Nieuwsbank

Schrijft, screent en verspreidt persberichten voor journalistiek, search en social media. Hét startpunt om uw nieuws wereldkundig te maken. Ook voor follow-ups, pitches en korte videoproducties.

Actualisering omschrijving belastingschade

Datum nieuwsfeit: 02-07-1999
Vindplaats van dit bericht
Bron: Razende Robot Reporter
Zoek soortgelijke berichten
Ministerie van Financien

Titel: Omschrijving belastingschade


Besluit van 2 juli 1999, DB99/1736 M

De plv. directeur-generaal der Belastingen heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.


1. Inleiding

Een vergoeding voor belastingschade leidt o.a. op grond van de arresten van 26 april 1950, NJ 1950, 823 en van 1 juni 1960, BNB 1960/196* niet tot heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting. Er bestaat een zestal oude besluiten die alle het onderwerp belastingschade behandelen. Mede naar aanleiding van enkele rechterlijke beslissingen heb ik besloten de oude beleidsregels te actualiseren.


2. Omschrijving belastingschade


2.1 Algemene definitie

In het kader van onteigeningen of verkopen ter voorkoming daarvan worden uiteenlopende vergoedingen betaald. In dit besluit wordt met onteigening bedoeld het handelen van de overheid in de zin van artikel 57, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Vergoedingen die tot het inkomen van de onteigende moeten worden gerekend, kunnen leiden tot belastingschade. Voor de inkomstenbelasting gaat het daarbij tevens om de in één aanslag geheven premie voor de volksverzekeringen. Kortheidshalve wordt dat hierna als inkomstenbelasting aangeduid.

Soms kan ook in andere gevallen sprake zijn van vergoedingen voor belastingschade. Daarbij kan worden gedacht aan de situatie die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 1998, BNB 1998/160. Daarin betaalde een notaris een belastingschadevergoeding in verband met een niet geslaagde geruisloze inbreng van een onderneming in een B.V. Overigens merk ik op dat ik mij niet kan verenigen met de wijze waarop betrokkenen in dat geval de grootte van de belastingschade hadden berekend. Ook in niet-onteigeningsgevallen wordt de belastingschade bepaald met inachtneming van het hiernavolgende, zij het dat daarbij hetgeen tot vergoeding van belastingschade aanleiding gaf in de plaats moet worden gesteld van de onteigening.

In een aantal arresten heeft de Hoge Raad beslist wat onder belastingschade bij onteigening moet worden verstaan (o.m. HR 7 januari 1970, BNB 1970/236). Van belastingschade is sprake indien in de schadeloosstelling posten zijn begrepen die fiscaal als inkomen moeten worden beschouwd (inkomensschade) en waarvan meer of eerder belasting wordt geheven dan geheven zou zijn indien datzelfde inkomen zonder onteigening, anders verdeeld en op andere tijdstippen aan de onteigende zou zijn toegevallen. Dit betekent dat belastingschade bestaat uit het verschil tussen:

* de inkomsten- of vennootschapsbelasting die de onteigende verschuldigd wordt over de thans in één bedrag ontvangen vergoeding van inkomensschade én

* de contant gemaakte som der bedragen aan inkomsten- of vennootschapsbelasting over het na onteigening te missen (zelfde) inkomen of winst die over een reeks van jaren zou zijn verschuldigd.


2.2 Het aanbod dat niet is af te slaan

Zelfs als wordt voldaan aan hetgeen in 2.1 hierboven staat, kan het zijn dat geen sprake is van belastingschade. Dat heeft de Hoge Raad beslist, bijvoorbeeld in het arrest van 26 augustus 1998, BNB 1999/49*. De Hoge Raad overwoog dat geen belastingschade optreedt indien een redelijk handelende ondernemer die in gelijke omstandigheden verkeert als de belastingplichtige en rekening houdend met de belastingheffing over de boekwinst, ook zonder (dreigende) onteigening dezelfde transactie zou zijn aangegaan. Het zal dan gaan om een aanbod dat zo goed is dat het redelijkerwijze niet kan worden afgeslagen.


2.3 Bestemmingswijzigingswinst

De in 2.1 opgenomen definitie leidt er toe dat geen belastingschade ontstaat bij zogenoemde bestemmingswijzigingswinsten. Dit zijn belastbare boekwinsten als gevolg van de vervreemding van landbouwgronden die niet onder het bereik vallen van de landbouwvrijstelling, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De reden hiervoor is dat er geen sprake kan zijn van het genieten van "datzelfde inkomen zonder onteigening". De bestemmingswijzigingswinst treedt hier immers op juist als gevolg van de onteigening. Overigens merk ik op dat indien bestemmingswijzigingswinsten worden behaald sprake kan zijn van een aanbod dat zo goed is dat het redelijkerwijze niet kan worden afgeslagen (onderdeel 2.2 hierboven).


2.4 Vervangingsreserve

Uit ons rechtssysteem vloeit voort dat een belanghebbende (na onteigening) wordt geacht het nodige te verrichten ter beperking van de hem toegebrachte (belasting)schade. Dit betekent dat indien de belastingplichtige redelijkerwijze een vervangingsreserve kan vormen in zoverre van belastingschade geen sprake is. Indien de belastingplichtige in zo'n situatie geen vervangingsreserve vormt, is de vervroegde belastingbetaling geen rechtstreeks gevolg van de onteigening doch van het besluit niet te reserveren. In mijn besluit van 25 augustus 1992, nr. DB92/3157, BNB 1992/313, heb ik een goedkeuring verleend als gevolg waarvan bij onteigening vaker en in ruimere mate een vervangingsreserve kan worden gevormd. Zie voor het beperken van schade ook onderdeel 2.5 hierna inzake investeringsfaciliteiten.


2.5 Investeringsfaciliteiten

Belastingschade kan mede omvatten het verschuldigd worden van een desinvesteringsbijtelling

(-betaling). Dit doet zich niet voor als de inspecteur aannemelijk kan maken dat de desinvestering zich ook zonder de vervreemding ter voorkoming van onteigening had gemanifesteerd.

Ook als eerder willekeurig is afgeschreven op de voet van artikel 10, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kan (een deel van) de winst die op dat desbetreffende bedrijfsmiddel wordt gemaakt belastingschade opleveren. Uiteraard dient een oorzakelijk verband aanwezig te zijn met de onteigening.

Doet een ondernemer vervangende investeringen waarvoor hij recht heeft op (energie-) investeringsaftrek of willekeurige afschrijving dan komt dat voordeel in mindering op de belastingschade (vgl. HR 12 december 1979, V-N 1980/ blz.148).


2.6 Andere onbelaste vergoedingen

Behalve de vergoedingen voor belastingschade zijn er ook andere vergoedingen welke in verband met de onteigening worden verleend die eveneens niet aan de inkomstenbelasting zijn onderworpen, omdat zij niet uit de onderneming of uit een andere bron van inkomen voortvloeien. Dit is naar mijn oordeel onder meer het geval met vergoedingen voor meer te betalen privé-uitgaven als huur voor een privé-woning, hogere kosten van levensonderhoud, verhuiskosten van de privé-inboedel en inrichtingskosten van de nieuwe woning. Met betrekking tot vergoedingen van deze aard kan uiteraard van belastingschade geen sprake zijn.


2.7 Voorbeeld

Geschat gemiddeld inkomen zonder onteigening in de periode waarover de schadevergoedingen wordt toegekend (in casu 11 jaren): f.60.000 p/j, IB (stel): f.20.000

Geschat gemiddeld inkomen na onteigening: f.15.000 p/j, IB (stel): f.
2.000 -/-

Te derven inkomen: f.45.000 p/j, IB (stel): f.18.000

Schadeloosstelling: f.380.000 (contante waarde van 11 jaren x f.45.000 (geschatte te derven winst)). Inkomstenbelasting (hierna: IB) over deze schadeloosstelling (stel): f.165.000.

De contante waarde van de IB (11x f.18.000) over het te derven inkomen bedraagt: f.152.000

Door de onteigening is in één keer verschuldigd over f.380.000 : f.165.000

Belastingschade: f. 13.000


3. Goedkeuring

Indien de onteigenende partij bereid is de belasting te vergoeden die de onteigende over een onteigeningsvergoeding is verschuldigd, kan deze tweede vergoeding wederom als bedrijfsbate zijn onderworpen aan de heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting. Dat kan zich voordoen als de onteigende een hogere belastingvergoeding ontvangt dan het bedrag dat als belastingschade kan worden aangemerkt. Dit proces zal zich in beginsel herhalen tot de vergoeding zo klein wordt, dat zij niet meer tot belastingheffing aanleiding kan geven. Ik keur evenwel op praktische gronden goed, dat na de heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting over de tweede belastingvergoeding geen verdere belastingheffing terzake hiervan meer plaats vindt.

Wellicht ten overvloede merk ik op dat het voorgaande van overeenkomstige toepassing is op pachters en huurders.


4. Procedure


4.1 De inspecteur berekent desgevraagd de belastingschade. De verzoeker verstrekt de benodigde gegevens aan de inspecteur. Voorzover bij de berekening nog gegevens van een ander dan de verzoeker nodig zijn, moet de inspecteur voor het gebruiken van die gegevens uitdrukkelijk toestemming hebben van die ander. De inspecteur legt die toestemming vast.


4.2 Het is mogelijk dat een partij, betrokken bij de onteigening, de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken te Rotterdam (hierna: de Stichting) vraagt de belastingschade te begroten.


4.2.1 De Stichting heeft daartoe gegevens nodig van de Belastingdienst. Hiertoe heeft de Stichting een vragenformulier ontworpen. De inspecteur verstrekt de op bovenvermelde formulieren gevraagde gegevens aan de Stichting mits voor het verstrekken van de gegevens uitdrukkelijke toestemming is gegeven door de belastingplichtige. De inspecteur legt de toestemming vast. Deze toestemming kan blijken uit een verklaring vóóraf op het vragenformulier.


4.2.2 De inspecteur blijft verantwoordelijk voor een juiste belastingheffing. Dat betekent dat de inspecteur uiteindelijk beoordeelt of en in hoeverre een bepaalde vergoeding nu wel of niet (b.v. voor belastingschade) in het het belastbare inkomen moet worden begrepen.


5. Vennootschapsbelasting

De voorgaande leden zijn, voorzover mogelijk, van overeenkomstige toepassing op belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen.


6. Vermogensbelasting

Op grond van de arresten van de Hoge Raad d.d. 24 juni 1959, NJ 1959, 578 en 24 mei 1967, BNB 1967/180 doet zich geen belastingschade voor door de heffing van vermogensbelasting.


7. Vervallen besluiten

De volgende besluiten zijn per de dagtekening van dit besluit ingetrokken:


- 9 februari 1951, no. 53 (IB nr. 96, Boekwerk IB65, 1.51.53, bijlage XV );


- 28 maart 1952, no. 2 (IB nr. 113, Boekwerk IB65, 1.51.53, bijlage XVII);


- 16 oktober 1959, no. B8/5388 (IB nr. 250, Boekwerk IB65, 1.51.53, bijlage XXXII);


- 10 mei 1966, nr. 2 (IB nr.380, Boekwerk IB65, 1.51.53, bijlage XLVI);


- 31 oktober 1966, nr. B6/13881 (IB nr. 382, Boekwerk IB65, 1.51.53, bijlage XLVII);


- 21 februari 1977, nr. 277-2592 (Boekwerk IB'65, 1.50.24 en Boekwerk VpB'69, 1.00.18).
Een afschrift van deze brief en de bijlage (ook op diskette) te zenden aan de Belasting-dienst/Particulieren Leiden t.a.v. de heer W. Versluis met het verzoek het bijgevoegde Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 2 juli 1999, nr. DB 99/1736M, zo spoedig mogelijk op te nemen in het Boekwerk Inkomstenbelasting 1965.

Een afschrift van deze brief en de bijlage (ook op diskette) te zenden aan de Belasting-dienst/Directie Grote Ondernemingen Amsterdam t.a.v. mevrouw N. Cabell met het verzoek het bijgevoegde besluit van de staatssecretaris van Financiën van 2 juli 1999, nr. DB99/1736M, zo spoedig mogelijk op te nemen in het Boekwerk Vennootschapsbelasting 1969.

reageer via disqus

Nieuwsbank op Twitter

Gratis persberichten ontvangen?

Registreer nu

Profiteer van het gratis Nieuwsbank persberichtenfilter

advertentie