Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Verslag Europese Raad cultuur/audiovisuele sector 28-06-99

Datum nieuwsfeit: 28-06-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten

2195. Raad - CULTUUR/AUDIOVISUELE SECTOR Go Back

Press Release: Luxembourg (28-06-1999) - Nr. 9409/99 (Presse 206)


9409/99 (Presse 206)

(OR. en)

PERSMEDEDELING

Onderwerp :

2195e zitting van de Raad


- CULTUUR, AUDIOVISUELE SECTOR -

Luxemburg, 28 juni 1999

Voorzitter :

de heer Michael NAUMANN

Staatsminister van Algemene Zaken van Duitsland

Voor meer informatie: tel. 285.62.19 of 285.68.08

"CULTUUR 2000"-PROGRAMMA

Nadat tijdens de laatste zitting van de Raad Cultuur/Audiovisuele Sector op 17 november 1998 een politiek akkoord is bereikt en alle delegaties intussen de begroting van het programma hebben bevestigd, heeft de Raad zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld ten aanzien van het voorstel voor een enkel financierings- en programmeringsinstrument voor samenwerking op cultureel gebied, het programma "Cultuur 2000". De Commissie heeft de regeling voor de uitvoering van het programma in een verklaring voor de Raadsnotulen verduidelijkt. Het gemeenschappelijk standpunt zal nu overeenkomstig de medebeslissingsprocedure aan het Europees Parlement worden toegezonden voor een tweede lezing.

Doel van het besluit is de doeltreffendheid van culturele samenwerkingsacties te rationaliseren en te vergroten in het kader van één enkel programma, dat in de plaats zal komen van de drie bestaande cultuurprogramma's CALEIDOSCOOP, ARIANE en RAPHAEL.

De totale begroting die de Raad voor de looptijd van 5 jaar (1 januari 2000 tot en met 31 december 2004) heeft goedgekeurd, bedraagt 167 miljoen ecu. De begroting is (langs "indicatieve richtsnoeren") als volgt verdeeld over de verschillende soorten acties die steun krijgen: circa 40% is bestemd voor specifieke vernieuwende en/of experimentele acties, circa 40% voor geïntegreerde acties, circa 10% voor bijzondere culturele evenementen en circa 10% voor overige uitgaven.

Het programma "Cultuur 2000" moet bijdragen tot de ontwikkeling van een door alle Europeanen gedeelde culturele ruimte, door het bevorderen van samenwerking tussen scheppende kunstenaars, in de culturele sector werkzame personen, initiatiefnemers uit de particuliere en de overheidssector, de activiteiten van de culturele netwerken en overige partners, alsmede de culturele instellingen van de lidstaten en de andere deelnemende staten, met het oog op:


- bevordering van de culturele dialoog en van de wederzijdse kennis van cultuur en geschiedenis van de Europese volkeren;
- bevordering van het scheppend werk en van de transnationale verspreiding van cultuur, alsmede van het verkeer van kunstenaars, scheppende kunstenaars, andere in de culturele sector werkzame personen en beroepsbeoefenaars en van hun werken, met sterke nadruk op jongeren, mensen met een sociale achterstand en culturele verscheidenheid ;

- accentueren van de culturele verscheidenheid en ontwikkeling van nieuwe culturele expressievormen;

- delen en accentueren, op Europees niveau, van het gemeenschappelijke culturele erfgoed van Europees belang, verspreiding van kennis en bevordering van goede praktijken inzake het behoud en de instandhouding van dat erfgoed;


- in aanmerking nemen van de rol van cultuur bij de sociaal-economische ontwikkeling;


- bevordering van een interculturele dialoog en wederzijdse uitwisseling tussen de Europese en de niet-Europese culturen;
- expliciete erkenning van de cultuur als een factor die de economie, de sociale integratie en het burgerschap bevordert.

Soorten culturele acties die gesteund moeten worden:


- specifieke, vernieuwende en/of experimentele projecten (bv. acties voor steun aan de vervaardiging van multimediaproducten op cultureel gebied, stimulering van culturele live-evenementen door toepassing van de nieuwe technologieën van de informatiemaatschappij, steunprojecten die beogen de toegang tot boeken en het lezen te verbeteren ...). Deze steun wordt verstrekt in de vorm van beurzen, studiebijeenkomsten en congressen, studies, bewustmakingsacties, enz.

- geïntegreerde projecten die vallen onder gestructureerde meerjarige overeenkomsten voor culturele samenwerking. Het programma draagt in het bijzonder bij tot het ontstaan van een ruime en gestructureerde samenwerking door de deelneming van netwerken van culturele actoren, culturele organisaties en onderzoeksinstituten op cultuurgebied in de verschillende lidstaten en de andere deelnemende landen. De acties zouden bv. het gebruik van nieuwe technologieën moeten stimuleren, kunstwerken en producten van scheppend werk toegankelijk moeten maken voor het publiek, en de uitwisseling van ervaring en wederzijdse kennis van gemeenschappelijke culturele waarden van de Europse volkeren moeten bevorderen ... Voorts moet het programma bijdragen tot de deelneming van organisaties, onderzoekinstellingen, enz.

- bijzondere culturele evenementen met een Europese en/of internationale uitstraling (bv. de cultuurstad van Europa en de Europese cultuurmaand). Deze acties moeten ertoe bijdragen dat de Europese burgers zich niet alleen sterker bewust worden van het feit dat zij tot eenzelfde gemeenschap behoren, maar ook van de culturele verscheidenheid in de Europese Unie.

Deze acties zijn verticaal (gericht op één cultuurgebied) of horizontaal (gericht op verschillende cultuurgebieden).

Het programma "Cultuur 2000" staat open voor deelname van de landen van de Europese Economische Ruimte, alsmede voor deelname van Cyprus en de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa. Het maakt tevens samenwerking mogelijk met op cultuurgebied bevoegde internationale organisaties, zoals de Unesco of de Raad van Europa.

HET BETREKKEN VAN DE GESCHIEDENIS IN HET OPTREDEN OP CULTUURGEBIED VAN DE GEMEENSCHAP - Resolutie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

(1) Overwegende dat Europese samenwerking en integratie gebaseerd moeten zijn op het besef en de bescherming van culturele diversiteit en wederzijds begrip tussen de volkeren van Europa; dat zulks in het bijzonder een rol speelt in het licht van de komende uitbreiding van de Europese Unie;
(2) Overwegende dat het dagelijks leven van de Europese volkeren gevormd is door hun verschillende historische ervaringen; dat kennis van de gemeenschappelijke ervaringen en herinneringen het gevoel van saamhorigheid van de Europese burgers versterkt en bijdraagt tot de ontwikkeling van een Europees bewustzijn; (3) Overwegende dat Europa ook een gemeenschap van waarden is; dat de Europese integratie op basis van de fundamentele beginselen van mensenrechten, rechtsstaat en democratie het gevolg is van historische ervaringen die vandaag de dag ons gemeenschappelijk erfgoed vormen; dat kennis van de geschiedenis van de Europese volkeren bijdraagt tot verankering van deze politieke beginselen en de eraan ten grondslag liggende waarden in het ideeëngoed van de burgers van Europa;
(4) Overwegende dat bij het overdragen van kennis van de geschiedenis behalve het geschiedenis- en kunstonderwijs op school
- hetgeen de verantwoordelijkheid van de lidstaten is - boeken, televisie, nieuwe media, museumboekhandels, archieven en filmmusea aan betekenis winnen;
(5) Overwegende dat tijdens het op 25 en 26 januari 1999 te Bonn voor deskundigen gehouden symposium "Europäische Geschichtskultur im 21. Jahrhundert" allerlei positieve maatregelen ter bevordering van de kennis van de geschiedenis van de Europese volkeren zijn besproken, waaronder:


- bevordering van de vertaling van geschiedkundige werken;


- bevordering van de uitwisseling van historische documentaires tussen Europese omroeporganisaties (radio en televisie);
- bevordering van paneuropese samenwerking tussen historische musea;
IS EENSLUIDEND

- ten aanzien van de noodzaak, door middel van nauwere samenwerking tussen de lidstaten en andere relevante instellingen, bij te dragen tot betere wederzijdse kennis van de geschiedenis en van de verschillende historische ervaringen van de Europese volkeren;

- ten aanzien van de noodzaak aandacht te schenken aan het thema geschiedenis, niet alleen in het kader van maatregelen ter bevordering van de cultuur, maar ook in andere stimuleringsprogramma's, bij voorbeeld op het gebied van onderwijs en onderzoek, dit gelet op de noodzaak van coherentie en complementariteit tussen de stimulerende maatregelen van de Gemeenschap;
VERZOEKT DE COMMISSIE,

- bij de uitvoering van het nog aan te nemen enige programmerings- en financieringsinstrument voor culturele samenwerking alsmede andere toepasselijke instrumenten passende aandacht te schenken aan projecten op het gebied van geschiedenis;
- erop toe te zien dat dergelijke projecten een zo paneuropees mogelijk karakter krijgen teneinde de kennis en het begrip van de geschiedenis van de Europese volkeren te verbeteren en daardoor een belangrijke bijdrage aan de Europese samenwerking en integratie leveren;

- bij projecten op het gebied van geschiedenis een hechte samenwerking met de Raad van Europa en de UNESCO na te streven;
- te zorgen voor coördinatie tussen bestaande programma's en activiteiten op relevante gebieden.

CULTURELE HOOFDSTAD VAN EUROPA - Uitvoering

De Raad heeft zijn goedkeuring gehecht aan een uitvoeringsbesluit betreffende het besluit tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement "Culturele hoofdstad van Europa" voor het tijdvak 2005 tot 2019. Het besluit zal tijdens een volgende zitting worden aangenomen.

In het besluit betreffende de "Culturele hoofdstad van Europa" wordt onder meer bepaald dat de Commissie elk jaar een jury samenstelt die aan de hand van de doelstellingen en kenmerken van de actie over de voorgedragen stad of steden verslag moet uitbrengen.

In dezelfde bepaling wordt gesteld dat de jury bestaat uit zeven onafhankelijke prominenten uit de culturele sector, waarvan er twee door de Raad worden aangewezen (twee andere prominenten worden door het Europees Parlement aangewezen, twee door de Commissie en één door het Comité van de Regio's).

Het besluit dat nu is goedgekeurd bevat de procedure voor de aanwijzingen door de Raad. Aangezien de steden uiterlijk vier jaar voor het evenement moeten worden voorgedragen, zal de Raad "zijn" prominenten benoemen tijdens het vijfde jaar voor het evenement (bijvoorbeeld in 2000 voor de jury die de voordrachten voor 2005 moet beoordelen). De twee staten die het voorzitterschap van de Raad tijdens het lopende jaar bekleden, dragen ieder een prominent persoon voor die de garanties inzake onafhankelijkheid en expertise biedt om deel uit te maken van de jury; ze worden door de Raad aangewezen met eenvoudige meerderheid.

CULTURELE HULP AAN KOSOVO

Na een inleidende verklaring van Commissaris Oreja, wisselde de Raad van gedachten over mogelijke culturele hulpmaatregelen voor Kosovo. De heer Oreja beklemtoonde dat activiteiten op het gebied van cultuur en onderwijs in het takenpakket van het Bureau voor de wederopbouw van Kosovo moeten worden opgenomen en dat er een grote behoefte is aan coördinatie tussen alle potentiële deelnemers, in het bijzonder de Europese Unie, de Raad van Europa en UNESCO. Er was volgens hem ook een belangrijke rol weggelegd voor de niet-gouvernementele organisaties. De Commissie gaf een schets van eventuele concrete acties van de Gemeenschap: in de eerste plaats een inventaris van de situatie ter plaatse en van de tot nog toe genomen initiatieven, gevolgd door de steunmaatregelen die binnen de bestaande programma's en budgetten kunnen worden genomen, zoals bijvoorbeeld stedenbanden (met de nadruk op het samenbrengen van jonge mensen) of aandacht voor Kosovo in de loop van het evenement Culturele Hoofdstad van de Europa 2000.

De Raad was het eens met de analyse van de heer Oreja en verzocht de Commissie om te blijven zoeken naar manieren om deze regio bijstand op cultuurgebied te verlenen. De Raad erkende dat de algemene bevoegdheid voor de hulp en wederopbouwinspanningen voor Kosovo bij de Raad Algemene Zaken berust, maar steunde het idee om cultuur op te nemen in het takenpakket van het Bureau voor de wederopbouw. De ministers waren het er over eens dat, wanneer de basisbehoeften van de Kosovaarse bevolking zijn voldaan, de culturele dimensie in ruime zin een belangrijk onderdeel van de wederopbouw zal vormen.

RESULTATEN VAN DE OPENBARE RAADPLEGING OVER HET CONVERGENTIEGROENBOEK
- Conclusies

De Raad hield een gedachtewisseling over de follow-up van het Convergentiegroenboek; tevens hechtte hij zijn goedkeuring aan conclusies inzake in het bijzonder de aspecten in verband met de media en de audiovisuele sector, die opgesteld zijn op het initiatief van het voorzitterschap en hierna volgen.

De Raad kijkt met grote belangstelling uit naar de aanvullende mededeling die de Commissie voornemens is in te dienen en waarin een aantal regelgevingsbeginselen zullen worden vastgelegd.

Een aantal delegaties wezen op de culturele dimensie van de uitdagingen en kansen van het digitale tijdperk. Men mag zich niet beperken tot de technologische of economische aspecten ervan.

De ministers toonden zich ook bezorgd over een eventuele hervorming van de verantwoordelijkheid voor audiovisuele aangelegenheden in de volgende Europese Commissie. Zij wezen erop dat de huidige structuur met een directoraat-generaal en een Commissaris die de volledige verantwoordelijkheid voor dit gebied hebben, moet worden gehandhaafd.

"DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,


1. herinnerend aan de conclusies van de Raad van 24 september 1998 betreffende de Europese Audiovisuele Conferentie: "Uitdagingen en kansen van het digitale tijdperk";

2. herinnerend aan de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de Regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 25 januari 1999 betreffende de publieke omroep;

3. herinnerend aan de conclusies van de Raad van 22 april 1999 inzake de resultaten van de openbare raadpleging over het convergentiegroenboek;

4. op de hoogte van de bespreking over de mogelijke reikwijdte en de verdiensten en risico's van zelfregulering in de media, die naar voren zijn gebracht door de deelnemers aan de studiebijeenkomst van deskundigen in Saarbrücken over zelfregulering in de media;

5. neemt er nota van dat de Commissie in haar mededeling van 9 maart 1999 inzake de resultaten van de publieke raadpleging over het convergentiegroenboek, verscheidene kerngedachten presenteert die bijzonder relevant zijn voor de audiovisuele sector en meedeelt voornemens te zijn een meer gedetailleerd pakket regelgevingsbeginselen voor te leggen in een aanvullende mededeling;

6. neemt er nota van dat een algemene gedachte met betrekking tot de rol van regelgeving de bevestiging is van de aanhoudende noodzaak te voldoen aan een reeks doelstellingen van algemeen belang (zoals de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid, culturele en taalkundige verscheidenheid en pluralisme) terwijl tevens wordt ingezien dat investeringen, met name in nieuwe audiovisuele diensten, gestimuleerd moeten worden;
7. neemt er nota van dat een algemene gedachte met betrekking tot inhoud de erkenning is dat acties die gericht zijn op de stimulering van Europese producties met een kwalitatief hoogstaande inhoud, een belangrijke rol kan spelen;
8. benadrukt dat, naast technische en economische aspecten, ook sociale, culturele en democratische aspecten van groot belang zijn voor de ontwikkeling van de informatiemaatschappij;
9. ervan overtuigd dat de reglementering voortdurend moet worden beoordeeld en eventueel aangepast op nationaal en Europees niveau, rekening houdend met het subsidiariteitsbeginsel; 10. neemt er nota van dat wordt aanbevolen de regelgeving voor infrastructuur en voor inhoud te scheiden: met betrekking tot de regelgeving op infrastructuurgebied betekent dit dat moet worden gewaarborgd dat het publiek toegang heeft tot een breed spectrum van media-inhoud.
11. neemt er nota van dat dit voor de regelgeving met betrekking tot de inhoud betekent:


- dat volledig rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van de audiovisuele sector, in het bijzonder waar nodig via een verticale en sectorale aanpak, voortbouwend op de huidige regelgevingsstructuren en de openbare beleidsdoelstellingen;
- dat een passend regelgevingskader op nieuwe diensten wordt toegepast, na uitgebreid overleg en debat, met erkenning van de onvoorspelbaarheid van de markt en de belangrijke investeringen die met het lanceren van dergelijke diensten gemoeid zijn, terwijl tegelijkertijd adequate bescherming van minderjarigen, waarborgen voor de consument en andere belangrijke algemene belangen gehandhaafd blijven;

- dat zelfregulering een goede aanvulling zou kunnen vormen op regelgeving en bijdragen tot het juiste evenwicht tussen het bevorderen van de ontwikkeling van open en concurrerende markten en het waarborgen van doelstellingen van algemeen belang;

12. benadrukt dat de raadpleging ook, in antwoord op de drie opties in het groenboek van de Commissie , een duidelijke meerderheid heeft opgeleverd voor een evolutieve aanpak van regelgeving met betrekking tot inhoud, voortbouwend op bestaande structuren;

13. benadrukt, met het oog op de ontwikkeling van nieuwe technologieën, dat een evenwichtige en transparante oplossing voor de vraag hoe de publieke omroep zijn rol optimaal kan blijven vervullen in deze nieuwe context, meer bepaald het volgende moet behelzen:
- bevestiging van de bevoegdheid van de lidstaten om de opdracht van de publieke omroep in elke lidstaat toe te kennen, te bepalen en te organiseren in overeenstemming met het aan het Verdrag van Amsterdam gehechte protocol betreffende het publieke-omroepstelsel (protocol nr. 32);


- aanmoediging van de omroepen met een publieke opdracht om nieuwe technologieën te benutten en aldus nieuwe middelen te vinden om hun publiek aan zich te binden en uit te breiden, teneinde die opdracht uit te voeren;

14. verzoekt de Commissie, onverminderd haar prerogatieven op grond van het Verdrag,


- deze conclusies in aanmerking te nemen bij de opstelling van de in punt 5 bedoelde mededeling, en daarbij het specifieke karakter van de audiovisuele sector te erkennen en uit te laten komen en rekening te houden met de democratische, sociale en culturele behoeften;

- rekening te houden met het resultaat van de raadpleging indien en wanneer zij voorstellen opstelt voor maatregelen ter versterking van de Europese audiovisuele industrie, met inbegrip van de multi-mediasector;

15. neemt er nota van dat de onmiddellijke acties van de Commissie met betrekking tot de inhoud, de verificatie zullen inhouden van de uitvoering en toepassing door de lidstaten van de gewijzigde richtlijn "Televisie zonder grenzen"."

DE ROL VAN ZELFREGULERING IN HET LICHT VAN DE ONTWIKKELING VAN NIEUWE MEDIADIENSTEN - Conclusies

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

1. Herinnerend aan de aanbeveling van de Europese Unie betreffende de ontwikkeling van de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en informatiediensten door bevordering van nationale kaders teneinde een vergelijkbaar en doeltreffend niveau van bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid te bereiken (98/560/EG) en aan het actieplan ter bevordering van een veiliger gebruik van Internet door het bestrijden van illegale en schadelijke inhoud op mondiale netwerken (Beschikking nr. 276/1999/EG).

2. Herinnerend aan het feit dat de Commissie in haar mededeling van 9 maart 1999 betreffende de resultaten van de openbare raadpleging over het convergentiegroenboek heeft gewezen op het belang dat zelfregulering kan hebben.

3. Erkennend dat waar zelfregulering in enkele lidstaten een zinvolle aanvulling zal blijven op de regulering in alle mediavormen, het hier passend is de rol van zelfregulering in de nieuwe mediadiensten te onderzoeken.

4. Neemt er nota van


- dat in de meeste Europese landen zelfreguleringssystemen voor de media zijn ontwikkeld waarvan sommige alle media bestrijken (pers, omroep - radio, tv en reclame in alle media), terwijl andere tot bepaalde media of tot nieuwe informatie- en communicatiediensten beperkt zijn;

- dat er essentiële verschillen bestaan tussen de manier waarop de uiteenlopende zelfreguleringssystemen georganiseerd zijn en een aanvulling vormen op of bijdragen aan de staatsregulering, hetgeen een afspiegeling is van Europa's democratische, regionale en culturele verscheidenheid;

- dat zelfregulering een nuttige aanvulling kan vormen op de regulering in het kader van de toekomstige ontwikkelingen van de nieuwe mediadiensten.


5. Erkent

- dat de omschrijving van de doelstellingen van algemeen belang en van de keuze van de wijze waarop de doelstellingen op dit gebied het best verwezenlijkt kunnen worden bij uitstek tot de verantwoordelijkheid van de lidstaten behoort, onverminderd de communautaire wetgeving,

- dat zelfreguleringssystemen voor de media, overeenkomstig de nationale culturele en wettelijke tradities en praktijken evenwel een bijdrage kunnen leveren aan de bescherming van algemene belangen.

6. Is erover verheugd

- dat de Commissie voornemens is om in een mededeling een meer gedetailleerde reeks regelgevingsbeginselen voor te leggen, naast haar mededeling van 9 maart 1999 over de resultaten van de openbare raadpleging over het convergentiegroenboek,
- dat de door het Duitse voorzitterschap georganiseerde studiebijeenkomst van Saarbrücken over zelfregulering in de media het debat op Europees niveau heeft gelanceerd over de mogelijke bijdrage die zelfreguleringssystemen kunnen hebben voor de totstandkoming van de doelstellingen van algemeen belang, vooral in het licht van de ontwikkeling van nieuwe mediadiensten.


7. Wijst, rekening houdend met de ervaring met bestaande zelfreguleringssystemen in het mediabeleid, op de noodzaak om:
- mogelijke bijdragen van zelfreguleringssystemen aan de nieuwe mediadiensten te analyseren,

- een evenwicht te zoeken tussen de sterke en de zwakke punten van zelfreguleringssystemen,

- deze analyse van mogelijke bijdragen te verdiepen, meer bepaald via openbare raadplegingen,

- in de context van zelfregulering in de nieuwe mediadiensten de belangen van derden, met name consumenten, in acht te nemen.


8. Roept de Commissie op onverminderd haar voorrechten krachtens het Verdrag:

- bij de opstelling van de mededeling als bedoeld in punt 5 rekening te houden met de huidige stand van de bespreking over de rol van zelfregulering in het licht van de ontwikkeling van nieuwe mediadiensten, en daarbij in het oog te houden dat het aan iedere lidstaat is de eventuele aanvullende rol van zelfregulering naast wetgeving te bepalen;

- de toekomstige bespreking over dit onderwerp te vergemakkelijken door, indien nodig, bijgewerkte informatie aan de Raad en het Europees Parlement te verstrekken.

GEDURENDE HET DUITSE VOORZITTERSCHAP GEORGANISEERDE CULTURELE EVENEMENTEN

De Raad nam nota van het voornemen van het voorzitterschap om schriftelijk informatie te verstrekken over de culturele evenementen en de activiteiten op het gebied van het audiovisuele beleid die tijdens het eerste halfjaar van 1999 hebben plaatsgevonden.

SAMENWERKING MET DE RAAD VAN EUROPA

Het voorzitterschap bracht mondeling verslag uit over de regelmatige dialoog tussen het comité culturele zaken van de Raad en de vertegenwoordigers van de Raad van Europa.

Er wordt gewerkt aan een overeenkomst tussen de twee instellingen met het oog op de campagne "Europa - een gemeenschappelijk erfgoed" die de Raad van Europa in 1999-2000 zal voeren.

DIVERSEN


- Vaste boekenprijs
De Duitse en de Oostenrijkse delegatie, gesteund door diverse andere lidstaten, herhaalden dat zij sterk gekant waren tegen ieder besluit van de Commissie om de huidige grensoverschrijdende boekenprijsovereenkomst tussen hun twee landeen af te schaffen. Deze twee delegaties betwistten ook de bevoegdheid van de huidige Commissie om over deze aangelegenheid een besluit te nemen. Volgens deze delegaties heeft het huidige contractuele systeem geen gevolgen voor de handel van de andere lidstaten. De afschaffing ervan zou niet het door de Commissie gewenste resultaat bereiken maar enkel de diversiteit en de ruime toegankelijkheid van boeken in gevaar brengen.


- "Oproep aan de voorzitter van de Europese Commissie"

De Italiaanse minister presenteerde de "oproep tot de voorzitter van de Europese Commissie" die op haar initiatief op 24 juni 1999 in Rome door de ministers van Cultuur van zeven lidstaten is ondertekend. Andere delegaties sloten zich aan bij deze brief die is opgenomen in de bijlage.


- EUREKA-audiovisuele sector

De Franse delegatie, die werd bijgevallen door talrijke andere delegaties, stelde de voortzetting van de bijdrage van de Gemeenschap aan de audiovisuele activiteiten van EUREKA aan de orde. Deze delegaties waren van oordeel dat de bijdrage noodzakelijk is om de band tussen de audiovisuele taak van EUREKA en de strategie van de Europese Unie in de audiovisuele sector in stand te houden.


- Proces van Datuk Seri Anwar Ibrahim

De ministers van Cultuur stonden volledig achter de verklaring die het voorzitterschap op 14 april 1999 namens de Europese Unie heeft afgelegd betreffende het resultaat van het proces van Datuk Seri Anwar Ibrahim. De heer Anwar Ibrahim is niet alleen de voormalige vice-minister-president van Maleisië maar ook de voormalige voorzitter van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO).

BIJLAGE

APPEAL TO THE PRESIDENT DESIGNATE OF THE EUROPEAN COMMISSION

Honorable President,

At this moment in which you are about to assume the important responsibilities of President of the European Commission, we feel that we must draw your attention to a matter of utmost importance regarding the enrichment of Europe: we are referring to the future of cultural action in the European Union.

As you well know, in 1992 the Treaty of Maastricht elevated culture to a level that was to be treated as a European Community matter and that should be considered as one of the pillars which sustains our "European House".

Since then many initiatives have been undertaken, but above all, public opinion in our countries has come to the conclusion that the European ideals are consolidated not only through an indispensable economic integration but by developing our common cultural roots.

We feel that the political and social future of our continent is built primarily by the development of a common European sense of identity. To make this happen, it is necessary to refer to that mixture of values, principles, variegated social, artistic and spiritual experiences which constitute the highest reason for common sensibility: the solid foundation of a shared European culture.

It is here that we feel the need to emphasise the cultural aspects of the Treaty as well as the economic. European creativity will be effectively stimulated by the challenge of cultural initiatives and the protection of our heritage, recognising the importance of achieving this by respecting and promoting national and regional culture.

Above all, it is in the field of communications where there is need to intensify the efforts which have been done up to now. This is not only to reinforce the European identity of specific areas of fundamental importance in the cultural industry, for example, cinema, but also to develop the beneficial effects that such activity would have on employment, especially for our youth.

For these reasons, we wish to ask you to reflect on the following points which we feel should be given priority in any action taken by the future Commission:

* To consider culture as a strategic unifying force of the European Union. Culture must be a central part of the European integration process. It is necessary that it be considered as a whole, without drawing a line between cultural issues and the audiovisual sector. Both questions must be settled with a unitary vision by the Parliament, Council and the Commission;

* To ensure that adequate funds are provided for culture when appropriate to strengthen the role that culture must play into the next Millennium, to the extent that culture is a significant part of the very identity of Europe and that it has many effects on employment and social cohesion;

* To make effective the reference to culture mentioned in the Treaty but not yet put into practice;

* To take into account alongside competitive considerations the specificity and the diversity of culture in multilateral trade negotiations.

We are sure that you will pay attention to these questions. We would like these hopes to take effect in order to demonstrate to the Europeans, as the Commissioner Oreja stressed, "that which unites us is stronger than that which divides us, that is the building of a common house together".

Done in Rome, on June 24, 1999-06-28

Giovanna MELANDRI

Manuel Maria CARRILHO

Suvi LINDEN

Michael NAUMANN

Chris SMITH

Catherine TRAUTMANN

Peter WITTMANN

_____________

ZONDER DEBAT AANGENOMEN PUNTEN

Besluiten die vergezeld gaan van verklaringen voor de Raadsnotulen die de Raad voor het publiek beschikbaar heeft gesteld, zijn aangegeven met een asterisk; deze verklaringen zijn verkrijgbaar bij de Persdienst.

EXTERNE BETREKKINGEN

FRJ - sancties

De Raad heeft een besluit aangenomen tot wijziging van de in zijn besluit van 10 mei 1999 opgenomen lijst van personen uit de Federale Republiek Joegoslavië aan wie geen visum mag worden afgegeven (deze lijst moet regelmatig worden bijgewerkt bij verzoeken om specifieke personen aan de lijst toe te voegen of van de lijst te schrappen).

Dit besluit strekt er in hoofdzaak toe de namen van vier personen van de lijst te schrappen en de namen van acht personen aan de lijst toe te voegen:

personen die worden geschrapt: GAZIVODA Bozidar, IVANISEVIC Miroslav, IVKOVIC Zoran, KRGOVIC Ljubisa;

personen die worden toegevoegd: KOSTIC Yugoslav (minister zonder portefeuille), KOVAC Miodrag (minister van Arbeid, Volksgezondheid en Sociale Zekerheid), OGNJANOVIC Vuk (minister zonder portefeuille), SAVOVIC Margit (minister zonder portefeuille), SIRADOVIC Djordje (minister van Handel en Toerisme), DJOLIC Gvozdan (plaatselijk hoofd SPS, Aleksandrovac), MIHAJLOVIC Milivoje (burgemeester van Krusevac, SPS), ZVETKOVIC Zivota (burgemeester van Aleksandrovac, SPS).

Gebied van de Grote Meren in Afrika - Speciaal Vertegenwoordiger van de EU

De Raad heeft een besluit aangenomen waarbij het mandaat van de Speciale Vertegenwoordiger van de EU voor het gebied van de Grote Meren in Afrika, de heer Aldo Ajello, met twaalf maanden wordt verlengd tot 31 juli 2000.

Het financiële referentiebedrag dat bestemd is om de kosten in verband met zijn opdracht te dekken, beloopt 1.137.000 euro.

Dit besluit wordt over zes maanden opnieuw bekeken. De passende Raadsinstanties zullen de betrekkingen tussen de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB en de Speciale Vertegenwoordigers van de EU op horizontale basis bespreken.

Europese Economische Ruimte

De Raad heeft namens de EU een ontwerp-besluit van het Gemengd Comité van de EER tot wijziging van bijlage XVI bij de EER-Overeenkomst goedgekeurd, ten einde de EG-regelgeving betreffende aanbestedingen in de EER te integreren.

Betrekkingen met Tunesië

De Raad heeft namens de EU een ontwerp-besluit aangenomen van de Associatieraad EU-Tunesië tot oprichting van een werkgroep sociale zaken, zoals bepaald in artikel 73 van de Associatieovereenkomst.

HANDELSVRAAGSTUKKEN

Antidumpinginvoer van katoenachtig beddenlinnen uit India

De Raad heeft een verordening aangenomen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2398/97 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenachtig beddenlinnen van oorsprong uit Egypte, India en Pakistan, door toevoeging van vier bedrijven aan de lijst van bedrijven waarop het - lagere - recht van 11,6 % voor bedrijven die aan het oorspronkelijke onderzoek hebben meegewerkt, van toepassing is.

Dit besluit volgt op de voorlegging door die vier bedrijven (Emm Libas Private Ltd, Sarna Exports Ltd, Stitchwell Garments en Utkarsh Exim Pvt Ltd) van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat zij voldoen aan de voorwaarden om als "nieuwe exporterende producent" te worden beschouwd (de bedrijven hebben tijdens het onderzoektijdvak niet uitgevoerd naar de EG; zijn niet verbonden met exporteurs waarop de antidumpingrechten van toepassing zijn; hebben na het onderzoektijdvak naar de EG uitgevoerd of hebben een onherroepelijke contractuele verplichting aangegaan om een belangrijke hoeveelheid naar de Gemeenschap uit te voeren).

COMITOLOGIE*

Overeenkomstig het politiek akkoord dat op 21 juni 1999 door de Raad Algemene Zaken is bereikt, heeft de Raad het besluit tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, dat het uit 1987 daterende comitologiebesluit zal vervangen, formeel goedgekeurd.

Het nieuwe besluit maakt de comitologie eenvoudiger, verleent het Europees Parlement controlerecht bij de uitvoering van middels medebeslissing aangenomen besluiten, en maakt de comitologie een stuk doorzichtiger.

Het besluit bevat criteria die de wetgever tot leidraad dienen bij de keuze van de comitologie, waarbij een zekere mate van flexibiliteit is ingebouwd:


- van de beheersprocedure moet gebruik worden gemaakt voor beheersmaatregelen als die welke betrekking hebben op de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid of op de uitvoering van programma's met aanzienlijke gevolgen voor de begroting;

- van de regelgevingsprocedure moet gebruik worden gemaakt voor maatregelen met algemene strekking die ten doel hebben essentiële onderdelen van een basisbesluit toe te passen, met inbegrip van maatregelen die de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van mensen, dieren of planten beogen, alsmede voor maatregelen die ten doel hebben sommige niet-essentiële onderdelen van een basisbesluit aan te passen of bij te werken;
- van de raadplegingsprocedure moet gebruik worden gemaakt in de gevallen waarin deze het meest geschikt lijkt en zij zal van toepassing zal blijven in de gevallen waarin zij thans van toepassing is;

De vereenvoudiging van de comitologie betreft in hoofdzaak de beheers- en regelgevingsprocedures, waarvan niet langer twee varianten zullen bestaan.

De belangrijkste inhoudelijke wijziging betreft de regelgevingsprocedure. Indien voor uitvoeringsmaatregelen die de Commissie van plan is aan te nemen in het comité niet de noodzakelijke meerderheid bestaat, dient de Commissie bij de Raad een voorstel in. De Raad heeft niet meer de mogelijkheid het voorstel met een gewone meerderheid te verwerpen (de zogeheten "contre-filet-procedure" wordt dus geschrapt). Indien een gekwalificeerde meerderheid verzet aantekent tegen de tekst, moet de Commissie haar voorstel heroverwegen en moet er verder worden onderhandeld teneinde een compromis te bereiken. De doelmatigheid van de besluitvorming wordt gewaarborgd door het feit dat de Commissie na een in ieder basisbesluit te bepalen termijn de maatregelen kan vaststellen, indien de Raad het uitvoeringsbesluit niet heeft aangenomen en ook niet te kennen heeft gegeven dat hij ertegen is.

Met dit besluit wordt het Europees Parlement nauwer betrokken bij de uitvoering van middels medebeslissing aangenomen besluiten. Indien het Europees Parlement van mening is dat een uitvoeringsmaatregel die de Commissie van plan is te nemen, de uitvoeringsbevoegdheden waarin het basisbesluit voorziet, overschrijdt, kan het dit meedelen aan de Commissie, die dat ontwerp opnieuw moet behandelen. In het kader van de regelgevingsprocedure krijgt het Europees Parlement ook controlerecht in de gevallen waarin de Commissie de Raad een voorstel voorlegt over de uitvoeringsmaatregelen omdat er in het comité geen overeenstemming bestaat. Het Europees Parlement krijgt uitvoerige informatie over de werkzaamheden van de comités zodat het zijn controlerecht ten volle kan uitoefenen.

De voorlichting van het publiek over de comitologie zal aanzienlijk worden verbeterd. De regels voor toegang van het publiek die voor de Commissie gelden, worden nu ook van toepassing op documenten van de comités, in het Publicatieblad wordt een lijst gepubliceerd van alle comités en de Commissie zal een jaarverslag publiceren over de werking van de comités. Er komt een openbaar register met de referenties van de comitologiedocumenten en de Commissie heeft aangegeven voornemens te zijn de aan het Europees Parlement toegezonden documenten over de werkzaamheden van de comités voor het publiek beschikbaar te stellen.

Tot slot moeten de bepalingen met betrekking tot bestaande comités worden aangepast aan de nieuwe procedures.

BEGROTING

Gewijzigde en aanvullende begroting 1999

De Raad heeft een ontwerp van gewijzigde en aanvullende begroting nr. 1/99 voor het begrotingsjaar 1999 opgesteld en heeft daartoe het Commissievoorstel overgenomen, dat in hoofdzaak werd ingediend om het saldo van het begrotingsjaar 1998 in de begroting op te nemen. Het ontwerp zal worden toegezonden aan het Europees Parlement, de andere tak van de begrotingsautoriteit.

Het ontwerp regelt de volgende punten:

sB opneming in de begroting van het overschot van het begrotingsjaar 1998 ten belope van 3.022 miljoen ;
sB herziening van de correctie van de begrotingsonevenwichtigheden voor het begrotingsjaar 1995, die neerkomt op een verlaging van het bedrag ten voordele van het Verenigd Koninkrijk met 537,4 miljoen ;
sB bijstelling naar beneden van de ontvangsten uit douanerechten voor een bedrag van 511 miljoen (brutobedrag); actualisering van de BTW- en BNP-grondslagen en het gebruiken van 31.12.1998 als datum voor de wisselkoers euro/nationale munten.

JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Aanvullende begroting 1999 voor Europol

De Raad heeft na advies van de Raad van Bestuur van Europol de gewijzigde en aanvullende begroting van Europol voor het jaar 1999 aangenomen.

Met het oog op de uitbreidingen van het mandaat van Europol tot terrorismebestrijding en valsemunterij vanaf het begin van de werkzaamheden voorziet de aanvullende begroting in zeven nieuwe ambten, namelijk vier in verband met terrorismebestrijding en drie in verband met valsemunterij.

Voor de aanvullende begroting zijn geen bijkomende financiële middelen van de lidstaten nodig, aangezien de nieuwe ambten binnen het bestaande financiële kader van de begroting 1999 zullen worden gefinancierd.

Ondertekening van de overeenkomst met IJsland en Noorwegen inzake Schengen in verband met de betrekkingen met het Verenigd Koninkrijk en Ierland

De Raad heeft het besluit aangenomen betreffende de sluiting van een overeenkomst met IJsland en Noorwegen voor de vaststelling van de wederzijdse rechten en verplichtingen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk enerzijds en IJsland en Noorwegen anderzijds, op gebieden van het Schengen-acquis die op deze staten van toepassing zijn.

Deze overeenkomst zal naar verwachting op 30 juni 1999 op het niveau van de ambassadeurs worden ondertekend.

De overeenkomst stelt de rechten en verplichtingen vast tussen IJsland en Noorwegen, enerzijds, en Ierland of het Verenigd Koninkrijk of beide, anderzijds, voor zover Ierland of het Verenigd Koninkrijk, of beide, deelnemen aan het Schengen-acquis of aan de ontwikkeling ervan, overeenkomstig het Schengen-protocol dat aan het Verdrag van Amsterdam is gehecht.

Er zij gememoreerd dat IJsland en Noorwegen op 18 mei 1999 een overeenkomst met de EU hebben gesloten waarbij de nodige procedures werden ingesteld om deze landen te betrekken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengen-acquis.

CONSUMENTENBELEID

Resolutie van de Raad inzake het consumentenbeleid van de Gemeenschap 1999-2001

De Raad heeft de resolutie inzake het consumentenbeleid van de Gemeenschap 1999-2001 formeel aangenomen; de Raad had tijdens de zitting van 13 april 1999 reeds overeenstemming over de resolutie bereikt.

De volledige tekst van deze resolutie is bekendgemaakt in mededeling aan de pers nr. 7212/99 van 13.04.1999. De tekst zal ook worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (C-reeks).

DOUANE-UNIE

De Raad heeft een verordening aangenomen tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1255/96 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde industrie- en landbouwproducten.

De wijzigingsverordening houdt rekening met nieuwe schorsingsverzoeken die zijn ingediend en aanvaard, met technische ontwikkelingen van de producten of economische trends op de markt die tot het opheffen van een aantal bestaande schorsingen hebben geleid, en met wijzigingen van nomenclatuurcodes. Voorts worden een aantal producten uit de bijlage bij Verordening nr. 1255/96 gehaald ten einde aan te geven dat opnieuw douanerechten worden geheven.

TELECOMMUNICATIE

Gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen

De Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt aangenomen inzake het voorstel voor een richtlijn

betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen. De tekst, waarover reeds een politiek akkoord is bereikt tijdens de Raad Telecommunicatie van 22 april 1999, wordt nu overeenkomstig de medebeslissingsprocedure voor de tweede lezing toegezonden aan het Europees Parlement.

Dit voorstel beoogt een goed functioneren van de interne markt op het gebied van elektronische handtekeningen door het totstandbrengen van een geharmoniseerd kader.

Dit kader, dat bestaat uit een verzameling criteria die de basis vormt voor de juridische erkenning van elektronische handtekeningen, zal het gebruik van deze handtekeningen vergemakkelijken en aldus de consumenten en de ondernemingen in Europa in staat stellen ten volle gebruik te maken van de door de elektronische communicatie geboden mogelijkheden.

Een uitgebreide samenvatting van het gemeenschappelijk standpunt staat in Mededeling aan de Pers nr. 7398/99 van 22.04.1999.

Resolutie van de Raad over maatregelen om het millenniumprobleem in de computerwereld aan te pakken

Overeenkomstig het principieel akkoord dat op de Raad Telecommunicatie van 22 april 1999 is bereikt, heeft de Raad de resolutie over maatregelen om het millenniumprobleem in de computerwereld aan te pakken, formeel aangenomen.

De volledige tekst van deze resolutie staat in de Mededeling aan de Pers nr. 7398/99 van 22.04.1999. De tekst wordt ook bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (C-serie).

ARBEID EN SOCIALE ZAKEN

Richtlijn betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd*

De Raad heeft de richtlijn aangenomen betreffende de door het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV), de Unie van Industrie- en Werkgeversfederaties in Europa (UNICE) en het Europees Centrum van gemeenschapsbedrijven (CEEP)gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Deze overeenkomst heeft tot doel de toepassing van het non-discriminatiebeginsel voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in vergelijking met werknemers in vaste dienst te garanderen. Een andere doelstelling bestaat erin misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen.

De overeenkomst bevat de algemene beginselen en minimumeisen met betrekking tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, onder erkenning van het feit dat bij de nadere toepassing ervan rekening moet worden gehouden met de specifieke nationale, sectoriële en seizoensituaties´. De overeenkomst is van toepassing op alle werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, met uitzondering van degenen die door een uitzendbureau ter beschikking van een inlener worden gesteld.

JEUGD

Communautair actieplan "Jeugd"

De Raad heeft het gemeenschappelijk standpunt tot vaststelling van het communautaire actieplan "Jeugd" aangenomen.

De inhoud van dit programma staat in de Mededeling aan de Pers nr. 8655/1/99 REV 1 (Presse 169-G) van 27 mei 1999.

ENERGIE

SAVE en ALTENER

De Raad heeft de gemeenschappelijke standpunten aangenomen betreffende


- de beschikking tot vaststelling van een meerjarenprogramma ter aanmoediging van een rationeel en efficiënt gebruik van energiebronnen (SAVE) (1998-2002), en

- de beschikking tot vaststelling van een meerjarenprogramma ter bevordering van duurzame energiebronnen in de Gemeenschap (ALTENER) (1998-2002).

Beide programma's zijn beschreven in de Mededeling aan de Pers nr. 12742/98 (Presse 380-G) van 13 november 1998.

INTERNE MARKT

Kabelbaaninstallaties voor het personenvervoer

De Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt aangenomen inzake het voorstel voor een richtlijn betreffende kabelbaaninstallaties voor het personenvervoer. De aanneming vloeit voort uit het politieke akkoord dat tijdens de Raad Interne Markt van 9 november 1998 is bereikt. Het gemeenschappelijk standpunt zal overeenkomstig de medebeslissingsprocedure aan het Europees Parlement worden voorgelegd voor een tweede lezing.

Bij kabelbaaninstallaties gaat het in hoofdzaak om vervoersinstallaties die in toeristische centra in de bergen worden gebruikt en die kabelspoorwegen, pendelbanen, gondelbanen, stoeltjesliften en skisleepliften omvatten, doch het kan ook gaan om kabelbaaninstallaties voor bepaalde vormen van stadsvervoer.

Voor aanvullende informatie over het gemeenschappelijk standpunt, zie Mededeling aan de Pers nr. 12562/98 van 09.11.1998.

_______________


/newsroom/press/c/ACF1D3.htm

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie