatieven die door de verdragspartijen en door anderen zijn ondernomen met betrekking tot behoud, duurzaam gebruik en billijke verdeling van de baten in verband met het gebruik van de bewuste collecties, bijv. op het gebied van beleidsontwikkeling, instrumenten en samenwerking tussen overheid en private sector;

- dat er ten behoeve van de vijfde conferentie van de partijen aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden uit hoofde van het Biodiversiteitsverdrag worden gedaan, die a) duidelijk toegespitst zijn op samenwerking tussen het Biodiversiteitsverdrag en ander relevante internationale instanties en waarin b) nader wordt ingegaan op de onderscheiden rol en taken van het voor dit thema in het leven geroepen deskundigenbestand, ingevolge de herziene werkwijze van het SBSTTA, puttend uit de ervaringen met het gebruik van het deskundigenbestand op het gebied van de biodiversiteit in zeeën en kustgebieden.

2.3. Relatie tussen intellectuele-eigendomsrechten en de ter zake dienende bepalingen van de TRIP's-Overeenkomst en het Biodiversiteitsverdrag

De Raad is zich bewust van de relatie tussen
intellectuele-eigendomsrechten en de ter zake dienende bepalingen van de TRIP's-Overeenkomst, en andere overeenkomsten, en het Biodiversiteitsverdrag en is ingenomen met de werkzaamheden die door de WIPO zijn aangevat met betrekking tot de rechtsbescherming van de kennis van autochtone gemeenschappen en met de werkzaamheden van het comité inzake handel en milieu van de WTO. Er zal nader werk verricht moeten worden om tot een gemeenschappelijke beoordeling van die relatie te komen, met dien verstande dat er sprake dient te zijn van wederzijdse ondersteuning.

Het verheugt de Raad dat intellectuele-eigendomsrechten op de agenda van de groep van deskundigen inzake toegang en batenverdeling zijn geplaatst. Werkzaamheden in die zin moeten door de intersessionele vergadering aangevat worden. In die vergadering moet worden gezocht naar wegen en middelen om de in de WIPO en de WTO gevoerde besprekingen op de voet te volgen en een constructieve bijdrage aan die besprekingen te leveren door het aansnijden van punten die specifiek verband houden met de doelstellingen en de nadere uitvoering van het Biodiversiteitsverdrag.

In deze optiek dient het Biodiversiteitsverdrag de WTO te verzoeken dat deze zich rekenschap geeft van de ter zake dienende bepalingen van het Biodiversiteitsverdrag en van het feit dat de bepalingen van de TRIP's-Overeenkomst en de doelstellingen van het Biodiversiteitsverdrag onderling samenhangen. Voorts zou de WTO bijzondere aandacht dienen te besteden aan de bescherming van de kennis, vernieuwingen en gebruiken van autochtone en plaatselijke gemeenschappen die relevant zijn voor het behoud en het duurzaam gebruik van biologische diversiteit, in overeenstemming met het Biodiversiteitsverdrag en andere overeenkomsten.

STRATEGISCHE MILIEUEFFECTBEOORDELING (SMEB)

De Raad hield een oriënterend debat over het voorstel voor een richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (strategische milieueffectboordeling), waarbij nader werd ingegaan op een aantal kernvraagstukken en gepoogd werd richtsnoeren voor verdere werkzaamheden aan te reiken.

Krachtens het eind 1996 door de Commissie ingediende en in het licht van het advies van het Europees Parlement onlangs geamendeerde voorstel, zou de aanneming van nieuwe of de wijziging van bestaande plannen en programma's uit hoofde van de nationale wetgeving inzake ruimtelijke ordening en landgebruik afhankelijk worden gesteld van de uitvoering van een strategische milieueffectboordeling (SMEB). De richtlijn zou plannen en programma's omvatten in sectoren zoals vervoer, energie, afvalbeheer, waterbeheer, industrie, telecommunicatie en toerisme.

Een grote meerderheid van de delegaties stond in beginsel achter de voorgestelde richtlijn, dat zij een nuttig instrument vinden om de doelstelling van een hoog milieubeschermingsniveau te bereiken door in een vroeg stadium in de besluitvorming milieuoverwegingen op te nemen. Talrijke delegaties wezen erop dat er zorg voor moet worden gedragen dat de administratieve inspanningen die nodig zijn om dergelijke beoordelingen uit te voeren in verhouding staan tot de milieuvoordelen; in de richtlijn dient ook voldoende flexibiliteit te worden ingebouwd om recht te doen aan de diversiteit van situaties in de lidstaten. Bovendien bleek duidelijk uit het debat dat de reikwijdte van de richtlijn beter moet worden omschreven en dat het verband tussen de voorgestelde bepalingen en bestaande procedures moet worden verduidelijkt.

Het aantredende Finse voorzitterschap zal de bespreking van dit voorstel voortzetten.

PROTOCOL INZAKE BIOVEILIGHEID - CONCLUSIES VAN DE RAAD

"De Raad,

herinnerend aan zijn conclusies van oktober 1995 en juni 1996,
* is ingenomen met de hem door het Commissielid en het voorzitterschap voorgelegde verslagen en onderschrijft de aanpak die erin wordt gevolgd;

* verzoekt de Commissie en de lidstaten om in bijeenkomsten uit hoofde van het Verdrag, alsmede in andere internationale fora en via informele bilaterale contacten, al het mogelijke te doen om een succesvolle voltooiing van de onderhandelingen over het eerste protocol bij het Verdrag inzake biologische diversiteit te bevorderen;

* is van mening dat de laatste onderhandelingsronde omstreeks eind 1999 moet plaatsvinden, en in ieder geval geruime tijd voor de gewone COP bij het Verdrag (mei 2000);

* ziet, op basis van het tot dusver gevoerde overleg, momenteel geen reden om wijzigingen aan te brengen in de punten die deel uitmaken van het compromispakket dat de EU aan het eind van de bijeenkomst in Cartagena heeft voorgelegd;

* verzoekt de Commissie in nauwe samenwerking met het voorzitterschap in zijn zitting van oktober verslag uit te brengen over de stand van zaken.

INTERNE MARKT EN MILIEU

Commissielid Bjerregaard presenteerde de Raad de op 8 juni 1999 goedgekeurde mededeling over interne markt en milieu.

De mededeling is bedoeld ter verduidelijking van de communautaire aanpak om ervoor te zorgen dat de werking van de interne markt en de toepassing van het milieubeleid elkaar wederzijds versterken en terzelfder tijd een positieve synergie ontwikkelen.

In de mededeling wordt beschreven hoe de beginselen van de Gemeenschap met betrekking tot het vrije verkeer van goederen (artikelen 28 tot en met 30) en milieubeleid (kernbeginselen zoals het voorzorgsbeginsel, preventie en het beginsel de vervuiler betaalt) kunnen worden toegepast bij de beoordeling van nationale milieumaatregelen.

In de mededeling worden een aantal andere beleidsgebieden van de interne markt aangestipt waarvoor nauwere integratie met het milieubeleid moet worden bereikt: normalisatie, overheidsopdrachten, financiële verslaglegging, milieukeurmerken, economische beleidsinstrumenten, vervoer en energie.

In de mededeling wordt geconcludeerd dat verdere maatregelen noodzakelijk zijn en wordt een lijst van kerninitiatieven voorgesteld ter integratie van internemarktbeleid en milieubeleid.

VOORBEREIDING VAN DE UITVOERING VAN HET PROTOCOL VAN KYOTO

Het Commissielid presenteerde een op 19 mei 1999 goedgekeurde mededeling "Voorbereiding van de uitvoering van het protocol van Kyoto".

In de mededeling wordt nader bekeken wat de lidstaten en de EU moeten doen om de huidige trends om te buigen tegen het eind van de verbintenisperiode 2008-2012. Er wordt een overzicht gegeven van de vooruitgang op EU-niveau op het gebied van voorstellen voor gemeenschappelijke en gecoördineerde beleidsmaatregelen. In de mededeling wordt benadrukt dat verder werk over alle beleidssectoren heen van het hoogste belang is, aangezien alle sectoren zullen moeten bijdragen aan de verlaging van emissies. Voor alles moet actie worden ondernomen op het gebied van belastingen, vervoer, energie, industrie en landbouw. Ook particulieren en gezinnen zullen zich een inspanning moeten getroosten.

Mevrouw Bjerregaard presenteerde tevens de bevindingen van de Commissie over de recente zitting van de hulporganen van het verdrag inzake klimaatverandering in Bonn.

MILIEUGEVOLGEN VAN HET CONFLICT IN KOSOVO IN ZUIDOOST-EUROPA - CONCLUSIES VAN DE RAAD

"De Raad is verheugd dat de noodzakelijke voorwaarden voor het beëindigen van het militair conflict en voor het bereiken van een politieke oplossing zijn vervuld met Resolutie nr. 1244 van de Veiligheidsraad van de VN voor Kosovo en de andere getroffen gebieden van de regio. De Raad is van oordeel dat nu onmiddellijk moet worden begonnen met het verzamelen van betrouwbare en controleerbare informatie voor het beoordelen van het soort en de omvang van de milieugevolgen van het conflict. Hij begroet de initiatieven van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP)/Centrum van de Verenigde Naties voor Menselijke Nederzettingen (UNCHS), de Internationale Commissie voor de bescherming van de Donau en de WGO en roept deze instanties en de andere betrokken instellingen op hun gecoördineerde activiteiten voort te zetten. Verwijzend naar het verzoek dat de ministers van Milieu van de EU tijdens hun informele bijeenkomst van 7-9 mei in Weimar hebben gedaan, begroet de Raad het situatieverslag van de Europese Commissie over de mogelijkheden voor het verzamelen van informatie en gegevens, en meer bepaald de eerste beoordeling van het Regionale Milieucentrum voor Midden- en Oost-Europa (REC).

De Raad acht het belangrijk dat na de beoordeling van de milieuproblemen spoedig wordt vastgesteld welke remedies nodig zijn, en dat de nodige maatregelen worden genomen voor een spoedige remediëring. Vooral moet dringend aandacht geschonken worden aan het aanpakken van milieuschade die een gevaar voor de gezondheid van de mens kan inhouden en waarvoor dus humanitaire hulp nodig is. Om die reden moeten de potentiële risico's worden bestudeerd en geïdentificeerd bij het opnemen van de schade; de civiele maatschappij en de plaatselijke besturen in de regio moeten hierbij worden betrokken.

De Raad is ingenomen met het initiatief van de Veiligheidsraad van de VN voor de economische en sociale wederopbouw in Kosovo. Zoals de Europese Raad in Keulen op 3-4 juni 1999 is overeengekomen, dient de Europese Raad een belangrijke rol te spelen bij de wederopbouwinspanningen in de regio. In dit verband juicht de Raad het besluit toe dat de Commissie deze week heeft genomen, namelijk een agentschap op te richten voor het immense wederopbouwwerk na de oorlog in Kosovo. De Raad is het ermee eens dat het in acht nemen van milieuschade en het voorkomen van verdere milieuschade een integrerend deel uitmaakt van de wederopbouwinspanningen en dat gepast belang moet worden gehecht aan milieubeschermende maatregelen in het kader van de wederopbouw en de steunprogramma's. Bij de wederopbouw van de infrastructuur, de industrie, enz., dienen steeds milieueisen voor ogen te worden gehouden.

Als onderdeel van de humanitaire hulp dient ook steun te gaan naar de behandeling van milieuproblemen in verband met de vluchtelingen en de hervestiging in Kosovo zelf en in de buurlanden, met name Albanië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, meer bepaald de voorziening van veilig drinkwater, sanitaire voorzieningen en het verwijderen van vast afval. Ook op deze gebieden staan vooral de gevaren voor de gezondheid op de voorgrond. De Raad verzoekt de betrokken regeringen, in samenwerking met de organisaties die de problemen moeten aanpakken, de meest dringende milieu- en gezondheidsproblemen te behandelen en steun vrij te maken voor de nodige maatregelen.

De Raad zal aandacht blijven hebben voor de milieudimensie van het verdere proces ter ondersteuning van deze regio, om ervoor te zorgen dat daadwerkelijke milieuactie wordt ondernomen."

BIJLAGE

VERKLARINGEN BETREFFENDE HET VOORSTEL TOT WIJZIGING

VAN RICHTLIJN 90/220/EEG BETREFFENDE

GENETISCH GEMODIFICEERDE ORGANISMEN

Verklaring van de Raad en de Commissie

De Commissie en de Raad nemen nota van het motief dat ten grondslag ligt aan het huidige standpunt van Ierland ten aanzien van het voorstel tot wijziging van Richtlijn 90/220/EEG, namelijk dat Ierland zijn nationale openbare raadpleging over GGO's en het milieu nog moet voltooien.

Met het oog op een zo groot mogelijke consensus zullen de Commissie en de Raad bijzondere aandacht besteden aan punten die door Ierland tijdens de tweede lezing als resultaat van die raadpleging kunnen worden aangevoerd.

Verklaring van de Raad

De Raad is voornemens om in een verder stadium van herziening van de Richtlijn rekening te houden met de resultaten van de besprekingen over het protocol inzake bioveiligheid wat het vraagstuk van de invoer/uitvoer van GGO's betreft.

Verklaring van de Deense, de Griekse, de Franse, de Italiaanse en de Luxemburgse delegatie betreffende de schorsing van nieuwe GGO-toestemmingen

De regeringen Denemarken, Griekenland, Frankrijk, Italië en Luxemburg, bij de uitoefening van hun bevoegdheden met betrekking tot het vervaardigen en het in handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's),

overwegende dat het nodig is een strikter en meer transparant regelgevingskader in te stellen, in het bijzonder voor risicobeoordeling, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de Europese ecosystemen, alsmede voor controle en etikettering,

overwegende dat het vertrouwen van de publieke opinie en de handel moet worden hersteld,

wijzen erop dat het van belang is dat de Commissie onverwijld een volledig ontwerp van regelgeving indient die waarborgen biedt inzake de etikettering en de traceerbaarheid van GGO's en van GGO's afgeleide producten en verklaren dat zij in afwachting van de aanneming van deze regelgeving overeenkomstig het beginsel van preventief handelen en het voorzorgsbeginsel maatregelen zullen nemen om nieuwe toestemmingen voor het vervaardigen en in de handel brengen op te schorten.

Verklaring van de Oostenrijkse, de Belgische, de Finse, de Duitse, de Nederlandse, de Spaanse en de Zweedse delegatie

De hierbovengenoemde delegaties, zich bewust van de potentiële gezondheids- en milieurisico's die verbonden zijn aan de introductie en het in de handel brengen van GGO's,


- beklemtonen dat een transparanter en strikter regelgevingskader moet worden ingesteld met betrekking tot cruciale aangelegenheden zoals risicobeoordeling die rekening houdt met de specifieke kenmerken van de Europese ecosystemen, controle en etikettering, en dat het vertrouwen van de publieke opinie en van de handel moet worden hersteld;

- bevestigen opnieuw dat zij streven naar een snelle afronding van de regelgevingsprocedure betreffende het voorstel tot wijziging van Richtlijn 90/220/EEG en verzoeken het Europees Parlement om zich bij dit streven van de Raad en de Commissie aan te sluiten.

In deze context zijn de regeringen van voornoemde lidstaten, gelet op het in artikel 174, lid 2, van het verdrag bepaalde voorzorgsbeginsel, voornemens:


- terdege preventief te handelen inzake kennisgevingen en toestemmingen voor het in de handel brengen van GGO's;
- geen toestemming te verlenen voor het in de handel brengen van GGO's totdat is aangetoond dat deze geen schadelijke effecten voor het milieu en de gezondheid van de mens hebben, en
- voorzover wettelijk mogelijk onmiddellijk de beginselen toe te passen die zijn vastgelegd in het op 24/25 juni 1999 door de Raad bereikte politiek akkoord tot een herziening van Richtlijn 90/220/EEG, in het bijzonder de beginselen inzake traceerbaarheid en etikettering.

Deze delegaties verzoeken de Commissie derhalve om overeenkomstig de comitologieprocedure van Richtlijn 90/220/EEG onverwijld een voorstel in te dienen voor de effectieve uitvoering van de beginselen betreffende traceerbaarheid en etikettering van GGO's.

Zij staan achter het voornemen van de Commissie om in de context van het aangekondigde Witboek inzake aansprakelijkheid het vraagstuk te onderzoeken van de aansprakelijkheid voor milieuschade die verband houdt met de doelbewuste introductie en het in de handel brengen van GGO's.

Deze delegaties nemen er nota van dat de lidstaten overeenkomstig de nieuwe bepalingen in artikel 95, leden 5, 6 en 7, van het EG-Verdrag, nationale bepalingen kunnen aannemen.

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

(Besluiten die vergezeld gaan van verklaringen voor de Raadsnotulen die de Raad voor het publiek beschikbaar heeft gesteld, zijn aangegeven met een asterisk; deze verklaringen zijn verkrijgbaar bij de Persdienst.)

LANDBOUW

Ingevolge het politiek akkoord over het prijzenpakket 1999/2000 tijdens de zitting van de Raad Landbouw van 14-15 juni 1999 heeft de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen (de Italiaanse delegatie heeft tegengestemd) de zes hiernavolgende verordeningen aangenomen in verband met sectoren waarvoor het verkoopseizoen op 1 juli een aanvang neemt:

Verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2358/71 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector zaaizaad en tot vaststelling van de steunbedragen in de sector zaaizaad voor de verkoopseizoenen 2000/2001 en 2001/2002

Verordening van de Raad tot vaststelling van de richtprijs voor melk en van de interventieprijzen voor boter en mageremelkpoeder voor het melkprijsjaar 1999/2000

Verordening van de Raad tot vaststelling van de interventieprijs voor volwassen runderen voor de periode van 1 juli tot en met 31 december 1999

Verordening van de Raad tot vaststelling van de basisprijs en de standaardkwaliteit voor geslachte varkens voor de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000

Verordening van de Raad tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1999/2000 van bepaalde prijzen in de sector suiker en van de standaardkwaliteit voor suikerbieten

Verordening van de Raad tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1999/2000 van de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker, de interventieprijs voor ruwe suiker, de minimumprijzen voor A-suikerbieten en B-suikerbieten, alsmede het bedrag van de vergoeding voor de verevening van de opslagkosten

VISSERIJ

Inbreuken op de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid*

De Raad heeft met eenparigheid van stemmen een verordening aangenomen tot vaststelling van een lijst van gedragingen die een ernstige inbreuk vormen op de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

De lijst omvat de volgende inbreuken:

A. OVERTREDINGEN MET BETREKKING TOT DE SAMENWERKING MET DE CONTROLEAUTORITEITEN

o
Obstructie van de werkzaamheden van de visserij-inspecteurs bij het uitvoeren van hun taak van controle op de naleving van de geldende communautaire regels.
o
Vervalsing, verhulling, vernietiging of manipulatie van bewijsstukken die zouden kunnen worden gebruikt in het kader van een gerechtelijk onderzoek of van een gerechtelijke procedure. B. OVERTREDING MET BETREKKING TOT DE SAMENWERKING MET DE WAARNEMERS
o
Obstructie van de werkzaamheden van de waarnemers bij het uitvoeren van hun in de Gemeenschapswetgeving neergelegde taak, namelijk de naleving van de geldende communautaire regels na te gaan.

C. OVERTREDING MET BETREKKING TOT DE VOORWAARDEN VOOR DE UITOEFENING VAN DE VISSERIJ
o
Uitoefening van de visserij zonder visvergunning, visdocument of een andere toestemming die voor de uitoefening van de visserij vereist is en afgegeven wordt door de vlaggenlidstaat of door de Commissie.
o
Uitoefening van de visserij met een van bovenvermelde documenten waarvan de inhoud vervalst is

o
Vervalsen, verwijderen of verhullen van de identificatietekenen van het vissersvaartuig.

D. OVERTREDINGEN MET BETREKKING TOT DE UITOEFENING VAN DE VISSERIJACTIVITEIT

o
Het gebruiken of aan boord houden van verboden vistuig of van voorzieningen aan netten waardoor de selectiviteit daarvan wordt verkleind.

o
Het gebruiken van verboden visserijmethoden.
o
Het niet vastsjorren of opbergen van vistuig waarvan het gebruik in een bepaald visserijgebied verboden is.
o
Het gericht vissen op, of aan boord houden van specifieke soorten waarvoor een moratorium of een vangstverbod is ingesteld. o
Ongeoorloofde visserij in een bepaald gebied en/of tijdens een bepaalde periode.

o
Overtreding van de voorschriften betreffende de minimummaten. o
Overtreding van de voorschriften en procedures betreffende het overladen en de visserijactiviteit met twee of meer vaartuigen samen.

E. OVERTREDINGEN MET BETREKKING TOT DE CONTROLEMIDDELEN

o
Vervalsing of niet-registratie van de gegevens in logboeken, aanvoeraangiften, verkoopdocumenten, overnameverklaringen en vervoersdocumenten of het niet in bezit hebben of overleggen van deze documenten.

o
Ingrijpen in het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen. o
Opzettelijke overtreding van de communautaire voorschriften betreffende de melding van de verplaatsingen van de vissersvaartuigen via telecommunicatie-apparatuur, alsmede van de gegevens betreffende de vangsten aan boord. o
Overtreding door de kapitein van een vissersvaartuig van een derde land of door zijn vertegenwoordiger, van de toepasselijke controlevoorschriften bij het opereren in de communautaire wateren.

F. OVERTREDINGEN MET BETREKKING TOT DE AFZET VAN DE VISSERIJPRODUCTEN o
Het lossen van visserijproducten zonder de communautaire voorschriften inzake controle en naleving in acht te nemen. o
Het opslaan, verwerken, te koop aanbieden en vervoeren van visserijproducten die niet voldoen aan de geldende handelsnormen, met name die met betrekking tot de minimummaat.

Het voorstel is er niet op gericht, de sancties op communautair niveau te harmoniseren. Het legt de lidstaten wel de verplichting op de Commissie in kennis te stellen van de maatregelen die zij naar aanleiding van ernstige inbreuken hebben genomen, zulks met het oog op een grotere doorzichtigheid en om de vissers de mogelijkheid te bieden een kwantitatieve en objectieve vergelijking te maken van de reacties van de lidstaten op dergelijke inbreuken. De verordening vormt een integrerend deel van de nieuwe controleverordening die op 1 juli 1999 in werking dient te treden en die derhalve eind juni 1999 moet worden aangenomen.

Verordening betreffende de technische maatregelen

De Raad heeft een verordening aangenomen houdende tweede wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen.

Deze verordening geeft regels voor het gebruik van de toegestane combinaties van maaswijdten die reeds bij Verordening (EG) nr. 850/98 waren vastgesteld, en wil verder verbetering brengen in de controle en het toezicht op visserijactiviteiten die tijdens één enkele visreis worden uitgevoerd in meer dan één gebied binnen de wateren van de Gemeenschap. Om een doeltreffende controle en naleving van de betrokken bepalingen te garanderen, wordt de verplichting tot het bijhouden van een logboek uitgebreid tot vaartuigen die hiervan tot dusver vrijgesteld waren.

Registratie van de handel inblauwvintonijn

De Raad heeft een verordening aangenomen houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 858/94 tot invoering van een regeling voor de statistische registratie van blauwvintonijn (thunnus thynnus) in de Gemeenschap.

Deze verordening is een herziening van Verordening (EG) nr. 858/94, waarbij een regeling voor de statistische registratie van blauwvintonijn is ingesteld. Zij strekt ertoe het beheer van voornoemde regeling voor de Gemeenschap en haar lidstaten gemakkelijk te maken, en breidt de regeling uit tot de wederuitvoer van blauwvintonijn; daartoe moeten de voorwaarden worden vastgesteld die gelden voor de verschillende soorten handelstransacties waarbij tonijn één of meermaals wordt uitgevoerd naar dan wel vanuit het douanegebied van de Gemeenschap.

Overgangsmaatregelen voor de visserij in de Middellandse Zee

De Raad heeft een verordening aangenomen houdende overgangsmaatregelen voor het beheer van bepaalde takken van visserij in de Middellandse Zee en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1626/94.

Bij Verordening (EG) nr. 1626/94 zijn technische instandhoudingsmaatregelen vastgesteld waarop tot en met 31 december 1998 voorwaardelijke uitzonderingen golden.

Aangezien de beëindiging van de uitzonderingsperiode leidt tot verstoring van de visserijactiviteit van talrijke vissers in de Middellandse Zee, verlengt de nieuwe verordening voornoemde periode tot en met 31 mei 2000.

EXTERNE BETREKKINGEN

Cuba: evaluatie van het gemeenschappelijk standpunt van de EU - Conclusies van de Raad

"De Raad nam nota van de evaluatie van het gemeenschappelijk standpunt van de EU over Cuba en van de voorstellen ter uitvoering daarvan. De Raad constateerde dat de parameters van het Cubaanse binnenlands en buitenlands beleid de laatste zes maanden niet zijn verbeterd.

De Raad herhaalde dat bevordering van een proces van vreedzame overgang naar een pluralistische democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, evenals een duurzaam herstel van de economie en verbetering van de levensomstandigheden van de Cubaanse bevolking, het doel van de Europese Unie ten aanzien van Cuba blijven.

Het gemeenschappelijk standpunt van de EU laat de Unie en haar lidstaten voldoende flexibiliteit om op veranderingen in Cuba te reageren en om tegelijkertijd de grondbeginselen van haar beleid krachtdadig te blijven bevorderen. De Raad bevestigt dan ook het gemeenschappelijk standpunt van de Unie van 2 december 1996. Hij neemt de aanbevelingen van het voorzitterschap met betrekking tot de evaluatie en de uitvoering van het gemeenschappelijk standpunt aan en zal het standpunt na zes maanden opnieuw evalueren."

Beheer van overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning - Resolutie van de Raad

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE

ONDERSTREPEND hoezeer hij belang hecht aan wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordelingen als middel om technische handelsbelemmeringen te verminderen en de handel tussen de Gemeenschap en derde landen te bevorderen;

MEMOREREND dat de Raad op 21 september 1992 een besluit heeft aangenomen waarbij de Commissie wordt gemachtigd te onderhandelen over overeenkomsten tussen de Gemeenschap en bepaalde derde landen inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordelingen;

MEMOREREND dat de Europese Gemeenschap, na geslaagde onderhandelingen, overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning (MRA's) heeft kunnen sluiten met Australië, Canada, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten van Amerika;

OPMERKEND dat de doelstelling van deze overeenkomsten is overal op het grondgebied van de partijen voor alle onder de overeenkomsten vallende producten daadwerkelijk toegang tot de markt te bieden;

HERINNEREND aan de conclusies van de Raad van 26 juni 1997 inzake normen en overeenstemmingsbeoordeling;

BEKLEMTONEND hoe belangrijk het is dat de Raad actief wordt betrokken bij de voorbereiding van onderhandelingen over en uitvoering van Overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning;

BENADRUKKEND dat richtsnoeren voor het beheer van overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning moeten worden ontwikkeld teneinde een efficiënter en meer samenhangend stelsel tot stand te brengen,


1. VERZOEKT de Commissie een voorstel in te dienen voor richtsnoeren voor het beheer van overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning dat betrekking heeft op de voorbereidings-, onderhandelings- en uitvoeringsfase daarvan en een ontwerp van een modelovereenkomst op te stellen als grondslag voor de onderhandelingen over en de sluiting van toekomstige overeenkomsten, rekening houdend met de ervaring die is opgedaan met reeds gesloten overeenkomsten;
2. VERZOEKT de Commissie tevens een vademecum met een toelichting op de overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning uit te werken die ook dienst kan doen als voor alle communautaire partijen bestemde leidraad bij de uitvoering van de overeenkomsten. Een dergelijk vademecum dient ook de besluitvormingstaken van de verschillende MRA-Comités uit te leggen alsmede de coördinatie van het (horizontale en sectorale) besluitvormingsproces binnen de Gemeenschap.

3. VERZOEKT de lidstaten zich ten volle in te zetten voor de effectieve uitvoering van overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning, met inbegrip van de sectorale bijlagen.
4. VERZOEKT de Commissie periodieke verslagen op te stellen over de tussentijdse resultaten bij de uitvoering van de bestaande overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning.
5. NEEMT met voldoening NOTA van het voornemen van de Commissie om ervoor te zorgen dat vergaderingen van de comités voor de overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning tijdig worden gepland en door de Gemeenschap gedegen worden voorbereid en gecoördineerd.
6. VERZOEKT de Commissie de Raad voor eind 1999 te informeren over de gemaakte vorderingen."

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Memorie van toelichting bij de overeenkomst betreffende ontzegging van de rijbevoegdheid

De Raad heeft de memorie van toelichting goedgekeurd bij de overeenkomst betreffende ontzegging van de rijbevoegdheid, die op 17 juni 1998 is ondertekend. De toelichting werd, zoals gebruikelijk na de sluiting van een overeenkomst, opgesteld om de motieven voor de opstelling ervan toe te lichten, alsmede om juridische achtergrondinformatie bij elk van de artikelen te verstrekken.

Er zij gememoreerd dat de overeenkomst voorziet in een regeling waarbij een ontzegging van de rijbevoegdheid die vanwege een van de meest ernstige verkeersovertredingen (zoals roekeloos of gevaarlijk rijden, door- of wegrijden na een ongeval, besturen van een voertuig tijdens de periode van ontzegging van de rijbevoegdheid) aan een bestuurder wordt opgelegd in een andere lidstaat dan zijn normale staat van verblijf, in alle lidstaten kan worden toegepast. Aangezien de overeenkomst ervoor zorgt dat beslissingen inzake ontzeggingen van de rijbevoegdheid niet langer uitsluitend op het grondgebied van één lidstaat, maar in de gehele EU gelden, is zij van bijzonder belang voor de verkeersveiligheid.

Een ontzegging van de rijbevoegdheid die aan een bestuurder wordt opgelegd in een ander land dan zijn normale staat van verblijf, geldt momenteel uitsluitend voor dat land en voor zolang de betrokken persoon op het grondgebied van dat land is; als de autoriteiten het rijbewijs van de bestuurder hebben ingetrokken, moet het aan de bestuurder worden teruggegeven wanneer hij het land verlaat.

TRANSPARANTIE

Transparantie en voorlichting door de EU - Conclusies van de Raad

De Raad spreekt de hoop uit dat de nieuwe bepalingen in de Verdragen betreffende openheid en transparantie, hun weerslag zullen krijgen in echte, waarneembare veranderingen in de dagelijkse praktijk van de communautaire instellingen.

In dit verband zal, wat de Raad betreft, bijzondere aandacht uitgaan naar:
= de spoedige aanneming van de wetgevingsinstrumenten betreffende toegang van het publiek tot documenten als bedoeld in artikel 255 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, = een correcte tenuitvoerlegging van artikel 207 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap betreffende het openbaar maken van de uitslag van de stemmingen, alsmede de stemverklaringen en de verklaringen in de notulen, wanneer de Raad optreedt als wetgever.

Teneinde tegemoet te komen aan de behoeften van het publiek, moet het streven naar meer openheid worden ondersteund door een toename van de activiteiten die gericht zijn op de voorlichting over de Europese Unie in alle officiële talen.

De samenwerking op dit gebied tussen de communautaire instellingen en tussen instellingen en lidstaten is van essentieel belang. De Raad is ingenomen met de recente initiatieven van de Commissie om samen met de lidstaten voorlichtingsmaatregelen uit te voeren en hij neemt nota van andere voorlichtingsactiviteiten, waaronder met name de meest recente seminars die in Berlijn en Brussel zijn gehouden.

Teneinde de voorlichting over de Europese Unie meer doeltreffend en samenhangend te maken, moeten waar nodig doelstellingen worden geformuleerd en passende middelen worden toegewezen, uitgaande van een duidelijke omschrijving van de rol en de bevoegdheden van alle betrokkenen, waarbij pluralisme en het subsidiariteitsbeginsel voortdurend voor ogen dienen te worden gehouden.

De Raad toont zich ingenomen met het streven om gecoördineerde voorlichtingsstrategieën en -activiteiten te ontwikkelen en neemt nota van de voorstellen die door het voorzitterschap zijn gedaan op het gebied van de voorlichting over de Europese Unie. Hij is van mening dat deze discussie moet worden voortgezet.



/newsroom/press/c/ACF8C.htm

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie